Inhoud van Metamorfosen boek 12

Het Griekse leger in Aulis. [Met.XII,1 - 63]

Nescius adsumptis Priamus pater Aesacon alis
vivere lugebat: tumulo quoque nomen habenti
inferias dederat cum fratribus Hector inanes;
defuit officio Paridis praesentia tristi,
postmodo qui rapta longum cum coniuge bellum




5
Vader Priamus rouwde om Aesacus, niet wetend dat die nog in leven was
dank zij de vleugels die hij kreeg: ook Hector had aan het lege graf, waarop
slechts zijn naam, overbodige dodengaven gebracht samen met zijn broers;
Paris ontbrak bij dit treurig ritueel en bezorgde al gauw door de schaking
van Menelaos' echtgenote zijn vaderstad een langdurige oorlog.
attulit in patriam: coniurataeque sequuntur
mille rates gentisque simul commune Pelasgae;
nec dilata foret vindicta, nisi aequora saevi
invia fecissent venti, Boeotaque tellus
Aulide piscosa puppes tenuisset ituras.




10
Duizend schepen en alle saamgezworen volken der Grieken
trokken eensgezind op en de wraak zou niet op zich hebben laten
wachten als razende winden de zee niet onbegaanbaar hadden gemaakt
en het Boeotische land de schepen bij hun oversteek
niet vast had gehouden in het visrijke Aulis.
hic patrio de more Iovi cum sacra parassent,
ut vetus accensis incanduit ignibus ara,
serpere caeruleum Danai videre draconem
in platanum, coeptis quae stabat proxima sacris.
nidus erat volucrum bis quattuor arbore summa:




15
Toen zij hier, naar gebruik, voor Juppiter offers voorbereidden
en het oude altaar door het onsteken van vuur opgloeide,
zagen de Grieken een donkere slang kruipen naar een plataan
die naast het in gang gezette offer stond.
Er bevond zich een nest met acht vogeltjes in de top van de boom:
quas simul et matrem circum sua damna volantem
corripuit serpens avidoque recondidit ore,
obstipuere omnes, at veri providus augur
Thestorides 'vincemus'; ait, 'gaudete, Pelasgi!
Troia cadet, sed erit nostri mora longa laboris,'




20
die kreeg de slang te pakken met de moeder die om haar gedoemde kroost
fladderde en verslond ze met zijn gretige muil;
allen stonden perplex maar de vogelwichelaar Calchas zei
met profetisch inzicht: 'Wij zullen zegevieren, verheug je dus, Grieken!
Troje zal vallen, maar er wacht ons nog een lange tijd van zware labeur'.
atque novem volucres in belli digerit annos.
ille, ut erat virides amplexus in arbore ramos,
fit lapis et signat serpentis imagine saxum.
Permanet Aoniis Boreas violentus in undis
bellaque non transfert, et sunt, qui parcere Troiae




25
Want de negen vogeltjes bracht hij in verband met de jaren van oorlog.
De slang versteende zoals hij zich daar aan de takken in de boom klampte
en vormt zo een beeld van een slang van steen.
De hevige Noordenwind bleef de Aonische wateren teisteren
en bracht de oorlog niet over; ja er zijn er die geloven dat Neptunus
Neptunum credant, quia moenia fecerat urbi;
at non Thestorides: nec enim nescitve tacetve
sanguine virgineo placandam virginis iram
esse deae. postquam pietatem publica causa
rexque patrem vicit, castumque datura cruorem




30
Troje beschermde omdat hij die stad haar muren had geschonken;
maar zo niet Calchas, Thestors zoon: hij weet immers zeker en verzwijgt
niet dat de woede van de maagd-godin met het bloed van een meisje
verzoend dient te worden. Nadat het publiek belang zijn ouderplicht
en de koning de vader in hem had overwonnen, stond Iphiginia voor het altaar
flentibus ante aram stetit Iphigenia ministris,
victa dea est nubemque oculis obiecit et inter
officium turbamque sacri vocesque precantum
supposita fertur mutasse Mycenida cerva.
ergo ubi, qua decuit, lenita est caede Diana,




35
tussen huilende priesters, bereid om haar zuivere bloed te vergieten.
Toen is de godin verwurmd, heeft een wolk voor de ogen gehangen
en heeft, naar men zegt, tijdens de plechtigheid, het gewoel rond het offer
en het geluid van de smekenden het Myceense meisje vervangen door een hert.
Zodra dus Diana zo veel mogelijk gekalmeerd is met dit offer
et pariter Phoebes, pariter maris ira recessit,
accipiunt ventos a tergo mille carinae
multaque perpessae Phrygia potiuntur harena.
Orbe locus medio est inter terrasque fretumque
caelestesque plagas, triplicis confinia mundi;




