Inhoud van Metamorfosen boek 4

De Minyeiden contra Bacchus.[Met.XI,1 - 35]

At non Alcithoe Minyeias orgia censet
accipienda dei, sed adhuc temeraria Bacchum
progeniem negat esse Iovis sociasque sorores
inpietatis habet. festum celebrare sacerdos
inmunesque operum famulas dominasque suorum




5
Maar Minyas' dochter Alcithoe is van oordeel dat die feestroes om een god
niet te dulden is, nee vooralsnog is ze zo overmoedig te ontkennen dat
Bacchus een zoon is van Juppiter en ze heeft haar zusters als medestanders
in deze blasfemie. De priester had opgeroepen het Bacchusfeest te vieren:
dienaressen en hun meesteressen moesten, vrijgesteld van werk,
pectora pelle tegi, crinales solvere vittas,
serta coma, manibus frondentis sumere thyrsos
iusserat et saevam laesi fore numinis iram
vaticinatus erat: parent matresque nurusque
telasque calathosque infectaque pensa reponunt




10
zich in dierenhuiden hullen, hun haarbanden losmaken,
hun haar bekransen, in hun handen de loofrijke Thyrsusstaf nemen,
en hij had voorspeld dat de woede van de god bij schending
enorm zou zijn: moeders en dochters gaven hieraan gehoor
lieten weefgetouw en wolmand staan en lieten hun taken onvoltooid
turaque dant Bacchumque vocant Bromiumque Lyaeumque
ignigenamque satumque iterum solumque bimatrem;
additur his Nyseus indetonsusque Thyoneus
et cum Lenaeo genialis consitor uvae
Nycteliusque Eleleusque parens et Iacchus et Euhan,




15
offerden wierook en riepen 'Bacchus', 'Bromius' en 'Lyaeus',
'in Vuur verwekte', 'Tweemaal geborene' en 'enige Dubbelmoeder-zoon';
daar kwam nog 'Nyseus' bij en 'Ongeschoren Thyoneus',
en samen met Lenaeus 'Planter van feestelijke wijn',
'Nachtgod', 'Vader Eleleus', 'Iacchus' en 'Euhan'
et quae praeterea per Graias plurima gentes
nomina, Liber, habes. tibi enim inconsumpta iuventa est,
tu puer aeternus, tu formosissimus alto
conspiceris caelo; tibi, cum sine cornibus adstas,
virgineum caput est; Oriens tibi victus, adusque




20
en wat u verder nog aan talrijke namen bij de Grieken hebt, 'Liber'.
Uw jeugd gaat immers nooit voorbij,
u, eeuwig knaap, zult aan de hoge hemel als allermooiste schijnen;
wanneer gij zonder hoorns verschijnt
hebt gij een hoofd als van een meisje; de Oost is door u overwonnen
decolor extremo qua tinguitur India Gange.
Penthea tu, venerande, bipenniferumque Lycurgum
sacrilegos mactas, Tyrrhenaque mittis in aequor
corpora, tu biiugum pictis insignia frenis
colla premis lyncum. bacchae satyrique sequuntur,




25
tot waar het donkere India bevochtigd door de Ganges wordt.
Gij, vererenswaardige, slachtte Pentheus en Lycurgus met zijn bijl
om hun heiligschennis en Tyrrheense schippers begroef gij in zee;
een tweespan van lynxen bestuurt gij met versierde teugels
aan hun prachtige nekken. Bacchanten en satyrs vormen uw gevolg
quique senex ferula titubantis ebrius artus
sustinet et pando non fortiter haeret asello.
quacumque ingrederis, clamor iuvenalis et una
femineae voces inpulsaque tympana palmis
concavaque aera sonant longoque foramine buxus.




30
en de oude dronkaard Silenus steunt met een stok zijn wankele benen
en klemt zich onzeker vast aan een doorgezakte ezel.
Waar gij ook gaat klinkt het geschreeuw van de jeugd samen met
vrouwenkreten, getrommel op tympanen en
holle bronzen bekkens en de lange buxusfluit.
'Placatus mitisque' rogant Ismenides 'adsis,'
iussaque sacra colunt; solae Minyeides intus
intempestiva turbantes festa Minerva
aut ducunt lanas aut stamina pollice versant
aut haerent telae famulasque laboribus urguent.




