Inhoud van Metamorfosen boek 9

Acheloüs en Hercules.(Met.9,1 - 100)

Quae gemitus truncaeque deo Neptunius heros
causa rogat frontis; cui sic Calydonius amnis
coepit inornatos redimitus harundine crines:
'triste petis munus. quis enim sua proelia victus
commemorare velit? referam tamen ordine, nec tam




5
- Neptunus' zoon vraagt: "Vanwaar deze zucht en hoe komt jouw voorhoofd
zo geschonden?" Hem geeft de Calydonische riviergod,
zijn haar omwonden met rietstengels, het ten antwoord:
"Je vraagt een nare gunst van me. Wie immers zou na een nederlaag
over zijn krijgsdaden willen vertellen? Toch zal ik er naar waarheid over
turpe fuit vinci, quam contendisse decorum est,
magnaque dat nobis tantus solacia victor.
nomine siqua suo fando pervenit ad aures
Deianira tuas, quondam pulcherrima virgo
multorumque fuit spes invidiosa procorum.




10
rapporteren; trouwens verliezen is geen schande als de strijd zo eervol is
en een grote troost betekent voor mij dat het om zo'n grote winnaar gaat.
Wellicht bereikte jouw oren ooit de naam 'Deianira',
ooit het mooiste meisje en een bron van verlangen
voor vele voorname edelen.
cum quibus ut soceri domus est intrata petiti,
"accipe me generum," dixi "Parthaone nate":
dixit et Alcides. alii cessere duobus.
ille Iovem socerum dare se, famamque laborum,
et superata suae referebat iussa novercae.




15
Toen ik met hen als mededingers haar vaders huis betrad
sprak ik:"Neem mij als schoonzoon aan, Oeneus, Parthaons zoon,"
maar Hercules vroeg hetzelfde. De anderen trokken zich voor ons twee terug.
De ander schepte op over zijn schoonvader Juppiter, zijn roemrijke werken,
en dat hij de opdrachten van Juno zelfs in aantal overtroffen had.
contra ego "turpe deum mortali cedere" dixi—
nondum erat ille deus—"dominum me cernis aquarum
cursibus obliquis inter tua regna fluentum.
nec gener externis hospes tibi missus ab oris,
sed popularis ero et rerum pars una tuarum.




20
Daar bracht ik tegen in: 'Schande dat een god moet wijken voor een sterveling'
- hij was toen nog geen god - 'u ziet mij als de Heer der Wateren
naar alle kanten door Uw rijk heen stromen.
Geen vreemdeling van verre kusten zal ik uw schoonzoon zijn
maar landgenoot en onderdeel van uw domein.
tantum ne noceat, quod me nec regia Iuno
odit, et omnis abest iussorum poena laborum.
nam, quo te iactas, Alcmena nate, creatum,
Iuppiter aut falsus pater est, aut crimine verus.
matris adulterio patrem petis. elige, fictum




25
Laat niet tot nadeel zijn dat hooggezeten Juno mij niet haat
en dat aan mij geen straf van opgedragen werken kleeft.
Want, Hercules, de Juppiter-vader met wie jij praalt,
die is óf niet jouw vader bij Alcmene óf wel maar door bedrog.
Door je moeders overspel eis je hem als vader op, dus kies maar
esse Iovem malis, an te per dedecus ortum."
talia dicentem iamdudum lumine torvo
spectat, et accensae non fortiter imperat irae,
verbaque tot reddit: "melior mihi dextera lingua.
dummodo pugnando superem, tu vince loquendo"




30
of je liever Juppiter als schijnvader wilt, of geboren uit een schanddaad."
Bij deze woordenstroom beziet hij mij steeds met een grim gezicht
en toomt met moeite zijn gewekte woede in,
geeft slechts dit weerwoord: 'Mijn hand is beter dan mijn tong;
als ik met vechten overwin, mag jij je woordje beter doen!'
congrediturque ferox. puduit modo magna locutum
cedere: reieci viridem de corpore vestem,
bracchiaque opposui, tenuique a pectore varas
in statione manus et pugnae membra paravi.
ille cavis hausto spargit me pulvere palmis,




35
Woest stapt hij naar voren. Ik geneer me achter te blijven bij
mijn grootspraak van zoëven: ik werp mijn groene mantel af
en bal mijn vuisten voor zijn gezicht, mijn armen houd ik voor mijn borst
als dekking naar binnen toe en sta klaar voor de strijd.
Hij besprenkelt mij met bijeengegraaid stof in zijn handen,
inque vicem fulvae tactu flavescit harenae.
et modo cervicem, modo crura micantia captat,
aut captare putes, omnique a parte lacessit.
me mea defendit gravitas frustraque petebar;
haud secus ac moles, magno quam murmure fluctus




40
door mijn toedoen wordt hij met een schep zand geel gekleurd.
Nu eens valt hij uit naar mijn nek, dan naar mijn flitsende benen,
je zou denken dat hij ze beet heeft, en daagt mij aan alle kanten uit.
Mijn robuustheid beschermt mij en maakt zijn aanval tevergeefs
niet anders dan een steenklomp, waartegen stromen onder gehuil
oppugnant; manet illa, suoque est pondere tuta.
digredimur paulum, rursusque ad bella coimus,
inque gradu stetimus, certi non cedere, eratque
cum pede pes iunctus, totoque ego pectore pronus
et digitos digitis et frontem fronte premebam.




