Inhoud van Metamorfosen boek 6

Arachne en Minerva.(Met.6,1 - 145)

Praebuerat dictis Tritonia talibus aures
carminaque Aonidum iustamque probaverat iram;
tum secum: 'laudare parum est, laudemur et ipsae
numina nec sperni sine poena nostra sinamus.'
Maeoniaeque animum fatis intendit Arachnes,




5
Minerva had naar deze verhalen van de Muzen geluisterd
en met hun terechte toorn ingestemd.
Toen overwoog zij:'Anderen prijzen is mooi, maar ook moeten
de goden vanzelf al geëerd worden, we mogen smaad niet ongestraft laten!'
Daarbij dacht ze aan het lot van de Lydische Arachne;
quam sibi lanificae non cedere laudibus artis
audierat. non illa loco nec origine gentis
clara, sed arte fuit: pater huic Colophonius Idmon
Phocaico bibulas tinguebat murice lanas;
occiderat mater, sed et haec de plebe suoque




10
die deed voor haar niet onder in roem om haar weefkunst,
had ze vernomen. Haar reputatie ontleende ze niet aan hoge stand
of afkomst uit een roemrijk geslacht maar louter aan haar kunde:
haar vader, Idmon uit Colophon, was wolverver met de Phocaîsche purperslak;
haar moeder was gestorven maar ook volks en van gelijke komaf als haar man.
aequa viro fuerat; Lydas tamen illa per urbes
quaesierat studio nomen memorabile, quamvis
orta domo parva parvis habitabat Hypaepis.
huius ut adspicerent opus admirabile, saepe
deseruere sui nymphae vineta Timoli,




15
Ofschoon van nederige stand en woonachtig in
het simpele Hypaepa had zij, ambitieus,
roem nagestreefd over heel Lydië.
Om haar wondermooie werk te bekijken verlieten de nimfen
dikwijls de wijnvelden op hun Tmolus
deseruere suas nymphae Pactolides undas.
nec factas solum vestes, spectare iuvabat
tum quoque, cum fierent: tantus decor adfuit arti,
sive rudem primos lanam glomerabat in orbes,
seu digitis subigebat opus repetitaque longo




20
en ook de waternimfen van de Pactolus hun gebied.
Niet alleen was het een lust om de producten te zien,
nee ook het maken zelf al: zo schitterend was haar vaardigheid,
of ze nu eerst de ruwe wol tot een kluwen opwond
of met haar vingers de wol uithaalde en steeds met lange uithaal
vellera mollibat nebulas aequantia tractu,
sive levi teretem versabat pollice fusum,
seu pingebat acu; scires a Pallade doctam.
quod tamen ipsa negat tantaque offensa magistra
'certet' ait 'mecum: nihil est, quod victa recusem!'




25
de wolkachtige vlokken in een fijne draad veranderde, ofwel met vaardige duim
de spoel draaide, of ook borduurde: je had haar een leerling van Pallas geacht!
Dit echter wees zij zelf van de hand en smaalde,
nog beledigd ook om zelfs zo'n grote leermeesteres:
'Ik daag haar uit voor een wedstrijd: als ik verlies weiger ik haar niets!'
Pallas anum simulat: falsosque in tempora canos
addit et infirmos, baculo quos sustinet, artus.
tum sic orsa loqui 'non omnia grandior aetas,
quae fugiamus, habet: seris venit usus ab annis.
consilium ne sperne meum: tibi fama petatur




30
Pallas vermomt zich nu als oud vrouwtje en completeert dit met een
grijze pruik op haar slapen en beverige leden gestut door een stok.
En zegt haar dan:'Een hoge leeftijd heeft niet alleen kanten
die we willen vermijden: ervaring is de gezel van hoge leeftijd;
sla mijn advies niet in de wind: jou mag de hoogste roem
inter mortales faciendae maxima lanae;
cede deae veniamque tuis, temeraria, dictis
supplice voce roga: veniam dabit illa roganti.'
adspicit hanc torvis inceptaque fila relinquit
vixque manum retinens confessaque vultibus iram




35
in wolbewerking toebehoren onder stervelingen maar gun de godin
haar plaats en vraag, overmoedige, vergeving voor jouw gepoch.
Vraag haar deemoedig vergiffenis: zij zal op je verzoek zeker ingaan'.
Zij kijkt haar grimmig aan en laat de draad los waarmee ze bezig was
en, haar hand nauwelijks in bedwang en met haar gezicht haar woede uitdrukkend
talibus obscuram resecuta est Pallada dictis:
'mentis inops longaque venis confecta senecta,
et nimium vixisse diu nocet. audiat istas,
si qua tibi nurus est, si qua est tibi filia, voces;
consilii satis est in me mihi, neve monendo




