Annales 1

De staatkundige ontwikkeling van Rome in een notedop


Caput I

1.1.1. Urbem Romam a principio reges habuere; libertatem et consulatum L. Brutus instituit. dictaturae ad tempus sumebantur; neque decemviralis potestas ultra biennium neque tribunorum militum consulare ius diu valuit. non Cinnae, non Sullae longa dominatio; et Pompei Crassique potentia cito in Caesarem, Lepidi atque Antonii arma in Augustum cessere, qui cuncta discordiis civilibus fessa nomine principis sub imperium accepit.

Hoofdstuk 1

1.1.1. Over de stad Rome hebben aanvankelijk koningen geregeerd; de vrije Republiek met zijn consuls heeft Lucius Brutus ingesteld. In tijd van nood werden dictators aangesteld en de macht van Tienmannen is niet langer dan twee jaar van kracht geweest en ook de consulaire macht van de Krijgstribunen heeft nooit lang geduurd. Noch van Cinna, noch van Sulla was de heerschappij een lang leven beschoren; en de macht van Pompeius en Crassus is al snel overgegaan op Caesar, de militaire dictatuur van Lepidus en Antonius op Augustus, die het hele rijk, dat uitgeput was door burgertwisten, aan zijn gezag onderwierp onder de benaming 'vorst'.
1.1.2. Sed veteris populi Romani prospera vel adversa claris scriptoribus memorata sunt, temporibusque Augusti dicendis non defuere decora ingenia, donec gliscente adulatione deterrerentur; Tiberii Gaique et Claudii ac Neronis res florentibus ipsis ob metum falsae, postquam occiderant recentibus odiis compositae sunt.
1.1.2. Maar voor- of tegenspoed van het vroegere romeinse volk zijn al door vermaarde historici te boek gesteld en ook de geschiedenis van Augustus' tijd heeft het niet ontbroken aan vaardige talenten, zolang men tenminste niet afgeschrikt werd als gevolg van toenemende kruiperij; de daden van Tiberius en Gaius, Claudius en Nero zijn verdraaid te boek gesteld, uit angst tijdens hun leven, uit nog verse haatgevoelens na hun dood.
1.1.3.Inde consilium mihi pauca de Augusto et extrema tradere; mox Tiberii principatum et cetera, sine ira et studio, quorum causas procul habeo
1.1.3. Daarom ben ik van plan om slechts geringe aandacht te besteden aan Augustus, en dan nog alleen aan zijn nadagen; vervolgens verder te gaan met het principaat van Tiberius en zo verder, zonder ressentiment of toegeeflijkheid, waartoe ik de aanleidingen verre van mij houd.

Caput II

1.2.1.Postquam Bruto et Cassio caesis nulla iam publica arma, Pompeius apud Siciliam oppressus, exutoque Lepido, interfecto Antonio ne Iulianis quidem partibus nisi Caesar dux reliquus,posito triumviri nomine consulem se ferens et ad tuendam plebem tribunicio iure contentum, ubi militem donis, populum annona, cunctos dulcedine otii pellexit, insurgere paulatim, munia senatus magistratuum legum in se trahere, nullo adversante, cum ferocissimi per acies aut proscriptione cecidissent, ceteri nobilium, quanto quis servitio promptior, opibus et honoribus extollerentur ac novis ex rebus aucti tuta et praesentia quam vetera et periculosa mallent

Hoofdstuk 2

1.2.1. Nadat Brutus en Cassius uit de weg geruimd waren bleef er geen leger meer over om de Republiek te verdedigen, omdat Pompeius bij Sicilië verslagen was en na de liquidatie van Lepidus en de dood van Antonius ook van de Iuliaanse partij alleen Caesar als aanvoerder over was. Deze legde zijn titel van 'triumvir' af, presenteerde zich als consul en wendde voor tevreden te zijn met de macht van tribuun om het volk te beschermen. Zodra hij echter het leger in slaap gesust had met giften, het volk met voedsel en allen met weldadige rust, begon hij zich allengs te roeren en prerogatieven van senaat, ambtsdragers en wetten tot zich te trekken. Niemand bood hierbij tegenstand, omdat de grootste houwdegens op het slagveld of door vogelvrijverklaring omgekomen waren en omdat de overige vooraanstaanden - al naar gelang ze meer bereid waren tot onderdanigheid - door geld en ereambten tot groter maatschappelijk aanzien gebracht werden en zij dus op grond van hun pas verworven posities de voorkeur gaven aan nieuwe zekerheden boven de hachelijke omstandigheden van het verleden.

1.2.2. Neque provinciae illum rerum statum abnuebant, suspecto senatus populique imperio ob certamina potentium et avaritiam magistratuum, invalido legum auxilio, quae vi, ambitu, postremo pecunia turbabantur.

1.2.2. Ook de provincies verzetten zich niet tegen die gang van zaken omdat het gezag van senaat en volk in diskrediet geraakt was door de rivaliteit van de machtigen en de schraapzucht van de ambtsdragers. De wetgeving stond hiertegenover machteloos omdat ze door geweld, vriendjespolitiek en tenslotte omkoperij ontkracht werd.

Caput III

1.3.1. Ceterum Augustus subsidia dominationi Claudium Marcellum sororis filium admodum adulescentem pontificatu et curuli aedilitate, M. Agrippam ignobilem loco, bonum militia et victoriae socium, geminatis consulatibus extulit, mox defuncto Marcello generum sumpsit; Tiberium Neronem et Claudium Drusum privignos imperatoriis nominibus auxit, integra etiam tum domo sua.

Hoofdstuk 3

1.3.1. Augustus nu verhief tot steunpilaren voor zijn heerschappij Claudius Marcellus, zijn neefje en nog onvolwassen, door aan hem een pontificaat en een curulische aediliteit te verlenen, en aan Marcus Agrippa, van onaanzienlijke afkomst maar zijn trouwe vriend in oorlog en overwinning, gaf hij twee consulaten achter elkaar, en toen al spoedig Marcellus overleed koos hij de laatste tot schoonzoon. Aan Tiberius Nero en Claudius Drusus, zijn stiefzonen, kende hij de titel 'imperator' toe, hoewel toen ook zijn eigen familie nog compleet was.
1.3.2. Nam genitos Agrippa Gaium ac Lucium in familiam Caesarum induxerat, necdum posita puerili praetexta principes iuventutis appellari, destinari consules specie recusantis flagrantissime cupiverat.
1.3.2.Want hij had de zonen van Agrippa, Gaius en Lucius, in de familie der Caesars opgenomen en hij had er op gestaan dat zij, toen zij nog niet de jongenstoog ontgroeid waren, al 'jeugd-vorsten' genoemd werden en voor het consulaat bestemd werden, zogenaamd tegen zijn zin.
1.3.3 Ut Agrippa vita concessit, Lucium Caesarem euntem ad Hispanienses exercitus, Gaium remeantem Armenia et vulnere invalidum mors fato propera vel novercae Liviae dolus abstulit, Drusoque pridem extincto Nero solus e privignis erat, illuc cuncta vergere: filius, collega imperii, consors tribuniciae potestatis adsumitur omnisque per exercitus ostentatur, non obscuris, ut antea, matris artibus, sed palam hortatu.

1.3.3. Na de dood van Agrippa is Lucius Caesar gestorven toen hij op weg was naar de legers in Spanje en Gaius toen hij op de terugweg was vanuit Armenië en verzwakt was door een verwonding. De dood werd verhaast door het lot of doordat stiefmoeder Livia daarbij stiekem een handje hielp en omdat Drusus al lang overleden was, bleef alleen Nero van de stiefzonen over en bij hem kwam tenslotte alles terecht: hij werd aangenomen als zijn zoon, zijn partner in de macht, zijn deelgenoot in de 'tribunicia potestas' en als zodanig werd hij aan alle legers voorgedragen, niet meer met slinkse trucs van zijn moeder, maar openlijk op haar aansporen.
1.3.4. Nam senem Augustum devinxerat adeo, uti nepotem unicum Agrippam Postumum, in insulam Planasiam proiecerit, rudem sane bonarum artium et robore corporis stolide ferocem, nullius tamen flagitii conpertum.
1.3.4. Want zij had Augustus op zijn oude dag zo weten te bewerken dat hij zijn enige kleinzoon, Agrippa Postumus, naar het eiland Planasia liet deporteren. Dat was dan wel een jongen waar weinig cultuur bij zat en die voornamelijk prat ging op brute lichaamskracht maar van wie toch geen wandaad te melden was.
1.3.5.At hercule Germanicum Druso ortum octo apud Rhenum legionibus inposuit adscirique per adoptionem a Tiberio iussit, quamquam esset in domo Tiberii filius iuvenis, sed quo pluribus munimentis insisteret.
1.3.5. Maar - tragisch genoeg - stelde hij Germanicus, de zoon van Drusus, aan het hoofd van acht legioenen bij de Rijn en gaf opdracht dat hij door Tiberius geadopteerd werd ofschoon zich in het gezin van Tiberius een jonge zoon bevond, maar zo hoopte hij zich van des te meer steunpilaren te verzekeren.
1.3.6. Bellum ea tempestate nullum nisi adversus Germanos supererat, abolendae magis infamiae ob amissum cum Quintilio Varo exercitum quam cupidine proferendi imperii aut dignum ob praemium.
1.3.6. In die tijd was er geen enkele andere oorlog drukkender dan tegen de Germanen; en die woedde in feite meer om de schande te wreken wegens het verlies van het leger onder Quintilius Varus dan uit verlangen het rijk uit te breiden of noemenswaardige buit te behalen.
1.3.7. Domi res tranquillae, eadem magistratuum vocabula; iuniores post Actiacam victoriam, etiam senes plerique inter bella civium nati: quotus quisque reliquus qui rem publicam vidisset?
1.3.7. Binnenslands heerste rust, in naam functioneerden de magistraten; de jongeren waren geboren na de overwinning bij Actium, ook de oude garde was grotendeels uit de tijd tussen de burgeroorlogen: hoe weinigen waren nog over die de tijd van de Republiek nog meegemaakt hadden ?

Caput IV

1.4.1. Igitur verso civitatis statu nihil usquam prisci et integri moris: omnes exuta aequalitate iussa principis aspectare, nulla in praesens formidine, dum Augustus aetate validus seque et domum in pacem sustentavit.

Hoofdstuk 4

1.4.1. Zo was er na het op zijn kop zetten van de staatsrechtelijke orde nergens meer iets te vinden van de traditionele, respectabele verhoudingen: toen eenmaal het principe van gelijkheid overboord gezet was wachtten allen de bevelen van de vorst af. Vooralsnog was er weinig te duchten zolang Augustus in de kracht van zijn jaren zichzelf en zijn familie en de vrede in stand hield.
1.4.2.Postquam provecta iam senectus aegro et corpore fatigabatur, aderatque finis et spes novae, pauci bona libertatis in cassum disserere, plures bellum pavescere, alii cupere; pars multo maxima imminentis dominos variis rumoribus differebant:
1.4.2. Toen hij eenmaal op gevorderde leeftijd kwam en ziekelijk werd en toen zijn einde naderde en daarmee nieuwe verwachtingen, bespraken weinigen vruchteloos de zegeningen van de vrijheid, meerderen vatten vrees op voor oorlog, anderen verlangden er juist naar. Verreweg de meesten verspreidden in allerlei prietpraat wat men zoal van eventuele komende heersers te verwachten had:
1.4.3. trucem Agrippam et ignominia accensum non aetate neque rerum experientia tantae moli parem; Tiberium Neronem maturum annis, spectatum bello, sed vetere atque insita Claudiae familiae superbia, multaque indicia saevitiae, quamquam premantur, erumpere.
1.4.3.Agrippa, nors en rancuneus door de smadelijke behandeling hem aangedaan, zou noch door zijn leeftijd noch door bestuurservaring opgewassen zijn tegen zo'n grote opgave; Tiberius Nero mocht dan voldoende jaren tellen en zich bewezen hebben in de oorlog, hij was toch behept met die onuitroeibare arrogantie waar de Claudii het patent op hadden; ook staken al veel tekens van een driftige aard de kop op, al werden die ook nog verdoezeld.
1.4.4. Hunc et prima ab infantia eductum in domo regnatrice; congestos iuveni consulatus, triumphos; ne iis quidem annis, quibus Rhodi specie secessus exulem egerit, aliquid quam iram et simulationem et secretas libidines meditatum.
1.4.4. Hij was ook al van jongs af aan grootgebracht in een koninklijke ambiance; als jongeman al was hij overstelpt met consulaten en triomfen; zelfs in de jaren waarin hij op Rhodos als balling had doorgebracht, zogenaamd 'in retraite', had hij zich met niets anders bezig gehouden dan met wrok en veinzerij en een wellust die het daglicht niet kon verdragen.
1.4.5.Accedere matrem muliebri inpotentia: serviendum feminae duobusque insuper adulescentibus, qui rem publicam interim premant, quandoque distrahant.
1.4.5. Daar moest je nog een moeder aan toevoegen met de heerszucht van een vrouw: dat zou uitdraaien op slavernij aan een vrouw en bovendien twee jongelieden die onderling het staatsbelang onder druk zouden zetten en het eens zouden verscheuren.

Caput V

1.5.1. Haec atque talia agitantibus gravescere valetudo Augusti, et quidam scelus uxoris suspectabant. Quippe rumor incesserat paucos ante menses Augustum electis consciis et comite uno Fabio Maximo Planasiam vectum ad visendum Agrippam; multas illic utrimque lacrimas et signa caritatis spemque ex eo fore ut iuvenis penatibus avi redderetur.

1.5.2. Quod Maximum uxori Marciae aperuisse, illam Liviae. Gnarum id Caesari; neque multo post extincto Maximo, dubium an quaesita morte, auditos in funere eius Marciae gemitus semet incusantis, quod causa exitii marito fuisset.
1.5.3. Utcumque se ea res habuit, vixdum ingressus Illyricum Tiberius properis matris litteris accitur; neque satis conpertum est, spirantem adhuc Augustum apud urbem Nolam an exanimem reppererit.
1.5.4. Acribus namque custodiis domum et vias saepserat Livia, laetique interdum nuntii vulgabantur, donec provisis quae tempus monebat simul excessisse Augustum et rerum potiri Neronem fama eadem tulit.