45
te hoop lopen: zij houdt stand en blijft onbewogen door haar eigen gewicht.
Soms stappen we terug maar stormen dan weer ten strijde opeen
en houden stand tegen elkaar, van plan geen duimbreed te wijken,
voet geklemd tegen voet stouw ik heel mijn tors tegen hem op,
duw mijn vingers tegen de zijne en voorhoofd tegen zijn hoofd.
non aliter vidi fortes concurrere tauros,
cum, pretium pugnae, toto nitidissima saltu
expetitur coniunx: spectant armenta paventque
nescia, quem maneat tanti victoria regni.
ter sine profectu voluit nitentia contra




50
Net zo heb ik wel machtige stieren op elkaar los zien gaan
wanneer de strijd ging om een wijfje als prijs, de mooiste van de de wei,
de kudde kijkt in spanning toe,niet wetend
wie de zege van een zo groot leiderschap wacht.
Drie maal probeert Hercules vergeefs mijn lijf
reicere Alcides a se mea pectora; quarto
excutit amplexus, adductaque bracchia solvit,
inpulsumque manu—certum est mihi vera fateri -
protinus avertit, tergoque onerosus inhaesit.
siqua fides,—neque enim ficta mihi gloria voce




55
dat weerstand biedt af te werpen; bij de vierde keer
schudt hij mij af en weet de omarming los te krijgen;
zijn stomp - dat moet ik eerlijk zeggen - brengt mij uit evenwicht
en met zijn zwaar gewicht zet hij zich op mijn rug.
Als je het geloven wilt - ik zoek toch niet naar leugenroem -
55 quaeritur—inposito pressus mihi monte videbar.
vix tamen inserui sudore fluentia multo
bracchia, vix solvi duros a corpore nexus.
instat anhelanti, prohibetque resumere vires,
et cervice mea potitur. tum denique tellus




60
ik waande me met hem op mij als door een berg gemangeld.
Ternauwernood weet ik toch mijn armen, druipend van het zweet,
om hem te slaan, amper de harde strik rondom m'n lijf te lossen.
Geen adempauze gunt hij, laat mij niet op krachten komen,
nu grijpt hij mijn nek. Dan tenslotte kniel ik op de grond
pressa genu nostro est, et harenas ore momordi.
inferior virtute, meas devertor ad artes,
elaborque viro longum formatus in anguem.
qui postquam flexos sinuavi corpus in orbes,
cumque fero movi linguam stridore bisulcam,




65
en moet zand happen, monden vol.
De mindere in kracht, neem ik mijn toevlucht tot trucage
en bevrijd me van de man in de vorm van een lange slang.
maar als ik met dat lijf wat rondgekronkeld heb en
met woest gesis mijn gespleten tong getoond,
risit, et inludens nostras Tirynthius artes
"cunarum labor est angues superare mearum,"
dixit "et ut vincas alios, Acheloe, dracones,
pars quota Lernaeae serpens eris unus echidnae?
vulneribus fecunda suis erat illa, nec ullum




70
barst de Tirynthië in lachen uit en spottend met mijn trucs
roept hij: 'Slangen wurgen was een klusje dat ik in mijn wieg al klaarde,
en Acheloüs, al versla je andere slangen, wat stel je
dan nog in je eentje voor naast het monster van Lerna
die baarde uit zijn wonden en geen enkele kop
de centum numero caput est inpune recisum,
quin gemino cervix herede valentior esset.
hanc ego ramosam natis e caede colubris
crescentemque malo domui, domitamque reclusi.
quid fore te credis, falsum qui versus in anguem




75
van de honderd is straffeloos afgehakt, want uit elk
kwam een sterkere, dubbele erfgenaam tevoorschijn.
Ik heb die, met zijn vertakking van nazaten uit het slangenbloed
zo in zijn ondergang groeiend, gedood en, eenmaal gedood, gevild.
Wat denk jij nou dat er van jou overblijft, nu je, veranderd in een slang,
arma aliena moves, quem forma precaria celat?"
dixerat, et summo digitorum vincula collo
inicit: angebar, ceu guttura forcipe pressus,
pollicibusque meas pugnabam evellere fauces.
sic quoque devicto restabat tertia tauri




80
met vreemde wapens vechten moet, schuil gaand onder geleend uiterlijk?'
Na deze woorden legt hij een verwurging van vingers boven om mijn nek:
ik krijg het benauwd alsof mijn keel met een vork wordt samengeperst
en worstel om mijn luchtpijp uit zijn vingers te bevrijden.
Nu ik ook zo ben verslagen rest mij als derde gedaante
forma trucis. tauro mutatus membra rebello.
induit ille toris a laeva parte lacertos,
admissumque trahens sequitur, depressaque dura
cornua figit humo, meque alta sternit harena.
nec satis hoc fuerat: rigidum fera dextera cornu




