Inhoud van Metamorfosen boek 7

Medea valt voor Iason.(Met.7,1 - 99)

Iamque fretum Minyae Pagasaea puppe secabant,
perpetuaque trahens inopem sub nocte senectam
Phineus visus erat, iuvenesque Aquilone creati
virgineas volucres miseri senis ore fugarant,
multaque perpessi claro sub Iasone tandem 5
contigerant rapidas limosi Phasidos undas.
dumque adeunt regem Phrixeaque vellera poscunt
lexque datur Minyis magnorum horrenda laborum,
concipit interea validos Aeetias ignes
et luctata diu, postquam ratione furorem 10
vincere non poterat, 'frustra, Medea, repugnas:
nescio quis deus obstat,' ait, 'mirumque, nisi hoc est,
aut aliquid certe simile huic, quod amare vocatur.
nam cur iussa patris nimium mihi dura videntur?
sunt quoque dura nimis! cur, quem modo denique vidi, 15
ne pereat, timeo? quae tanti causa timoris?
excute virgineo conceptas pectore flammas,
si potes, infelix! si possem, sanior essem!
sed trahit invitam nova vis, aliudque cupido,
mens aliud suadet: video meliora proboque, 20
deteriora sequor. quid in hospite, regia virgo,
ureris et thalamos alieni concipis orbis?
haec quoque terra potest, quod ames, dare. vivat an ille
occidat, in dis est. vivat tamen! idque precari
vel sine amore licet: quid enim commisit Iason? 25
quem, nisi crudelem, non tangat Iasonis aetas
et genus et virtus? quem non, ut cetera desint,
ore movere potest? certe mea pectora movit.
at nisi opem tulero, taurorum adflabitur ore
concurretque suae segeti, tellure creatis 30
hostibus, aut avido dabitur fera praeda draconi.
hoc ego si patiar, tum me de tigride natam,
tum ferrum et scopulos gestare in corde fatebor!
cur non et specto pereuntem oculosque videndo
conscelero? cur non tauros exhortor in illum 35
terrigenasque feros insopitumque draconem?
di meliora velint! quamquam non ista precanda,
sed facienda mihi.—prodamne ego regna parentis,
atque ope nescio quis servabitur advena nostra,
ut per me sospes sine me det lintea ventis 40
virque sit alterius, poenae Medea relinquar?
si facere hoc aliamve potest praeponere nobis,
occidat ingratus! sed non is vultus in illo,
non ea nobilitas animo est, ea gratia formae,
ut timeam fraudem meritique oblivia nostri. 45
et dabit ante fidem, cogamque in foedera testes
esse deos. quid tuta times? accingere et omnem
pelle moram: tibi se semper debebit Iason,
te face sollemni iunget sibi perque Pelasgas
servatrix urbes matrum celebrabere turba. 50
ergo ego germanam fratremque patremque deosque
et natale solum ventis ablata relinquam?
nempe pater saevus, nempe est mea barbara tellus,
frater adhuc infans; stant mecum vota sororis,
maximus intra me deus est! non magna relinquam, 55
magna sequar: titulum servatae pubis Achivae
notitiamque soli melioris et oppida, quorum
hic quoque fama viget, cultusque artesque locorum,
quemque ego cum rebus, quas totus possidet orbis,
Aesoniden mutasse velim, quo coniuge felix 60
et dis cara ferar et vertice sidera tangam.
quid, quod nescio qui mediis concurrere in undis
dicuntur montes ratibusque inimica Charybdis
nunc sorbere fretum, nunc reddere, cinctaque saevis
Scylla rapax canibus Siculo latrare profundo? 65
nempe tenens, quod amo, gremioque in Iasonis haerens
per freta longa ferar; nihil illum amplexa verebor
aut, siquid metuam, metuam de coniuge solo.—
coniugiumne putas speciosaque nomina culpae
inponis, Medea, tuae?—quin adspice, quantum 70
adgrediare nefas, et, dum licet, effuge crimen!'
dixit, et ante oculos rectum pietasque pudorque
constiterant, et victa dabat iam terga Cupido.