Hoofdstuk 5

1.5.1. Terwijl men deze en soortgelijke geruchten druk besprak, werd de gezondheidstoestand van Augustus snel slechter; ook waren er die zijn vrouw ervan verdachten hierin de hand te hebben. Het gerucht had zich immers verspreid dat Augustus enkele maanden tevoren met medeweten van enkele vertrouwelingen en met als enige metgezel Fabius Maximus naar Planasia gevaren was om Agrippa te bezoeken; dat daar aan beide kanten veel tranen vergoten waren onder vertoon van genegenheid en dat men op grond hiervan de verwachting mocht koesteren dat de jongeman weer in genade bij zijn grootvader zou worden aangenomen.
1.5.2. Maximus zou dit verteld hebben aan zijn vrouw Marcia en die weer aan Livia. Dit zou Augustus ter ore zijn gekomen; en toen niet veel later Maximus omkwam, misschien door zelfdoding, zouden er bij zijn begrafenis weeklachten van Marcia gehoord zijn waarin zij zichzelf beschuldigde dat zij de oorzaak van de dood van haar man geweest was.
1.5.3. Hoe de zaak ook in elkaar zat: Tiberius werd, toen hij amper voet aan wal gezet had in Illyrië, in allerijl schriftelijk ontboden door zijn moeder en er bestaat geen zekerheid of hij Augustus nog levend bij Nola aangetroffen heeft of reeds overleden.
1.5.4. Want Livia had paleis en toegangswegen afgegrendeld met scherpe wachtposten en van tijd tot tijd werden optimistische mededelingen gedaan totdat, na het treffen van de voorzorgsmaatregelen waar de omstandigheden om vroegen, hetzelfde communiqué de dood van Augustus bekend gemaakt heeft en de machtsovername door Nero.

Caput VI

1.6.1. Primum facinus novi principatus fuit Postumi Agrippae caedes, quem ignarum inerumumque quamvis firmatus animo centurio aegre confecit. Nihil de ea re Tiberius apud senatum disseruit: patris iussa simulabat, quibus praescripsisset tribuno custodiae adposito, ne cunctaretur Agrippam morte adficere, quandoque ipse supremum diem explevisset.

Hoofdstuk 6

1.6.1. De eerste wandaad onder het nieuwe principaat bestond uit de moord op Postumus Agrippa, die, hoewel hij op niets verdacht was en ongewapend, een centurio, hoe vastberaden die ook was, toch maar met moeite wist af te slachten. Met geen woord heeft Tiberius hierover tegenover de senaat gerept: hij wendde voor dat het hier ging om bevelen van zijn vader waarin deze aan de tribuun die toezicht hield op de bewaking orders gegeven had om niet te dralen Agrippa te vermoorden, zodra hij zelf de laatste adem zou hebben uitgeblazen.
1.6.2. Multa sine dubio saevaque Augustus de moribus adulescentis questus, ut exilium eius senatus consulto sanciretur perfecerat: ceterum in nullius umquam suorum necem duravit, neque mortem nepoti pro securitate privigni inlatam credibile erat. Propius vero Tiberium ac Liviam, illum metu, hanc novercalibus odiis, suspecti et invisi iuvenis caedem festinavisse.
1.6.2. Ongetwijfeld had Augustus door vaak bitter te klagen over de gedragswijze van de jongeman gedaan gekregen dat zijn verbanning door een senaatsbesluit bekrachtigd werd: maar nooit heeft hij wrok jegens wie ook van zijn familie uit laten lopen op doodslag, en ook was het niet geloofwaardig dat hij zijn kleinzoon de das aandeed om zijn stiefzoon te beschermen. Waarschijnlijker scheen dat Tiberius en Livia, de eerste uit angst, de tweede uit stiefmoederlijke haatgevoelens, haast hadden gemaakt met de moord op de verdachte en gehate jongeman.
1.6.3. Nuntianti centurioni, ut mos militiae, factum esse quod imperasset, neque imperasse sese et rationem facti reddendam apud senatum respondit. Quod postquam Sallustius Crispus particeps secretorum (is ad tribunum miserat codicillos) comperit, metuens ne reus subderetur, iuxta periculoso ficta seu vera promeret, monuit Liviam ne arcana domus, ne consilia amicorum, ministeria militum vulgarentur, neve Tiberius vim principatus resolveret cuncta ad senatum vocando: eam condicionem esse imperandi, ut non aliter ratio constet quam si uni reddatur.
1.6.3. Aan de centurio, die naar militair gebruik kwam melden dat volbracht was wat hij opgedragen had, antwoordde hij dat er van een opdracht zijnerzijds geen sprake was geweest en dat verantwoording voor deze daad voor de senaat moest worden afgelegd. Maar toen Sallustius Crispus, die in het complot betrokken was [hij had de brief met de opdracht naar de tribuun gestuurd] hiervan lucht had gekregen drong hij er, uit angst dat hij als zondebok gebruikt zou worden, bij Livia op aan dat noch familiegeheimen noch adviezen van vrienden of militaire dienstbevelen aan de grote klok gehangen moesten worden, en dat Tiberius het prestige van het principaat niet moest uithollen door alles maar in de senaat aan de orde te stellen: dat dit de voorwaarde was voor heersen, dat de rekening alleen maar klopte als ze aan één enkeling werd overgelegd.

CAPUT VII

1.7.1. At Romae ruere in servitium consules, patres, eques. Quanto quis inlustrior, tanto magis falsi ac festinantes, vultuque composito, ne laeti excessu principis neu tristiores primordio, lacrimas gaudium, questus adulationem miscebant.

Hoofdstuk 7

1.7.1. Maar in Rome stortten zich consuls, senatoren, ridders in slaafs dienstbetoon. Naarmate men meer vooraanstaand was, des te meer mengde men, gehuicheld en gehaast, maar met het gezicht in een grimas om toch maar niet verheugd te lijken bij het overlijden van de ene vorst maar ook weer niet te treurig bij het aantreden van de ander, tranen en blijdschap, geweeklaag en vleierij.
1.7.2. Sex. Pompeius et Sex. Appuleius consules primi in verba Tiberii Caesaris iuravere, apudque eos Seius Strabo et C. Turranius, ille praetoriarum cohortium praefectus, hic annonae; mox senatus milesque et populus.
1.7.2. De consuls Sextus Pompeius en Sextus Appuleius hebben als eersten trouw gezworen aan Tiberius Caesar, en ten overstaan van hen legden Seius Strabo en Gaius Turranius de eed af, de eerste als commandant van de keizerlijke lijfwacht, de laatstgenoemde als verantwoordelijke voor de voedselvoorziening; daarna volgden senaat, leger en volk.
1.7.3. Nam Tiberius cuncta per consules incipiebat, tamquam vetere re publica et ambiguus imperandi: ne edictum quidem, quo patres in curiam vocabat, nisi tribuniciae potestatis praescriptione posuit sub Augusto acceptae.
1.7.3. Want Tiberius voerde al zijn beleid uit met de consuls als uitgangspunt, alsof de oude republikeinse verhoudingen nog in zwang waren en hij het maar zo zo vond om de touwtjes in handen te nemen: zelfs het edict waarin hij de senatoren ontbood naar het senaatsgebouw, heeft hij slechts uitgevaardigd op grond van de tribunicia potestas die hij onder Augustus verkregen had.
1.7.4. Verba edicti fuere pauca et sensu permodesto: de honoribus parentis consulturum, neque abscedere a corpore, idque unum ex publicis muneribus usurpare.
1.7.4. Het edict bevatte ook weinig tekst en had een zeer bescheiden strekking: hij was van plan hen te raadplegen over de eerbewijzen aan zijn vader, en hij week niet van zijn lichaam, en alleen deze publieke taak eiste hij voor zich op.
1.7.5. Sed defuncto Augusto signum praetoriis cohortibus ut imperator dederat; excubiae, arma, cetera aulae; miles in forum, miles in curiam comitabatur. Litteras ad exercitus tamquam adepto principatu misit, nusquam cunctabundus nisi cum in senatu loqueretur.
1.7.5. Maar toen Augustus overleden was had hij aan de keizerlijke lijfwacht het wachtwoord gegeven als hun opperbevelhebber; hij omringde zich met wachtposten, een lijfwacht, en wat maar bij een hofhouding hoorde; soldaten vergezelden hem naar het Forum, soldaten vergezelden hem naar het senaatsgebouw. Brieven naar de legers zond hij alsof hij het principaat had overgenomen, nergens terughoudend of het moest zijn toen hij in de senaat het woord voerde.
1.7.6. Causa praecipua ex formidine, ne Germanicus, in cuius manu tot legiones, immensa sociorum auxilia, mirus apud populum favor, habere imperium quam exspectare mallet.
1.7.6. De voornaamste oorzaak kwam voort uit de angst dat Germanicus, die zoveel legioenen en onafzienbare hulptroepen aan bondgenoten bij de hand had en die een wonderlijke populariteit bij het volk genoot, liever de macht zou willen grijpen dan afwachten.
1.7.7. Dabat et famae, ut vocatus electusque potius a re publica videretur quam per uxorium ambitum et senili adoptione inrepsisse. Postea cognitum est ad introspiciendas etiam procerum voluntates inductam dubitationem: nam verba vultus in crimen detorquens recondebat.
1.7.7. Ook hechtte hij aan de opinie dat hij veeleer uitgeroepen en gekozen was door de openbare lichamen dan dat hij zich binnen had weten te dringen via de eerzucht van een vrouw en de adoptie door een oude man. Later is men te weten gekomen dat hij tot die aarzelende houding gebracht is om ook de gezindheid van de vooraanstaanden te peilen: want hun woorden en gezichtsuitdrukking onthield hij, terwijl hij ze tot misdaden verdraaide.

Het eerste Politieke optreden van Tiberius

CAPUT VIII

1.8.1. Nihil primo senatus die agi passus nisi de supremis Augusti. Cuius testamentum inlatum per virgines Vestae Tiberium et Liviam heredes habuit. Livia in familiam Iuliam nomenque Augustum adsumebatur. In spem secundam nepotes pronepotesque, tertio gradu primores civitatis scripserat, plerosque invisos sibi, sed iactantia gloriaque ad posteros.

Hoofdstuk 8

1.8.1. Op de eerste zittingsdag van de senaat heeft hij niets anders behandeld willen zien dan de begrafenis van Augustus. Diens testament werd door Vestaalse maagden binnengebracht en gaf Tiberius en Livia aan als erfgenamen. Livia werd in de familia Iulia opgenomen en kreeg de titel Augusta. Als erfgenamen in de tweede graad had hij zijn kleinzonen en achterkleinzonen benoemd, en in de derde graad de meest vooraanstaanden uit de burgerij, de meesten zijn vijanden, maar hij handelde zo door gebral en uit eerzucht bij het nageslacht.
1.8.2. Legata non ultra civilem modum, nisi quod populo et plebi quadringentiens triciens quinquies, praetoriarum cohortium militibus singula nummum milia, urbanis quingenos, legionariis aut cohortibus civium Romanorum trecenos nummos viritim dedit.
1.8.2. Zijn nalatenschap ging die van een gewoon burger niet te boven, behalve dat hij aan de burgerij en het volk drieënveertig miljoen vijfhonderdduizend sestertiën, aan de soldaten van de keizerlijke lijfwacht ieder duizend sestertiën, aan die van de stadscohorte vijfhonderd, aan de legioensoldaten en de cohorten van Romeinse burgers per man driehonderd sestertiën schonk.
1.8.3. Tum consulatum de honoribus; ex quis qui maxime insignes visi, ut porta triumphali duceretur funus, Gallus Asinius, ut legum latarum tituli, victarum ab eo gentium vocabula anteferentur, L. Arruntius censuere.
1.8.3. Daarna is er beraadslaagd over de eerbewijzen; hiervan werden als de opvallendste beschouwd dat de lijkstoet door de triomfpoort geleid zou worden, waarvoor Gallus Asinius het voorstel indiende, en dat de titels van de wetten die door hem waren bekrachtigd en de namen van de volken die door hem waren overwonnen vooruitgedragen zouden worden, waarvoor Lucius Arruntius het initiatief nam.
1.8.4. Addebat Messalla Valerius renovandum per annos sacramentum in nomen Tiberii; interrogatusque a Tiberio num se mandante eam sententiam prompsisset, sponte dixisse respondit, neque in iis quae ad rem publicam pertinerent consilio nisi suo usurum, vel cum periculo offensionis: ea sola species adulandi supererat.
1.8.4. Hieraan voegde Messalla Valerius nog toe dat de eed op Tiberius elk jaar hernieuwd moest worden; en toen hem door Tiberius gevraagd was of hij deze mening op zijn aandringen naar voren had gebracht, antwoordde hij dat hij uit eigen beweging gesproken had en dat hij in het algemeen slechts bij zichzelf te rade zou gaan in kwesties die de openbare zaak betroffen, zelfs als hij gevaar liep te schofferen: dat was de enige vorm van vleierij die nog niet vertoond was.
1.8.5. Conclamant patres corpus ad rogum umeris senatorum ferendum. Remisit Caesar adroganti moderatione, populumque edicto monuit ne, ut quondam nimiis studiis funus divi Iulii turbassent, ita Augustum in foro potius quam in campo Martis, sede destinata, cremari vellent.
1.8.5. Eenparig besloten de senatoren dat het stoffelijk overschot op de schouders van de senatoren naar de brandstapel gedragen moest worden. Met hooghartige bescheidenheid stemde de keizer daarmee in en hij vermaande het volk bij edict om niet, zoals zij eens de begrafenis van de goddelijke Iulius door al te grote genegenheidsbetuigingen in een chaotische gebeurtenis verkeerd hadden, zo ook bij Augustus te verlangen dat hij liever op het Forum gecremeerd zou worden in plaats van op het Marsveld, de plaats die Augustus zelf gekozen had.
1.8.6. Die funeris milites velut praesidio stetere, multum inridentibus qui ipsi viderant quique a parentibus acceperant diem illum crudi adhuc servitii et libertatis inprospere repetitae, cum occisus dictator Caesar aliis pessimum, aliis pulcherrimum facinus videretur: nunc senem principem, longa potentia, provisis etiam heredum in rem publicam opibus, auxilio scilicet militari tuendum, ut sepultura eius quieta foret.
1.8.6. Op de dag van de begrafenis stonden soldaten als voor handhaving van de orde opgesteld, tot grote hilariteit van hen die met eigen ogen gezien hadden of die van hun ouders gehoord hadden over die dag van nog verse onderdanigheid en vergeefs terugverlangde vrijheid, toen de moord op de dictator Caesar aan sommigen een allerellendigste en aan anderen een sublieme daad toescheen: nu werd een hoogbejaarde vorst, met een lange regeringsperiode achter zich, na ook al zijn erfgenamen op de springplank gezet te hebben in strijd met het algemeen belang, die moest nota bene met militaire hulp beschermd worden zodat zijn begrafenis rustig zou verlopen.