85
die van een grimmige stier. Mijn lijf in stier veranderd vecht ik verder.
Hij grijpt mij stevig links aan m'n kwabben
en trekt en volgt mij als ik toegeef en duwt de harde horens
omlaag in de grond en boort mij diep in het zand.
Dat was nog niet alles: terwijl hij de harde hoorn met zijn woeste hand
dum tenet, infregit, truncaque a fronte revellit.
naides hoc, pomis et odoro flore repletum,
sacrarunt; divesque meo Bona Copia cornu est.'
Dixerat: et nymphe ritu succincta Dianae,
una ministrarum, fusis utrimque capillis,




90
vast heeft, breekt hij die af en trekt hem van mijn kop bij dit restant.
Mijn Najaden hebben deze, gevuld met vruchten en geurende bloemen,
gewijd aan 'Vrouwe Overvloed' die met die hoorn nu praalt".
- Dat was Acheloüs' verhaal: een nimf in Diana-dracht,
een van haar dienaressen, omgeven door loshangend haar
incessit totumque tulit praedivite cornu
autumnum et mensas, felicia poma, secundas.
lux subit; et primo feriente cacumina sole
discedunt iuvenes, neque enim dum flumina pacem
et placidos habeant lapsus totaeque residant




95
kwam binnen en droeg een hoorn overvloedig vol
met rijke herfstvruchten als dessert.
De dag brak aan en toen de zon de bergtoppen raakte
namen de jonge gasten afscheid wachtten nu niet meer
tot al het water rustig wordt en weer kalm voortglijdt.
opperiuntur aquae. vultus Achelous agrestes
et lacerum cornu mediis caput abdidit undis.
Huic tamen ablati doluit iactura decoris,
cetera sospes habet. capitis quoque fronde saligna
aut superinposita celatur harundine damnum.




100
Acheloüs dompelt zijn woeste trekken
en zijn hoofd, van hoorn beroofd, weer in zijn stroom.
Toch is dit verlies het enige dat zijn schoonheid aantast,
verder is hij ongedeerd. De schade aan zijn voorhoofd is verborgen
onder wilgentenen of een rietkrans, daarover gedrapeerd.

naar begin

Hercules en Deianira bedrogen door Nessus.(Met.9,101 - 210)

at te, Nesse ferox, eiusdem virginis ardor
perdiderat volucri traiectum terga sagitta.
namque nova repetens patrios cum coniuge muros
venerat Eueni rapidas Iove natus ad undas.
uberior solito, nimbis hiemalibus auctus,




105
- Maar jou, woeste Nessus, heeft de begeerte naar hetzelfde meisje,
Deianira, gedood met een gevleugelde pijl in je rug.
Toen Hercules namelijk onderweg was met zijn bruid naar Tiryns,
zijn vaderstad, kwam hij, Juppiters zoon, bij de snelle rivier de Euenus,
die, abnormaal sterk gezwollen, nog opgestuwd door winterse stortbuien,
verticibusque frequens erat atque inpervius amnis.
intrepidum pro se, curam de coniuge agentem
Nessus adit, membrisque valens scitusque vadorum,
'officio' que 'meo ripa sistetur in illa
haec,' ait 'Alcide. tu viribus utere nando!'




110
vol kolken stond en niet meer doorwaadbaar was.
Terwijl hij onverschrokken was voor zichzelf, maar bezorgd om zijn echtgenote,
kwam Nessus op hem af, fors van leden en bekend met doorwaadbare plekken:
'Laat haar maar over aan mij om haar op de overkant te zetten, Hercules,
Zet jij je kracht maar in om te zwemmen!', zei hij.
pallentemque metu, fluviumque ipsumque timentem
tradidit Aonius pavidam Calydonida Nesso.
mox, ut erat, pharetraque gravis spolioque leonis—
nam clavam et curvos trans ripam miserat arcus—
'quandoquidem coepi, superentur flumina' dixit,




115
De Thebaan Hercules gaf Deianira, - die bleek zag van angst voor de rivier
maar ook voor de Centaur - over aan Nessus.
Dan roept hij uit, bezwaard door pijlkoker en leeuwenhuid -
want knots en kromboog had hij al naar de overkant geslingerd -
'Ik heb al eerder rivierstromen getemd!' en aarzelt niet en
nec dubitat nec, qua sit clementissimus amnis,
quaerit, et obsequio deferri spernit aquarum.
iamque tenens ripam, missos cum tolleret arcus,
coniugis agnovit vocem Nessoque paranti
fallere depositum 'quo te fiducia' clamat




120
zoekt geen plaats waar de rivier het minst onstuimig is
en weigert zich door de stroom van het water mee te laten voeren.
Daar is hij al aan de overkant en wanneer hij zijn geworpen boog
opraapt hoort hij een kreet van zijn vrouw die, neergezet
verkracht dreigt te worden door Nessus die daartoe aanstalten maakt
'vana pedum, violente, rapit? tibi, Nesse biformis,
dicimus. exaudi, nec res intercipe nostras.
si te nulla mei reverentia movit, at orbes
concubitus vetitos poterant inhibere paterni.
haud tamen effugies, quamvis ope fidis equina;




125
'Waarheen brengt ijdel vertrouwen in je voeten jou?', roept hij, 'verkrachter,
Ik heb het tegen jou, Nessus, half paard, luister en kom niet aan mijn bezit;
als geen enkel respect voor mij jou tegenhoudt, dan kan toch
het rad van je vader, Ixion, afhouden van verboden intimidatie.
Toch zul je mij niet ontkomen, hoezeer ook geholpen door je paardenhelft;
vulnere, non pedibus te consequar.' ultima dicta
re probat, et missa fugientia terga sagitta
traicit. exstabat ferrum de pectore aduncum.
quod simul evulsum est, sanguis per utrumque foramen
emicuit mixtus Lernaei tabe veneni.