Ibat ad antiquas Hecates Perseidos aras,
quas nemus umbrosum secretaque silva tegebat, 75
et iam fortis erat, pulsusque recesserat ardor,
cum videt Aesoniden exstinctaque flamma reluxit.
erubuere genae, totoque recanduit ore,
utque solet ventis alimenta adsumere, quaeque
parva sub inducta latuit scintilla favilla 80
crescere et in veteres agitata resurgere vires,
sic iam lenis amor, iam quem languere putares,
ut vidit iuvenem, specie praesentis inarsit.
et casu solito formosior Aesone natus
illa luce fuit: posses ignoscere amanti. 85
spectat et in vultu veluti tum denique viso
lumina fixa tenet nec se mortalia demens
ora videre putat nec se declinat ab illo;
ut vero coepitque loqui dextramque prehendit
hospes et auxilium submissa voce rogavit 90
promisitque torum, lacrimis ait illa profusis:
'quid faciam, video: nec me ignorantia veri
decipiet, sed amor. servabere munere nostro,
servatus promissa dato!' per sacra triformis
ille deae lucoque foret quod numen in illo 95
perque patrem soceri cernentem cuncta futuri
eventusque suos et tanta pericula iurat:
creditus accepit cantatas protinus herbas
edidicitque usum laetusque in tecta recessit.
- Nu doorkliefden de Argonauten de zee al op hun Argo
en Phineus, zijn behoeftige oude dag slijtend in een eeuwige nacht,
hadden zij bezocht en Zetes en Calais hadden de Harpijen, vogels met
meisjesgezichten, verjaagd van het voedsel van de deerniswekkende grijsaard
en waren na veel avonturen onder leiding van de roemrijke Iason
tenslotte bij de snelle, modderige Phasisrivier aangeland.
Toen zij daar koning Aeëtes bezochten en hem om het Gulden Vlies vroegen
werd de Minyers de huiveringwekkende opdracht tot vele werken gegeven.
Intussen vatte dochter Medea een laaiende liefde op en
toen zij, na een lange worsteling daarmee, haar verdwazing niet onder [10]
controle kon krijgen verzuchtte ze:'Vergeefs is dat verzet, Medea:
een godheid werkt jou tegen; verbazen zou het me niet als dit 'liefhebben' heet
of toch zeker wel iets wat daar veel van weg heeft.
Waarom anders vallen de bevelen van vader mij al te hard?
Al te hard ja dat zijn ze! Waarom zou ik anders ongerust zijn dat hij die ik
amper gezien heb, verongelukt? Wat is dan de reden van zo grote bezorgdheid?
Schud nu eens dit vuur dat je in je meisjeshart hebt voelen ontvlammen
van je af als je, ongelukkige, dat kunt! Als ik kon zou ik wijzer zijn!
Maar tegen mijn wil trekt een ongehoorde kracht aan mij en waarheen ik verlang
dicteert mijn verstand weer iets anders: ik zie wat goed is en stem hiermee in, [20]
maar gehoor geef ik aan het slechtere: wat, prinses, zet jou in vlam
voor die vreemdeling en wekt jouw verlangen naar een bed in den vreemde?
Ook dit land kan je toch zo'n beminde wel geven; of hij leven zal
of omkomt ligt bij de goden; toch: moge hij leven; dit smeken
mag zelfs zonder liefde, want wat heeft Iason misdaan?
Wie, tenzij een bruut, wordt niet door Iasons jeugd, afkomst, karakter
geraakt? Zijn oogopslag, om van de rest nog te zwijgen,
moet toch eenieder beroeren? Mij heeft hij in ieder geval geroerd.
Maar als ik hem niet te hulp kom zal het gehijg van stierenmuilen
hem toebriesen en zal hij stoten op borstels van evers, vijanden [30]
uit de aarde opgekomen, of een grimmige prooi worden voor de gretige draak.
Als ik dit laat gebeuren, dan zal ik mezelf een tijgerwelp noemen,
en erkennen dat ik ijzer en gesteente in het hart draag!
Waarom ga ik niet ook zijn ondergang gadeslaan en mijn ogen door te kijken
medeplichtig maken? Waarom hits ik die stieren niet tegen hem op
en die barbaren uit de aarde en die nimmer slapende draak?
Dat mogen de goden verhoeden! Maar ik mag het niet bij afsmeken laten
nee ik moet daadkrachtig zijn - mag ik het gezag van mijn vader trotseren
en mag een willekeurige bezoeker aan ons huis profiteren van de gave dat hij
gespaard blijft door mij, en dan zonder mij zijn zeil in de wind hijst [40]
als de man van een ander, maar Medea achterblijft om te boeten?