40
is zowel háár woede geweken alsook die van de zee:
de duizend schepen kregen de wind in de rug en legden
na veel gevaren op het strand aan van Phrygië.
- Er is een plek op de aardbol, gelegen tussen land en zee
en het hemelgebied, het grensgebied van de drievoudige wereld.
unde quod est usquam, quamvis regionibus absit,
inspicitur, penetratque cavas vox omnis ad aures:
Fama tenet summaque domum sibi legit in arce,
innumerosque aditus ac mille foramina tectis
addidit et nullis inclusit limina portis;




45
Vandaar wordt alwat zich ergens bevindt, hoe ver ook verwijderd,
bespied en elk stemgeluid dringt de holtes van oorschelpen binnen.
Vrouwe Faam zetelt er en heeft haar burcht op de hoogste top.
Talloze ingangen en duizend vensters heeft zij haar paleis gegeven
en door geen enkele deur is het afgesloten;
nocte dieque patet: tota est ex aere sonanti,
tota fremit vocesque refert iteratque quod audit;
nulla quies intus nullaque silentia parte,
nec tamen est clamor, sed parvae murmura vocis,
qualia de pelagi, siquis procul audiat, undis




50
nee, dag en nacht staat alles open: het bestaat helemaal uit weergalmend brons,
overal gonst het daar, echoot praatjes en herhaalt wat te horen is.
Nergens heerst binnen rust, stilte is nergens te vinden,
toch is er ook geen geschreeuw, slechts gemurmel van gedempte stemmen,
zoals dat te horen is van de golven van de zee, als je die vanuit de verte opvangt,
esse solent, qualemve sonum, cum Iuppiter atras
increpuit nubes, extrema tonitrua reddunt.
atria turba tenet: veniunt, leve vulgus, euntque
mixtaque cum veris passim commenta vagantur
milia rumorum confusaque verba volutant;




55
of zoals het gerommel, wanneer Juppiter donkere wolken
donderen laat en de verre donder nog hoorbaar is.
Een duistere menigte huist er: een vluchtige warboel van komen en gaan,
overal zwerven opinies rond vermengd met feiten
die ontelbare geruchten en wartaal rondstrooien;
e quibus hi vacuas inplent sermonibus aures,
hi narrata ferunt alio, mensuraque ficti
crescit, et auditis aliquid novus adicit auctor.
illic Credulitas, illic temerarius Error
vanaque Laetitia est consternatique Timores




60
daarvan vullen sommige de lege oren met praatjes
die brengen het over naar een ander en het aandeel verzinsel
zwelt aan, elke nieuwe verteller voegt er iets nieuws aan toe.
Daar huist 'Goedgelovigheid', daar ook de blinde 'Dwaling',
ook de loze 'Gniffel' en onthutste 'Bangheid',
Seditioque repens dubioque auctore Susurri;
ipsa, quid in caelo rerum pelagoque geratur
et tellure, videt totumque inquirit in orbem.
plotselinge 'Onrust' en 'Fluisteringen' uit dubieuze bron.
Vrouw Faam zelf ziet wat zich afspeelt in de lucht en op zee
en ook aan land en speurt heel de aarde af naar nieuws.

naar begin van boek XII.

De zwanezang van Cygnus. Strijd om Troje ontbrand. [Met.XII,64 - 145]

Fecerat haec notum, Graias cum milite forti
adventare rates, neque inexspectatus in armis
hostis adest: prohibent aditus litusque tuentur
Troes, et Hectorea primus fataliter hasta,
Protesilae, cadis, commissaque proelia magno
stant Danais, fortisque animae nece cognitus Hector.
nec Phryges exiguo, quid Achaica dextera posset,




70
Dit had Faam rondgebazuind: dat Griekse schepen met een sterk leger
in aantocht waren en dus was de vijand, daarop bedacht,
gewapend ter plaatse: de Trojanen proberen een landing tegen te houden
en bewaken de kust en, Protesilaüs, door lotsbeschikking sneuvel jij als eerste
door Hectors lans en de Grieken komt de begonnen strijd duur te staan,
door zijn dood wordt het karakter van Hector bekend.
Maar ook de Trojanen hebben door niet weinig bloedverlies gevoeld
sanguine senserunt, et iam Sigea rubebant
litora, iam leto proles Neptunia, Cycnus,
mille viros dederat, iam curru instabat Achilles
totaque Peliacae sternebat cuspidis ictu
agmina perque acies aut Cycnum aut Hectora quaerens