40
voegt zij de verborgen Pallas deze woorden toe:
'Onnozel oud besje, wat kom je hier doen, geplaagd door je ouderdom
ook al te lang leven brengt schade. Bewaar die praatjes van jou
maar voor je dochter of schoondochter, als je die hebt;
laat wijsheid maar over aan mijzelf en denk maar niet
profecisse putes, eadem est sententia nobis.
cur non ipsa venit? cur haec certamina vitat?'
tum dea 'venit!' ait formamque removit anilem
Palladaque exhibuit: venerantur numina nymphae
Mygdonidesque nurus; sola est non territa virgo,




45
dat je met je beleren goed hebt gedaan: ik blijf bij mijn woord!
Waarom komt zij zelf niet? Waarom ontwijkt ze deze wedstrijd?
Toen sprak de godin: 'Hier is ze!', ontdeed zich van het oude uiterlijk
en prijkte als Pallas: de nimfen bogen eerbiedig voor de godin
en ook de Lydische vrouwen; alleen het meisje hield zich kalm
sed tamen erubuit, subitusque invita notavit
ora rubor rursusque evanuit, ut solet aer
purpureus fieri, cum primum Aurora movetur,
et breve post tempus candescere solis ab ortu.
perstat in incepto stolidaeque cupidine palmae




50
maar bloosde ondanks zichzelf: een plots opgekomen blos
trok ongewild over haar gezicht maar verdween meteen weer,
zoals de hemel purper pleegt te worden bij de eerste dageraad
en na korte tijd weer door de zonsopgang verbleekt.
Zij volhardt in haar voornemen en door haar begeerte naar de trotse zege
in sua fata ruit; neque enim Iove nata recusat
nec monet ulterius nec iam certamina differt.
haud mora, constituunt diversis partibus ambae
et gracili geminas intendunt stamine telas:
tela iugo vincta est, stamen secernit harundo,




55
stort zij zich in haar ongeluk; immers Iupiters dochter geeft niet toe;
geen verdere vermaningen maar ook geen uitstel meer voor de wedstrijd.
Zonder dralen stellen beiden hun weefstoelen op tegenover elkaar
en knopen de fijne draden vast, de schering
vast aan de weversboom; het riet scheidt de draden;
inseritur medium radiis subtemen acutis,
quod digiti expediunt, atque inter stamina ductum
percusso paviunt insecti pectine dentes.
utraque festinant cinctaeque ad pectora vestes
bracchia docta movent, studio fallente laborem.




60
de inslag die hun soepele vingers geleiden wordt ertussendoor
gestoken en door de druk van de diepgetande weverskam vastgedrukt.
Beiden werken rap en, hun kleding opgeschort,
bewegen zij hun ervaren armen:
door hun behendigheid lijkt het moeiteloos.
illic et Tyrium quae purpura sensit aenum
texitur et tenues parvi discriminis umbrae;
qualis ab imbre solent percussis solibus arcus
inficere ingenti longum curvamine caelum;
in quo diversi niteant cum mille colores,




65
Daar weven zij ook purper dat in Tyrisch bad bewerkt is
en verwerken er lichte nuances in;
zoals een regenboog met door een regenbui gebroken zonnestralen
de weidse hemel met een reuzenboog doorkruist
en daarin wel duizend kleuren schitteren
transitus ipse tamen spectantia lumina fallit:
usque adeo, quod tangit, idem est; tamen ultima distant.
illic et lentum filis inmittitur aurum
et vetus in tela deducitur argumentum.
Cecropia Pallas scopulum Mavortis in arce




70
maar de preciese overgang de ogen van de kijker toch ontgaat:
tot hier is hij het zelfde als ernaast, toch zijn de uitersten heel verschillend.
Ook weven zij daar een soepel gouddraad tussen de draden
en beelden een oud verhaal af in het weefsel.
Pallas weeft de Areopaag bij de Akropolis in
pingit et antiquam de terrae nomine litem.
bis sex caelestes medio Iove sedibus altis
augusta gravitate sedent; sua quemque deorum
inscribit facies: Iovis est regalis imago;
stare deum pelagi longoque ferire tridente




75
en de oude twist om de toewijding van het land;
twaalf hemelbewoners met Juppiter in het midden zitten op
hoge zetels in verheven ernst; elke god wordt door een specifiek
uiterlijk aangeduid: bij Juppiter hoort zijn koninklijke uitstraling;
de zeegod beeldt ze staande uit terwijl hij met zijn reuze drietand
aspera saxa facit, medioque e vulnere saxi
exsiluisse fretum, quo pignore vindicet urbem;
at sibi dat clipeum, dat acutae cuspidis hastam,
dat galeam capiti, defenditur aegide pectus,
percussamque sua simulat de cuspide terram