Caput IX

1.9.1. Multus hinc ipso de Augusto sermo, plerisque vana mirantibus, quod idem dies accepti quondam imperii princeps et vitae supremus, quod Nolae in domo et cubiculo in quo pater eius Octavius vitam finivisset.
1.9.1. Hierna deden vele praatjes de ronde over Augustus zelf waarbij de meesten een bewondering aan de dag legden over onnozelheden: dat dezelfde dag de eerste was geweest van het begin van zijn regering in het verleden en de laatste van zijn leven nu, dat hij te Nola in het huis, ja zelfs in de kamer gestorven was waarin ook zijn vader Octavius de laatste adem had uitgeblazen.
1.9.2. Numerus etiam consulatuum celebrabatur, quo Valerium Corvum et C. Marium simul aequaverat, continuata per septem et triginta annos tribunicia potestas, nomen imperatoris semel atque vicies partum aliaque honorum mutiplicata aut nova.
1.9.2. Ook werd geprezen het grote aantal van zijn consulaten, waarmee hij Valerius Corvus en Gaius Marius samen geëvenaard had, de prestatie dat hij gedurende 37 jaar achtereenvolgens het ambt van tribuun bekleed had, 21 maal de titel 'imperator' verworven had en andere ereambten herhaaldelijk of voor het eerst verworven had.
1.9.3. At apud prudentes vita eius varie extollebatur arguebaturve. Hi: pietate erga parentem et necessitudine rei publicae, in qua nullus tunc legibus locus, ad arma civilia actum, quae neque parari possent neque haberi per bonas artes.
1.9.3. Maar onder mensen met een genuanceerd oordeel werd zijn levensloop op uiteenlopende wijze geprezen of tegen het licht gehouden. De ene groep redeneerde dat hij uit respect voor zijn vader en de noodzaak van de politieke omstandigheden waarin toen geen enkele mogelijkheid voor wettelijk handelen meer bestond, wel gedreven was tot burgeroorlog die nou eenmaal noch voorbereid noch uitgevochten kon worden met schone handen.
1.9.4. Multa Antonio, dum interfectores patris ulcisceretur, multa Lepido concessisse. Postquam hic socordia senuerit, ille per libidines pessum datus sit, non aliud discordantis patriae remedium fuisse quam ut ab uno regeretur.
1.9.4. Hij had veel toe moeten geven aan Antonius, als die maar wraak zou nemen op de moordenaars van zijn vader, veel ook aan Lepidus. Nadat de laatste oud geworden was in desinteresse en de eerstgenoemde zich te grabbel gegooid had in een liederlijk leven was er geen ander geneesmiddel geweest voor het vaderland-in-tweespalt dan dat het door één man werd geregeerd.
1.9.5. Non regno tamen neque dictatura, sed principis nomine constitutam rem publicam; mari Oceano aut amnibus longinquis saeptum imperium; legiones, provincias, classes, cuncta inter se conexa; ius apud cives, modestiam apud socios; urbem ipsam magnificio ornatu; pauca admodum vi tractata, quo ceteris quies esset.
1.9.5. Toch had hij de staatsvorm niet met een koningschap geregeld noch met een dictatuur maar onder de titel 'princeps'; het rijk had hij afgegrendeld met de Oceaan of verafgelegen rivieren; legioenen, provincies, vloten, alles was onderling in een georganiseerd verband gebracht; de burgers leefden in een rechtsstaat, de bondgenoten wisten hun plaats; Rome zelf kende een schitterende pracht; slechts weinig was maar gewelddadig geregeld en dat dan nog om op andere gebieden voor rust te zorgen.

Caput X

1.10.1. Dicebatur contra: pietatem erga parentem et tempora rei publicae obtentui sumpta: ceterum cupidine dominandi concitos per largitionem veteranos, paratum ab adulescente privato exercitum, corruptas consulis legiones, simulatam Pompeianarum partium gratiam.

Hoofdstuk 10

1.10.1. Daartegen werd ingebracht dat hij het respect voor zijn vader en de politieke omstandigheden slechts als voorwendsel gebruikt had: maar dat hij uit begeerte om te heersen de oudgedienden met schenkingen aan zich gebonden had, dat hij al van jongs af aan en zonder ambt een leger op de been had gebracht, de legioenen van een consul had omgekocht, een goede verstandhouding met de partij van Pompeius had voorgewend.
1.10.2. Mox ubi decreto patrum fasces et ius praetoris invaserit, caesis Hirtio et Pansa, sive hostis illos, seu Pansam venenum vulneri adfusum, sui milites Hirtium et machinator doli Caesar abstulerat, utriusque copias ocupavisse; extortum invito senatu consulatum, armaque quae in Antonium acceperit contra rem publicam versa; proscriptionem civium, divisiones agrorum ne ipsis quidem qui fecere laudatas.
1.10.2. Daarna had hij zich van de legers van Hirtius en Pansa meester gemaakt zodra hij via een decreet van de senaat in het bezit gekomen was van de fasces en de bevoegdheid van praetor. Eerst had hij Hirtius en Pansa uit de weg geruimd, hetzij de vijand met hen had afgerekend, hetzij Pansa vergif in een wond gespoten had gekregen en Hirtius door zijn eigen soldaten uit de weg was geruimd met Caesar als aanstichter van deze slinkse operatie. Tegen de zin van de senaat had hij een consulaat afgeperst en de wapens die hij verkregen had om tegen Antonius te vechten had hij aangewend tegen de staat. De vogelvrijverklaring van burgers en de verdeling van grondgebieden waren zelfs niet goed gepraat door degenen die het zelf ten uitvoer hadden gebracht.
1.10.3. Sane Cassii et Brutorum exitus paternis inimicitiis datos, quamquam fas sit privata odia publicis utilitatibus remittere: sed Pompeium imagine pacis, sed Lepidum specie amicitiae deceptos; post Antonium, Tarentino Brundisinoque foedere et nuptiis sororis inlectum, subdolae adfinitatis poenas morte exsolvisse.
1.10.3. Weliswaar konden de liquidatie van Cassius en de beide Brutussen toegeschreven worden aan hun vijandschap met zijn vader (hoewel het toch correct zou zijn persoonlijke grieven achter te stellen bij het belang van de staat): maar Pompeius was toch misleid door een verzoening die slechts in scene gezet was, Lepidus onder het mom van vriendschap; vervolgens had Antonius, verleid door de verdragen van Tarente en Brundisium en het huwelijk met zijn zuster voor zijn arglistige aanverwantschap met zijn leven moeten boeten.
1.10.4. Pacem sine dubio post haec, verum cruentam: Lollianas Varianasque clades, interfectos Romae Varrones, Egnatios, Iullos.
1.10.4. Ongetwijfeld heerste er daarna vrede, maar een bloedige: nederlagen van Lollius en Varus, te Rome executies van mannen als Varro, als Egnatius, als Lullus.
1.10.5. Nec domesticis abstinebatur: abducta Neroni uxor et consulti per ludibrium pontifices an concepto necdum edito partu rite nuberet; Q.Vitellii et Vedii Pollionis luxus; postremo Livia gravis in rem publicam mater, gravis domui Caesarum noverca.
1.10.5. Ook zijn huiselijk leven liet men niet onbesproken: van Nero was diens echtgenote afgetroggeld en met een cynische draai was aan de opperpriesters de vraag voorgelegd of hij wel een huwelijk mocht aangaan met een vrouw die zwanger was maar nog niet gebaard had; en dan de uitspattingen van Quintus Vitellius en Vedius Pollio; tenslotte: Livia, een spook als moeder voor de staat, maar ook als stiefmoeder voor de dynastie der Caesars.
1.10.6. Nihil deorum honoribus relictum, cum se templis et effigie numinum per flamines et sacerdotes coli vellet.
1.10.6. Niets was aan exclusieve eerbewijzen voor de goden overgelaten, nu hij zich in tempels en met afbeeldingen van goden wilde laten vereren door speciale en algemene priesters.
1.10.7. Ne Tiberium quidem caritate aut rei publicae cura successorem adscitum, sed, quoniam adrogantiam saevitiamque eius introspexerit, comparatione deterrima sibi gloriam quaesivisse. Etenim Augustus paucis ante annis, cum Tiberio tribuniciam potestatem a patribus rursum postularet, quamquam honora oratione, quaedam de habitu cultuque et institutis eius iecerat, quae velut excusando exprobraret.
1.10.7. Zelfs Tiberius had hij niet uit genegenheid of zorg voor het staatsbelang als zijn opvolger aangetrokken, maar, aangezien hij diens arrogantie en grimmigheid doorzien had, had hij roem voor zichzelf nagejaagd op grond van een uiterst verwerpelijke onderlinge vergelijking. Inderdaad had Augustus enkele jaren tevoren, toen hij aan de senaat opnieuw de tribunicische bevoegdheid voor Tiberius vroeg, in een weliswaar eervolle redevoering toch over zijn gedrag, levenswijze en gewoonten enkele opmerkingen gemaakt die onder het mom van een vergoelijking een verwijt inhielden.
1.10.8. Ceterum sepultura more perfecta templum et caelestes religiones decernuntur.
1.10.8. Overigens werden hem, nadat de begrafenis volgens gebruik had plaatsgevonden, een tempel en goddelijke verering toegekend.

Caput XI

1.11.1. Versae inde ad Tiberium preces. Et ille varie disserebat de magnitudine imperii, sua modestia. Solam divi Augusti mentem tantae molis capacem: se in partem curarum ab illo vocatum experiendo didicisse quam arduum, quam subiectum fortunae regendi cuncta onus. Proinde in civitate tot inlustribus viris subnixa non ad unum omnia deferrent: plures facilius munia rei publicae sociatis laboribus exsecuturos.

Hoofdstuk 11

1.11.1. Hierop richtte men zijn smeekbeden tot Tiberius. En hij sprak op omslachtige wijze over de enorme omvang van de heerschappij en zijn bescheiden capaciteiten. Alleen de geest van de goddelijke Augustus was opgewassen tegen een zo grote opgave: hijzelf had, toen hij eenmaal door hem tot deelname aan het bestuur geroepen was, door ervaring geleerd hoe een moeilijke en aan lotsgrillen onderworpen taak het besturen van alles vormde. Overigens mocht men niet in een staat, die geschraagd werd door zoveel voortreffelijke mannen alles afwentelen op de schouders van één man: meerderen zouden met groter gemak met vereende krachten de staatszaken ter hand kunnen nemen.
1.11.2. Plus in oratione tali dignitatis quam fidei erat; Tiberioque etiam in rebus quas non occuleret, seu natura sive adsuetudine, suspensa semper et obscura verba: tunc vero nitenti ut sensus suos penitus abderet in incertum et ambiguum magis implicabantur.
1.11.2. Een dergelijke toespraak was eerder imponerend dan geloofwaardig; en Tiberius was ook in aangelegenheden die geen geheimzinnigheid nodig hadden altijd een omsluierd en duister taalgebruik eigen, hetzij van nature hetzij door gewoonte: toen echter, toen hij er op uit was om zijn bedoelingen echt te verbergen, werden zijn gedachten nog meer in onduidelijkheid en dubbelzinnigheid verpakt.
1.11.3. At patres, quibus unus metus si intellegere viderentur, in questus lacrimas vota effundi; ad deos, ad effigiem Augusti, ad genua ipsius manus tendere, cum proferri libellum recitarique iussit.
1.11.3. Maar de senatoren, wier enige schrik hierin bestond dat zij dachten hem te begrijpen, putten zich uit in klachten, tranen en geloften; naar de goden, naar het beeld van Augustus, naar Tiberius' knieën strekten zij hun handen uit toen hij bevel gaf een boekje te voorschijn te halen en voor te lezen.
1.11.4. Opes publicae continebantur, quantum civium sociorumque in armis, quot classes, regna, provinciae, tributa aut vectigalia, et necessitates ac largitiones. Quae cuncta sua manu perscripserat Augustus addideratque consilium coercendi intra terminos imperii, incertum metu an per invidiam.
1.11.4. De openbare middelen stonden hierin opgesomd, hoeveel burgers en bondgenoten onder de wapens stonden, hoeveel vloten, vazalstaten, provincies, oorlogsschattingen of belastingen en de gedwongen en vrijwillige schenkingen. Dit alles had Augustus eigenhandig op papier gezet en hij had er het advies aan toegevoegd om het rijk beperkt te houden binnen de bestaande grenzen, waarbij het onzeker is of hij dit schreef uit vrees of afgunst.

Caput XII

1.12.1. Inter quae senatu ad infimas obtestationes procumbente, dixit forte Tiberius se, ut non toti rei publicae parem, ita quaecumque pars sibi mandaretur eius tutelam suscepturum.

