Ὁμήρου Ἰλιὰς Θ

8,1 - 77: Zeus en de oorlog.

Ἠὼς μὲν κροκόπεπλος ἐκίδνατο πᾶσαν ἐπ᾽ αἶαν,
Ζεὺς δὲ θεῶν ἀγορὴν ποιήσατο τερπικέραυνος
ἀκροτάτῃ κορυφῇ πολυδειράδος Οὐλύμποιο·
αὐτὸς δέ σφ᾽ ἀγόρευε, θεοὶ δ᾽ ὑπὸ πάντες ἄκουον·
κέκλυτέ μευ πάντές τε θεοὶ πᾶσαί τε θέαιναι,




5
- De Dageraad in saffraankleurig kleed verspreidde zich over heel de aarde,
toen Zeus, de bliksembeheerder, een bijeenkomst van de goden belegde
op de hoogste top van de Olympos met zijn talrijke ruggen.
Zelf voerde hij het woord, alle goden hoorden hem aan:
'Luister naar mij, alle goden en alle godinnen,
ὄφρ᾽ εἴπω τά με θυμὸς ἐνὶ στήθεσσι κελεύει.
μήτέ τις οὖν θήλεια θεὸς τό γε μήτέ τις ἄρσην
πειράτω διακέρσαι ἐμὸν ἔπος, ἀλλ᾽ ἅμα πάντες
αἰνεῖτ᾽, ὄφρα τάχιστα τελευτήσω τάδε ἔργα.
ὃν δ᾽ ἂν ἐγὼν ἀπάνευθε θεῶν ἐθέλοντα νοήσω




10
zolang ik zeg wat mij op het hart ligt.
Laat geen enkele godin en geen enkele god proberen
mijn verbod te ontduiken, nee, stem er allemaal mee in,
opdat ik mijn plannen zo spoedig mogelijk ten uitvoer breng.
En wie ik buiten de anderen om, op eigen houtje, de Trojanen
ἐλθόντ᾽ ἢ Τρώεσσιν ἀρηγέμεν ἢ Δαναοῖσι
πληγεὶς οὐ κατὰ κόσμον ἐλεύσεται Οὔλυμπον δέ·
ἤ μιν ἑλὼν ῥίψω ἐς Τάρταρον ἠερόεντα
τῆλε μάλ᾽, ἧχι βάθιστον ὑπὸ χθονός ἐστι βέρεθρον,
ἔνθα σιδήρειαί τε πύλαι καὶ χάλκεος οὐδός,




15
of de Grieken te hulp zal zien komen, zal ongenadig getroffen
naar de Olympos zijn weg terug pogen te vinden!
Sterker nog: grijpen zal ik hem en diep in de schemerige Tartaros
slingeren, waar onderaards de afgrond het diepst is
met ijzeren poorten en een bronzen drempel,
τόσσον ἔνερθ᾽ Ἀΐδεω ὅσον οὐρανός ἐστ᾽ ἀπὸ γαίης·
γνώσετ᾽ ἔπειθ᾽ ὅσον εἰμὶ θεῶν κάρτιστος ἁπάντων.
εἰ δ᾽ ἄγε πειρήσασθε θεοὶ ἵνα εἴδετε πάντες·
σειρὴν χρυσείην ἐξ οὐρανόθεν κρεμάσαντες
πάντές τ᾽ ἐξάπτεσθε θεοὶ πᾶσαί τε θέαιναι·




20
zo ver onder de Hades als de hemel verwijderd is van de aarde.
Dan zullen jullie eens zien hoezeer ik de machtigste god ben!
Vooruit probeer het maar, opdat julle, alle goden, tot inzicht komt:
bind een gouden koord aan de hemel vast
en trek met alle goden en godinnen,
ἀλλ᾽ οὐκ ἂν ἐρύσαιτ᾽ ἐξ οὐρανόθεν πεδίον δὲ
Ζῆν᾽ ὕπατον μήστωρ᾽, οὐδ᾽ εἰ μάλα πολλὰ κάμοιτε.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ καὶ ἐγὼ πρόφρων ἐθέλοιμι ἐρύσσαι,
αὐτῇ κεν γαίῃ ἐρύσαιμ᾽ αὐτῇ τε θαλάσσῃ·
σειρὴν μέν κεν ἔπειτα περὶ ῥίον Οὐλύμποιο