130
met een verwonding, niet met benen achtervolg ik je'.
De laatste woorden zet hij metterdaad kracht bij en de rug van
de vluchtende schurk doorboort hij met een pijlschot.Het gekromde ijzer
duikt uit zijn borst weer op. Zodra hij het uit trekt spuit het bloed er uit
door beide openingen, met het gif van de Lernaeër gemengd.
excipit hunc Nessus 'ne' que enim 'moriemur
inulti' secum ait, et calido velamina tincta cruore
dat munus raptae velut inritamen amoris.
Longa fuit medii mora temporis, actaque magni
Herculis inplerant terras odiumque novercae.




135
Nessus pakt deze op en zegt bij zichzelf: 'Laat ik niet sterven
zonder wraak' en een kleed drenkt hij in het nog warme bloed
en geeft het cadeau aan het meisje als een liefdesmiddel.
- Een lange tijd verstreek en de daden van de grote Hercules
waren overal bekend en ook de haat van zijn stiefmoeder, Juno.
victor ab Oechalia Cenaeo sacra parabat
vota Iovi, cum Fama loquax praecessit ad aures,
Deianira, tuas, quae veris addere falsa
gaudet, et e minimo sua per mendacia crescit,
Amphitryoniaden Ioles ardore teneri.




140
Als overwinnaar terug uit Oechalia bereidde hij een offer voor
aan Juppiter, toen het babbelziek Gerucht, - dat er vreugde in schept
waarheid met leugens te vermengen en zo van een mug
een olifant te maken - hem vóórging naar jouw oren, Deinarira:
'als zou Hercules verliefd zijn op Iole'.
credit amans, venerisque novae perterrita fama
indulsit primo lacrimis, flendoque dolorem
diffudit miseranda suum. mox deinde 'quid autem
flemus?' ait 'paelex lacrimis laetabitur istis.
quae quoniam adveniet, properandum aliquidque novandum est,




145
Verblind door haar liefde geloofde zij dat en verslagen door dit gerucht
over een nieuwe liefde gaf zij eerst de vrije loop aan haar tranen
en verdreef zo, in zelfmedelijden, haar smart. Dan echter zegt ze:
'Wat jammer ik nou? Die hoer zal zich over mijn tranen verheugen!
Aangezien ze er aan komt moet ik gauw iets verzinnen
dum licet, et nondum thalamos tenet altera nostros.
conquerar, an sileam? repetam Calydona, morerne?
excedam tectis? an, si nihil amplius, obstem?
quid si me, Meleagre, tuam memor esse sororem
forte paro facinus, quantumque iniuria possit




150
zo lang het nog kan en nog geen andere vrouw onze slaapkamer inneemt.
Zal ik me beklagen of zwijgen? Terug naar Calydon, liever blijven?
Mijn huis verlaten? Als niets verder kan, een obstakel zijn?
Maar als ik bedenk, Meleager, dat ik jouw zus ben
kan ik misschien een moord begaan en door de dood van een bijzit
femineusque dolor, iugulata paelice testor?'
in cursus animus varios abit. omnibus illis
praetulit inbutam Nesseo sanguine vestem
mittere, quae vires defecto reddat amori,
ignaroque Lichae, quid tradat, nescia, luctus




155
tonen wat de smart en het onrecht bij een vrouw teweeg brengt.
Haar geest loopt allerlei mogelijkheden langs. Bij al deze
geeft ze er de voorkeur aan het kleed dat gedrenkt is in Nessus' bloed
te sturen, opdat dat de verflauwde liefde zijn kracht teruggeven zal.
Onkundig over wat zij geeft, draagt de ongelukkige aan Licha, ook onwetend,
ipsa suos tradit blandisque miserrima verbis,
dona det illa viro, mandat. capit inscius heros,
induiturque umeris Lernaeae virus echidnae.
Tura dabat primis et verba precantia flammis,
vinaque marmoreas patera fundebat in aras:




160
eigenhandig haar noodlot over met zoete woorden en draagt haar op
het te geven aan haar man. Niets vermoedend neemt de held het in ontvangst
en bekleedt zich met het gif van het monster van Lerna.
Nauwelijks offerde hij wierook en gebeden aan de vlammen
en plengde hij schalen wijn op het marmeren altaar,
incaluit vis illa mali, resolutaque flammis
Herculeos abiit late dilapsa per artus.
dum potuit, solita gemitum virtute repressit.
victa malis postquam est patientia, reppulit aras,
inplevitque suis nemorosam vocibus Oeten.