80
tegen de grimmige rotsen slaat, en midden uit een rotswond
ontspringt zout water, met deze claim eist hij de stad op;
zichzelf geeft zij een schild, een lans met scherpe punt
zet zich een helm op het hoofd, haar borst beschermd met de aegis,
en ze verbeeldt hoe zij met eigen lanspunt de aarde treft
edere cum bacis fetum canentis olivae;
mirarique deos: operis Victoria finis.
ut tamen exemplis intellegat aemula laudis,
quod pretium speret pro tam furialibus ausis
quattuor in partes certamina quattuor addit,




85
die dan de bleekgroene olijfboom met vrucht en al voortbrengt;
de goden vol bewondering: Victorie is de bekroning van haar werk.
Maar opdat de mededinger naar roem uit voorbeelden begrijpt
wat voor prijs zij kan verwachten voor zo overmoedige provocaties
voegt zij in de hoeken nog vier wedstrijden toe
clara colore suo, brevibus distincta sigillis:
Threiciam Rhodopen habet angulus unus et Haemum,
nunc gelidos montes, mortalia corpora quondam,
nomina summorum sibi qui tribuere deorum;
altera Pygmaeae fatum miserabile matris




90
helder door hun kleur, maar onderscheiden door hun kleine afbeeldingen:
één hoek neemt de Thracische Rhodope in beslag en Haemus
nu ijzige gebergten, ooit lichamen van stervelingen
die zich de namen van de hoogste goden toe eigenden;
een tweede hoek vertelt het droeve lot van de Pygmeeënkoningin
pars habet: hanc Iuno victam certamine iussit
esse gruem populisque suis indicere bellum;
pinxit et Antigonen, ausam contendere quondam
cum magni consorte Iovis, quam regia Iuno
in volucrem vertit, nec profuit Ilion illi




95
Juno versloeg haar in een wedstrijd en dwong haar
een kraanvogel te worden en haar eigen stam de oorlog te verklaren;
ook Antigone beeldde ze af die ooit een strijd durfde aangaan
met de partner van de grote Juppiter en die koningin Juno
in een vogel veranderde: Troje noch haar vader Laomedon
Laomedonve pater, sumptis quin candida pennis
ipsa sibi plaudat crepitante ciconia rostro;
qui superest solus, Cinyran habet angulus orbum;
isque gradus templi, natarum membra suarum,
amplectens saxoque iacens lacrimare videtur.




100
kunnen verhelpen dat zij, blank door de aangemeten vleugels,
zich als ooievaar met klepperende snavel op de borst slaat;
de enige hoek die nog rest bezet de kinderloze Cinyras,
die omhelst de treden van de tempel, de ledematen van zijn dochters,
en zoals hij daar op het gesteente ligt zweer je hem te zien wenen.
circuit extremas oleis pacalibus oras
(is modus est) operisque sua facit arbore finem.
Maeonis elusam designat imagine tauri
Europam: verum taurum, freta vera putares;
ipsa videbatur terras spectare relictas




105
De uiterste randen rondt zij af met vreedzame olijven
- dat is het thema - en sluit zo haar werk af met haar eigen boom.
- De Maeonische weeft Europa, misleid door een zogenaamde stier:
voor een echte stier en een echte zee had je het kunnen houden;
haar zag je kijken naar het achtergelaten land,
et comites clamare suas tactumque vereri
adsilientis aquae timidasque reducere plantas.
fecit et Asterien aquila luctante teneri,
fecit olorinis Ledam recubare sub alis;
addidit, ut satyri celatus imagine pulchram




110
haar vriendinnen roepen en de aanraking van de aanrollende
golven vrezend angstig haar voeten optrekken.
Ook beeldde ze Asterie af in een worsteling gevangen door de adelaar,
en ook Leda achterover leunend onder de vleugels van de zwaan;
zij voegde daaraan nog toe hoe Juppiter vermomd als satyr
Iuppiter inplerit gemino Nycteida fetu,
Amphitryon fuerit, cum te, Tirynthia, cepit,
aureus ut Danaen, Asopida luserit ignis,
Mnemosynen pastor, varius Deoida serpens.
te quoque mutatum torvo, Neptune, iuvenco




115
Nycteus' dochter zwanger maakte van een tweeling,
hoe hij Amphitryon was toen hij jou, Tyrinthische aanrandde,
als goud Danaë, als vuur Asopis,
Mnemosyne als herder en Ceres' dochter als een bonte slang.
Ook jou, Neptunus, veranderd in een woeste stier,
virgine in Aeolia posuit; tu visus Enipeus
gignis Aloidas, aries Bisaltida fallis,
et te flava comas frugum mitissima mater
sensit equum, sensit volucrem crinita colubris
mater equi volucris, sensit delphina Melantho:




120
toont zij bij Aeolus' dochter; en hoe jij in de gedaante
van de riviergod Enipeus twee zonen bij de Aeolische verwekt,
als ram misleid je Theophane, de blonde, milde moeder van het gewas
als hengst, als vogel Pegasus' moeder, Medusa met haar slangenhaar
en Melantho als dolfijn:
omnibus his faciemque suam faciemque locorum
reddidit. est illic agrestis imagine Phoebus,
utque modo accipitris pennas, modo terga leonis
gesserit, ut pastor Macareida luserit Issen,
Liber ut Erigonen falsa deceperit uva,




125
hen allen geeft zij in een eigen gedaante in de juiste entourage weer.
Zie daar Apollo in boerengestalte, maar dan met haviksveren,
dan weer met een leeuwenhuid of zoals hij
in herdersgedaante Issa, Macars dochter, heeft verleid,
en Bacchus zoals hij Erigone misleidde met valse druiven,
ut Saturnus equo geminum Chirona crearit.
ultima pars telae, tenui circumdata limbo,
nexilibus flores hederis habet intertextos.
Non illud Pallas, non illud carpere Livor
possit opus: doluit successu flava virago




130
en hoe Saturnus de tweeslachtige Chiro heeft verwekt.
De randen van het kleed heeft zij omgeven met een smalle strook
en heeft daar klimop in geweven waarin bloemen zijn verwerkt.
Dat werkstuk zou Pallas, zou zelfs Afgunst niet kunnen slikken:
de blonde heroine kon het resultaat niet verdragen
et rupit pictas, caelestia crimina, vestes,
utque Cytoriaco radium de monte tenebat,
ter quater Idmoniae frontem percussit Arachnes.
non tulit infelix laqueoque animosa ligavit
guttura: pendentem Pallas miserata levavit




135
en zij verbrijzelde het borduursel, de wandaden van de hemelingen,
en daar zij de buxus priem in handen had doorboorde zij daarmee
drie, nee vier keer het hoofd van Idmons dochter Arachne.
De ongelukkige verdroeg dat niet en snoerde haar hals dicht met een lus:
Pallas bevrijdde haar uit medelijden toen zij daar hing
atque ita 'vive quidem, pende tamen, inproba' dixit,
'lexque eadem poenae, ne sis secura futuri,
dicta tuo generi serisque nepotibus esto!'
post ea discedens sucis Hecateidos herbae
sparsit: et extemplo tristi medicamine tactae




140
en sprak aldus: 'Ja mag blijven leven, stommeling, maar hangend,
en maak je geen illusie om de toekomst: dezelfde soort straf
zal er zijn voor je soort en je nakomelingen!'
Hierna ging zij heen maar besprenkelde haar met sap van toverkruiden:
en terstond vielen haar haren uit toen die geraakt werden door dit tovermiddel
defluxere comae, cum quis et naris et aures,
fitque caput minimum; toto quoque corpore parva est:
in latere exiles digiti pro cruribus haerent,
cetera venter habet, de quo tamen illa remittit
stamen et antiquas exercet aranea telas.




145
en daarmee ook neus en oren,
haar hoofd slonk tot een knopje; ook haar verdere lijf werd nu klein:
op haar ziijden zaten nu kleine uitsteeksels als pootjes,
haar buik omvatte de rest, maar daaruit spint zij nog een draad
zij gaat verder met haar vroegere werk, nu als spin.

naar begin

Niobe en Latona. [Met.6, 146 - 312]

Lydia tota fremit, Phrygiaeque per oppida facti
rumor it et magnum sermonibus occupat orbem.
ante suos Niobe thalamos cognoverat illam,
tum cum Maeoniam virgo Sipylumque colebat;
nec tamen admonita est poena popularis Arachnes,




150
Heel Lydië in alle staten, door alle steden van Phrygië gaat het relaas
van wat Arachne overkwam en over heel de wereld wordt het besproken.
Vóór haar huwelijk al had Niobe haar leren kennen,
toen het meisje Maeonië bij de Sipylus bewoonde;
toch heeft ze niet geleerd uit de vermaarde bestraffing van Arachne:
cedere caelitibus verbisque minoribus uti.
multa dabant animos; sed enim nec coniugis artes
nec genus amborum magnique potentia regni
sic placuere illi, quamvis ea cuncta placerent,
ut sua progenies; et felicissima matrum




155
deemoedig te zijn jegens de goden en een bescheiden toon aan te slaan.
Veel wakkerde haar trots aan, maar noch de lierkunst van haar man
noch hun beider afkomst noch de macht van hun koningschap
had zij zo hoog zitten, ofschoon dat alles daaraan bijdroeg,
als haar kindertal; en de gezegendste moeder zou
dicta foret Niobe, si non sibi visa fuisset.
nam sata Tiresia venturi praescia Manto
per medias fuerat divino concita motu
vaticinata vias: 'Ismenides, ite frequentes
et date Latonae Latonigenisque duobus