Als hij dat doen kan en een andere vrouw boven mij verkiest
dan sterve hij in zijn ondankbaarheid! Maar niet ligt dat in zijn blik,
niet lees ik die adel in zijn aard, die charme in zijn schoonheid,
dat ik vrees voor verraad en onachtzaamheid voor mijn verdienste!
Hij zal tevoren zijn woord geven, met de goden als getuigen zal ik hem
tot een belofte pressen. Wat vrees ik dan nog in veiligheid?
Vooruit, geen gedraal: Iason zal je eeuwig dankbaar zijn,
jou zal hij bij fakkellicht officieel aan zich binden en in heel
Griekenland zal jij als redster door een massa moeders geëerd zijn. [50]
Zal ik dus mijn zus en broer, mijn vader en goden achterlaten
en mijn geboortegrond, door de winden weggevoerd?
Ja, omdat mijn vader woest en mijn land barbaars is
mijn broertje nog een baby; de zegen van mijn zus heb ik,
de grootste god huist in mij! Niets groots zal ik achterlaten,
nee, naar groots ga ik op weg: de eretitel 'Redster van de Griekse jeugd',
bekendheid in een beter land en burchten waarvan ook hier
de roem leeft, beschaving en cultuur en Iason zelf
voor wie ik alles wat de hele wereld biedt zou willen ruilen
gelukkig met hem als echtgenoot zal ik [60]
de goden dierbaar zijn en met mijn hoofd de sterren raken.
Wat kan het schelen dat midden op zee bergen, naar men zegt,
tegen elkaar klappen en dat de Charybdis, die vijand voor schepen,
nu eens de zee verzwelgt, dan weer uitbraakt en de roofzuchtige
Scylla, omringd door woeste honden, vanuit de diepte blaft?
Omklemmend wat ik liefheb en rustig op de schoot van Iason zal ik
ver over zeeën varen; niets zal ik te vrezen hebben zolang ik hem omhels,
of als ik iets te vrezen heb, zal dat een vrees zijn om alleen mijn man -
houd jij, Medea, dat werkelijk voor een huwelijk
zo'n schitterende alias voor kwaad? - kijk dan hoe groot
jouw misdaad is en ontwijk die nu het nog kan!' [70]
- Dit overwoog zij en voor haar ogen verschenen
Plicht, Respect en Schaamte en sloeg Begeerte op de vlucht.
- Zij wendde zich tot het oude heiligdom van Hecate, dochter van Perse,
afgedekt door donker woud en afgelegen bos.
Nu was zij weer haar sterke zelf en haar verdwenen kracht was terug
tot zij daar Iason zag en de gedoofde vlam weer oplaaide.
Haar wangen bloosden en heel haar gezicht gloeide op,
en zoals elk vonkje, verborgen onder de as,
door een windzucht wordt gevoed en weer opvlamt [80]
en haar verloren krachten flakkerend herwint,
zo is de sluimerende hartstocht die je uitdovend geacht had
bij het zien van de jongeling opgelaaid door zijn stralende presentie.
Ook was Aesons zoon net bij die lichtval op zijn mooist
vergeving had je zo haar verliefdheid kunnen schenken.
Ze kijkt hem aan en op zijn gezicht, dat zij dan pas echt ziet, houdt zij
haar blik strak gericht en in haar verdwazing meent zij geen trekken
van een sterveling waar te nemen en zij wendt haar blik niet van hem af;
zodra de gast echter te spreken begint, haar bij de hand neemt en
met gedempte stem om haar hulp vraagt [90]
en haar een verbintenis belooft, spreekt zij onder een stortvloed van tranen:
'Wat mij te doen staat zie ik in: niet onwetenheid over het juiste misleidt mij
maar de liefde: ik zal je met mijn gaven helpen en,
eenmaal geholpen, doe jij je gelofte gestand!'. Hij zweert bij het altaar
van Hekate en welke god daar maar in het woud huist
en bij de alziende Zon, haar grootvader en zijn schoonvader in spe,
en zijn successen in voor haar zo riskante daden:
op haar vertrouwen krijgt hij terstond haar toverkruiden en voor het gebruik
alle instructies en opgelucht gaat hij weer naar het paleis terug.