35
Ook in Thebe roepen de Ismeniden:'Wees ons gunstig en genadig',
en volbrengen de opgedragen offers; alleen de dochters van Minyas
verstoren het festival binnenshuis met ongepaste vrouwenijver
en kaarden de wol of draaien de weversspoel, zitten aan het
weefgetouw en overstelpen hun dienaressen met opdrachten.
naar begin

Ze gaan elkaar verhalen vertellen: Pyramus en Thisbe [Met.IV,36 - 166]

e quibus una levi deducens pollice filum
'dum cessant aliae commentaque sacra frequentant,
nos quoque, quas Pallas, melior dea, detinet' inquit,
'utile opus manuum vario sermone levemus
perque vices aliquid, quod tempora longa videri




40
- Eén van hen nam het woord terwijl ze met haar vinger de draad geleidde:
'Nu de anderen hun plicht verzaken en die vreemde godsdienst belijden,
laten wij, die Pallas, een betere godin, in beslag neemt
het nuttig werk van onze handen ook verlichten met allerlei verhalen
en om beurten voor elkaar iets ten gehore brengen en
non sinat, in medium vacuas referamus ad aures!'
dicta probant primamque iubent narrare sorores.
illa, quid e multis referat (nam plurima norat),
cogitat et dubia est, de te, Babylonia, narret,
Derceti, quam versa squamis velantibus artus




45
iets vertellen dat de tijd kan korten!'
De zussen vallen haar bij en vragen haar als eerste te vertellen.
Zij denkt na welke ze van de vele verhalen (want ze kent er heel veel) op zal
dissen en vraagt zich af of ze het verhaal over jou, Babylonische Dercetis,
zal kiezen, over wie de Palestijnen geloven dat je in een andere gedaante,
stagna Palaestini credunt motasse figura,
an magis, ut sumptis illius filia pennis
extremos albis in turribus egerit annos,
nais an ut cantu nimiumque potentibus herbis
verterit in tacitos iuvenalia corpora pisces,




50
met schubben aan je lijf het water om hebt gewoeld;
of liever misschien hoe haar dochter Semiramis
haar laatste jaren in een witte duiventil doorbracht
na veren te hebben gekregen of hoe een najade met toverspreuk
en sterke toverdrank jonge kerels veranderde in stille vissen
donec idem passa est, an, quae poma alba ferebat
ut nunc nigra ferat contactu sanguinis arbor:
hoc placet; hanc, quoniam vulgaris fabula non est,
talibus orsa modis lana sua fila sequente:
'Pyramus et Thisbe, iuvenum pulcherrimus alter,




55
totdat zij zelf hetzelfde onderging, of hoe de boom die witte vruchten placht
te dragen nu zwarte voortbrengt door de aanraking met bloed:
ja, dit kiest ze: dit verhaal (omdat het geen doorsnee vertelling is)
is zij als volgt begonnen terwijl de wol haar draad vervolgt:
- 'Pyramus en Thisbe, hij de mooiste jongen,
altera, quas Oriens habuit, praelata puellis,
contiguas tenuere domos, ubi dicitur altam
coctilibus muris cinxisse Semiramis urbem.
notitiam primosque gradus vicinia fecit,
tempore crevit amor; taedae quoque iure coissent,




60
zij het juweel onder de meisjes die het Oosten heeft gekend,
woonden in buurhuizen waar - naar men zegt - Semiramis
de hoge stad met bakstenen muren omringd heeft.
Die nabuurschap zorgde voor onderlinge bekendheid en kameraadschap, allengs
groeide genegenheid en ook zouden zij tot een huwelijkgelofte gekomen zijn,
sed vetuere patres: quod non potuere vetare,
ex aequo captis ardebant mentibus ambo.
conscius omnis abest; nutu signisque loquuntur,
quoque magis tegitur, tectus magis aestuat ignis.
fissus erat tenui rima, quam duxerat olim,




65
maar dat verboden hun ouders. Wat zij niet konden verbieden:
beiden stonden voor elkaar in vuur en vlam.
Niemand wist ervan, zij praatten door knikjes en tekens, maar
hoe meer verborgen, des te meer nam die verborgen passie nog toe.
- Door een smalle spleet, ooit ontstaan bij de bouw, kierde
cum fieret, paries domui communis utrique.
id vitium nulli per saecula longa notatum++
quid non sentit amor?++primi vidistis amantes
et vocis fecistis iter, tutaeque per illud
murmure blanditiae minimo transire solebant.