160
Niobe zeker zijn genoemd, als zij zichzelf niet zo betiteld had.
Want de dochter van Teiresias, waarzegster Manto, had
overal op straat, door goddelijke ingeving bewogen, omgeroepen:
'Vrouwen van Thebe, kom, laat ons allemaal wierook schenken
aan Latona en haar beide kinderen
cum prece tura pia lauroque innectite crinem:
ore meo Latona iubet.' paretur, et omnes
Thebaides iussis sua tempora frondibus ornant
turaque dant sanctis et verba precantia flammis.
Ecce venit comitum Niobe celeberrima turba




165
onder gebed en vlecht lauwerkransen in uw haar:
Latona zelf roept daartoe door mijn stem op'. Gehoorzaam
tooien alle Thebaansen hun slapen met lover
en offeren wierook met gezegend vuur in gebed.
- Daar komt Niobe, omstuwd door een dichte drom vriendinnen,
vestibus intexto Phrygiis spectabilis auro
et, quantum ira sinit, formosa; movensque decoro
cum capite inmissos umerum per utrumque capillos
constitit, utque oculos circumtulit alta superbos,
'quis furor auditos' inquit 'praeponere visis




170
opvallend door Phrygische kleding vol ingeweven gouddraad
en mooi, voorzover haar woede dat toestaat; met haar mooie hoofd
haar neergolvende haren schuddend over beide schouders
blijft zij staan en rechtop laat zij haar ogen arrogant rondgaan
en roept uit:'Wat is dit voor dwaasheid om goden hoger te achten
> caelestes? aut cur colitur Latona per aras,
numen adhuc sine ture meum est? mihi Tantalus auctor,
cui licuit soli superorum tangere mensas;
Pleiadum soror est genetrix mea; maximus Atlas
est avus, aetherium qui fert cervicibus axem;




175
dan de zichtbaren? Waarom wordt Latona met altaren vereerd
maar is mijn majesteit nog van wierook verstoken? Tantalus is mijn vader,
voor wie als enige het weggelegd was aan te liggen aan de tafel der goden;
de zuster der Pleiaden is mijn moeder; mijn grootvader de zeer grote Atlas
die de hemelas schraagt met zijn nek;
Iuppiter alter avus; socero quoque glorior illo.
me gentes metuunt Phrygiae, me regia Cadmi
sub domina est, fidibusque mei commissa mariti
moenia cum populis a meque viroque reguntur.
in quamcumque domus adverti lumina partem,




180
Juppiter mijn andere grootvader, mag ik ook nog mijn schoonvader noemen.
Voor mij huiveren de volken van Phrygië, onder mijn heerschappij valt
het koninkrijk van Cadmus, door de snaren van mijn man zijn de muren
en de stad gebouwd en zij worden door mij en mijn man bestuurd.
Op welk deel van mijn domein ik mijn ogen ook richt
inmensae spectantur opes; accedit eodem
digna dea facies; huc natas adice septem
et totidem iuvenes et mox generosque nurusque!
quaerite nunc, habeat quam nostra superbia causam,
nescio quoque audete satam Titanida Coeo




185
onmetelijke rijkdom zien zij; daarbij komt nog mijn uiterlijk,
een godin waardig; voeg daar nog aan toe zeven dochters
en evenveel jongens en dus weldra schoonzonen en dito dochters!
Vraag je nu nog wat onze trots veroorzaakt?
Durf je nog boven mij te stellen, zo'n Titanenkind van 'n Coeus,
Latonam praeferre mihi, cui maxima quondam
exiguam sedem pariturae terra negavit!
nec caelo nec humo nec aquis dea vestra recepta est:
exsul erat mundi, donec miserata vagantem
"hospita tu terris erras, ego" dixit "in undis"




190
Latona, aan wie de grote aarde ooit een minuskuul plekje
om te baren geweigerd heeft!
Noch in het luchtruim noch op de aarde noch in het water is die godin
van jullie welkom geweest: verstoten op aarde was zij totdat Delos uit
meelij zei: 'Jij zwerft als vreemdeling rond op aarde, ik op zee'
instabilemque locum Delos dedit. illa duorum
facta parens: uteri pars haec est septima nostri.
sum felix (quis enim neget hoc?) felixque manebo
(hoc quoque quis dubitet?): tutam me copia fecit.
maior sum quam cui possit Fortuna nocere,




195
en haar een gammel plekje aanbood. Zij is moeder geworden
van een tweetal: ik bracht er zeven maal zo veel voort.
Ik ben gezegend (wie kan dit ontkennen?) en gezegend zal ik blijven
(wie kan ook dit nog betwijfelen?): het aantal heeft mij onaantastbaar gemaakt.
Ik ben te machtig om nog kwetsbaar te zijn voor het lot,
multaque ut eripiat, multo mihi plura relinquet.
excessere metum mea iam bona. fingite demi
huic aliquid populo natorum posse meorum:
non tamen ad numerum redigar spoliata duorum,
Latonae turbam, qua quantum distat ab orba?