75
wat de Griekse hand uitricht: de Sigeïsche kust kleurt al rood,
de nazaat van Neptunus, Cycnus, heeft al duizend man de dood ingejaagd,
Achilles jaagt al in zijn strijdkar en vaagt hele linies weg met
de worp van zijn Pelionspeer en op zijn
zoektocht in de slagordes naar Cycnus of Hector
congreditur Cycno (decimum dilatus in annum
Hector erat): tum colla iugo candentia pressos
exhortatus equos currum derexit in hostem
concutiensque suis vibrantia tela lacertis
'Quisquis es, o iuvenis,' dixit 'solamen habeto




80
stuit hij op Cycnus (Hector werd voor het tiende jaar bewaard),
dan zwiept hij zijn paarden op, hun glanzende nekken gedrukt
door het juk, en stuurt zijn wagen af op de vijand
en zijn wapens drillend met zijn armen schreeuwt hij:
'Wie jij ook bent, knaap, je mag als troost voor je dood beschouwen
mortis, ab Haemonio quod sis iugulatus Achille!'
hactenus Aeacides: vocem gravis hasta secuta est,
sed quamquam certa nullus fuit error in hasta,
nil tamen emissi profecit acumine ferri
utque hebeti pectus tantummodo contudit ictu.




85
dat je vermoord bent door de Haemoniër Achilles!'
Tot zo ver Achilles: zijn zware speer vloog achter zijn schreeuw aan
maar hoewel de lans feilloos op zijn doel afging
heeft zij toch niets uitgericht met haar ijzeren punt
en slechts met een schampschot zijn borst geraakt.
'nate dea, nam te fama praenovimus,' inquit
ille 'quid a nobis vulnus miraris abesse?'
(mirabatur enim.) 'non haec, quam cernis, equinis
fulva iubis cassis neque onus, cava parma, sinistrae
auxilio mihi sunt: decor est quaesitus ab istis;




90
'Zoon van een godin' riep deze, 'je roem snelde je vooruit
wat verbaas je je dat wij onkwetsbaar zijn?'
(hij verbaasde zich namelijk) 'niet deze helm, die jij ziet met zijn
helmbos van paardenstaart noch de last van mijn linkerarm, het schild,
zijn mijn wapens: die heb ik slechts als versiering;
Mars quoque ob hoc capere arma solet! removebitur huius
tegminis officium: tamen indestrictus abibo;
est aliquid non esse satum Nereide, sed qui
Nereaque et natas et totum temperat aequor.'
dixit et haesurum clipei curvamine telum




95
Ook Mars neemt slechts daarom wapens op! Neem hun taak
van bescherming weg, dan nog kom ik ongehavend van hier.
Het gaat erom dat je niet de zoon van een Nereïde bent maar van hem
die heerser is over Nereus en zijn kinderen en heel de zee beheerst'.
Dat riep hij uit en zijn speer mikte hij op het gebogen schild van Achilles
misit in Aeaciden, quod et aes et proxima rupit
terga novena boum, decimo tamen orbe moratum est.
excutit hoc heros rursusque trementia forti
tela manu torsit: rursus sine vulnere corpus
sincerumque fuit; nec tertia cuspis apertum




100
en stootte die èn door het brons èn door negen lagen bescherming
van runderhuid maar toch bleef hij in de tiende schil steken.
De held rukte deze er uit en slingerde de gedrilde lans opnieuw
met zijn sterke hand; opnieuw bleef zijn lijf zonder wond
en ongeschonden; ook een derde lansworp was niet in staat
et se praebentem valuit destringere Cycnum.
haut secus exarsit, quam circo taurus aperto,
cum sua terribili petit inritamina cornu,
poeniceas vestes, elusaque vulnera sentit;
num tamen exciderit ferrum considerat hastae:




105
om Cycnus die pal voor hem ging staan te treffen.
Niet anders ontvlamde hij dan in het open circus een stier wanneer
die naar zijn uitdagers uitvalt met zijn schrikwekkende hoorns
de rode lap ziet en merkt dat wonden mislukken.
Hij bekijkt of de ijzeren punt van zijn lans is verdwenen:
haerebat ligno. 'manus est mea debilis ergo,
quasque' ait 'ante habuit vires, effudit in uno?
nam certe valuit, vel cum Lyrnesia primus
moenia deieci, vel cum Tenedonque suoque
Eetioneas inplevi sanguine Thebas,




110
hij zat nog aan het hout. 'Is mijn hand dan verzwakt
en zijn de krachten die ik voorheen had bij deze ene verdwenen?
want zeker had ie zijn kracht nog toen ik als eerste de muren van
Lyrnessos deed wankelen of Tenedos en het
Thebe van Eëtion hun eigen bloed liet vergieten,
vel cum purpureus populari caede Caicus
fluxit, opusque meae bis sensit Telephus hastae.
hic quoque tot caesis, quorum per litus acervos
et feci et video, valuit mea dextra valetque.'
dixit et, ante actis veluti male crederet, hastam