25
dan zullen jullie toch niet vanuit de hemel naar de aarde trekken
Zeus, de hoogste heerser, hoezeer jullie je ook inspannen.
Wanneer ik daarentegen serieus zou willen trekken
dan zou ik jullie met aarde en zee tegelijk optrekken;
dan zou ik het koord om de top binden van de Olympos
δησαίμην, τὰ δέ κ᾽ αὖτε μετήορα πάντα γένοιτο.
τόσσον ἐγὼ περί τ᾽ εἰμὶ θεῶν περί τ᾽ εἴμ᾽ ἀνθρώπων.
ὣς ἔφαθ᾽, οἱ δ᾽ ἄρα πάντες ἀκὴν ἐγένοντο σιωπῇ
μῦθον ἀγασσάμενοι· μάλα γὰρ κρατερῶς ἀγόρευσεν.
ὀψὲ δὲ δὴ μετέειπε θεὰ γλαυκῶπις Ἀθήνη·




30
en alles zou komen te zweven!
Zozeer overtref ik de goden en overtref ik de mensen'.
Zo sprak hij en zij allen verstomden in stilzwijgen
in ontzag voor die uitspraak, want dreigend had hij gesproken.
Tenslotte sprak in hun midden Athene, godin met fonkelende ogen:
ὦ πάτερ ἡμέτερε Κρονίδη ὕπατε κρειόντων
εὖ νυ καὶ ἡμεῖς ἴδμεν ὅ τοι σθένος οὐκ ἐπιεικτόν·
ἀλλ᾽ ἔμπης Δαναῶν ὀλοφυρόμεθ᾽ αἰχμητάων,
οἵ κεν δὴ κακὸν οἶτον ἀναπλήσαντες ὄλωνται.
ἀλλ᾽ ἤτοι πολέμου μὲν ἀφεξόμεθ᾽ ὡς σὺ κελεύεις·




35
'Vader van ons, zoon van Kronos, hoogste heerser,
ook wij weten toch dat uw kracht onweerstaanbaar is;
maar toch zijn we bedroefd om de Griekse strijders,
die door een droevig lot zullen omkomen.
Toch zullen we ons afzijdig houden van de oorlog, zoals u beveelt,
βουλὴν δ᾽ Ἀργείοις ὑποθησόμεθ᾽ ἥ τις ὀνήσει,
ὡς μὴ πάντες ὄλωνται ὀδυσσαμένοιο τεοῖο.
τὴν δ᾽ ἐπιμειδήσας προσέφη νεφεληγερέτα Ζεύς·
θάρσει Τριτογένεια φίλον τέκος· οὔ νύ τι θυμῷ
πρόφρονι μυθέομαι, ἐθέλω δέ τοι ἤπιος εἶναι.




40
maar een nuttig advies zullen we geven aan de Grieken,
opdat zij niet allen omkomen door uw toorn'.
En met een glimlach sprak de wolkenverzamelaar Zeus tot haar:
Wees jij maar gerust, mijn dochter; ik heb het niet tegen jou,
voor jou wil ik vriendelijk blijven'.
ὣς εἰπὼν ὑπ᾽ ὄχεσφι τιτύσκετο χαλκόποδ᾽ ἵππω
ὠκυπέτα χρυσέῃσιν ἐθείρῃσιν κομόωντε,
χρυσὸν δ᾽ αὐτὸς ἔδυνε περὶ χροΐ, γέντο δ᾽ ἱμάσθλην
χρυσείην εὔτυκτον, ἑοῦ δ᾽ ἐπεβήσετο δίφρου,
μάστιξεν δ᾽ ἐλάαν· τὼ δ᾽ οὐκ ἀέκοντε πετέσθην