200
hoeveel hij mij ook ontrooft, veel meer zal hij mij moeten laten
Mijn geluk heeft mijn vrees al terzijde geschoven. Stel je voor dat
aan deze drom van mijn kinderen iets ontnomen kan worden:
dan nog kan ik niet gereduceerd worden tot slechts twee,
het aantal van Latona dat haar scheidt van kinderloosheid.
ite—satis pro re sacri—laurumque capillis
ponite!' deponunt et sacra infecta relinquunt,
quodque licet, tacito venerantur murmure numen.
Indignata dea est summoque in vertice Cynthi
talibus est dictis gemina cum prole locuta:




205
'Weg hier, het is welletjes met die verering; en zet die lauwerkransen
van je hoofd'. Dat doen ze en zonder te offeren druipen ze af,
maar wat wel mag: ze vereren de god fluisterend.
- De godin is verontwaardigd en bovenop het Cynthusgebergte
beklaagt zij zich tegenover haar twee kinderen met de woorden:
'en ego vestra parens, vobis animosa creatis,
et nisi Iunoni nulli cessura dearum,
an dea sim, dubitor perque omnia saecula cultis
arceor, o nati, nisi vos succurritis, aris.
nec dolor hic solus; diro convicia facto




210
'Kijk nou, ik, jullie moeder, trots op jullie, mijn kinderen,
en minder dan geen van de godinnen, of het moest Juno zijn,
dat mens vecht mijn status van godin aan en, kinderen, als jullie niet tussenbeide
komen weert ze mij van het altaar waarmee ik eeuwen lang ben vereerd.
Maar dit is niet mijn enige klacht: dat Tantalus-wicht voegt aan haar
Tantalis adiecit vosque est postponere natis
ausa suis et me, quod in ipsam reccidat, orbam
dixit et exhibuit linguam scelerata paternam.'
adiectura preces erat his Latona relatis:
'desine!' Phoebus ait, 'poenae mora longa querella est!'




215
schanddaad nog smoezelige taal toe en durft jullie achter te stellen
bij haar eigen kroost en maakt mij voor 'kinderloos' uit (moge zij dat zelf worden!)
en toont zo dezelfde schandalige tong als haar vader'.
Latona stond op het punt aan haar woorden nog smeekbeden toe te voegen maar:
'Stop maar!', zei Phoebus, 'je klagen houdt de bestraffing maar op'.
dixit idem Phoebe, celerique per aera lapsu
contigerant tecti Cadmeida nubibus arcem.
Planus erat lateque patens prope moenia campus,
adsiduis pulsatus equis, ubi turba rotarum
duraque mollierat subiectas ungula glaebas.




220
Phoebe viel hem bij en na een snelle vlucht door het zwerk
stonden ze al, in nevel gehuld, op de burcht van Cadmus.
- Er was een uitgestrekte vlakte vlak bij de stad,
druk beroffeld door paarden, waar harde wielen
en paardenhoeven de aardkluiten hadden verpulverd.
pars ibi de septem genitis Amphione fortes
conscendunt in equos Tyrioque rubentia suco
terga premunt auroque graves moderantur habenas.
e quibus Ismenus, qui matri sarcina quondam
prima suae fuerat, dum certum flectit in orbem




225
Daar bestegen enigen van de zeven Amfion-zonen
hun sterke paarden en namen plaats op de rugdekken die kleurden
van Tyrisch purper en ze grepen de teugels, zwaar van goud.
Eén van hen, Ismenus, die ooit voor zijn moeder de eerste zwangerschap
was geweest, schreeuwde opeens, terwijl hij trefzeker een cirkel beschreef
quadripedis cursus spumantiaque ora coercet,
'ei mihi!' conclamat medioque in pectore fixa
tela gerit frenisque manu moriente remissis
in latus a dextro paulatim defluit armo.
proximus audito sonitu per inane pharetrae




230
met de draf van zijn viervoeter en zijn schuimende bek in toom hield:
'Ai mij!' en draagt een pijl mee, midden in zijn borst geschoten en
terwijl hij de teugels liet schieten uit zijn stervende hand
gleed hij langzaam zijdelings van de rechtse paardenschoft.
Sipylus,die het dichtst bij stond wilde bij het horen van het rammelen
frena dabat Sipylus, veluti cum praescius imbris
nube fugit visa pendentiaque undique rector
carbasa deducit, ne qua levis effluat aura:
frena tamen dantem non evitabile telum
consequitur, summaque tremens cervice sagitta




235
van de pijlkoker door de lucht de vrije teugel geven, zoals wanneer een stuurman
die een stortbui voorziet bij het zien van de wolken alle zeilen ontrolt
om geen zuchtje wind te missen:
toch haalt de niet te vermijden pijl hem in terwijl hij de teugels nog viert
en trillend steekt de pijl boven in zijn nek
haesit, et exstabat nudum de gutture ferrum;
ille, ut erat pronus, per crura admissa iubasque
volvitur et calido tellurem sanguine foedat.
Phaedimus infelix et aviti nominis heres
Tantalus, ut solito finem inposuere labori,