115
of toen de Caicus, gepurperd door het bloed van eigen mensen voortstroomde
en Telephus tot twee maal toe het werk van mijn lans voelde.
Hier ook is mijn arm sterk geweest en in staat tot zoveel doden
van wie ik hopen heb opgetast op de kust, dat zie ik toch zelf'.
Na deze woorden en als geloofde hij nauwelijks wat hij voorheen had gedaan
misit in adversum Lycia de plebe Menoeten
loricamque simul subiectaque pectora rupit.
quo plangente gravem moribundo vertice terram
extrahit illud idem calido de vulnere telum
atque ait:'haec manus est,haec,qua modo vicimus, hasta:




120
slingerde hij z'n lans naar Menoetes, een tegenstander uit Lycië,
en doorkliefde zowel zijn pantser als de borst daaronder.
Toen deze jammerend stervend zijn hoofd tegen de aarde bonkte
trok hij dat wapen weer uit de warme wond met de woorden:
'Dit is mijn hand, dit de speer waarmee ik zojuist heb gewonnen,
utar in hoc isdem; sit in hoc, precor, exitus idem!'
sic fatus Cycnum repetit, nec fraxinus errat
inque umero sonuit non evitata sinistro,
inde velut muro solidaque a caute repulsa est;
qua tamen ictus erat, signatum sanguine Cycnum




125
diezelfde zal ik ook tegen hem inzetten; laat nou toch de afloop gelijk zijn!'
Zo zocht hij Cycnus weer op en het essenhout faalde niet
en bonkte op zijn schouder, niet tegengehouden door zijn schild
maar vandaar is hij teruggeketst als door een muur of rots afgeweerd;
maar waar hij getroffen was had Achilles een bloedvlek bij Cycnus
viderat et frustra fuerat gavisus Achilles:
vulnus erat nullum, sanguis fuit ille Menoetae!
tum vero praeceps curru fremebundus ab alto
desilit et nitido securum comminus hostem
ense petens parmam gladio galeamque cavari




130
gezien en zich ten onrechte verheugd:
helemaal geen verwonding, dat bloed was nog van Menoetes!
Dan springt hij, werkelijk buiten zinnen, halsoverkop vanaf zijn hoge wagen
en stormt met zijn blinkend zwaard van dichtbij op de zorgeloze vijand af
en merkt hoe diens schild en helm door zijn zwaard wordt doorkliefd
cernit, at in duro laedi quoque corpore ferrum.
haut tulit ulterius clipeoque adversa reducto
ter quater ora viri, capulo et cava tempora pulsat
cedentique sequens instat turbatque ruitque
attonitoque negat requiem: pavor occupat illum,




135
maar op zijn harde lichaam het ijzer het toch weer begeeft.
Dit kan hij niet langer verkroppen en hij stoot met het schild drie, ja vier maal
in het gezicht van zijn tegenstander, beukt met zijn zwaardkling op zijn slapen
en als die terugdeinst zet hij hem na en dreigt en duwt
en gunt hem, uitgeput, geen rust: doodschrik slaat toe bij Cycnus
ante oculosque natant tenebrae retroque ferenti
aversos passus medio lapis obstitit arvo;
quem super inpulsum resupino corpore Cycnum
vi multa vertit terraeque adflixit Achilles.
tum clipeo genibusque premens praecordia duris




140
voor zijn ogen drijven wolken duisternis en als hij achteruit stapt
staat in het veld een steen zijn achterwaarste stappen in de weg,
daarover stoot Achilles Cynus achterover neer
en tilt met veel geweld hem op en kwakt hem tegen de grond.
Dan drukt hij hem met schild en harde knieën tegen de borst
vincla trahit galeae, quae presso subdita mento
elidunt fauces et respiramen iterque
eripiunt animae. victum spoliare parabat:
arma relicta videt; corpus deus aequoris albam
contulit in volucrem, cuius modo nomen habebat.




145
en trekt de riemen van zijn helm onder zijn kin aan:
die sluiten zijn keel en ademhaling af en ontnemen hem
zijn ademtocht. Achilles wil hem zijn wapens afnemen
maar treft slechts lege wapens aan! Neptunus heeft zijn lijf
verborgen in de witte watervogel, waarvan hij eerst alleen de naam droeg.

naar begin van boek XII.


Terug naar inhoudsopgave Metamorfosen

Terug naar Home