45
Met deze woorden spande hij onder de wagen twee bronshoevige
paarden met snelle vlucht en met wuivende manen van goud.
Zelf tooide hij zich met goud, greep de gouden zweep,
die vakkundig gemaakt was, en stapte op zijn wagen;
hij zweepte de paarden tot gaan: zij vlogen gewillig voort
μεσσηγὺς γαίης τε καὶ οὐρανοῦ ἀστερόεντος.
Ἴδην δ᾽ ἵκανεν πολυπίδακα μητέρα θηρῶν
Γάργαρον, ἔνθά τέ οἱ τέμενος βωμός τε θυήεις.
ἔνθ᾽ ἵππους ἔστησε πατὴρ ἀνδρῶν τε θεῶν τε
λύσας ἐξ ὀχέων, κατὰ δ᾽ ἠέρα πουλὺν ἔχευεν.




50
tussen de aarde en de sterrenrijke hemel.
Hij bereikte de Garganon, bronrijke top van de Ida, moeder van wild,
waar een heiligdom voor hem was met een brandaltaar.
Daar bracht de vader van mensen en goden zijn paarden tot staan,
maakte hen los van de wagen en goot een dichte nevel over hen uit.
αὐτὸς δ᾽ ἐν κορυφῇσι καθέζετο κύδεϊ γαίων
εἰσορόων Τρώων τε πόλιν καὶ νῆας Ἀχαιῶν.
οἳ δ᾽ ἄρα δεῖπνον ἕλοντο κάρη κομόωντες Ἀχαιοὶ
ῥίμφα κατὰ κλισίας, ἀπὸ δ᾽ αὐτοῦ θωρήσσοντο.
Τρῶες δ᾽ αὖθ᾽ ἑτέρωθεν ἀνὰ πτόλιν ὁπλίζοντο




55
Zelf zette hij zich neer op de top, stralend van luister,
en zag neer op de stad der Trojanen en de schepen der Grieken.
De langharige Grieken nu gebruikten snel de maaltijd
in de tenten, daarna wapenden zij zich.
Hunnerzijds wapenden de Trojanen zich in de stad,
παυρότεροι· μέμασαν δὲ καὶ ὧς ὑσμῖνι μάχεσθαι
χρειοῖ ἀναγκαίῃ, πρό τε παίδων καὶ πρὸ γυναικῶν.
πᾶσαι δ᾽ ὠΐγνυντο πύλαι, ἐκ δ᾽ ἔσσυτο λαός,
πεζοί θ᾽ ἱππῆές τε· πολὺς δ᾽ ὀρυμαγδὸς ὀρώρει.
οἳ δ᾽ ὅτε δή ῥ᾽ ἐς χῶρον ἕνα ξυνιόντες ἵκοντο




60
geringer in aantal, maar toch verlangden zij zich te meten in de strijd,
door noodzaak gedwongen: voor hun kinderen en vrouwen.
Alle poorten gingen open en het krijgsvolk stroomde naar buiten,
voetknechten en ruiters, luid steeg rumoer op.
Toen zij op elkaar op dezelfde plaats troffen,
σύν ῥ᾽ ἔβαλον ῥινούς, σὺν δ᾽ ἔγχεα καὶ μένε᾽ ἀνδρῶν
χαλκεοθωρήκων· ἀτὰρ ἀσπίδες ὀμφαλόεσσαι
ἔπληντ᾽ ἀλλήλῃσι, πολὺς δ᾽ ὀρυμαγδὸς ὀρώρει.
ἔνθα δ᾽ ἅμ᾽ οἰμωγή τε καὶ εὐχωλὴ πέλεν ἀνδρῶν
ὀλλύντων τε καὶ ὀλλυμένων, ῥέε δ᾽ αἵματι γαῖα.