70
de scheidsmuur van hun beider huis.
Dit gebrek, door niemand eeuwenlang ooit bemerkt,
- wat merkt liefde al niet? - zagen de geliefden het eerst
en maakten er een stemverbinding van: veilig ging
daardoorheen hun flirtend gebabbel op zachte fluistertoon.
saepe, ubi constiterant hinc Thisbe, Pyramus illinc,
inque vices fuerat captatus anhelitus oris,
"invide" dicebant "paries, quid amantibus obstas?
quantum erat, ut sineres toto nos corpore iungi
aut, hoc si nimium est, vel ad oscula danda pateres?




75
- Vaak, als aan deze kant Thisbe stond en Pyramus aan de andere
en zij om beurten hun zuchten op hadden gevangen,
zeiden ze: 'Hatelijke muur, wat sta je ons geliefden in de weg!
Hoe geweldig, als je ons lijfelijk bij elkaar komen liet
of als dat te veel is: je verwijden om kussen uit te wisselen;
nec sumus ingrati: tibi nos debere fatemur,
quod datus est verbis ad amicas transitus auris."
talia diversa nequiquam sede locuti
sub noctem dixere "vale" partique dedere
oscula quisque suae non pervenientia contra.




80
maar onze dank blijft: we erkennen aan jou te danken dat je
woorden tenminste deze doorgang naar oren van liefde vergunt'.
Na dergelijke woorden, uitzichtloos op gescheiden posities,
zeiden zij bij schemer 'welterusten' en drukten
ieder op zijn kant, hun doodlopende kussen.
postera nocturnos Aurora removerat ignes,
solque pruinosas radiis siccaverat herbas:
ad solitum coiere locum. tum murmure parvo
multa prius questi statuunt, ut nocte silenti
fallere custodes foribusque excedere temptent,




85
- Toen een volgende Dageraad het nachtelijk gesternte verjaagd
en de zon met zijn stralen het bedauwde gras gedroogd had:
kwamen zij naar hun gebruikelijke plek: daar lamenteerden zij eerst
op gedempte toon maar spraken toen af om in het holst van de nacht
hun gijzelaars te misleiden en te pogen de deur uit te komen
cumque domo exierint, urbis quoque tecta relinquant,
neve sit errandum lato spatiantibus arvo,
conveniant ad busta Nini lateantque sub umbra
arboris: arbor ibi niveis uberrima pomis,
ardua morus, erat, gelido contermina fonti.




90
en, als zij van huis weg waren en ook de stadsmuur achter zich hadden,
ter voorkoming van dwalen op de uitgestrekte velden, samen te komen
bij Ninus' graf en zich te verbergen onder de hoede
van een boom: er stond daar een boom, beladen met sneeuwwitte
vruchten, een hoge moerbei vlak naast een koele bron.
pacta placent; et lux, tarde discedere visa,
praecipitatur aquis, et aquis nox exit ab isdem.
'Callida per tenebras versato cardine Thisbe
egreditur fallitque suos adopertaque vultum
pervenit ad tumulum dictaque sub arbore sedit.




95
Zo spreken zij af; en het licht, hoe traag het ook lijkt te wijken,
zakt weg in het water en uit datzelfde water komt de nacht op.
- Thisbe laat omzichtig de deurspil draaien in het duister en
stapt naar buiten, de haren misleidt ze en met gesluierd gezicht
komt zij aan bij het graf en zet zich neer onder de afgesproken boom.
audacem faciebat amor. venit ecce recenti
caede leaena boum spumantis oblita rictus
depositura sitim vicini fontis in unda;
quam procul ad lunae radios Babylonia Thisbe
vidit et obscurum timido pede fugit in antrum,




100
Onvervaard maakt haar de liefde; maar zie, een leeuwin,
haar druipende muil besmeurd met vers runderbloed,
komt haar dorst stillen aan het water van de bron.
Haar ziet van ver in de maneschijn de Babylonische Thisbe,
vlucht met sidderende voeten een donkere grot in
dumque fugit, tergo velamina lapsa reliquit.
ut lea saeva sitim multa conpescuit unda,
dum redit in silvas, inventos forte sine ipsa
ore cruentato tenues laniavit amictus.
serius egressus vestigia vidit in alto