Hoofdstuk 12

1.12.1. Terwijl intussen de senaat afzakte tot de laagste smeekbeden, zei Tiberius terloops dat hij, ook al was hij dan niet opgewassen tegen het staatsbestuur als geheel, hij dan toch wel elk onderdeel op zich zou nemen dat aan hem toevertrouwd zou worden.
1.12.2. Tum Asinius Gallus: 'Interrogo', inquit, 'Caesar, quam partem rei publicae mandari tibi velis.' Perculsus inprovisa interrogatione paulum reticuit: dein collecto animo respondit nequaquam decorum pudori suo legere aliquid aut evitare ex eo cui in universum excusari mallet.
1.12.2. Toen vroeg Asinius Gallus: 'Ik vraag U, Caesar, welk onderdeel u zou willen dat u toevertrouwd zou worden'. Uit het veld geslagen door deze onverwachte vraag zweeg hij even: daarna antwoordde hij, toen hij zijn tegenwoordigheid van geest weer terug had, dat het geenszins paste bij zijn bescheidenheid om iets te kiezen of af te wijzen van datgene waarvan hij in zijn geheel liever verschoond wilde blijven.
1.12.3. Rursum Gallus (etenim vultu offensionem coniectaverat) non idcirco interrogatum ait, ut divideret quae separari nequirent sed ut sua confessione argueretur unum esse rei publicae corpus atque unius animo regendum. Addidit laudem de Augusto Tiberiumque ipsum victoriarum suarum quaeque in toga per tot annos egregie fecisset admonuit.
1.12.3. Hierop zei Gallus (hij had immers uit zijn gezichtsuitdrukking opgemaakt dat hij hem beledigd had) dat hij zijn vraag niet hierom gesteld had om te delen wat niet niet gedeeld kon worden maar om door zijn eigen uitspraak duidelijk gemaakt te krijgen dat het bestuursapparaat één samenhangend geheel vormde en dan ook door de inzichten van één man geleid moest worden. Hij voegde daaraan nog lofprijzingen toe aan het adres van Augustus en herinnerde Tiberius zelf aan zijn oorlogsoverwinningen en aan wat hij gedurende zoveel jaren voortreffelijk had gepresteerd.
1.12.4. Nec ideo iram eius lenivit, pridem invisus, tamquam ducta in matrimonium Vipsania M. Agrippae filia, quae quondam Tiberii uxor fuerat, plus quam civilia agitaret Pollionisque Asinii patris ferociam retineret.
1.12.4. Maar toch heeft hij daardoor zijn woede niet kunnen wegnemen, daar hij al lang gehaat was bij hem omdat hij (naar Tiberius' gevoel) door zijn huwelijk met Vipsania, de dochter van Marcus Agrippa, die voorheen de echtgenote van Tiberius was geweest, meer dan een burgerambitie koesterde en hij de grimmigheid van zijn vader had geërfd.

Caput XIII

1.13.1. Post quae L. Arruntius haud multum discrepans a Galli oratione perinde offendit, quamquam Tiberio nulla vetus in Arruntium ira: sed divitem, promptum, artibus egregiis et pari fama publice, suspectabat.

Hoofdstuk 13

1.13.1. Hierna schoffeerde Lucius Arruntius hem eveneens met een redevoering die niet veel verschilde van die van Gallus, ofschoon Tiberius geen oude wrok tegen Arruntius koesterde: maar hij wantrouwde hem omdat hij rijk was, slagvaardig, met een verfijnde cultuur en een reputatie bij de bevolking waarmee aan die kwaliteiten recht gedaan werd.
1.13.2. Quippe Augustus supremis sermonibus cum tractaret quinam adipisci principem locum suffecturi abnuerent aut inpares vellent vel idem possent cuperentque, M. Lepidum dixerat capacem sed aspernantem, Gallum Asinium avidum et minorem, L. Arruntium non indignum et si casus daretur ausurum.
1.13.2. Immers, Augustus had in zijn laatste gesprekken, toen hij besprak wie voldoende in hun mars zouden hebben om de plaats van princeps te bekleden maar het zouden afwijzen of het wel zouden willen zonder er tegen opgewassen te zijn of het zowel zouden willen als zouden ambiëren, gezegd dat Marcus Lepidus het kon maar niet wilde, Gallus Asinius er tuk op was maar te kort schoot en Lucius Arruntius die positie niet onwaardig was en het ook zou aandurven als hem de gelegenheid geboden zou worden.
1.13.3. De prioribus consentitur, pro Arruntio quidam Cn. Pisonem tradidere; omnesque praeter Lepidum variis mox criminibus struente Tiberio circumventi sunt.
1.13.3. Over de eersten zijn de bronnen eensluidend maar in plaats van Arruntius hebben sommigen Gnaius Piso overgeleverd; en, op Lepidus na, zijn allen omgebracht op uiteenlopende beschuldigingen op aanstoken van Tiberius.
1.13.4. Etiam Q. Haterius et Mamercus Scaurus suspicacem animum perstrinxere, Haterius cum dixisset 'Quo usque patieris, Caesar, non adesse caput rei publicae?' Scaurus quia dixerat spem esse ex eo non inritas fore senatus preces quod relationi consulum iure tribuniciae potestatis non intercessisset. In Haterium statim invectus est; Scaurum, cui inplacabilius irascebatur, silentio tramisit.
1.13.4. Ook Quintus Haterius en Mamercus Scaurus hebben zijn achterdochtige geest gekwetst, Haterius omdat hij gezegd had: 'Hoe lang nog zult ge, Caesar, dulden dat de staat geen hoofd heeft ?'; Scaurus omdat hij gezegd had dat er hoop voortkwam dat de smeekbeden van de senaat niet tevergeefs zouden zijn op grond hiervan dat hij zich niet op grond van zijn tribunicische bevoegdheid had verzet tegen het voorstel van de consuls. Tegen Haterius is hij terstond uitgevaren; Scaurus, op wie hij onverzoenlijker gebeten was, heeft hij zwijgend voor paal laten staan.
1.13.5. Fessusque clamore omnium, expostulatione singulorum flexit paulatim, non ut fateretur suscipi a se imperium, sed ut negare et rogari desineret.
1.13.5. Vermoeid door de acclamaties van allen en de aandrang van de afzonderlijke senatoren ging hij allengs overstag, niet in zoverre dat hij er voor uitkwam dat hij het oppergezag op zich nam, maar dat hij ophield het te ontkennen en zich te laten soebatten.
1.13.6. Constat Haterium, cum deprecandi causa Palatium introisset ambulantisque Tiberii genua advolveretur, prope a militibus interfectum quia Tiberius casu an manibus eius inpeditus prociderat. Neque tamen periculo talis viri mitigatus est, donec Haterius Augustam oraret eiusque curatissimis precibus protegeretur.
1.13.6. Het staat vast dat Haterius, toen hij het Palatium binnengegaan was om te smeken om verzoening en zich aan de knieën wierp van Tiberius die daar rondliep, bijna door soldaten gedood is omdat Tiberius toevallig, of gestruikeld over zijn handen, voorover gevallen was. En toch is Tiberius door het gevaar waarin een dergelijk man verkeerd had, niet milder gestemd geraakt, totdat Haterius een beroep deed op Augusta en hij door haar zeer dringende voorspraak beschermd werd.

Caput XIV

1.14.1. Multa patrum et in Augustam adulatio. Alii parentem, alii matrem patriae appellandam, plerique ut nomini Caesaris adscriberetur 'Iuliae filius' censebant.

Hoofdstuk 14

1.14.1. Overdadig was ook aan het adres van Augusta de vleierij van de senatoren. Sommigen waren oordeel dat zij de titel 'Levenschenkster' zou moeten krijgen, anderen weer die van 'Moeder des Vaderlands', de meerderheid dat aan de naam Caesar die van 'Zoon van Iulia' gehecht zou worden.
1.14.2. Ille moderandos feminarum honores dictitans eademque se temperantia usurum in iis quae sibi tribuerentur, ceterum anxius invidia et muliebre fastigium in deminutionem sui accipiens ne lictorem quidem ei decerni passus est aramque adoptionis et alia huiusce modi prohibuit.
1.14.2. Hij echter benadrukte dat eerbetuigingen aan vrouwen binnen de perken gehouden moesten worden en dat hij dezelfde matiging zou betrachten in die eerbewijzen die aan hem toebedeeld zouden worden; maar in feite was hij bezorgd uit afgunst en vatte hij de verheffing van deze vrouw op als een degradatie van hemzelf en duldde zodoende zelfs niet dat aan haar een lictor werd toegekend en hij heeft ook een altaar ter ere van de adoptie en andere uitingen van deze aard tegengehouden.
1.14.3. At Germanico Caesari proconsulare imperium petivit, missique legati qui deferrent, simul maestitiam eius ob excessum Augusti solarentur. Quo minus idem pro Druso postularetur, ea causa quod designatus consul Drusus praesensque erat.
1.14.3. Maar voor Germanicus Caesar heeft hij om de proconsulaire macht gevraagd en er zijn gezanten gestuurd om hem dit over te brengen en hem tegelijkertijd zijn medeleven te betuigen met het overlijden van Augustus. Dat ditzelfde niet ook voor Drusus werd gevraagd had deze reden dat Drusus al consul voor de volgende ambtstermijn was en ter plaatse aanwezig.
1.14.4. Candidatos praeturae duodecim nominavit, numerum ab Augusto traditum; et hortante senatu ut augeret, iure iurando obstrinxit se non excessurum.
1.14.4. Hij benoemde twaalf candidaten voor de praetuur, een aantal dat door Augustus was overgeleverd; en toen de senaat erop aandrong om het aantal te vergroten, zwoer hij dat hij dat aantal niet zou overschrijden.

Caput XV

1.15.1. Tum primum e campo comitia ad patres translata sunt: nam ad eam diem, etsi potissima arbitrio principis, quaedam tamen studiis tribuum fiebant. Neque populus ademptum ius questus est nisi inani rumore, et senatus largitionibus ac precibus sordidis exsolutus libens tenuit, moderante Tiberio ne plures quam quattuor candidatos commendaret sine repulsa et ambitu designandos.

Hoofdstuk 15

1.15.1. Toen is voor het eerst de volksvergadering van het Marsveld overgebracht naar de senaat: want tot op die dag gebeurden sommige zaken nog naar het goeddunken van de kiesdistrikten hoewel het oordeel van de princeps natuurlijk zwaar zijn invloed deed voelen. En het volk heeft zich niet beklaagd dat haar een recht ontnomen werd, behalve dan met wat loos gemor, en de senaat heeft, bevrijd van de last van schenkingen en smadelijk ronselen, daar maar al te graag aan vastgehouden terwijl Tiberius zich ertoe beperkte om niet meer dan vier candidaten voor te dragen die zonder weigering en lobbyen gekozen moesten worden.
1.15.2. Inter quae tribuni plebei petivere ut proprio sumptu ederent ludos qui de nomine Augusti fastis additi Augustales vocarentur. Sed decreta pecunia ex aerario, utque per circum triumphali veste uterentur: curru vehi haud permissum.
1.15.2. In dezelfde tijd vroegen de volkstribunen om op eigen kosten spelen te mogen laten houden die dan, toegevoegd aan de kalender 'Augustales' zouden heten, afgeleid van de naam Augustus. Maar het geld hiervoor is toegewezen uit de schatkist en zij mochten in het circus gekleed gaan in triomfkleding: op een triomfwagen rijden is niet toegestaan.
1.15.3. Mox celebratio annua ad praetorem translata cui inter civis et peregrinos iurisdictio evenisset.
1.15.3. Al spoedig is deze jaarlijkse viering overgedragen aan die praetor, aan wie de rechtspraak tussen burgers en vreemdelingen ten deel viel.

Muiterij in Pannonië en het verloop daarvan.

Caput XVI

Hoofdstuk 16

1.16.1. Hic rerum urbanarum status erat, cum Pannonicas legiones seditio incessit, nullis novis causis nisi quod mutatus princeps licentiam turbarum et ex civili bello spem praemiorum ostendebat.
1.16.1. Zo was de toestand in Rome toen een opstand zich meester maakte van de legioenen in Pannonië met geen andere reden dan dat de verandering van princeps een mogelijkheid bood tot losbandigheid onder de troepen en de hoop op beloning als gevolg van een burgeroorlog.
1.16.2. Castris aestivis tres simul legiones habebantur, praesidente Iunio Blaeso, qui fine Augusti et initiis Tiberii auditis ob iustitium aut gaudium intermiserat solita munia. Eo principio lascivire miles, discordare, pessimi cuiusque sermonibus praebere aures, denique luxum et otium cupere, disciplinam et laborem aspernari.
1.16.2. In het zomerkamp waren drie legioenen tegelijk gelegerd onder het commando van Iunius Blaesus, die na het vernemen van de dood van Augustus en de regeringsaanvang van Tiberius uit gepaste overwegingen of als vreugdebetuiging de gebruikelijke taken had laten opschorten. Na dit begin sloegen de soldaten aan het lanterfanten, ruzieën, leenden het oor aan de stemmingmakerij van juist de meest abjecte sujetten en verlangden tenslotte naar het vieren van de teugels en indolentie en verwaarloosden tucht en inspanning.
1.16.3. Erat in castris Percennius quidam, dux olim theatralium operarum, dein gregarius miles, procax lingua et miscere coetus histrionali studio doctus. Is imperitos animos et quaenam post Augustum militiae condicio ambigentis inpellere paulatim nocturnis conloquiis aut flexo in vesperam die et dilapsis melioribus deterrimum quemque congregare.
1.16.3. In het legerkamp bevond zich een zekere Percennius, ooit de gangmaker bij theateruitvoeringen, daarna gemeen soldaat geworden; hij was brutaal van tong en gehaaid in het opzwepen van menigtes dank zij zijn toneelbezigheden. Deze hitste langzaam maar zeker onnozele halzen op en hen die zich afvroegen wat de toekomst in petto zou hebben voor de krijgsmacht na de dood van Augustus, tijdens nachtelijke samenkomsten, of hij wist in de avondschemering, wanneer de betere elementen zich verspreid hadden, juist het grootste tuig bij elkaar te krijgen.