65
stootten de schilden opeen en de lansen en de woedende krijgers
met bronzen harnas; de schilden met knop in het midden sloegen
tegen elkaar, luid steeg rumoer op.
Toen klonk gejammer en vreugdegehuil op van de mannen terwijl zij
doodden en gedood werden en de aarde werd doordrenkt van bloed.
ὄφρα μὲν ἠὼς ἦν καὶ ἀέξετο ἱερὸν ἦμαρ,
τόφρα μάλ᾽ ἀμφοτέρων βέλε᾽ ἥπτετο, πῖπτε δὲ λαός.
ἦμος δ᾽ Ἠέλιος μέσον οὐρανὸν ἀμφιβεβήκει,
καὶ τότε δὴ χρύσεια πατὴρ ἐτίταινε τάλαντα·
ἐν δ᾽ ἐτίθει δύο κῆρε τανηλεγέος θανάτοιο




70
Zolang het nu ochtend was en het heilige daglicht nog aanzwol,
zó lang beten de wapens van beide partijen zich vast en sneuvelde
het krijgsvolk. Maar toen de zon het midden van de hemel bereikt had,
toen strekte de vader de gouden weegschaal uit:
erin legde hij twee lotstenen van de meedogenloze dood,
Τρώων θ᾽ ἱπποδάμων καὶ Ἀχαιῶν χαλκοχιτώνων,
ἕλκε δὲ μέσσα λαβών· ῥέπε δ᾽ αἴσιμον ἦμαρ Ἀχαιῶν.
αἳ μὲν Ἀχαιῶν κῆρες ἐπὶ χθονὶ πουλυβοτείρῃ
ἑζέσθην, Τρώων δὲ πρὸς οὐρανὸν εὐρὺν ἄερθεν·
αὐτὸς δ᾽ ἐξ Ἴδης μεγάλ᾽ ἔκτυπε, δαιόμενον δὲ




75
één van de paardentemmende Trojanen en één van de Grieken
in bronzen wapenrusting; hij pakte de balans in het midden en hief hem;
en de noodlotsdag van de Grieken daalde: de loten van de Grieken kwamen
tot rust op de velen voedende aarde, maar die van de Trojanen rezen omhoog.
Zelf deed hij vanaf de Ida luid donder weerklinken en hij zond een bliksemflits
ἧκε σέλας μετὰ λαὸν Ἀχαιῶν· οἳ δὲ ἰδόντες
θάμβησαν, καὶ πάντας ὑπὸ χλωρὸν δέος εἷλεν.


naar het het krijgsvolk der Grieken. Bij de aanblik daarvan
schrokken zij hevig en de vale vrees maakte zich meester van hen.


8, 78 - 129: Nestor, Hektor en Diomedes.

ἔνθ᾽ οὔτ᾽ Ἰδομενεὺς τλῆ μίμνειν οὔτ᾽ Ἀγαμέμνων,
οὔτε δύ᾽ Αἴαντες μενέτην θεράποντες Ἄρηος·
Νέστωρ οἶος ἔμιμνε Γερήνιος οὖρος Ἀχαιῶν


80
- Toen durfde noch Idomeneus stand te houden noch Agamemnon,
ook de twee Aiassen, dienaren van Ares, hielden niet stand!
Nestor alleen, de Geryonische hoeder der Grieken bleef pal staan
οὔ τι ἑκών, ἀλλ᾽ ἵππος ἐτείρετο, τὸν βάλεν ἰῷ
δῖος Ἀλέξανδρος Ἑλένης πόσις ἠϋκόμοιο
ἄκρην κὰκ κορυφήν, ὅθι τε πρῶται τρίχες ἵππων
κρανίῳ ἐμπεφύασι, μάλιστα δὲ καίριόν ἐστιν.
ἀλγήσας δ᾽ ἀνέπαλτο, βέλος δ᾽ εἰς ἐγκέφαλον δῦ,