105
en verliest bij haar vlucht de sluier die van haar schouder glijdt.
Wanneer de wilde leeuwin met veel water haar dorst heeft gelest,
treft zij bij haar terugtocht naar het bos het tere weefsel aan
zonder inhoud en bezoedelt het met haar bebloede bek.
- Pyramus, later vertrokken, ziet de zekere sporen in het diepe stof
pulvere certa ferae totoque expalluit ore
Pyramus; ut vero vestem quoque sanguine tinctam
repperit, "una duos" inquit "nox perdet amantes,
e quibus illa fuit longa dignissima vita;
nostra nocens anima est. ego te, miseranda, peremi,




110
van het beest en verbleekt over heel zijn gezicht;
zodra hij echter ook nog het kledingstuk door bloed gekleurd
vindt, verzucht hij: 'Laat één nacht dan twee geliefden opeisen,
van wie zij toch het meest het leven verdiende; maar onze
drift is schadelijk: ik ben het die jou, betreurde, ombracht,
in loca plena metus qui iussi nocte venires
nec prior huc veni. nostrum divellite corpus
et scelerata fero consumite viscera morsu,
o quicumque sub hac habitatis rupe leones!
sed timidi est optare necem." velamina Thisbes




115
door je te bij nacht te ontbieden naar een gevaarlijke plek
zonder hier als eerste te komen; ach, verscheur ons lichaam
en verslind met je woeste muil mijn ingewanden
welke leeuw maar onder deze rots woont!
Maar het is van de lafaard om moord te wensen'. De sluier van
tollit et ad pactae secum fert arboris umbram,
utque dedit notae lacrimas, dedit oscula vesti,
"accipe nunc" inquit "nostri quoque sanguinis haustus!"
quoque erat accinctus, demisit in ilia ferrum,
nec mora, ferventi moriens e vulnere traxit.




120
Thisbe pakt hij op en neemt die mee naar de schaduw van de boom
en, na een tranenstroom, na een omhelzing van het kledingstuk,
zegt hij: 'Zuig nu ook onze bloedstroom op!'
en plant de dolk die hem terzijde hing, in zijn ingewand,
en trekt hem stervend direct weer uit de borrelende wonde.
ut iacuit resupinus humo, cruor emicat alte,
non aliter quam cum vitiato fistula plumbo
scinditur et tenui stridente foramine longas
eiaculatur aquas atque ictibus aera rumpit.
arborei fetus adspergine caedis in atram




125
Met, dat hij achterover valt op de grond, spuit het bloed hoog op,
niet anders dan wanneer een leiding met lekgestoten lood
openrijt en door een kleine sissende opening zijn water loost
en daarmee de lucht met stoten doorklieft.
De vruchten van de boom veranderen door de besproeiing met bloed
vertuntur faciem, madefactaque sanguine radix
purpureo tinguit pendentia mora colore.
'Ecce metu nondum posito, ne fallat amantem,
illa redit iuvenemque oculis animoque requirit,
quantaque vitarit narrare pericula gestit;




130
hun uiterlijk tot een donkere tint en de wortel, bloeddoordrenkt,
kleurt de bungelende moerbeien met purperen kleur.
- 'Maar dan komt, haar angst nog niet kwijt, het meisje terug om haar
geliefde niet mis te lopen, en gaat met verlangende ogen op zoek
naar de jongen, hunkerend te vertellen hoe groot gevaar zij ontsnapt is
utque locum et visa cognoscit in arbore formam,
sic facit incertam pomi color: haeret, an haec sit.
dum dubitat, tremebunda videt pulsare cruentum
membra solum, retroque pedem tulit, oraque buxo
pallidiora gerens exhorruit aequoris instar,




135
en hoewel zij plaats en vorm van de boom op het zicht wel herkent, toch
maakt de kleur van de vrucht haar onzeker: zij twijfelt of dit hem wel is.
Terwijl zij nog aarzelt ziet zij stuiptrekkende leden tegen de bebloede
grond slaan, stapt terug en met een gezicht, bleker nog dan palmhout,
huivert zij net als het wateroppervlak dat rimpelt
quod tremit, exigua cum summum stringitur aura.
sed postquam remorata suos cognovit amores,
percutit indignos claro plangore lacertos
et laniata comas amplexaque corpus amatum
vulnera supplevit lacrimis fletumque cruori