naar begin

De heldendaden van Iason dankzij Medea. [Met.7, 100 - 158]

Postera depulerat stellas Aurora micantes: 100
conveniunt populi sacrum Mavortis in arvum
consistuntque iugis; medio rex ipse resedit
agmine purpureus sceptroque insignis eburno.
ecce adamanteis Vulcanum naribus efflant
aeripedes tauri, tactaeque vaporibus herbae 105
ardent, utque solent pleni resonare camini,
aut ubi terrena silices fornace soluti
concipiunt ignem liquidarum adspergine aquarum,
pectora sic intus clausas volventia flammas
gutturaque usta sonant; tamen illis Aesone natus 110
obvius it. vertere truces venientis ad ora
terribiles vultus praefixaque cornua ferro
pulvereumque solum pede pulsavere bisulco
fumificisque locum mugitibus inpleverunt.
deriguere metu Minyae; subit ille nec ignes 115
sentit anhelatos (tantum medicamina possunt!)
pendulaque audaci mulcet palearia dextra
suppositosque iugo pondus grave cogit aratri
ducere et insuetum ferro proscindere campum:
mirantur Colchi, Minyae clamoribus augent 120
adiciuntque animos. galea tum sumit aena
vipereos dentes et aratos spargit in agros.
semina mollit humus valido praetincta veneno,
et crescunt fiuntque sati nova corpora dentes,
utque hominis speciem materna sumit in alvo 125
perque suos intus numeros conponitur infans
nec nisi maturus communes exit in auras,
sic, ubi visceribus gravidae telluris imago
effecta est hominis, feto consurgit in arvo,
quodque magis mirum est, simul edita concutit arma. 130
quos ubi viderunt praeacutae cuspidis hastas
in caput Haemonii iuvenis torquere parantis,
demisere metu vultumque animumque Pelasgi;
ipsa quoque extimuit, quae tutum fecerat illum.
utque peti vidit iuvenem tot ab hostibus unum, 135
palluit et subito sine sanguine frigida sedit,
neve parum valeant a se data gramina, carmen
auxiliare canit secretasque advocat artes.
ille gravem medios silicem iaculatus in hostes
a se depulsum Martem convertit in ipsos: 140
terrigenae pereunt per mutua vulnera fratres
civilique cadunt acie. gratantur Achivi
victoremque tenent avidisque amplexibus haerent.
tu quoque victorem conplecti, barbara, velles:
obstitit incepto pudor, at conplexa fuisses, 145
sed te, ne faceres, tenuit reverentia famae.
quod licet, adfectu tacito laetaris agisque
carminibus grates et dis auctoribus horum.
Pervigilem superest herbis sopire draconem,
qui crista linguisque tribus praesignis et uncis 150
dentibus horrendus custos erat arboris aureae.
hunc postquam sparsit Lethaei gramine suci
verbaque ter dixit placidos facientia somnos,
quae mare turbatum, quae concita flumina sistunt,
somnus in ignotos oculos sibi venit, et auro 155
heros Aesonius potitur spolioque superbus
muneris auctorem secum, spolia altera, portans
victor Iolciacos tetigit cum coniuge portus.
- De volgende Dageraad had de fonkelende sterren verjaagd [100]
toen het volk naar de grond die aan Mars was gewijd bijeenkwam
en zich een plaats zocht tegen de hellingen; temidden der schare nam
de koning zelf plaats, gehuld in purper en opvallend door zijn ivoren scepter.
Kijk, de koperhoevige stieren blazen vuur uit hun stalen neuzen
en de gewassen vliegen in brand als ze door die gloeiende adem worden geraakt
en zoals volle ovens loeien of kalkbrokken op een aarden kookplaats
aan het sissen slaan bij besprenkeling met water,
zo gaan de vlammen te keer die opgesloten in hun borst rondrazen
en grommen hun geschroeide kelen: toch gaat Iason hen [110]
tegemoet: zij wenden hun grimmige, schrikaanjagende tronies
in de richting van het gezicht van de nieuwkomer en
ook de hoorns die daar voorop met ijzer vast zijn geklonken,
de rulle bodem stampen zij met hun tweehoevige poten en
de hele omgeving vullen zij met hun vlammenverwekkend geloei.