Caput XVII

Hoofdstuk 17

1.17.1. Postremo promptis iam et aliis seditionis ministris velut contionabundus interrogabat cur paucis centurionibus paucioribus tribunis in modum servorum oboedirent. Quando ausuros exposcere remedia, nisi novum et nutantem adhuc principem precibus vel armis adirent?
1.17.1. Tenslotte, toen ook al anderen zich bereid toonden de muiterij op gang te helpen, vroeg hij als in een troepenvergadering, waarom zij als slaven dansten naar het pijpen van een handvol centurio's en nog minder tribunen. Wanneer zouden zij het eens aandurven om genoegdoening te eisen als ze nu niet eens met verzoeken of wapens een nieuwe en nog ja-knikkende vorst aan zijn jasje trokken ?
1.17.2. Satis per tot annos ignavia peccatum, quod tricena aut quadragena stipendia senes et plerique truncato ex vulneribus corpore tolerent.
1.17.2. Ze hadden zich gedurende zoveel jaren al genoeg in de luren laten leggen uit lafhartigheid, dat zij nu als hoogbejaarden en merendeels met gewonde lichamen dertig of veertig dienstjaren wilden verdragen.
1.17.3. Ne dimissis quidem finem esse militiae, sed apud vexillum tendentes alio vocabulo eosdem labores perferre. Ac si quis tot casus vita superaverit, trahi adhuc diversas in terras ubi per nomen agrorum uligines paludum vel inculta montium accipiant.
1.17.3. En zelfs aan degenen die afzwaaiden werd geen einde aan de diensttijd gegund, maar die moesten, gelegerd bij het vaandel onder een andere naam zich dezelfde inspanningen getroosten. En als iemand in z'n leven al zoveel lotgevallen doorstond, dan werd hij tenslotte naar een uithoek van de aarde overgebracht om daar zompige moerasgrond of onontginbaar bergland als landbouwgrond toegewezen te krijgen.
1.17.4. Enimvero militiam ipsam gravem, infructuosam: denis in diem assibus animam et corpus aestimari: hinc vestem arma tentoria, hinc saevitiam centurionum et vacationes munerum redimi. At hercule verbera et vulnera, duram hiemem, exercitas aestates, bellum atrox: aut sterilem pacem sempiterna.
1.17.4. Jazeker de krijgsdienst zelf was zwaar, en niet lonend: leven en dood werd dag aan dag op tien assen gewaardeerd: hiervan moest dan nog kleding, tenten, bruut optreden van de centurionen en vrijstelling van corvees betaald worden. Maar verdomme, het was alleen maar zweepslagen en verwondingen wat de klok sloeg, strenge winters, slavenwerk in de zomers, grimmige oorlogen of vrede die niets opbracht.
1.17.5. Nec aliud levamentum quam si certis sub legibus militia iniretur, ut singulos denarios mererent, sextus decumus stipendii annus finem adferret, ne ultra sub vexillis tenerentur, sed isdem in castris praemium pecunia solveretur.
1.17.5. En er was geen andere verlichting van hun werklast mogelijk dan wanneer ze op nauwkeurig omschreven voorwaarden de krijgdienst aanvaardden, namelijk dat ze ieder een denarius per dag verdienden, dat het zestiende jaar van de krijgsdienst het laatste zou zijn, dat ze dan ook niet langer meer onder het vaandel gehouden werden, maar dat nog in het legerkamp zelf hun beloning in geld werd uitbetaald.
1.17.6. An praetorias cohortis, quae binos denarios acceperint, quae post sedecim annos penatibus suis reddantur, plus periculorum suscipere? Non obtrectari a se urbanas excubias: sibi tamen apud horridas gentis e contuberniis hostem aspici.
1.17.6. Moesten de soldaten van de keizerlijke lijfwacht, die elk twee denarieën per dag verdienden, die na zestien jaar diensttijd weer naar huis mochten terugkeren, soms meer gevaren doorstaan ? Nu wilde hij niets afdingen op de stadsbewaking: maar zij moesten tussen wilde volken vanuit hun tenten de vijand onder ogen zien.

Caput XVIII

Hoofdstuk 18

1.18.1. Adstrepebat vulgus, diversis incitamentis, hi verberum notas, illi canitiem, plurimi detrita tegmina et nudum corpus exprobrantes.
1.18.1. De menigte betuigde luid haar instemming, waarbij zij uiteenlopende drijfveren had, sommigen toonden verwijtend de merktekens van zweepslagen, anderen hun grijze haren,zeer velen hun versleten kleding en zelfs een onbedekt lichaam.
1.18.2. Postremo eo furoris venere ut tres legiones miscere in unam agitaverint. Depulsi aemulatione, quia suae quisque legioni eum honorem quaerebant, alio vertunt atque una tres aquilas et signa cohortium locant; simul congerunt caespites, exstruunt tribunal, quo magis conspicua sedes foret.
1.18.2. Tenslotte geraakten zij in zo'n staat van razernij dat zij het er op aanstuurden om de drie legioenen samen te smelten. Toen zij dat weer hadden laten varen uit naijver omdat ieder die eer voor zijn eigen legioen opeiste, gooiden ze het over een andere boeg en zetten de drie adelaars en de vaandels van de cohorten op één plaats; tegelijkertijd brachten ze graszoden bijeen en richtten een verhoging op zodat die standplaats des te opvallender zou zijn.
1.18.3. Properantibus Blaesus advenit, increpabatque ac retinebat singulos, clamitans 'mea potius caede imbuite manus: leviore flagitio legatum interficietis quam ab imperatore desciscitis. Aut incolumis fidem legionum retinebo aut iugulatus paenitentiam adcelerabo.'
1.18.3. Terwijl ze hiermee druk in de weer waren kwam Blaesus op hen aangerend en voer tegen hen uit en hield afzonderlijke soldaten tegen terwijl hij uitriep: "Doop liever jullie handen in mijn bloed: het zal een mindere misdaad zijn om een onderbevelhebber te doden dan tegen de keizer in opstand te komen. Ofwel zal ik ongedeerd de trouw van de legioenen behouden ofwel door mijn dood jullie berouw versnellen".

Caput XIX

Hoofdstuk 19

1.19.1. Aggerabatur nihilo minus caespes iamque pectori usque adcreverat, cum tandem pervicacia victi inceptum omisere.
1.19.1. Niettemin ging men verder met het aandragen van graszoden en de verhoging was al tot borsthoogte aangegroeid toen zij, eindelijk door zijn hardnekkigheid overgehaald, hun onderneming staakten.
1.19.2. Blaesus multa dicendi arte non per seditionem et turbas desideria militum ad Caesarem ferenda ait, neque veteres ab imperatoribus priscis neque ipsos a divo Augusto tam nova petivisse; et parum in tempore incipientis principis curas onerari.
1.19.2. Blaesus betoogde met grote welsprekendheid dat de verlangens van de soldaten niet door middel van muiterij en rellen onder de ogen van de keizer gebracht moesten worden en dat noch de vroegere generaties aan de opperbevelhebbers van weleer noch zijzelf aan de goddelijke Augustus zulke ongehoorde eisen hadden gesteld; en dat het bovendien een erg ongelukkig tijdstip was om de zorgen van een keizer die zijn draai nog moest vinden te verzwaren.
1.19.3. Si tamen tenderent in pace temptare quae ne civilium quidem bellorum victores expostulaverint cur contra morem obsequii, contra fas disciplinae vim meditentur? Decernerent legatos seque coram mandata darent.
1.19.3. Als zij er toch toe neigden om in vrestijd te proberen te verkrijgen wat zelfs de overwinnaars in burgeroorlogen niet gevraagd zouden hebben, waarom dan een gewelddadig optreden overwogen tegen het beginsel van gehoorzaamheid in en tegen de plicht van discipline ? Ze konden beter gezanten aanwijzen en die in zijn aanwezigheid hun opdrachten geven.
1.19.4. Adclamavere ut filius Blaesi tribunus legatione ea fungeretur peteretque militibus missionem ab sedecim annis: cetera mandaturos ubi prima provenissent.
1.19.4. Zij stemden ermee in dat de zoon van Blaesus, een tribuun, zich met dit gezantschap zou belasten en voor de soldaten ontslag zou vragen na zestien dienstjaren: de rest zouden ze wel opdragen zodra het eerste bevredigend verlopen was.
1.19.5. Profecto iuvene modicum otium: sed superbire miles quod filius legati orator publicae causae satis ostenderet necessitate expressa quae per modestiam non obtinuissent.
1.19.5. Na het vertrek van de jongeman bleef het tamelijk rustig: maar de soldaten gingen er prat op dat de zoon van de onderbevelhebber zich nu bepleiter betoonde van hun gemeen belang en dat zij dus met dwang hadden kunnen bereiken wat zij met bescheidenheid niet hadden kunnen klaarstomen.

Caput XX

Hoofdstuk 20

1.20.1. Interea manipuli ante coeptam seditionem Nauportum missi ob itinera et pontes et alios usus, postquam turbatum in castris accepere, vexilla convellunt direptisque proximis vicis ipsoque Nauporto, quod municipii instar erat, retinentis centuriones inrisu et contumeliis, postremo verberibus insectantur, praecipua in Aufidienum Rufum praefectum castrorum ira, quem dereptum vehiculo sarcinis gravant aguntque primo in agmine per ludibrium rogitantes an tam immensa onera, tam longa itinera libenter ferret.
1.20.1. Intussen hebben compagnieën die vóór het begin van de muiterij naar Nauportus gestuurd waren met het oog op wegen en bruggen en andere behoeften, de vaandels uit de grond gerukt nadat ze van de opstand in het legerkamp gehoord hadden en nadat ze de nabijgelegen dorpen en Nauportus zelf, dat de omvang van een plattelandsstad had, geplunderd hadden, onder spottend hoongelach tegenover de centurio's die hen probeerden tegen te houden. Tenslotte gingen ze hen zelfs met zweepslagen te lijf waarbij ze vooral hun woede koelden op Aufidienus Rufus, de bevelhebber van het legerkamp die zij van zijn wagen sleurden en belastten met bagage en voor in de troep voortdreven en hem steeds treiterend vroegen of hij voor z'n lol zo'n zware last over zo grote afstanden vervoerde.
1.20.2. Quippe Rufus diu manipularis, dein centurio, mox castris praefectus, antiquam duramque militiam revocabat, vetus operis ac laboris et eo inmitior quia toleraverat.
1.20.2. Immers Rufus, lange tijd gemeen soldaat, daarna centurio, vervolgens kampcommandant, probeerde de oude, harde krijgstucht in ere te herstellen, oudgeworden onder zware inspanningen en des te onbuigzamer omdat hij het zelf verdragen had.

Caput XXI

Hoofdstuk 21

1.21.1. Horum adventu redintegratur seditio et vagi circumiecta populabantur. Blaesus paucos, maxime praeda onustos, ad terrorem ceterorum adfici verberibus, claudi carcere iubet; nam etiam tum legato a centurionibus et optimo quoque manipularium parebatur.
1.21.1. Bij de aankomst van dezen stak de muiterij weer de kop op en op strooptochten plunderden ze de omringende gebieden. Blaesus gaf opdracht om een handvol plunderaars die het zwaarst met buit beladen waren tot afschrikwekkend voorbeeld voor de overigen met de zweep af te straffen en op te sluiten; want ook toen nog gehoorzaamden de centurio's en juist de beste manipelsoldaten hun commandant.
1.21.2. Illi obniti trahentibus, prensare circumstantium genua, ciere modo nomina singulorum, modo centuriam quisque cuius manipularis erat, cohortem, legionem, eadem omnibus inminere clamitantes. Simul probra in legatum cumulant, caelum ac deos obtestantur, nihil reliqui faciunt quo minus invidiam misericordiam metum et iras permoverent. Adcurritur ab universis, et carcere effracto solvunt vincula desertoresque ac rerum capitalium damnatos sibi iam miscent.
1.21.2. Zij verzetten zich echter tegen degenen die hen wilden arresteren, omarmden de knieën van de omstanders, riepen nu eens de namen van de individuele soldaten, dan weer noemde ieder de centurie waarvan hij soldaat was, de cohort, het legioen en riepen steeds weer dat allen hetzelfde boven het hoofd hing. Tegelijk stapelden ze verwensingen op het hoofd van de commandant en riepen hemel en goden tot getuige aan en lieten niets na waarmee ze haat en medelijden, vrees en woede konden oproepen. Allen schoten hen te hulp en na het openbreken van hun kerker bevrijdden zij de opstandelingen en maakten al gemene zaak met degenen die wegens hoogverraad veroordeeld waren.

Caput XXII

Hoofdstuk 22

1.22.1. Flagrantior inde vis, plures seditioni duces. Et Vibulenus quidam gregarius miles, ante tribunal Blaesi adlevatus circumstantium umeris, apud turbatos et quid pararet intentos 'Vos quidem' inquit 'his innocentibus et miserrimis lucem et spiritum reddidistis: sed quis fratri meo vitam, quis fratrem mihi reddit? Quem missum ad vos a Germanico exercitu de communibus commodis nocte proxima iugulavit per gladiatores suos, quos in exitium militum habet atque armat.
1.22.1. Heviger laaide daarop het geweld op, meer aanstichters voor opstand traden op. En ene Vibulenus, een gewoon soldaat zei, vóór het tribunaal van Blaesus op de schouders van de omstanders gehesen tegen de menigte die opgehitst was en gespitst op wat hij ging klaarmaken: 'Jullie hebben aan deze onschuldigen en allerongelukkigsten het licht en de geest teruggegeven: maar wie geeft mijn broer zijn leven terug, wie geeft mij mijn broer terug ? Die was naar jullie toegezonden vanuit het Germaanse leger om voor onze gezamelijke belangen op te komen maar hem heeft hij afgelopen nacht laten kelen door zijn gladiatoren die hij tot ondergang van de soldaten onder de wapens houdt.
1.22.2. Responde, Blaese, ubi cadaver abieceris: ne hostes quidem sepultura invident. Cum osculis, cum lacrimis dolorem meum implevero, me quoque trucidari iube, dum interfectos nullum ob scelus sed quia utilitati legionum consulebamus hi sepeliant.'
1.22.2. Antwoord, Blaesus, waar je het stoffelijk overschot gedeponeerd hebt: zelfs vijanden misgunnen iemand een begrafenis niet. Wanneer ik met mijn ogen, wanneer ik met mijn tranen mijn verdriet gestild heb, laat ook mij dan doden, als dezen hier ons maar mogen begraven, ons, gedood niet wegens een misdaad maar omdat we voor de belangen van de legioenen opkwamen'.