140
als haar oppervlak beroerd wordt door een zacht briesje.
Maar wanneer zij haar aarzeling heeft overwonnen en haar lief heeft
herkend, geselt zij met duidelijke slagen haar onwaardige armen,
rukt aan haar haren en omhelst het beminde lichaam, de wonden
overstelpt zij met tranen en mengt zo haar geween met het bloedbad
miscuit et gelidis in vultibus oscula figens
"Pyrame," clamavit, "quis te mihi casus ademit?
Pyrame, responde! tua te carissima Thisbe
nominat; exaudi vultusque attolle iacentes!"
ad nomen Thisbes oculos a morte gravatos




145
en terwijl ze haar kussen drukt op het koude gezicht jammert zij:
'Pyramus, welk lot heeft jou ontrukt aan mij?
Pyramus, geef antwoord! Jouw liefste Thisbe
roept je; luister en open je geloken ogen!’
Op de naam 'Thisbe' slaat Pyramus zijn ogen, zwaar van dood, op
Pyramus erexit visaque recondidit illa.
- 'Quae postquam vestemque suam cognovit et ense
vidit ebur vacuum, "tua te manus" inquit "amorque
perdidit, infelix! est et mihi fortis in unum
hoc manus, est et amor: dabit hic in vulnera vires.




150
en als hij haar heeft gezien, sluit hij ze weer.
- 'Wanneer zij haar sluier herkend heeft en de schede ziet
zonder het zwaard, roept zij uit: Jouw eigen hand en jouw liefde
heeft je gedood, ongelukkige! Ook ik heb een hand die dit aandurft
ook ik heb die liefde: die zal mij kracht geven om te verwonden.
persequar extinctum letique miserrima dicar
causa comesque tui: quique a me morte revelli
heu sola poteras, poteris nec morte revelli.
hoc tamen amborum verbis estote rogati,
o multum miseri meus illiusque parentes,




155
Tot in de dood volg ik je en allertreurigste oorzaak én deelgenoot
van je dood ga ik heten: jij, die van mij slechts door de dood kon
worden ontrukt, zal zelfs door de dood niet ontrukt worden.
Dit echter moet namens ons beiden worden gevraagd,
rampzalige ouders van mij en van hem:
ut, quos certus amor, quos hora novissima iunxit,
conponi tumulo non invideatis eodem;
at tu quae ramis arbor miserabile corpus
nunc tegis unius, mox es tectura duorum,
signa tene caedis pullosque et luctibus aptos




160
dat jullie ons, die een duidelijke liefde, die het stervensuur
heeft verbonden, niet misgunt in hetzelfde graf begraven te worden;
maar jij, boom, die met je takken nu nog het deerniswekkende lichaam
van één toedekt, maar dat spoedig van twee zult doen:
behoud de tekens van dit bloedbad en draag altijd donkere en
semper habe fetus, gemini monimenta cruoris."
dixit et aptato pectus mucrone sub imum
incubuit ferro, quod adhuc a caede tepebat.
vota tamen tetigere deos, tetigere parentes;
nam color in pomo est, ubi permaturuit, ater,
quodque rogis superest, una requiescit in urna.'





166
rouwkleurige vruchten als gedachtenis aan ons beider bloed'.
- Na deze woorden hield zij de dolk onder tegen haar borst
en stortte zich op het wapen dat nog lauw was van de moord.
Maar haar wensen gingen de goden ter harte, en ook de ouders:
want de kleur van de vrucht is als hij rijpt donker
en wat nog rest van de crematie rust nu in een enkele urn.


John W.Waterhouse, Thisbe

naar begin

De zon, Mars en Venus, Leucothoë, Clytië [Met.IV,167 - 270]

- Desierat: mediumque fuit breve tempus, et orsa est
dicere Leuconoe: vocem tenuere sorores.
'hunc quoque, siderea qui temperat omnia luce,
cepit amor Solem: Solis referemus amores.