85
niet dat hij er voor koos: een paard was gewond, die had
Alexander, de echtgenoot van de schoonlokkige Helena
getroffen, hoog in het voorhoofd, waar de eerste manen
op hun schedel groeien: die plek is het kwetsbaarst.
Van pijn steigerde hij en de pijl drong door in zijn hersens,
σὺν δ᾽ ἵππους ἐτάραξε κυλινδόμενος περὶ χαλκῷ.
ὄφρ᾽ ὁ γέρων ἵπποιο παρηορίας ἀπέταμνε
φασγάνῳ ἀΐσσων, τόφρ᾽ Ἕκτορος ὠκέες ἵπποι
ἦλθον ἀν᾽ ἰωχμὸν θρασὺν ἡνίοχον φορέοντες
Ἕκτορα· καί νύ κεν ἔνθ᾽ ὁ γέρων ἀπὸ θυμὸν ὄλεσσεν




90
en door zijn draai rond de punt bracht hij wanorde in het tweespan.
Terwijl nu de grijsaard met zijn zwaard probeerde de streng
van het bijpaard los te hakken, kwam de snelle wagen van Hektor
aangesneld door het dichte gewoel met Hektor erin;
en nu zou daar de grijsaard het leven hebben gelaten,
εἰ μὴ ἄρ᾽ ὀξὺ νόησε βοὴν ἀγαθὸς Διομήδης·
σμερδαλέον δ᾽ ἐβόησεν ἐποτρύνων Ὀδυσῆα·
διογενὲς Λαερτιάδη πολυμήχαν᾽ Ὀδυσσεῦ
πῇ φεύγεις μετὰ νῶτα βαλὼν κακὸς ὣς ἐν ὁμίλῳ;
μή τίς τοι φεύγοντι μεταφρένῳ ἐν δόρυ πήξῃ·




95
als Diomedes, goed in de krijgskreet, het niet scherp had gezien
en met een schelle kreet Odysseus had toegeschreeuwd:
'Godgeboren zoon van Laërtes, sluwe Odysseus,
Waarom vlucht je, afgewend, als een lafaard in het krijgsgewoel?
Soms om iemand een lans in je rug op de vlucht te laten steken?
ἀλλὰ μέν᾽ ὄφρα γέροντος ἀπώσομεν ἄγριον ἄνδρα.
ὣς ἔφατ᾽, οὐδ᾽ ἐσάκουσε πολύτλας δῖος Ὀδυσσεύς,
ἀλλὰ παρήϊξεν κοίλας ἐπὶ νῆας Ἀχαιῶν.
Τυδεΐδης δ᾽ αὐτός περ ἐὼν προμάχοισιν ἐμίχθη,
στῆ δὲ πρόσθ᾽ ἵππων Νηληϊάδαο γέροντος,




100
Kom, laten we die woesteling wegdrijven van die grijsaard'.
Zo sprak hij, maar de onversaagde stralende Odysseus
hoorde hem niet maar snelde voorbij naar de holle schepen van de Grieken.
Toen stortte Tydeus' zoon zich alleen tussen de voorstrijders,
ging staan voor de wagen van de oude zoon van Neleus
καί μιν φωνήσας ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ὦ γέρον ἦ μάλα δή σε νέοι τείρουσι μαχηταί,
σὴ δὲ βίη λέλυται, χαλεπὸν δέ σε γῆρας ὀπάζει,
ἠπεδανὸς δέ νύ τοι θεράπων, βραδέες δέ τοι ἵπποι.
ἀλλ᾽ ἄγ᾽ ἐμῶν ὀχέων ἐπιβήσεο, ὄφρα ἴδηαι