Caput XXIII

Hoofdstuk 23

1.23.1. Incendebat haec fletu et pectus atque os manibus verberans. Mox disiectis quorum per umeros sustinebatur, praeceps et singulorum pedibus advolutus tantum consternationis invidiaeque concivit, ut pars militum gladiatores, qui e servitio Blaesi erant, pars ceteram eiusdem familiam vincirent, alii ad quaerendum corpus effunderentur.
1.23.1. Hij wakkerde dit spektakel nog aan door te huilen en door zich met de vuisten op borst en gezicht te beuken. Daarop duwde hij degenen uiteen, op wier schouders hij leunde, sprong op de grond en wentelde zich voor de voeten van elk van hen en ontketende daardoor zoveel verwarring en haat dat een deel van de soldaten de zwaardvechters die bij Blaesus in dienst stonden, een ander deel de rest van diens personeel in de boeien sloeg, en weer anderen zich verspreidden om het lijk te zoeken.
1.23.2. Ac ni propere neque corpus ullum reperiri, et servos adhibitis cruciatibus abnuere caedem, neque illi fuisse umquam fratrem pernotuisset, haud multum ab exitio legati aberant.
1.23.2. En als niet al vlug bekend geworden was dat er geen lijk te vinden was, en dat het personeel, ondanks toegepaste folteringen, ontkende dat er een moord had plaats gehad, ja zelfs dat hij nooit een broer gehad had, scheelde het maar een haar of de commandant was er aan gegaan.
1.23.3. Tribunos tamen ac praefectum castrorum extrusere, sarcinae fugientium direptae, et centurio Lucilius interficitur cui militaribus facetiis vocabulum 'cedo alteram' indiderant, quia fracta vite in tergo militis alteram clara voce ac rursus aliam poscebat.
1.23.3. Toch verjoegen zij de tribunen en het kamphoofd en plunderden de bagage van hen terwijl ze een goed heenkomen zochten, en zij doodden de centurio Lucilius die zij met soldatenspot de bijnaam 'Hier, geef er nog eens een' gegeven hadden omdat hij, als hij zijn stok gebroken had op de rug van een soldaat luidkeels een andere placht te eisen en dan nog een.
1.23.4. Ceteros latebrae texere, uno retento Clemente Iulio qui perferendis militum mandatis habebatur idoneus ob promptum ingenium.
1.23.4. De overige tribunen hebben zich schuil kunnen houden; alleen Clemens Iulius spaarden zij omdat hij wegens zijn toeschietelijkheid geschikt geacht werd om de opdrachten van de soldaten uit te voeren.
1.23.5. Quin ipsae inter se legiones octava et quinta decuma ferrum parabant, dum centurionem cognomento Sirpicum illa morti deposcit, quintadecumani tuentur, ni miles nonanus preces et adversum aspernantis minas interiecisset.
1.23.5. Ja zelfs dreigden het achtste en het vijftiende legioen het met elkaar aan de stok te krijgen, omdat de eersten de uitlevering eisten van de centurio met de naam Sirpicus om hem ter dood te brengen maar die van het vijftiende hem beschermden [maar het zou toch tot een gevecht gekomen zijn] als de soldaten van het negende met hun voorspraak en hun dreigementen tegen weerspannige elementen niet tussenbeide gekomen waren.

Caput XXIV

Hoofdstuk 24

1.24.1. Haec audita quamquam abstrusum et tristissima quaeque maxime occultantem Tiberium perpulere, ut Drusum filium cum primoribus civitatis duabusque praetoriis cohortibus mitteret, nullis satis certis mandatis, ex re consulturum.
1.24.1. Het vernemen van deze gebeurtenissen heeft Tiberius, hoewel hij een binnenvetter was en juist de grootste tegenslagen voor zich hield, ertoe gebracht om zijn zoon Drusus met de meest vooraanstaanden uit de burgerij en twee cohorten van de vorstelijke lijfwacht er op af te sturen zonder een nauwkeurig omschreven opdracht, maar om te handelen naar bevind van zaken.
1.24.2. Et cohortes delecto milite supra solitum firmatae. Additur magna pars praetoriani equitis et robora Germanorum, qui tum custodes imperatori aderant; simul praetorii praefectus Aelius Seianus, collega Straboni patri suo datus, magna apud Tiberium auctoritate, rector iuveni et ceteris periculorum praemiorumque ostentator.
1.24.2. Ook werden de cohorten door een keur van soldaten op meer dan normale sterkte gebracht. Een groot deel van de ruiterij van de praetoriaanse garde werd hier aan toegevoegd alsmede keurtroepen van Germanen die toen als lijfwachten de vorst ten dienste stonden; tevens de commandant van de vorstelijke lijfwacht: Aelius Seianus, die aan zijn vader Strabo als collega gegeven was en een groot aanzien bij Tiberius genoot, om de jongeman als leidsman te dienen en de overigen te sturen door op gevaren te wijzen en beloningen voor te houden.
1.24.3. Druso propinquanti quasi per officium obviae fuere legiones, non laetae, ut adsolet, neque insignibus fulgentes, sed inluvie deformi et vultu, quamquam maestitiam imitarentur contumaciae propiores.
1.24.3. Bij zijn nadering kwamen de legioenen Drusus tegemoet als uit plichtsbetrachting, niet in vreugde, zoals dat gebruikelijk is, noch met stralende veldtekens, maar afzichtelijk door vervuiling en in hun gezichtsuitdrukking toch eerder verwaten, ofschoon zij droefheid voorwendden.

Caput XXV

Hoofdstuk 25

1.25.1. Postquam vallum introiit, portas stationibus firmant, globos armatorum certis castrorum locis opperiri iubent: ceteri tribunal ingenti agmine circumveniunt. Stabat Drusus silentium manu poscens.
1.25.1. Nadat hij de omwalling binnengetrokken was stelden zij bewakingspiketten bij de poorten op en lieten groepen gewapenden postvatten op bepaalde punten van het kamp: de overigen stelden zich in een geweldige drom op rond de verhoging. Daar stond Drusus en eiste met een handgebaar stilte.
1.25.2. Illi quoties oculos ad multitudinem rettulerant, vocibus truculentis strepere, rursum viso Caesare trepidare; murmur incertum, atrox clamor et repente quies; diversis animorum motibus pavebant terrebantque.
1.25.2. Van hun kant gingen zij met dreigende stemmen te keer zo vaak als zij hun ogen lieten dwalen over die reusachtige menigte, dan weer zonk hun de moed in de schoenen als zij hun ogen richtten op Caesar voor zich; er was onbestemd gemor, grimmig geschreeuw en dan plotseling rust; door uiteenlopende gemoedsbewegingen bonden zij in en joegen schrik aan.
1.25.3. Tandem interrupto tumultu litteras patris recitat, in quis perscriptum erat, praecipuam ipsi fortissimarum legionum curam, quibuscum plurima bella toleravisset; ubi primum a luctu requiesset animus, acturum apud patres de postulatis eorum; misisse interim filium ut sine cunctatione concederet quae statim tribui possent; cetera senatui servanda quem neque gratiae neque severitatis expertem haberi par esset.
1.25.3. Toen hij er tenslotte in geslaagd was aan het rumoer een einde te maken las hij de brief van zijn vader voor waarin uitvoerig beschreven stond dat de zorg voor de zeer dappere legioenen, waarmee hij de last van zeer veel oorlogen gedragen had, hem zeer ter harte ging; dat hij, zodra zijn hart uitgerouwd was, stappen zou ondernemen bij de senaat betreffende hun eisen; dat hij intussen zijn zoon gestuurd had om zonder dralen toe te staan wat terstond vergund kon worden; dat de rest overgelaten moest worden aan de senaat waarvan aangenomen mocht worden dat zij evenzeer toeschietelijk als streng optrad.

Caput XXVI

Hoofdstuk 26

1.26.1. Responsum est a contione mandata Clementi centurioni quae perferret. Is orditur de missione a sedecim annis, de praemiis finitae militiae, ut denarius diurnum stipendium foret, ne veterani sub vexillo haberentur. Ad ea Drusus cum arbitrium senatus et patris obtenderet, clamore turbatur.
1.26.1. Door de vergadering is ten antwoord gegeven dat aan de centurio Clemens volmacht gegeven was om te onderhandelen. Deze begon over het afzwaaien na zestien dienstjaren, over de beloning voor volbrachte dienst, dat het soldij een denarius per dag moest bedragen, dat de veteranen niet operationeel gehouden moesten worden. Toen Drusus tegenwierp dat hierover overleg met de senaat en de senatoren nodig was werd hij met geschreeuw overstemd.
1.26.2. Cur venisset neque augendis militum stipendiis neque adlevandis laboribus, denique nulla bene faciendi licentia? At hercule verbera et necem cunctis permitti. Tiberium olim nomine Augusti desideria legionum frustrari solitum: easdem artis Drusum rettulisse.
1.26.2. Waarom was hij nou eigenlijk gekomen als het toch niet was om de soldij van de soldaten te verhogen of hun inspanningen te verlichten ? Voor geseling en doodstraf waren godbetere allen wel goed genoeg. Tiberius had er in het verleden een handje van gehad om in naam van Augustus de verlangens van de legioenen dood te laten lopen: nu was Drusus met diezelfde truken aan komen zetten.
1.26.3. Numquamne ad se nisi filios familiarum venturos? Novum id plane quod imperator sola militis commoda ad senatum reiciat. Eundem ergo senatum consulendum quotiens supplicia aut proelia indicantur: an praemia sub dominis, poenas sine arbitro esse?
1.26.3. Zouden er dan nooit eens anderen dan onmondige zonen naar hen toe komen ? Dit was wel iets ongehoords, dat de vorst alleen maar naar de senaat verwees wat in het belang van de soldaten was. Dan moest de senaat ook maar adviseren hoe vaak er doodstraffen uitgedeeld werden en gevechten aangegaan: of stonden beloningen onder toezicht maar konden straffen zonder meer uitgedeeld worden ?

Caput XXVII

Hoofdstuk 27

1.27.1. Postremo deserunt tribunal, ut quis praetorianorum militum amicorumve Caesaris occurreret, manus intentantes, causam discordiae et initium armorum, maxime infensi Cn. Lentulo, quod is ante alios aetate et gloria belli firmare Drusum credebatur et illa militiae flagitia primus aspernari.
1.27.1. Tenslotte liepen ze bij het spreekverhoog weg de vuist schuddend tegen wie ze maar van de gardesoldaten of de getrouwen van Caesar tegenkwamen, als een provocatie tot onenigheid en een aanzet tot wapengeweld, met name gebeten op Gnaeus Lentulus omdat ze geloofden dat deze meer dan de anderen op grond van zijn leeftijd en oorlogsroem Drusus steunde en ook met name de overtredingen van de krijgsdiscipline verwierp.
1.27.2. Nec multo post digredientem cum Caesare ac provisu periculi hiberna castra repetentem circumsistunt, rogitantes quo pergeret, ad imperatorem an ad patres, ut illic quoque commodis legionum adversaretur; simul ingruunt, saxa iaciunt. Iamque lapidis ictu cruentus et exitii certus adcursu multitudinis quae cum Druso advenerat protectus est.
1.27.2. Toen hij kort daarop met de zoon van de vorst wilde vetrekken en, omdat hij gevaar voorzag, naar het winterkwartier terug wilde gaan, gingen ze om hem heen staan en vroegen jennend waar hij heen wilde, naar de vorst of de senaat om daar de belangen van de legioenen te verkwanselen; tegelijk drongen ze op, gooiden met stenen. En reeds was hij door een steenworp getroffen en had hij een bloedende wond opgelopen en was al zeker van zijn einde toen hij door de hulp van de menigte die met Drusus meegekomen was ontzet is.

Caput XXVIII

Hoofdstuk 28

1.28.1. Noctem minacem et in scelus erupturam fors lenivit: nam luna claro repente caelo visa languescere. Id miles rationis ignarus omen praesentium accepit, suis laboribus defectionem sideris adsimulans, prospereque cessura qua pergerent si fulgor et claritudo deae redderetur.
1.28.1. Een toevallige omstandigheid heeft de dreiging van de nacht die anders op misdadigheid zou uitlopen afgeremd: want aan een heldere hemel zag men de maan plotseling slinken. Jan soldaat die natuurlijk niet op de hoogte was van het waarom van dit natuurverschijnsel heeft dit als een voorteken opgevat ten aanzien van de huidige gebeurtenissen waarbij hij de verduistering van het hemellichaam associeerde met zijn eigen problemen en het er op hield dat die problemen een voorspoedig verloop zouden krijgen op de manier waarop zij die hanteerden als de godin haar schittering en helderheid zou terugkrijgen.
1.28.2. Igitur aeris sono, tubarum cornuumque concentu strepere; prout splendidior obscuriorve laetari aut maerere; et postquam ortae nubes offecere visui creditumque conditam tenebris, ut sunt mobiles ad superstitionem perculsae semel mentes, sibi aeternum laborem portendi, sua facinora aversari deos lamentantur.
1.28.2. Derhalve begonnen zij lawaai te produceren met behulp van kopergeschal, een samenspel van bazuinen en hoorns; naarmate de maan schitterender of donkerder werd werden zij opgeluchter of droeviger gestemd; en toen er wolken op kwamen zetten en haar aan het zicht onttrokken en zij meenden dat zij in duisternis opgelost was jammerden zij dat aan hen een eeuwige kwelling voorspeld werd omdat de goden zich afkeerden van hun gedrag, zoals dat gaat met labiele geesten als die eenmaal door bijgeloof getroffen zijn.
1.28.3. Utendum inclinatione ea Caesar et quae casus obtulerat in sapientiam vertenda ratus circumiri tentoria iubet; accitur centurio Clemens et si alii bonis artibus grati in vulgus.
1.28.3. Brutus was van mening dat van deze neigingen gebruik gemaakt moest worden en dat wat het lot had aangeboden tot wijsheid moest worden aangewend en hij gaf dan ook bevel om de tenten langs te gaan; de centurio Clemens werd ontboden alsook anderen die bij de gewone soldaten gezien waren om hun gewaardeerde karakters.
1.28.4. Hi vigiliis, stationibus, custodiis portarum se inserunt, spem offerunt, metum intendunt. 'Quo usque filium imperatoris obsidebimus? Quis certaminum finis? Percennione et Vibuleno sacramentum dicturi sumus? Percennius et Vibulenus stipendia militibus, agros emeritis largientur? Denique pro Neronibus et Drusis imperium populi Romani capessent? Quin potius, ut novissimi in culpam, ita primi ad paenitentiam sumus? Tarda sunt quae in commune expostulantur: privatam gratiam statim mereare, statim recipias.'
1.28.4. Dezen mengden zich onder de nachtwachten, wachtposten en poortwachters, spiegelden verwachtingen voor en versterkten gevoelens van vrees. 'Hoelang nog zullen wij de zoon van de vorst nog te na komen ? Waar zullen deze vijandigheden op uit lopen ? Zullen wij de krijgseed afleggen in handen van Percennius en Vibulenus ? Zullen Percennius en Vibulenus aan de soldaten hun soldij betalen en de uitgedienden landerijen schenken ? Zullen zij uiteindelijk in plaats van de Nero's en Drusussen de heerschappij over het Romeinse volk op zich nemen ? Zullen wij niet liever, zoals we de eersten waren om ons te misdragen, zo ook als eersten tot inkeer komen ? Wat gemeenschappelijk geëist wordt vindt slechts langzaam gehoor: individuele verzoeken worden terstond gehonoreerd, meteen ingewilligd.'
1.28.5. Commotis per haec mentibus et inter se suspectis tironem a veterano, legionem a legione dissociant. Tum redire paulatim amor obsequii: omittunt portas, signa unum in locum principio seditionis congregata suas in sedes referunt.
1.28.5. Doordat men hierdoor onder de indruk kwam en men elkaar ging wantrouwen weekten ze de recruut los van de veteraan en het ene legioen van het andere. Toen keerde allengs het verlangen terug naar discipline: men verliet de poorten en bracht de vaandels die bij elkaar gezet waren aan het begin van de muiterij terug naar hun eigen plaatsen.