170
- Ze zweeg: korte tijd was het stil maar dan begon Leuconoe
te vertellen: haar zussen hielden hun mond.
'Hem ook, de Zon die alle sterren met zijn licht tempert,
heeft de liefde overweldigd: laat ik over de liefdes van de zon vertellen.
primus adulterium Veneris cum Marte putatur
hic vidisse deus; videt hic deus omnia primus.
indoluit facto Iunonigenaeque marito
furta tori furtique locum monstravit, at illi
et mens et quod opus fabrilis dextra tenebat




175
Als eerste, meent men, heeft deze god het overspel van Venus met Mars
gezien; deze god ziet alles het eerst.
Hij was verontwaardigd over deze daad en verried aan haar echtgenoot,
Vulcanus, de zoon van Juno, de stiekeme bedpret en de plaats van het bedrog:
hij verloor zijn controle en tevens wat zijn ambachtshand vasthad
excidit: extemplo graciles ex aere catenas
retiaque et laqueos, quae lumina fallere possent,
elimat. non illud opus tenuissima vincant
stamina, non summo quae pendet aranea tigno;
utque levis tactus momentaque parva sequantur,




180
terstond smeedt hij fijne ketenen van brons en een net
en lussen die voor de ogen verborgen kunnen blijven.
Dat werk zouden de fijnste draden noch de spinraggen zoals die
van een nokbalk hangen, kunnen overtreffen; en hij zorgt ervoor
dat de lichtste aanraking en een kleine verstoring effect sorteren en
efficit et lecto circumdata collocat arte.
ut venere torum coniunx et adulter in unum,
arte viri vinclisque nova ratione paratis
in mediis ambo deprensi amplexibus haerent.
Lemnius extemplo valvas patefecit eburnas




185
hij omgeeft het bed met zijn kunstwerk.
Zodra zijn vrouw en haar minnaar op het bed zijn samengekomen,
worden zij door de list van haar man en de boeien, gemaakt met ongehoord
vernuft, allebei betrapt midden in hun omhelzing en vastgelegd.
De Lemniër gooit daarna de ivoren vleugeldeuren open
inmisitque deos; illi iacuere ligati
turpiter, atque aliquis de dis non tristibus optat
sic fieri turpis; superi risere, diuque
haec fuit in toto notissima fabula caelo.
'Exigit indicii memorem Cythereia poenam




190
en noodt de goden binnen: zij lagen geboeid in schaamte ten toon
en menigeen van de niet sombere goden wenste
zo schaamteloos nog eens te worden; maar de goden barstten in lachen uit
en lang nog bleef dit verhaal het populairst in heel de hemel.
- Venus neemt wraak op de verrader die hem heugt
inque vices illum, tectos qui laesit amores,
laedit amore pari. quid nunc, Hyperione nate,
forma colorque tibi radiataque lumina prosunt?
nempe, tuis omnes qui terras ignibus uris,
ureris igne novo; quique omnia cernere debes,




195
en kwetst hem die de heimelijke geliefden gekwetst heeft
met een vergelijkbaar liefdesavontuur. Wat, zoon van Hyperion,
baten je nu schoonheid, kleur en stralingslicht?
Want jij, die alle aardstreken verzengt met je vuur,
zult nu zelf branden door een ongehoord vuur; en jij die alles
Leucothoën spectas et virgine figis in una,
quos mundo debes, oculos. modo surgis Eoo
temperius caelo, modo serius incidis undis,
spectandique mora brumalis porrigis horas;
deficis interdum, vitiumque in lumina mentis




200
moet zien, aanschouwt Leucothoë en laat je ogen, bestemd voor
een hele wereld steken op dit ene meisje. De ene keer wek je de Dageraad
te vroeg aan de hemel, de andere keer zink je te laat in de golven
en bij je dralen om haar te zien verleng je de uren van de winter;
soms verduister je want je afwezigheid van geest slaat over naar
transit et obscurus mortalia pectora terres.
nec tibi quod lunae terris propioris imago
obstiterit, palles: facit hunc amor iste colorem.
diligis hanc unam, nec te Clymeneque Rhodosque
nec tenet Aeaeae genetrix pulcherrima Circes




205
je licht en je verduistering jaagt de stervelingen schrik aan.
En niet verbleek je omdat de schijf van de maan door zijn stand dichterbij
in de weg staat: die liefde is het die deze kleur voortbrengt.
Je hebt maar voor één vrouw oog: niet Clymene, Phaëthons moeder,
niet de nimf van Rhodos of de schitterende moeder van Circe van Aeaeae
quaeque tuos Clytië quamvis despecta petebat
concubitus ipsoque illo grave vulnus habebat
tempore: Leucothoë multarum oblivia fecit,
gentis odoriferae quam formosissima partu
edidit Eurynome; sed postquam filia crevit,