165
of die kracht van het gif wordt heet en, gesmolten door de vlammen,
druipt zij in een brede stroom uit over Hercules' leden.
Zolang hij kan drukt hij met al zijn kracht een weeklacht weg,
maar als zijn draagkracht door deze pijnen is overwonnen, trapt hij
het altaar weg en vult met zijn kreten het woudrijk Oeta en
nec mora, letiferam conatur scindere vestem:
qua trahitur, trahit illa cutem, foedumque relatu,
aut haeret membris frustra temptata revelli,
aut laceros artus et grandia detegit ossa.
ipse cruor, gelido ceu quondam lammina candens




170
probeert direct het onheilbrengend kleed van zich af te scheuren:
waar het afgetrokken wordt, trekt het zijn huid mee - vreselijk voor woorden -
ofwel blijft het aan zijn lijf verkleefd bij de vergeefse poging het los te trekken
ofwel legt het geschonden leden en grote stukken bot open.
Zijn bloed sist zoals wel witheet ijzer doet als je er water
tincta lacu, stridit coquiturque ardente veneno.
nec modus est, sorbent avidae praecordia flammae,
caeruleusque fluit toto de corpore sudor,
ambustique sonant nervi, caecaque medullis
tabe liquefactis tollens ad sidera palmas




175
over giet, en kookt en borrelt van het heet vergif.
Het kent geen maat, gulzig verteren de vlammen zijn borst,
donker stroomt het zweet van heel zijn lichaam af,
zijn spieren knappen als zij verbranden, zijn merg wordt vloeibaar
door het niets ontziende gif en hij heft zijn handen naar de sterren:
'cladibus,' exclamat 'Saturnia, pascere nostris:
pascere, et hanc pestem specta, crudelis, ab alto,
corque ferum satia. vel si miserandus et hosti,
hoc est, si tibi sum, diris cruciatibus aegram
invisamque animam natamque laboribus aufer.




180
'Saturnische, geniet van wat mij aan rampen overkomt,
geniet maar en zie, wrede Juno, mijn ondergang aan vanuit de hoogte,
bevredig je wilde hart. Als ik zelfs voor mijn vijand meelijwekkend ben,
dus ik voor jou, neem dan mijn leven, verziekt door afschuwelijke kwellingen
en gehaat, geboren voor slechts tegenslagen, van mij weg.
mors mihi munus erit; decet haec dare dona novercam.
ergo ego foedantem peregrino templa cruore
Busirin domui? saevoque alimenta parentis
Antaeo eripui? nec me pastoris Hiberi
forma triplex, nec forma triplex tua, Cerbere, movit?




185
De dood is voor mij een geschenk; een stiefmoeder past het deze te geven.
Heb ik daarvoor Busiris, die tempels bezoedelde met vreemdelingbloed,
gedood? Aan de woesteling Antaeus zijn moeders hulp afgepakt?
Heeft zo dus de drievoudige gestalte van de Spaanse herder,
en jouw drie koppen, Cerberus, mij niet afgeschrikt?
vosne, manus, validi pressistis cornua tauri?
vestrum opus Elis habet, vestrum Stymphalides undae,
Partheniumque nemus? vestra virtute relatus
Thermodontiaco caelatus balteus auro,
pomaque ab insomni concustodita dracone?




190
Hebben jullie, mijn handen, zo de hoorns bedwongen van die machtige stier?
Is Augias' stal loos getuige van jullie daad net als de Stymphalische poelen,
en het spoor van Diana's hinde? Door jullie kracht toch bracht ik
de vergulde Amazonegordel mee uit Thermodoon
en de appels, bewaakt door die nimmer slapende draak?
nec mihi centauri potuere resistere, nec mi
Arcadiae vastator aper? nec profuit hydrae
crescere per damnum geminasque resumere vires?
quid, cum Thracis equos humano sanguine pingues
plenaque corporibus laceris praesepia vidi,




195
Noch konden mij de Centauren weerstaan noch
het wild zwijn dat Arcadië terroriseerde? Ook de Hydra baatte het niet
dat haar kracten groeiden door verdubbeling van haar afgeslagen koppen.
Voorts: toen ik in Thracië die paarden, vet van mensenbloed
en die ruiven vol mensenresten aantrof: na die aanblik
visaque deieci, dominumque ipsosque peremi?
his elisa iacet moles Nemeaea lacertis:
hac caelum cervice tuli. defessa iubendo est
saeva Iovis coniunx: ego sum indefessus agendo.
sed nova pestis adest, cui nec virtute resisti




200
heb ik hun meester met paarden en al om zeep gebracht!
Door deze handen ook ligt geveld de Nemeïsche leeuw; op deze nek
heb ik het hemelgewelf getorst. Hoe uitgeput de razende Iuno ook werd
bij het geven van opdrachten: ik bleef onvermoeid bij de uitvoering ervan.
Nu teistert mij een onbekende pijn waartegen geen kracht is bestand,
nec telis armisque potest. pulmonibus errat
ignis edax imis, perque omnes pascitur artus.
at valet Eurystheus! et sunt, qui credere possint
esse deos?' dixit, perque altam saucius Oeten
haud aliter graditur, quam si venabula taurus