Caput XXIX

Hoofdstuk 29

1.29.1. Drusus orto die et vocata contione, quamquam rudis dicendi, nobilitate ingenita incusat priora, probat praesentia; negat se terrore et minis vinci: flexos ad modestiam si videat, si supplices audiat, scripturum patri ut placatus legionum preces exciperet.
1.29.1. Drusus riep bij zonsopgang het leger bijeen en, ofschoon onervaren in de welsprekendheid, sprak hij met aangeboren distantie afkeurend over wat er gebeurd was en prees hij de verandering van gedrag. Hij zei dat hij niet door verschrikking en bedreigingen onder de indruk werd gebracht maar dat als hij hen tot inkeer gebracht zou zien, als hij smeekbeden zou horen, dat hij zijn vader dan schriftelijk zou verzoeken om de beden van de legioenen welwillend in overweging te nemen.
1.29.2. Orantibus rursum idem Blaesus et L. Aponius, eques Romanus e cohorte Drusi, Iustusque Catonius, primi ordinis centurio, ad Tiberium mittuntur.
1.29.2. Toen zij hierom vroegen werden wederom Blaesus en Lucius Aponius, Romeins ridder uit de cohorte van Drusus, en Iustus Catonius, centurio van de eerste rang, naar Tiberius gestuurd.
1.29.3. Certatum inde sententiis, cum alii opperiendos legatos atque interim comitate permulcendum militem censerent, alii fortioribus remediis agendum: nihil in vulgo modicum; terrere ni paveant, ubi pertimuerint inpune contemni: dum superstitio urgeat, adiciendos ex duce metus sublatis seditionis auctoribus.
1.29.3. Vervolgens liepen de meningen uiteen omdat de ene groep van mening was dat de terugkomst van de gezanten afgewacht moest worden en dat intussen de soldaten met vriendelijk gedrag kalm gehouden moesten worden, maar een andere groep juist vond dat er met strakke maatregelen opgetreden moest worden: bij het gewone volk gebeurde immers niets met mate; ze joegen schrik aan als ze niet zelf in hun schulp kropen maar als ze eenmaal de schrik te pakken hadden kon men ze straffeloos als voetveeg gebruiken: zolang hun bijgeloof hen nog in zijn greep had moest van de kant van de aanvoerder vrees toegevoegd worden door het liquideren van de aanstichters van de muiterij.
1.29.4. Promptum ad asperiora ingenium Druso erat: vocatos Vibulenum et Percennium interfici iubet. Tradunt plerique intra tabernaculum ducis obrutos, alii corpora extra vallum abiecta ostentui.
1.29.4. De aard van Drusus was geneigd tot de strenge aanpak: hij gaf opdracht Vibulenus en Percennius op het matje te roepen en te executeren. De meesten leveren over dat zij in de tent van de aanvoerder onder de grond gestopt zijn, anderen schrijven dat hun lichamen over de omheining zijn geworpen tot afschrikwekkend voorbeeld.

Caput XXX

Hoofdstuk 30

1.30.1. Tum ut quisque praecipuus turbator conquisiti, et pars, extra castra palantes, a centurionibus aut praetoriarum cohortium militibus caesi: quosdam ipsi manipuli documentum fidei tradidere.
1.30.1. Toen zijn er heksenjachten gehouden op de grootste onrustzaaiers en een deel is, terwijl ze buiten het legerkamp rondzwierven, door hun centurio's of soldaten van de vorstlijke garde omgebracht: sommigen zijn door hun eigen manipels als bewijs van hun goede trouw uitgeleverd.
1.30.2. Auxerat militum curas praematura hiems imbribus continuis adeoque saevis, ut non egredi tentoria, congregari inter se, vix tutari signa possent, quae turbine atque unda raptabantur.
1.30.2. De zorgen van de soldaten werden nog vermeerderd door de vroeg invallende winter met stortregens die niet ophielden en zo hevig waren dat ze de tenten niet uit konden, niet bij elkaar konden komen en maar amper de vaandels konden behouden die door windhozen en watermassa's dreigden te worden meegesleurd.
1.30.3. Durabat et formido caelestis irae, nec frustra adversus impios hebescere sidera, ruere tempestates: non aliud malorum levamentum, quam si linquerent castra infausta temerataque et soluti piaculo suis quisque hibernis redderentur.
1.30.3. Ook de vrees voor de hemelse toorn hield aan:'niet voor niets verbleekten de hemellichamen, raasden de stormen tegen de goddelozen: geen andere verlichting voor hun misdaden was er dan het heilloze en ontwijde kamp te verlaten en bevrijd van hun schuld ieder naar hun eigen winterkwartieren terug te keren'.
1.30.4. Primum octava, dein quinta decuma legio rediere: nonanus opperiendas Tiberii epistulas clamitaverat, mox desolatus aliorum discessione imminentem necessitatem sponte praevenit. Et Drusus non exspectato legatorum regressu, quia praesentia satis consederant, in urbem rediit.
1.30.4. Eerst is het achtste legioen teruggekeerd, daarna het vijftiende: het negende had wel geëist dat ze de brieven van Tiberius zouden afwachten, maar vervolgens ontmoedigd door het vertrek van de anderen zijn ze toch maar uit eigen beweging weggetrokken voordat de noodzaak hen zou dwingen. En Drusus is, zonder de terugkeer van de gezanten af te wachten, naar Rome teruggekeerd omdat voor het moment de rust voldoende was teruggekeerd.

Muiterij in Germanië; het optreden van Germanicus.

Caput XXXI

Hoofdstuk 31

1.31.1. Isdem ferme diebus isdem causis Germanicae legiones turbatae, quanto plures tanto violentius, et magna spe fore ut Germanicus Caesar imperium alterius pati nequiret daretque se legionibus vi sua cuncta tracturis.
1.31.1. Ongeveer tegelijkertijd zijn om dezelfde redenen de Germaanse legioenen aan het muiten geslagen, en omdat deze groter in aantal waren had dat ook grotere repercussies; bovendien leefde daar de stellige verwachting dat Germanicus Caesar de heerschappij van de ander niet zou willen dulden en dat hij zich zou voegen naar de wensen van de legioenen die met hun geweld alles zouden regelen.
1.31.2. Duo apud ripam Rheni exercitus erant: cui nomen superiori sub C. Silio legato, inferiorem A. Caecina curabat. Regimen summae rei penes Germanicum agendo Galliarum censui tum intentum.
1.31.2. Er lagen twee legers aan de oever van de Rijn: dat met de naam 'Bovenloop-leger' stond onder leiding van de onderbevelhebber Gaius Silius, Aulus Caecina hield toezicht op het 'Benedenloop-leger'. Het opperbevel berustte bij Germanicus die toen bezig was met de belastingheffing van de Gallië's.
1.31.3. Sed quibus Silius moderabatur, mente ambigua fortunam seditionis alienae speculabantur: inferioris exercitus miles in rabiem prolapsus est, orto ab unetvicesimanis quintanisque initio, et tractis prima quoque ac vicesima legionibus: nam isdem aestivis in finibus Vbiorum habebantur per otium aut levia munia.
1.31.3. Maar de legioenen die onder bevel stonden van Silius keken met weifelend gemoed naar de afloop van de muiterij van de anderen: de soldaten van het benedenloopleger daarentegen barstten in razernij los nadat die van het eenentwintigste en het vijfde legioen het initiatief genomen hadden en ook het eerste en twintigste legioen meegesleept waren: want die waren gelegerd in hetzelfde zomerkamp in het gebied van de Ubii zonder of met slechts beperkte operationele opdrachten.
1.31.4. Igitur audito fine Augusti vernacula multitudo, nuper acto in urbe dilectu, lasciviae sueta, laborum intolerans, implere ceterorum rudes animos: venisse tempus quo veterani maturam missionem, iuvenes largiora stipendia, cuncti modum miseriarum exposcerent saevitiamque centurionum ulciscerentur.
1.31.4. Gevolg van een en ander was dat, bij het vernemen van Augustus' overlijden, de menigte die uit Rome afkomstig was [er was nog onlangs in Rome een lichting gehouden], gewend aan losbandigheid en wars van inspanning, de onervaren gemoederen van de anderen begonnen te bewerken: nu was het tijdstip aangebroken waarop de oudgedienden een tijdig ontslag, de jongeren ruimer soldij en allen een matiging van hun werkdruk moesten eisen en wraak moesten nemen voor de strengheid van de centurio's.
1.31.5. Non unus haec, ut Pannonicas inter legiones Percennius, nec apud trepidas militum auris, alios validiores exercitus respicientium, sed multa seditionis ora vocesque: sua in manu sitam rem Romanam, suis victoriis augeri rem publicam, in suum cognomentum adscisci imperatores.
1.31.5. Niet slechts één man was de verspreider van deze opstandige praat, zoals bij de Pannonische legioenen Percennius, en ook niet speelde dit bij schuchtere soldaten die rekening hielden met andere, krachtiger legers, maar hier had de muiterij vele monden en stemmen: in hun hand rustte het Romeinse gezag, door hun overwinningen werd het rijk vergroot, aan hun naam werd de naam van de opperbevelhebbers ontleend.

Caput XXXII

Hoofdstuk 32

1.32.1. Nec legatus obviam ibat: quippe plurium vaecordia constantiam exemerat. Repente lymphati destrictis gladiis in centuriones invadunt: ea vetustissima militaribus odiis materies et saeviendi principium. Prostratos verberibus mulcant, sexageni singulos, ut numerum centurionum adaequarent: tum convulsos laniatosque et partim exanimos ante vallum aut in amnem Rhenum proiciunt.
1.32.1. En ook de onderbevelhebber probeerde niet hiertegen op te treden: want de dolzinnigheid van te veel manschappen had zijn vastberadenheid ondergraven. Plotseling stormen zij dolzinnig met getrokken zwaarden op hun centurio's af: die vormen het oudste mikpunt voor de woede van de soldaten en het uitgangspunt voor razernij. Zij smijten hen op de grond en tuigen hen af met zweepslagen, met zijn zestigen tegen één om het aantal centurio's te evenaren; daarna werpen ze hen, verscheurd en verminkt en deels overleden over de omwalling of in de rivier de Rijn.
1.32.2. Septimius cum perfugisset ad tribunal pedibusque Caecinae advolveretur, eo usque flagitatus est donec ad exitium dederetur. Cassius Chaerea, mox caede Gai Caesaris memoriam apud posteros adeptus, tum adulescens et animi ferox, inter obstantes et armatos ferro viam patefecit.
1.32.2. Toen Septimius zijn toevlucht gezocht had op het spreekverhoog en smekend Caecina te voet viel is hij zo lang opgeëist totdat hij uitgeleverd werd tot zijn ondergang. Cassius Chaerea, die zich later bij het nageslacht gedenkwaardig maakte door zijn moord op Gaius Caesar maar die toen nog een jongeman was en onverschrokken, heeft zich met zijn zwaard een weg gebaand tussen de soldaten door die zich gewapend in de weg stelden.
1.32.3. Non tribunus ultra, non castrorum praefectus ius obtinuit: vigilias, stationes, et si qua alia praesens usus indixerat, ipsi partiebantur. Id militaris animos altius coniectantibus praecipuum indicium magni atque inplacabilis motus, quod neque disiecti nec paucorum instinctu, set pariter ardescerent, pariter silerent, tanta aequalitate et constantia ut regi crederes.
1.32.3. Geen tribuun, geen kampleider heeft nog langer zijn gezag kunnen handhaven: nachtwachten, wachtposten en wat verder de behoefte van het moment nodig maakte, verdeelden ze eigenmachtig. Dit was voor degenen die de gemoederen van de soldaten beter konden peilen het belangrijkste teken van een grote en onverzoenlijke muiterij: dat zij niet in een los verband en ook niet op de impuls van een handjevol maar als één man losbrandden, als één man tot stilte kwamen, met een zo grote eensgezindheid en vastberadenheid dat je er een sturing achter verwacht zou hebben.