210
houdt je in haar ban, noch Clytië die, hoewel afgewezen,
smacht naar je bed en ook nu nog die wond koestert:
hen allen drukt Leucothoë in de vergetelheid, die de prachtige
Eurynome als moeder had bij het geurbrengende volk;
maar toen haar dochter was opgegroeid overtrof die
quam mater cunctas, tam matrem filia vicit.
rexit Achaemenias urbes pater Orchamus isque
septimus a prisco numeratur origine Belo.
'Axe sub Hesperio sunt pascua Solis equorum:
ambrosiam pro gramine habent; ea fessa diurnis




215
haar moeder zoals die moeder alle anderen.
Haar vader Orchamus was koning over de Achaemenische steden
en wel als zevende opvolger van de stichter Belus.
- Onder de westelijke luchten liggen de velden van de Zonnepaarden:
zij hebben ambrozijn in plaats van gras; dat voedt hun ledematen,
membra ministeriis nutrit reparatque labori.
dumque ibi quadrupedes caelestia pabula carpunt
noxque vicem peragit, thalamos deus intrat amatos,
versus in Eurynomes faciem genetricis, et inter
bis sex Leucothoën famulas ad lumina cernit




220
afgemat door hun dagelijkse dienst en maakt ze weer klaar voor hun werk.
Terwijl daar zijn viervoeters hun hemelse voer grazen
en de nacht zijn ploegendienst vervult, komt de god de begeerde
kamer binnen in de gedaante van moeder Eurynome en onderscheidt
tussen twee maal zes dienaressen bij lamplicht Leucothoë
levia versato ducentem stamina fuso.
ergo ubi ceu mater carae dedit oscula natae,
"res" ait "arcana est: famulae, discedite neve
eripite arbitrium matri secreta loquendi."
paruerant, thalamoque deus sine teste relicto




225
die fijne draden op haar spoel windt.
Dus kust hij haar, als een moeder haar dierbare dochter, en zegt:
'Dit is een vertrouwelijke zaak, dienaressen, dus weg hier
en beroof een moeder niet van de gelegenheid geheimen te bespreken'.
Zij gehoorzamen en als de kamer zonder getuige is gelaten, zegt de god
"ille ego sum" dixit, "qui longum metior annum,
omnia qui video, per quem videt omnia tellus,
mundi oculus: mihi, crede, places." pavet illa, metuque
et colus et fusus digitis cecidere remissis.
ipse timor decuit. nec longius ille moratus




230
'Ik ben degene die het lange jaar bepaalt en die alles ziet en
door wie de aarde alles ziet, het oog van de wereld:
geloof me, je bent me lief'. Zij schrikt en van angst
ontglippen spinrokken en spoel haar verlamde vingers.
Maar de angst flatteert haar en hij keert zonder dralen
in veram rediit speciem solitumque nitorem;
at virgo quamvis inopino territa visu
victa nitore dei posita vim passa querella est.
'Invidit Clytië (neque enim moderatus in illa
Solis amor fuerat) stimulataque paelicis ira




235
terug naar zijn ware gedaante met zijn gewone glans;
en ofschoon het meisje verschrikt was door zijn onverwachte verschijning
geeft zij zich, ingepalmd door de schittering van de god, zonder klacht over.
- Clytië is jaloers (haar verlangen naar Sol was namelijk grenzeloos)
en uit woede om deze minnares hangt zij de verhouding aan de grote klok
vulgat adulterium diffamatamque parenti
indicat. ille ferox inmansuetusque precantem
tendentemque manus ad lumina Solis et "ille
vim tulit invitae" dicentem defodit alta
crudus humo tumulumque super gravis addit harenae.