De Minyers verstijven van angst: hij komt dichterbij en van het
vlammend gesnuif voelt hij niets (zo veel vermag toverkruid!),
met stoutmoedige hand streelt hij hun wangzakken,
duwt ze dan onder het juk van de ploeg en dwingt ze te trekken
en het braakliggend veld zo om te ploegen:
de Colchiërs staan paf, het gejuich van de Miyers zwelt aan [120]
en geeft hem vleugels. Daar neemt hij uit de koperen helm
de drakentanden en zaait die uit over de omgeploegde akker.
De grond verwekelijkt de met krachtig middel voorbewerkte zaden
en de tanden groeien, eenmaal gezaaid, uit tot onverwachte gestalten.
Want zoals in de moederbuik een embryo mensengestalte aanneemt
en zich binnenin tot in alle onderdelen vormt
en pas volrijp naar buiten komt in de ruimte die allen delen,
zó is een manvolk opgerezen op de vruchtbare akker wanneer zich
dat in de ingewanden van de drachtige aarde gevormd heeft,
en wat nog absurder is: het komt gewapend ter wereld. (130)
Als de Griekenhen zien mikken op het hoofd van de dappere Iason
laten zij het hoofd hangen en de moed varen; ook Medea, die hem
onkwetsbaar gemaakt had, slaat nu de schrik om het hart.
en zodra ze de jongeling in zijn eentje aangevallen ziet worden
door zoveel tegenstanders verbleekt ze en terstond zakt ze ineen,
koud doordat haar bloed wegtrekt;
opdat de door haar gegeven kruiden niet te weinig bescherming bieden,
prevelt ze een toverformule en roept zwarte kunsten te hulp.
Intussen werpt hij een zware steen midden tussen zijn vijanden
en draait zo hun krijgszucht van zich af maar tegen elkaar: (140)
De broeders, uit de aarde geboren, sneuvelen nu door verwondingen
elkaar toegebracht en vallen in een onderlinge strijd. De Grieken
huldigen de overwinnaar en omhelzen hem als om strijd.
Jij, vreemdelinge, had de winnaar ook wel willen omhelzen:
je schroom weerhield je ervan, anders had je je drang wel gevolgd,
maar de zorg om je goede naam weerhield je ervan het te doen;
wat je jezelf wel toestaat: je verheugt je met stille toewijding en
brengt je spreuken dank en de goden die ze uitvoerden.
Nu rest nog: met kruiden te verdoven de immer wakende draak
die, opvallend door zijn kam en drie tongen en gekromde tanden (150)
de huiveringwekkende bewaker was van de boom met het gulden vlies.
Nadat hij deze besprenkeld had met bedwelmend kruid en tot drie maal toe
slaapverwekkende woorden uit heeft gesproken,
die een woeste zee en gezwollen rivieren nog zouden temmen,
bekruipt hem de slaap over de niets vermoedende ogen en van het goud
maakt de Thessalische held zich meester en trots voert hij
de bewerkster van de daad, een tweede buit, met zich mee
en landt zo triomfantelijk met zijn bruid in de haven van Iolcos.

naar begin

Medea zoekt een verjongingskuur voor Aeson. [Met.7, 159 - 237]

Haemoniae matres pro gnatis dona receptis
grandaevique ferunt patres congestaque flamma 160
tura liquefaciunt, inductaque cornibus aurum
victima vota cadit, sed abest gratantibus Aeson
iam propior leto fessusque senilibus annis,
cum sic Aesonides: 'o cui debere salutem
confiteor, coniunx, quamquam mihi cuncta dedisti 165
excessitque fidem meritorum summa tuorum,
si tamen hoc possunt (quid enim non carmina possunt?)
deme meis annis et demptos adde parenti!'
nec tenuit lacrimas: mota est pietate rogantis,
dissimilemque animum subiit Aeeta relictus; 170
nec tamen adfectus talis confessa 'quod' inquit
'excidit ore tuo, coniunx, scelus? ergo ego cuiquam
posse tuae videor spatium transcribere vitae?
nec sinat hoc Hecate, nec tu petis aequa; sed isto,
quod petis, experiar maius dare munus, Iason. 175
arte mea soceri longum temptabimus aevum,
non annis revocare tuis, modo diva triformis
adiuvet et praesens ingentibus adnuat ausis.'