205
noch speren noch schilden. Diep in mijn longen
vreet een vraatzuchtig vuur en doet zich tegoed aan mijn ledematen.
En Eurystheus leeft! Zijn er nu nog mensen die kunnen geloven
dat er goden bestaan?' Dat riep hij en stervend klom hij de Oeta op
net als een stier die nog de jachtsprieten in het lichaam vastgehecht
corpore fixa gerat, factique refugerit auctor.
saepe illum gemitus edentem, saepe frementem,
saepe retemptantem totas infringere vestes
sternentemque trabes irascentemque videres
montibus aut patrio tendentem bracchia caelo.




210
draagt terwijl de jager al weggevlucht is.
Je had kunnen zien hoe hij steeds weer wanhoopskreten slaakte,
steeds weer schokkend alle kleding probeerde af te schudden,
hoe hij schurkte tegen boomstammen en schuimbekte tegen het gebergte
dan weer zijn armen ophief naar de hemel van zijn vader.

Het lot van Lichas en de apotheose van Hercules.(Met.9,211 - 272)

,
- Ecce Lichan trepidum latitantem rupe cavata
aspicit, utque dolor rabiem conlegerat omnem,
'tune, Licha,' dixit 'feralia dona dedisti?
tune meae necis auctor eris?' tremit ille, pavetque
pallidus, et timide verba excusantia dicit.




215
- Dan valt zijn blik op Lichas, die zich angstig verschuilt in een grot,
en, nu zijn pijn al zijn razernij bovenbrengt, roept hij uit:
'Jij, Lichas, hebt toch dit grafgeschenk gegeven?
Word jij zo mijn moordenaar?' Die siddert en verbleekt van angst
en schuchter stamelt hij een verontschuldiging.
dicentem genibusque manus adhibere parantem
corripit Alcides, et terque quaterque rotatum
mittit in Euboicas tormento fortius undas.
ille per aerias pendens induruit auras:
utque ferunt imbres gelidis concrescere ventis,




220
Maar nog onder zijn gestamel en terwijl hij z'n handen om zijn knieë
wil slaan, grijpt Hercules hem, draait hem drie, ja vier maal rond
en slingert hem de Euboische zee in, harder dan uit een katapult.
Hij verhardde tijdens zijn vlucht door de lucht en zoals, naar men zegt,
regenbuien samenballen door ijskoude wind
inde nives fieri, nivibus quoque molle rotatis
astringi et spissa glomerari grandine corpus,
sic illum validis iactum per inane lacertis
exsanguemque metu nec quicquam umoris habentem
in rigidos versum silices prior edidit aetas.




225
en dan sneeuwbuien worden en die zachte sneeuw weer verhardt
bij het rondwentelen en zich samenpakt tot hagelkorrels,
zo ook vloog hij, geslingerd door die sterke armen, door de lucht
en raakte bloedeloos en zonder enig lichaamsvocht en
werd zo harde steen volgens de overlevering.
nunc quoque in Euboico scopulus brevis eminet alto
gurgite et humanae servat vestigia formae,
quem, quasi sensurum, nautae calcare verentur,
appellantque Lichan. at tu, Iovis inclita proles,
arboribus caesis, quas ardua gesserat Oete,




230
Ook nu nog steekt in de Euboische Zee een lage rots omhoog
en bewaart de resten van een gestalte van een mens
die schepelingen vrezen te betreden, alsof hij het zou voelen
en noemen het 'Lichas'. Maar jij, beroemde zoon van Juppiter,
hakte bomen die de steile Oeta voort had gebracht
inque pyram structis arcum pharetramque capacem
regnaque visuras iterum Troiana sagittas
ferre iubes Poeante satum, quo flamma ministro
subdita. dumque avidis comprenditur ignibus agger,
congeriem silvae Nemeaeo vellere summam




235
en bouwde die tot een brandstapel. Je boog en grote pijlkoker
met pijlen die het Trojaanse koninkrijk weer zouden zien
liet je na aan Philoctetes, Poias' zoon, met wiens hulp de vlam is ontstoken.
Terwijl de houtstapel door gretig vuur werd aangevreten
dekte jij de boomhoop bovenop met de leeuwenhuid van Nemea
sternis, et inposita clavae cervice recumbis,
haud alio vultu, quam si conviva iaceres
inter plena meri redimitus pocula sertis.
Iamque valens et in omne latus diffusa sonabat,
securosque artus contemptoremque petebat




240
en legde je neer met je knots als kussen met geen andere
uitdrukking op je gezicht dan alsof je aansloot bij een diner
met roemers vol wijn en omkranst hoofd.
- Al laaiend en zich uitbreidend naar alle kanten ziedde het vuur
en het reikte naar de zorgeloze leden van haar verachter,
flamma suum. timuere dei pro vindice terrae.
quos ita, sensit enim, laeto Saturnius ore
Iuppiter adloquitur: 'nostra est timor iste voluptas,
o superi, totoque libens mihi pectore grator,
quod memoris populi dicor rectorque paterque