240
en de ijzeren punt komt naakt uit zijn keel tevoorschijn.
Hij zelf, voorovergebogen als hij zat, rolt over de manen en rennende benen
en bevlekt de aarde met zijn warme bloed.
De ongelukkige Phaedimus en Tantalus, erfgenaam van zijn grootvaders naam,
waren na afsluiting van hun dagelijks werk met elkaar
transierant ad opus nitidae iuvenale palaestrae;
et iam contulerant arto luctantia nexu
pectora pectoribus, cum tento concita nervo,
sicut erant iuncti, traiecit utrumque sagitta.
ingemuere simul, simul incurvata dolore




245
gaan worstelen op de schitterende jongeren-kampplaats;
en reeds zaten ze elkaar dicht op de huid in een nauwe omstrengeling,
borst tegen borst, toen een pijl, gejaagd vanaf een gespannen pees,
hen beiden in deze omarming doorboorde.
Tegelijk slaakten ze een kreet, tegelijk vleidden ze hun
membra solo posuere, simul suprema iacentes
lumina versarunt, animam simul exhalarunt.
adspicit Alphenor laniataque pectora plangens
advolat, ut gelidos conplexibus adlevet artus,
inque pio cadit officio; nam Delius illi




250
leden, door pijn gekromd, op de grond, tegelijk draaiden ze, op de grond,
hun ogen weg en bliezen tegelijk de levensadem uit.
Alphenor zag het en, terwijl hij zijn opengekrabde borst klopte,
snelde hij toe om de verstrengelde, verkillende lichamen op te tillen
maar hij sneuvelde bij deze vrome plichtsbetrachting; want de Deliër
intima fatifero rupit praecordia ferro.
quod simul eductum est, pars et pulmonis in hamis
eruta cumque anima cruor est effusus in auras.
at non intonsum simplex Damasicthona vulnus
adficit: ictus erat, qua crus esse incipit et qua




255
ruïneerde het binnenste van zijn borst met een noodlottige pijl
en toen hij die er uit trok, is er ook een stuk van zijn long aan de weerhaken
uitgetrokken en met zijn levensadem is zijn bloed in de lucht vervluchtigd.
Maar niet een enkelvoudige wond heeft de langgelokte Damasichthon gewond:
hij was al getroffen aan de aanzet van zijn onderbeen, waar de gespierde knie
mollia nervosus facit internodia poples.
dumque manu temptat trahere exitiabile telum,
altera per iugulum pennis tenus acta sagitta est.
expulit hanc sanguis seque eiaculatus in altum
emicat et longe terebrata prosilit aura.




260
het weefsel zacht maakt en terwijl hij
het dodelijke wapen met de hand probeerde uit te trekken
is een tweede pijl door zijn keel tot aan de veren doorgedrongen.
Het bloed dreef deze er weer uit terwijl het naar buiten drong
en hoog doorklieft het de lucht als het opspuit.
ultimus Ilioneus non profectura precando
bracchia sustulerat 'di' que 'o communiter omnes,'
dixerat ignarus non omnes esse rogandos
'parcite!' motus erat, cum iam revocabile telum
non fuit, arcitenens; minimo tamen occidit ille




265
De laatste, Ilioneus, had zijn armen in een vergeefse smeekbede
opgeheven en geroepen: 'Goden, allen tesamen'
zonder te weten dat ze niet allemaal hoefden aangeroepen:
'Spaar me' en de booggod werd ontroerd toen zijn pijl
al onherroepelijk was; toch is hij aan een minimale verwonding
vulnere, non alte percusso corde sagitta.
Fama mali populique dolor lacrimaeque suorum
tam subitae matrem certam fecere ruinae,
mirantem potuisse irascentemque, quod ausi
hoc essent superi, quod tantum iuris haberent;




270
gestorven want de pijl is niet diep in zijn hart doorgedrongen.
- De tijding van deze ramp, de smart van het volk, de tranen om de haren
en haar plotselinge ongeluk hebben de moeder bereikt
met verbazing dat dit had kunnen gebeuren en woede dat de goden
hiertoe in staat waren, dat zij zich zoveel recht aanmatigden;
nam pater Amphion ferro per pectus adacto
finierat moriens pariter cum luce dolorem.
heu! quantum haec Niobe Niobe distabat ab illa,
quae modo Latois populum submoverat aris
et mediam tulerat gressus resupina per urbem