Tres aberant noctes, ut cornua tota coirent
efficerentque orbem; postquam plenissima fulsit 180
ac solida terras spectavit imagine luna,
egreditur tectis vestes induta recinctas,
nuda pedem, nudos umeris infusa capillos,
fertque vagos mediae per muta silentia noctis
incomitata gradus: homines volucresque ferasque 185
solverat alta quies, nullo cum murmure saepes,
inmotaeque silent frondes, silet umidus aer,
sidera sola micant: ad quae sua bracchia tendens
ter se convertit, ter sumptis flumine crinem
inroravit aquis ternisque ululatibus ora 190
solvit et in dura submisso poplite terra
'Nox' ait 'arcanis fidissima, quaeque diurnis
aurea cum luna succeditis ignibus astra,
tuque, triceps Hecate, quae coeptis conscia nostris
adiutrixque venis cantusque artisque magorum, 195
quaeque magos, Tellus, pollentibus instruis herbis,
auraeque et venti montesque amnesque lacusque,
dique omnes nemorum, dique omnes noctis adeste,
quorum ope, cum volui, ripis mirantibus amnes
in fontes rediere suos, concussaque sisto, 200
stantia concutio cantu freta, nubila pello
nubilaque induco, ventos abigoque vocoque,
vipereas rumpo verbis et carmine fauces,
vivaque saxa sua convulsaque robora terra
et silvas moveo iubeoque tremescere montis 205
et mugire solum manesque exire sepulcris!
te quoque, Luna, traho, quamvis Temesaea labores
aera tuos minuant; currus quoque carmine nostro
pallet avi, pallet nostris Aurora venenis!
vos mihi taurorum flammas hebetastis et unco 210
inpatiens oneris collum pressistis aratro,
vos serpentigenis in se fera bella dedistis
custodemque rudem somni sopistis et aurum
vindice decepto Graias misistis in urbes:
nunc opus est sucis, per quos renovata senectus 215
in florem redeat primosque recolligat annos,
et dabitis. neque enim micuerunt sidera frustra,
nec frustra volucrum tractus cervice draconum
currus adest.' aderat demissus ab aethere currus.
quo simul adscendit frenataque colla draconum 220
permulsit manibusque leves agitavit habenas,
sublimis rapitur subiectaque Thessala Tempe
despicit et certis regionibus adplicat angues:
et quas Ossa tulit, quas altum Pelion herbas,
Othrysque Pindusque et Pindo maior Olympus, 225
perspicit et placitas partim radice revellit,
partim succidit curvamine falcis aenae.
multa quoque Apidani placuerunt gramina ripis,
multa quoque Amphrysi, neque eras inmunis, Enipeu;
nec non Peneos nec non Spercheides undae 230
contribuere aliquid iuncosaque litora Boebes;
carpsit et Euboica vivax Anthedone gramen,
nondum mutato vulgatum corpore Glauci.
Et iam nona dies curru pennisque draconum
nonaque nox omnes lustrantem viderat agros, 235
cum rediit; neque erant tacti nisi odore dracones,
et tamen annosae pellem posuere senectae.
- De Thessalische moeders droegen offergaven aan voor het behoud van hun zonen
en de bejaarde vaders smolten wierook, opgehoopt in het vuur, (160)
een offerdier, de hoorns met goud bekleed,
viel als dankoffer, maar Aeson ontbrak bij deze dankbare schare
al vrij dicht bij de dood en uitgeput door ouderdom.
Iason sprak dus tot Medea : 'Vrouw, aan wie ik, eerlijk gezegd, mijn behoud
te danken heb : ofschoon jij mij alles al geschonken hebt
en het totaal van je verdiensten mijn trouw al overtroffen heeft,
als jouw zangen dit konden bewerken (waartoe zijn ze immers niet in staat?)
haal dan van mijn levensjaren wat af en schenk die aan mijn vader',
en hij kon zijn tranen niet bedwingen; bij Medea, geroerd door de liefde van
zijn verzoek, kwam de zoveel andere gezindheid boven waarmee zij haar vader had verlaten: (170)
maar zonder toch deze emotie te bekennen sprak zij: 'Mijn man, wat een gruwelijk woord
ontsnapte daar jouw mond? Denk je dan dat ik bij machte ben om naar wie dan ook
de duur van jouw leven over te dragen?
Dat zal Hecate niet toestaan, ook is het niet billijk wat je vraagt: echter
een groter geschenk dan wat jij vraagt zal ik jou, Jason, trachten te geven.
Door mijn kunst zal ik mijn schoonvader een lang leven proberen te schenken,
maar niet door jouw jarental te herzien, als tenminste de godin met drie gedaanten
zal helpen en door haar steun met zo'n ontzaglijke onderneming instemt'.