245
zelfs de goden vreesden de redder der aarde.
Juppiter, zoon van Saturnus, merkte dit en sprak hen
geruststellend toe:'Die vrees van jullie is mij een genoegen,
goden, en het is mij van ganser harte een plezier,
dat ik heerser en vader heet van zo'n geheugenrijk volk
et mea progenies vestro quoque tuta favore est.
nam quamquam ipsius datur hoc inmanibus actis,
obligor ipse tamen. sed enim nec pectora vano
fida metu paveant. Oetaeas spernite flammas!
omnia qui vicit, vincet, quos cernitis, ignes;




250
en ook mijn zoon beschermd te weten door jullie aanhankelijkheid.
Want ofschoon dit Hercules gegund wordt op grond van zijn grote daden
ik deel er toch zelf in. Wel, laat jullie trouwhartigheid niet verschrikken
door valse vrees en laat u niet imponeren door de vlammen op de Oeta!
Hij die alles heeft overwonnen doorstaat ook het vuur dat jullie zien.
nec nisi materna Vulcanum parte potentem
sentiet. aeternum est a me quod traxit, et expers
atque inmune necis, nullaque domabile flamma.
idque ego defunctum terra caelestibus oris
accipiam, cunctisque meum laetabile factum




255
Want hij voelt het geweld van de vlammen slechts in zijn moederdeel
dat sterfelijk is, maar wat hij aan onsterfelijks van mij erft, is de dood
niet deelachtig en onkwetsbaar en door geen vlam te bedwingen;
en dit deel zal ik na zijn dood op aarde in het hemelrijk opnemen
en ik vertrouw er op dat dit besluit voor al jullie goden
dis fore confido. siquis tamen Hercule, siquis
forte deo doliturus erit, data praemia nolet,
sed meruisse dari sciet, invitusque probabit.'
adsensere dei. coniunx quoque regia visa est
cetera non duro, duro tamen ultima vultu




260
heugelijk zijn zal. Als echter iemand , ja iemand, betreurt dat Hercules
een god wordt en niet wenst dat deze beloning gegeven wordt,
hij geve dan toe dat deze beloning verdiend is en stemt dan tegen zijn zin in'.
De goden stemden ermee in. Zelfs de koninklijke Juno heeft de uitspraak
van Juppiter, aanvankelijk niet stuurs maar aan het eind toch wel stuurs
dicta tulisse Iovis, seque indoluisse notatam.
interea quodcumque fuit populabile flammae,
Mulciber abstulerat, nec cognoscenda remansit
Herculis effigies, nec quicquam ab imagine ductum
matris habet, tantumque Iovis vestigia servat.




265
omdat ze begreep dat hij op haar doelde, toch geslikt.
Intussen had Vulcanus al wat er voor vlammen verteerbaar was
weggebrand, en niet meer was Hercules' gestalte herkenbaar
noch wat hij ook maar aan uiterlijk van zijn moeder gekregen had
slechts de sporen van Juppiter behield hij;
utque novus serpens posita cum pelle senecta
luxuriare solet, squamaque nitere recenti,
sic ubi mortales Tirynthius exuit artus,
parte sui meliore viget, maiorque videri
coepit et augusta fieri gravitate verendus.




270
en zoals een slang nieuw ligt te glanzen na zijn oude huid
afgelegd te hebben en straalt met nieuwe schubben,
zo ontdeed zich de Tirynthiër van zijn sterfelijke leden
en straalde met het betere deel van zichzelf, groeide tot groter uit
en werd door verheven majesteit respectabel,
quem pater omnipotens inter cava nubila raptum
quadriiugo curru radiantibus intulit astris,
sensit Atlas pondus.

De almachtige Vader haalde hem op in een holle wolk
en breacht hem in zijn vierspan tussen de schitterende sterren,
en Atlas voelde dat gewicht.

Alcmene, Hercules' moeder, aan het woord.(Met.9,273 - 323)

neque adhuc Stheneleius iras
solverat Eurystheus, odiumque in prole paternum
exercebat atrox. at longis anxia curis


275
- Toch was ook de woede van Eurystheus niet bekoeld,
nee, hij droeg zijn grimmige wrok over op Hercules' kinderen.
En Alcmene van Argos, gekweld door langdurige zorgen,
Argolis Alcmene, questus ubi ponat aniles,
cui referat nati testatos orbe labores,
cuive suos casus, Iolen habet. Herculis illam
imperiis thalamoque animoque receperat Hyllus,
inpleratque uterum generoso semine; cui sic




280
zocht, toen zij van de wereldwijd vermaarde beproevingen van haar zoon
getuige was en zich afvroeg aan wie zij haar moederlijke klachten
en ook haar eigen noden kon uiten, gehoor bij Iole. Die was op aanwijzeing
van Hercules de echtgenote van Hyllus die haar hartstiochtelijk liefhad
en zijn edel zaad in haar schoot had gezaaid.
incipit Alcmene: 'faveant tibi numina saltem,
conripiantque moras tum cum matura vocabis
praepositam timidis parientibus Ilithyiam,
quam mihi difficilem Iunonis gratia fecit.
namque laboriferi cum iam natalis adesset