Caput XXXIII

Hoofdstuk 33

1.33.1. Interea Germanico per Gallias, ut diximus, census accipienti excessisse Augustum adfertur. Neptem eius Agrippinam in matrimonio pluresque ex ea liberos habebat, ipse Druso fratre Tiberii genitus, Augustae nepos, sed anxius occultis in se patrui aviaeque odiis quorum causae acriores quia iniquae.
1.33.1. Intussen werd aan Germanicus, toen hij, zoals we vertelden, in Gallië de vermogensopgaven in ontvangst aan het nemen was gemeld dat Augustus overleden was. Hij was getrouwd met een kleindochter van hem, Agrippina, en had meerdere kinderen bij haar; zelf was hij de zoon van Drusus, Tiberius' broer, en een kleinzoon van Augusta, maar bezorgd om de heimelijke haatgevoelens jegens hem bij zijn oom en zijn grootmoeder; juist omdat de redenen daarvoor misplaatst waren, pakten die haatgevoelens des te heviger uit.
1.33.2. Quippe Drusi magna apud populum Romanum memoria, credebaturque, si rerum potitus foret, libertatem redditurus; unde in Germanicum favor et spes eadem. Nam iuveni civile ingenium, mira comitas et diversa ab Tiberii sermone vultu, adrogantibus et obscuris.
1.33.2. Immers de nagedachtenis aan Drusus stond in hoog aanzien bij het Romeinse volk en men ging ervan uit dat hij, als hij aan de macht zou zijn gekomen, de republikeinse staatsvorm zou hebben hersteld; vandaar koesterde men dezelfde gunstige gezindheid en verwachting tegenover Germanicus. Want de jongeman bezat een vriendelijk karakter en een voorkomendheid die opmerkelijk was en in schril contrast stond tegenover de aanmatigende en duistere taal en gezichtsuitdrukking van Tiberius.
1.33.3. Accedebant muliebres offensiones novercalibus Liviae in Agrippinam stimulis, atque ipsa Agrippina paulo commotior, nisi quod castitate et mariti amore quamvis indomitum animum in bonum vertebat.
1.33.3. Daarbij kwamen nog de echt vrouwelijke hatelijkheden, uitgedrukt in stief[groot]moederlijke steken van Livia tegen Agrippina en het feit dat Agrippina wat al te emotioneel was, zij het dan dat zij door haar schroom en de liefde voor haar man haar gevoelens, hoe heftig die ook waren, in goede banen leidde.

Caput XXXIV

Hoofdstuk 34

1.34.1. Sed Germanicus quanto summae spei propior, tanto impensius pro Tiberio niti. Sequanos proximos et Belgarum civitates in verba eius adigit. Dehinc audito legionum tumultu raptim profectus obvias extra castra habuit, deiectis in terram oculis velut paenitentia.
1.34.1. Maar naarmate Germanicus dichter in de nabijheid van de oppermacht kwam, des te intensiever spande hij zich voor Tiberius in. De meest naburigen van de Sequanen alsook stammen van de Belgen bracht hij onder diens gezag. Toen hij hierna hoorde van de muiterij onder de legioenen vertrok hij in allerijl en trof ze buiten het legerkamp aan met hun ogen naar de grond gericht als uit berouw.
1.34.2. Postquam vallum iniit dissoni questus audiri coepere. Et quidam prensa manu eius per speciem exosculandi inseruerunt digitos ut vacua dentibus ora contingeret; alii curvata senio membra ostendebant.
Nadat hij de omwalling binnengegaan was begon men verwarde klachten te laten horen. En sommigen namen zijn hand onder het voorwendsel die te willen kussen maar staken zijn vingers naar binnen om ze te laten voelen dat hun kaken geen tanden meer hadden; anderen toonden hem hun door ouderdom gekromde ledematen.
1.34.3. Adsistentem contionem, quia permixta videbatur, discedere in manipulos iubet: sic melius audituros responsum; vexilla praeferri ut id saltem discerneret cohortis: tarde obtemperavere.
1.34.3. Toen zij in een drom om hem heen kwamen staan beval hij zich manipelgewijs op te stellen, omdat dit een chaotische indruk maakte: er werd geantwoord dat zij hem zo beter konden horen; dan moesten in ieder geval de vaandels voorop gezet worden zodat hij de cohorten althans van elkaar zou kunnen onderscheiden: daaraan hebben zij slechts schoorvoetend gehoor gegeven.
1.34.4. Tunc a veneratione Augusti orsus flexit ad victorias triumphosque Tiberii, praecipuis laudibus celebrans quae apud Germanias illis cum legionibus pulcherrima fecisset. Italiae inde consensum, Galliarum fidem extollit; nil usquam turbidum aut discors. Silentio haec vel murmure modico audita sunt.
1.34.4. Toen is hij begonnen met woorden van respect aan het adres van Augustus en is daarna overgestapt op de overwinningen en triomfen van Tiberius waarbij hij met lofprijzingen onderstreepte wat hij aan buitengewoon prachtige prestaties geleverd had in de Germaanse gebieden met deze legioenen. Vervolgens heeft hij de eendracht van Italië en de trouw van de Gallische gewesten opgehemeld; nergens ook maar iets van opstand of tweespalt. Deze zaken werden stilzwijgend of met onderdrukt gemor aanhoord.

Caput XXXV

Hoofdstuk 35

1.35.1. Vt seditionem attigit, ubi modestia militaris, ubi veteris disciplinae decus, quonam tribunos, quo centuriones exegissent, rogitans, nudant universi corpora, cicatrices ex vulneribus, verberum notas exprobrant; mox indiscretis vocibus pretia vacationum, angustias stipendii, duritiam operum ac propriis nominibus incusant vallum, fossas, pabuli materiae lignorum adgestus, et si qua alia ex necessitate aut adversus otium castrorum quaeruntur.
1.35.1. Zodra hij het onderwerp van de muiterij aanroerde door te vragen waar nu de militaire bescheidenheid en waar de roem van hun vroegere discipline gebleven waren, waar zij toch de tribunen heengebracht hadden, waarheen de centurio's, ontblootten zij allen hun lichamen en hielden hem verwijtend de littekens als gevolg van hun verwondingen voor, de afdrukken van zweepslagen; daarop voeren zij in een mengelmoes van kreten uit tegen de prijzen voor corveevrijstellingen, de benepen soldij, de zwaarte van de inspanningen en noemden die met name: het werken aan de omwalling, de grachten, het gesjouw met voedsel, materiaal, hout en wat maar verder ofwel uit noodzaak ofwel als middel tegen leegloperij in het kamp verzonnen werd.
1.35.2. Atrocissimus veteranorum clamor oriebatur, qui tricena aut supra stipendia numerantes, mederetur fessis, neu mortem in isdem laboribus, sed finem tam exercitae militiae neque inopem requiem orabant.
1.35.2. Het meest indringende gejammer klonk van de kant van de veteranen die dertig of meer dienstjaren uittelden en smeekten dat hij hulp zou bieden aan degenen die versleten waren opdat niet de dood in hetzelfde gezwoeg hen ten deel zou vallen maar een einde aan de zo lang vervulde krijgsdienst en geen armzalig pensioen.
1.35.3. Fuere etiam qui legatam a divo Augusto pecuniam reposcerent, faustis in Germanicum ominibus; et si vellet imperium promptos ostentavere.
1.35.3. Sommigen eisten zelfs het geld op dat door de goddelijke Augustus was nagelaten onder heilwensen aan het adres van Germanicus; en zij toonden zich bereid tot steun als hij het hoogste gezag zou willen.
1.35.4. Tum vero, quasi scelere contaminaretur, praeceps tribunali desiluit. Opposuerunt abeunti arma, minitantes, ni regrederetur; at ille moriturum potius quam fidem exueret clamitans, ferrum a latere diripuit elatumque deferebat in pectus, ni proximi prensam dextram vi attinuissent.
1.35.4. Toen echter sprong hij hals over kop van het verhoog alsof hij zich aan een misdaad dreigde te bezoedelen. Maar toen hij weg wilde lopen versperden zij hem de weg met hun wapens en uitten bedreigingen voor het geval hij niet zou terugkeren; hij, echter, riep uit dat hij liever zou willen sterven dan zijn eed van trouw breken, rukte zijn zwaard uit de schede en wilde het met een uithaal in zijn borst stoten maar degenen die naast hem stonden grepen zijn rechterhand en hielden die met geweld tegen.
1.35.5. Extrema et conglobata inter se pars contionis ac, vix credibile dictu, quidam singuli propius incedentes feriret hortabantur; et miles nomine Calusidius strictum obtulit gladium, addito acutiorem esse. Saevum id malique moris etiam furentibus visum, ac spatium fuit quo Caesar ab amicis in tabernaculum raperetur.
1.35.6. Het achterste en dichtopeengedrongen deel van de meute, alsook, je kan het bijna niet geloven als je het zo vertelt, sommigen die afzonderlijk dichter bij kwamen spoorden hem aan om toe te steken; en een soldaat, Calusidius genaamd, hield hem zijn getrokken zwaard voor terwijl hij er aan toevoegde dat dat scherper was. Dit scheen zelfs deze razenden te gortig en smakeloos en dat leverde een pauze op waarin Caesar door zijn vrienden zijn tent in kon worden gesleurd.

Caput XXXVI

Hoofdstuk 36

1.36.1. Consultatum ibi de remedio. Etenim nuntiabatur parari legatos qui superiorem exercitum ad causam eandem traherent; destinatum excidio Vbiorum oppidum, imbutasque praeda manus in direptionem Galliarum erupturas.
1.36.1. Daar is krijgsraad gehouden over een oplossing. Er werd namelijk bericht dat gezanten instructies ontvingen om het leger aan de bovenloop voor dezelfde zaak te winnen; de stad van de Ubiërs was bestemd om verwoest te worden en als de benden eenmaal met buit in aanraking gekomen waren dan zouden ze losbarsten in een plundering van de Gallische gebieden.
1.36.2. Augebat metum gnarus Romanae seditionis et, si omitteretur ripa, invasurus hostis: at si auxilia et socii adversum abscedentis legiones armarentur, civile bellum suscipi. Periculosa severitas, flagitiosa largitio: seu nihil militi sive omnia concedentur in ancipiti res publica.
1.36.2. De ongerustheid werd nog vergroot door het feit dat de vijand op de hoogte was van de Romeinse muiterij en een inval zouden doen als de oever ontruimd zou worden: maar als de hulptroepen en bondgenoten bewapend zouden worden om tegen de opstandige legioenen op te treden, stond dat gelijk aan het ondernemen van een burgeroorlog. Streng optreden was riskant, inbinden schandelijk: of aan de soldaten nu niets of alles zou worden toegestaan: de staat kwam in gevaar.
1.36.3. Igitur volutatis inter se rationibus placitum ut epistulae nomine principis scriberentur: missionem dari vicena stipendia meritis, exauctorari qui sena dena fecissent ac retineri sub vexillo ceterorum inmunes nisi propulsandi hostis, legata quae petiverant exsolvi duplicarique.
1.36.3. Derhalve is er, na het een tegen het ander afgewogen te hebben, besloten om een brief op te stellen uit naam van de vorst met als inhoud dat ontslag uit de dienst verleend zou worden aan degenen die twintig jaar krijgsdienst verricht hadden, dat degenen met zestien jaar dienstverband slechts in reserve gehouden zouden worden zonder andere taak dan het afweren van de vijand, dat de erflatingen waarom zij gevraagd hadden uitgekeerd en zelfs verdubbeld zouden worden.

Caput XXXVII

Hoofdstuk 37

1.37.1. Sensit miles in tempus conficta statimque flagitavit. Missio per tribunos maturatur, largitio differebatur in hiberna cuiusque. Non abscessere quintani unetvicesimanique donec isdem in aestivis contracta ex viatico amicorum ipsiusque Caesaris pecunia persolveretur.
1.37.1. De soldaten voelden wel aan dat dit allemaal verzonnen was om tijd te winnen en eisten boter bij de vis. Het ontslag uit dienstverband werd met spoed uitgevoerd door de tribunen maar er werd een poging ondernomen de uitbetalingen uit te stellen totdat ieder in zijn winterkwartieren zou zijn teruggekeerd. De soldaten van het vijfde en van het eenentwintigste echter weigerden weg te gaan voordat zij in het zomerkamp zelf het geld volledig uitbetaald zouden krijgen uit de reiskas van Caesars vrienden en hemzelf.
1.37.2. Primam ac vicesimam legiones Caecina legatus in civitatem Vbiorum reduxit turpi agmine cum fisci de imperatore rapti inter signa interque aquilas veherentur.
1.37.2. Het eerste en twintigste legioen voerde de onderbevelhebber Caecina terug naar de stad van de Ubiërs in een smadelijke slagorde omdat de geldzakken die zij van de opperbevelhebber geroofd hadden, meegevoerd werden tussen de veldtekenen en de adelaars.
1.37.3. Germanicus superiorem ad exercitum profectus secundam et tertiam decumam et sextam decumam legiones nihil cunctatas sacramento adigit. Quartadecumani paulum dubitaverant: pecunia et missio quamvis non flagitantibus oblata est.
1.37.3. Germanicus vertrok naar het leger aan de Boven-Rijn en liet het tweede en dertiende en zestiende legioen de krijgseed afleggen zonder dat zij tegenstribbelden. Die van het veertiende hadden nog even geaarzeld: maar het geld en het groot verlof is hen aangeboden hoewel zij dat niet expliciet eisten.

Caput XXXVIII

Hoofdstuk 38

1.38.1. At in Chaucis coeptavere seditionem praesidium agitantes vexillarii discordium legionum et praesenti duorum militum supplicio paulum repressi sunt. Iusserat id M'. Ennius castrorum praefectus, bono magis exemplo quam concesso iure.
1.38.2. Maar in het gebied van de Chaucen begonnen de vexillarii van de muitende legioenen die daar een bewakingstaak uitvoerden een opstand maar die zijn door de ogenblikkelijke terechtstelling van twee soldaten wat ingetoomd. Het bevel hiertoe had Manius Ennius, de kampcommandant, gegeven, meer als een goed voorbeeld dan uit hoofde van zijn bevoegdheid.
1.38.2. Deinde intumescente motu profugus repertusque, postquam intutae latebrae, praesidium ab audacia mutuatur: non praefectum ab iis, sed Germanicum ducem, sed Tiberium imperatorem violari. Simul exterritis qui obstiterant, raptum vexillum ad ripam vertit, et si quis agmine decessisset, pro desertore fore clamitans, reduxit in hiberna turbidos et nihil ausos.
1.38.2. Vervolgens is hij, toen de onlusten toenamen, gevlucht maar weer opgespoord en, nu een schuilplaats hem geen veiligheid geboden had, zocht hij bescherming in driest optreden: niet hun commandant werd door hen geschoffeerd, maar Germanicus, hun bevelhebber, ja zelfs vorst Tiberius. Tegelijk ontrukte hij aan hen die onthutst stonden te kijken na hem eerst in de weg gestaan te hebben, het vaandel en zette weer koers naar de oever en, terwijl hij uitriep dat degene die uit de linies zou wijken als deserteur behandeld zou worden, voerde hij hen weer terug de winterkwartieren in terwijl ze nog opgewonden waren maar niets hadden durven ondernemen.



TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

19/12/2008 + april 2022