275
want vader Amphion had zich het zwaard in de borst gestoken
en door de dood zich met het daglicht zijn smart ontnomen.
Ach, deze Niobe hoezeer verschilde ze van die Niobe
die zo pas nog het volk had verjaagd van Latonas altaar
en met geheven hoofd door het stadscentrum paradeerde
invidiosa suis; at nunc miseranda vel hosti!
corporibus gelidis incumbit et ordine nullo
oscula dispensat natos suprema per omnes;
a quibus ad caelum liventia bracchia tollens
'pascere, crudelis, nostro, Latona, dolore,




280
benijd door de haren: nu zelfs door haar vijand betreurd.
Zij knielde neer bij de verstijfde lichamen en strooide ordeloos
laatste kussen uit over al haar zonen.
Vanaf hen hief ze haar blauwgeslagen armen ten hemel en kreet:
'Doe je tegoed, wrede Latona, aan onze smart,
pascere' ait 'satiaque meo tua pectora luctu!
[corque ferum satia!' dixit. 'per funera septem]
efferor: exsulta victrixque inimica triumpha!
cur autem victrix? miserae mihi plura supersunt,
quam tibi felici; post tot quoque funera vinco!'




285
ja doe dat en zwelg maar in mijn rouw
zwelg met je wilde hart! Deze zeven graven betekenen mijn dood!
Dans een triomf, vijand, overwinnaar!
Hoewel, overwinnaar? Mij ongelukkige rest meer
dan jou gelukkige: na zoveel doden overtref ik jou toch nog!'
Dixerat, et sonuit contento nervus ab arcu;
qui praeter Nioben unam conterruit omnes:
illa malo est audax. stabant cum vestibus atris
ante toros fratrum demisso crine sorores;
e quibus una trahens haerentia viscere tela




290
Amper had zij gesproken of een pees klonk aan een gespannen boog
en bracht allen behalve Niobe in paniek:
zij is zelfs in haar ellende nog vermetel. In zwarte kleren gehuld
stonden de zusters met loshangend haar voor de baren van hun broers;
één van hen stond het wapen uit zijn ingewanden te trekken
inposito fratri moribunda relanguit ore;
altera solari miseram conata parentem
conticuit subito duplicataque vulnere caeco est.
[oraque compressit, nisi postquam spiritus ibat]
haec frustra fugiens collabitur, illa sorori




295
maar zakte stervend ineen, haar broer nog kussend;
een tweede probeerde haar ongelukkige moeder te troosten
maar viel plotseling stil en trok krom door een verwonding aan haar rug.
Ze drukt haar lippen op elkaar, nadat haar levensgeest er door gegaan was,
De een zakt in elkaar bij een vergeefse poging tot vluchten, de ander sterft
inmoritur; latet haec, illam trepidare videres.
sexque datis leto diversaque vulnera passis
ultima restabat; quam toto corpore mater,
tota veste tegens 'unam minimamque relinque!
de multis minimam posco' clamavit 'et unam.'




300
bij hulp aan haar zus; deze houdt zich schuil, die weer had je kunnen zien rillen.
Nadat er zes waren gestorven, getroffen door verschillende schoten,
bleef er nog één over: die beschermde haar moeder met heel haar lijf,
dekte haar met haar kleding toe onder de uitroep: 'Laat mij deze éne,
de kleinste; van zovelen vraag ik alleen om de jongste.'
dumque rogat, pro qua rogat, occidit orba resedit
exanimes inter natos natasque virumque
deriguitque malis; nullos movet aura capillos,
in vultu color est sine sanguine, lumina maestis
stant inmota genis, nihil est in imagine vivum.




305
Maar terwijl ze nog vraagt, sneuvelt reeds degene om wie ze vraagt:
kinderloos zit ze tussen de ontzielde lichamen in van zonen en dochters
en van haar man en ze verstart in ellende. Geen wind beweegt haar haren nog,
de kleur van haar gezicht is bloedeloos, haar ogen staan onbeweeglijk
in haar treurende kassen, er is niets levends meer in haar gestalte.
ipsa quoque interius cum duro lingua palato
congelat, et venae desistunt posse moveri;
nec flecti cervix nec bracchia reddere motus
nec pes ire potest; intra quoque viscera saxum est.
flet tamen et validi circumdata turbine venti




310
Zelfs ook binnenin verstijft haar tong met het harde verhemelte en
haar aderen kunnen niet meer kloppen
en haar hals niet meer buigen; haar armen konden niet meer bewegen
noch haar voet gaan; vanbinnen waren ook haar ingewanden versteend.
Toch weent zij nog en opgepakt door een sterke wervelwind
in patriam rapta est: ibi fixa cacumine montis
liquitur, et lacrimas etiam nunc marmora manant.

is zij naar haar vaderland gevoerd: daar kwijnt zij weg, vastgezet aan een bergtop
en ook nu nog stromen er tranen van het marmer.



naar begin



Terug naar inhoudsopgave Metamorfosen

Terug naar Home


jan'19