285
Tegen haar zei Alcmene: 'Mogen de goden jou tenminste gunstig zijn
en de tijd verkorten wanneer je, barensklaar, Eilytheia zult aanroepen
die toch jonge moeders onder haar hoede neemt
maar mij in de steek liet op Juno's wens.
Want toen de geboorte voor de dadenbewerker, Hercules, op handen was
Herculis et decimum premeretur sidere signum,
tendebat gravitas uterum mihi, quodque ferebam,
tantum erat, ut posses auctorem dicere tecti
ponderis esse Iovem. nec iam tolerare labores
ulterius poteram. quin nunc quoque frigidus artus,




290
en de zon het tiende sterrenbeeld al naderde,
spande de zwangerschap mijn schoot en wat ik meedroeg
was zo omvangrijk dat je zou kunnen zweren dat de verwekker
van het verborgen wicht Juppiter was en ik was niet meer in staat
die weeën nog langer te dragen; zelfs nu krijg ik nog kippenvel
dum loquor, horror habet, parsque est meminisse doloris.
septem ego per noctes, totidem cruciata diebus,
fessa malis, tendensque ad caelum bracchia, magno
Lucinam Nixosque pares clamore vocabam.
illa quidem venit, sed praecorrupta, meumque




295
terwijl ik het vertel en is de herinnering een deel van mijn leed.
Zeven nachten lang ben ik gekweld en even veel dagen, uitgeput
door deze ramp en met mijn armen ten hemel gestrekt riep ik luid
Lucina en de andere goden der bevalling aan.
Die kwam wel maar omgekocht en van zins om mijn leven
quae donare caput Iunoni vellet iniquae.
utque meos audit gemitus, subsedit in illa
ante fores ara, dextroque a poplite laevum
pressa genu et digitis inter se pectine iunctis
sustinuit partus. tacita quoque carmina voce




300
te offeren aan de wrede Juno en,
hoewel zij mijn jammerkreten hoorde, nam zij plaats
op het altaar bij de voordeur en met haar rechterknie over
haar linkerbeen geslagen en de vingers als een kam tegen elkaar
gedrukt hield zij de bevalling tegen. Zelfs sprak zij met gesmoorde stem
dixit, et inceptos tenuerunt carmina partus.
nitor, et ingrato facio convicia demens
vana Iovi, cupioque mori, moturaque duros
verba queror silices. matres Cadmeides adsunt,
votaque suscipiunt, exhortanturque dolentem.




305
nog bezweringen uit toen de bevalling al inzette en hield die zo tegen.
Ik worstel voort en verdwaasd maak ik Juppiter zinloze verwijten,
wil dood, mijn klachten zouden zelfs hard gesteente ontroeren.
De vrouwen van Thebe staan mij bij, doen geloften en
troosten mij in mijn lijden.
una ministrarum, media de plebe, Galanthis,
flava comas, aderat, faciendis strenua iussis,
officiis dilecta suis. ea sensit iniqua
nescio quid Iunone geri, dumque exit et intrat
saepe fores, divam residentem vidit in ara




310
Een van mijn dienaressen, Galanthis, was er bij
een meisje met blond haar uit het volk, goed in haar taken
en mij dierbaar door haar trouw. Zij, uit balans, voelde aan
dat Juno iets in haar schilde voerde en bij het steeds in en uit lopen
merkte ze dat een godin op het altaar zat
bracchiaque in genibus digitis conexa tenentem,
et "quaecumque es," ait "dominae gratare. levata est
Argolis Alcmene, potiturque puerpera voto."
exsiluit, iunctasque manus pavefacta remisit
diva potens uteri: vinclis levor ipsa remissis.




315
met haar armen op haar knieën en haar vingers tegen elkaar en
zei: 'Wie gij ook zijt, verheug u om mijn meesteres, zij is bevallen!
Alcmene's kinderwens is nu vervuld'.
De geboortegodin sprong op en liet van schrik haar handen open:
ik voelde me bevrijd van boeien en baarde.
numine decepto risisse Galanthida fama est.
ridentem prensamque ipsis dea saeva capillis
traxit, et e terra corpus relevare volentem
arcuit, inque pedes mutavit bracchia primos.
strenuitas antiqua manet; nec terga colorem




320
Het gerucht gaat dat Galanthis in de lach schoot om de beteuterde godin,
maar dat de godin, woest om dat lachen, haar bij haar haren greep
en meesleurde en het meisje, toen ze weer van de grond op wilde staan,
tegen hield en dat zij haar armen in voorpootjes heeft veranderd.
Haar vroegere rapheid bleef en ook heeft haar rug zijn kleur
amisere suum: forma est diversa priori.
quae quia mendaci parientem iuverat ore,
ore parit nostrasque domos, ut et ante, frequentat.'


niet verloren: alleen haar vorm is die van een wezel.
Omdat zij met een leugen bij het baren geholpen had
baart zij via haar bek en gaat vaak ons huis in, zoals voorheen.


Terug naar inhoudsopgave Metamorfosen

Terug naar Home