240
en verraadt de door haar gehate aan haar vader.
Die, woest en genadeloos, begraaft haar botweg diep onderde aarde
terwijl ze haar handen nog smekend opheft naar het Zonlicht en prevelt:
'Hij daar heeft mij aangerand tegen mijn wil'
en dan werpt hij daarop nog een zware grafheuvel van zand.
dissipat hunc radiis Hyperione natus iterque
dat tibi, qua possis defossos promere vultus;
nec tu iam poteras enectum pondere terrae
tollere, nympha, caput corpusque exsangue iacebas:
nil illo fertur volucrum moderator equorum




245
Met zijn stralen slechtte Hyperions zoon deze heuvel en gaf je, nimf,
een mogelijkheid om zo je begraven gezicht weer tevoorschijn te brengen;
maar jij was niet meer in staat je hoofd, bezwaard door het gewicht
van de aarde, op te heffen en je bleef daar, een bloedeloos lichaam, liggen:
men zegt dat de menner van de gevleugelde paarden niets smartelijker
post Phaethonteos vidisse dolentius ignes.
ille quidem gelidos radiorum viribus artus
si queat in vivum temptat revocare calorem;
sed quoniam tantis fatum conatibus obstat,
nectare odorato sparsit corpusque locumque




250
dan dat heeft gezien sedert het vuur van Phaëthon.
Hij probeerde nog wel of hij met de kracht van zijn stralen
de koude ledematen tot de warmte van het leven kon terugbrengen,
maar aangezien het lot nu eenmaal dit soort pogingen in de weg staat,
moest hij volstaan met lichaam en plek te besprenkelen met geurende nectar
multaque praequestus "tanges tamen aethera" dixit.
protinus inbutum caelesti nectare corpus
delicuit terramque suo madefecit odore,
virgaque per glaebas sensim radicibus actis
turea surrexit tumulumque cacumine rupit.




255
en heeft na ampel geweeklaag verzucht: 'toch zul je de hemellucht bereiken'.
Direct vervloog haar lichaam, doordrenkt van hemelse nectar en met haar geur
doordesemde ze de aarde, en de wierookplant rees op toen zijn wortels
zich allengs door de aardkluiten een weg hadden gezocht
en brak met zijn top door de grafheuvel heen.
'At Clytiën, quamvis amor excusare dolorem
indiciumque dolor poterat, non amplius auctor
lucis adit Venerisque modum sibi fecit in illa.
tabuit ex illo dementer amoribus usa;
nympharum inpatiens et sub Iove nocte dieque




260
- Wat Clytië betreft: ofschoon haar verlangen haar smart kon verklaren
en haar smart het verraad: haar heeft de lichtschepper niet meer opgezocht
en zijn liefde jegens haar beperking opgelegd.
Sedertdien is zij weggekwijnd, verdwaasd door haar verlangens;
zij duldde niet meer het gezelschap van de nimfen en, dag en nacht
sedit humo nuda nudis incompta capillis,
perque novem luces expers undaeque cibique
rore mero lacrimisque suis ieiunia pavit
nec se movit humo; tantum spectabat euntis
ora dei vultusque suos flectebat ad illum.




265
zat zij naakt op de grond met onverzorgde haren en,
gedurende negen dagen zonder water en eten
stilde zij haar honger met slechts dauw en eigen tranen
en kwam niet van haar plaats; ze keek slechts op naar het gezicht
van de voortschrijdende god en en boog haar eigen gezicht naar het zijne.
membra ferunt haesisse solo, partemque coloris
luridus exsangues pallor convertit in herbas;
est in parte rubor violaeque simillimus ora
flos tegit. illa suum, quamvis radice tenetur,
vertitur ad Solem mutataque servat amorem.'




270
Haar ledematen zijn, zo zegt men, met de grond vergroeid en
deels is haar smartelijke bleekte vergaan tot bloedeloos kruid;
maar een gedeelte houdt haar rode kleur en een bloem het meest gelijkend op
een violier omhult haar gezicht. Hoewel zij met haar wortel in de grond vastzit
wendt zij zich steeds naar de Zon en koestert zo in andere gedaante haar begeerte.'
dixerat, et factum mirabile ceperat auris;
pars fieri potuisse negant, pars omnia veros
posse deos memorant: sed non est Bacchus in illis.


- Aldus het verhaal van haar. Het wonderlijk gebeuren lag nog op hun oren;
deels zeiden ze dat zoiets niet gebeuren kon, deels verzekerden ze met klem
dat goden alles kunnen: maar daar hoort Bacchus niet bij.

naar begin

Terug naar inhoudsopgave Metamorfosen

Terug naar Home


25/7/'17