- Drie nachten duurde het nog voordat de maanhorens zich weer aaneensloten
en een een volle schijf vormden; toen de maan op zijn volst glansde (180)
en de aarde met een vaste gestalte bezag,
ging zij gehuld in loshangend gewaad het paleis uit,
blootvoets, haar haren loshangend over haar schouders.
Haar zwervende stappen zet zij in de stilzwijgende nacht
zonder enig gezelschap: een diepe rust heeft mensen, vogels en wild
ontspanning gebracht, hagen staan ritselloos,
roerloos zwijgt het gebladerte, stil hangen nevelen,
alleen de sterren flikkeren: daarnaar haar armen uitstrekkend
draait zij drie maal rond, drie maal water scheppend uit de rivier
besprenkelt zij daarmee haar haren en stoot daarbij steeds drie maal (190)
een uilenroep uit en met haar knie gebogen op de harde aarde spreekt zij:
'Nacht, hoedster van geheimen, en sterren die voor daglicht
wijken samen met de gouden maan
en gij, drievormige Hecate, getuige van mijn onderneming
en helpster voor de aderen van zang en kunst van tovenaars
en gij, Aarde, die tovenaars uitrust met krachtige kruiden,
en gij, lucht en winden, bergen, stromen en meren
en alle woudgoden en alle goden van de nacht: sta mij bij,
met uw hulp laat ik als ik dat wil rivieren langs verbaasde oevers
terugstromen naar hun bron, breng wilde zee tot rust met toverzang, (200)
en zwiep hem op wanneer hij rust, wolken verdrijf ik zo
maar wolken roep ik zo ook op; winden verjaag ik, winden voer ik zo aan,
slangenkelen verlam ik met mijn bezweringen en stem,
gesteente breng ik zo tot leven en bomen ontwortel ik,
ja, hele bossen zet ik zo opzij en bergen laat ik sidderen
de bodem loeien en schimmen uit hun graf opstaan!
Zelfs u, maan, breng ik uit uw baan al poogt koperen lawaai
uw verduistering te verhinderen: ook de zonnewagen van mijn grootvader
laat ik verbleken en door mijn kruiden ook de Dageraad!
Gij hebt voor mij de vlammen uit de stierenbek getemd en hun nek , (210)
wars van belasting,, neergedrukt voor het gekromde ploegijzer,
Gij hebt de spruiten van de drakentanden tot felle onderlinge strijd gebracht,
de slapeloze wachter toch in slaap gebracht en na deze misleiding
het gulden vlies naar Griekse steden laten gaan:
nu heb ik sappen nodig om ouderdom weer tot bloei
te brengen en zijn jeugdjaren te hervatten
en geven zult gij die zeker want niet vergeefs flikkeren de sterren
en niet vergeefs staat daar de wagen met zijn span van vleugeldraken -'
inderdaad stond deze wagen, uit de hemel neergedaald, reeds klaar
en met dat zij daar in ging staan en de getoomde drakennekken (220)
streelde en met haar handen de leidsels licht beroerde
vliegt zij omhoog en ziet zij neer op het Tempe van Thessalië beneden
en stuurt de draken met vaste hand langs hemelstreken:
de kruiden die de Ossa draagt en ook de hoge Pelion,
de Othrys en de Pindus en, groter dan de Pindus, de Olympus,
zoekt zij uit en, als ze die goedkeurt, trekt ze die met wortel uit
of snijdt ze met een sikkel van gebogen brons.
Veel kruiden neemt zij ook van de oevers van de Apidanus
en van de Amphrysis en ook jij, Enipeus, bleef niet ongeschonden,
ook de Peneius-rivier en de Spercheus mochten (230)
bijdragen leveren alsook de rietrijke oevers van de Boibis;
en plukken deed zij ook het levenbrengend gras langs de Anthedon
op Euboia, toen nog niet bekend door Glaucus' metamorfose.
Nu had al de negende dag Medea in haar wagen met drakenvleugels
alle landen af zien speuren en ook de negende nacht,
toen zij is teruggekeerd: de draken waren slechts met de geur in aanraking
gekomen maar toch hebben zij al hun oude huid verloren.

naar begin



Terug naar inhoudsopgave Metamorfosen

Terug naar Home


mei'19