105
en schreeuwde hem duidelijk toe:
'Grijsaard, werkelijk, de jonge strijders leggen je het vuur aan de schenen,
terwijl jouw afweerkracht op zijn retour is en de ouderdom jou terneerdrukt,
jouw menner aftakelt en je paarden nog maar traag zijn.
Kom, vooruit, stap op mijn wagen, dan zul je eens zien
οἷοι Τρώϊοι ἵπποι ἐπιστάμενοι πεδίοιο
κραιπνὰ μάλ᾽ ἔνθα καὶ ἔνθα διωκέμεν ἠδὲ φέβεσθαι,
οὕς ποτ᾽ ἀπ᾽ Αἰνείαν ἑλόμην μήστωρε φόβοιο.
τούτω μὲν θεράποντε κομείτων, τώδε δὲ νῶϊ
Τρωσὶν ἐφ᾽ ἱπποδάμοις ἰθύνομεν, ὄφρα καὶ Ἕκτωρ




110
hoe knap de paarden van Tros erin zijn
snel door de vlakte naar links en naar rechts te volgen en te wijken,
die paniekverwekkende paarden die ooit ik Aeneas ontstal.
Laat je helpers dat span maar verzorgen, maar wij zullen samen
afgaan op de paardenfokkende Trojanen, dan kan ook Hektor
εἴσεται εἰ καὶ ἐμὸν δόρυ μαίνεται ἐν παλάμῃσιν.
ὣς ἔφατ᾽, οὐδ᾽ ἀπίθησε Γερήνιος ἱππότα Νέστωρ.
Νεστορέας μὲν ἔπειθ᾽ ἵππους θεράποντε κομείτην
ἴφθιμοι Σθένελός τε καὶ Εὐρυμέδων ἀγαπήνωρ.
τὼ δ᾽ εἰς ἀμφοτέρω Διομήδεος ἅρματα βήτην·




115
eens zien hoe mijn lans in mijn handen zijn razende werk doet'.
Zo sprak hij, en hem gaf gehoor de Geryonische wagenstrijder Nestor.
Over Nestors paarden ontfermden zich twee helpers,
de krachtige Sthenelos en de beminnelijke Eurymedon;
maar zij beiden bestegen de wagen van Diomedes,
Νέστωρ δ᾽ ἐν χείρεσσι λάβ᾽ ἡνία σιγαλόεντα,
μάστιξεν δ᾽ ἵππους· τάχα δ᾽ Ἕκτορος ἄγχι γένοντο.
τοῦ δ᾽ ἰθὺς μεμαῶτος ἀκόντισε Τυδέος υἱός·
καὶ τοῦ μέν ῥ᾽ ἀφάμαρτεν, ὃ δ᾽ ἡνίοχον θεράποντα
υἱὸν ὑπερθύμου Θηβαίου Ἠνιοπῆα




120
en Nestor nam de glanzende teugels ter hand
en legde de zweep over de paarden: snel kwamen ze dicht bij Hektor.
Op hem, die hen frontaal aanviel, slingerde Tydeus' zoon zijn speer af,
maar hij miste hem, trof echter zijn wagenmenner,
de zoon van de stoutmoedige Thebaios, Eniopeus,
ἵππων ἡνί᾽ ἔχοντα βάλε στῆθος παρὰ μαζόν.
ἤριπε δ᾽ ἐξ ὀχέων, ὑπερώησαν δέ οἱ ἵπποι
ὠκύποδες· τοῦ δ᾽ αὖθι λύθη ψυχή τε μένος τε.
Ἕκτορα δ᾽ αἰνὸν ἄχος πύκασε φρένας ἡνιόχοιο·
τὸν μὲν ἔπειτ᾽ εἴασε καὶ ἀχνύμενός περ ἑταίρου




125
in zijn borst langs de tepel, hij had de teugels nog in zijn hand.
Hij viel van de wagen en de snelle paarden zwekten af:
daar ter plaatse verliet hem de levenskracht.
Hevige smart omfloerste het denken van Hektor,
toch liet hij hem liggen, ook al leed hij om zijn makker
κεῖσθαι, ὃ δ᾽ ἡνίοχον μέθεπε θρασύν· οὐδ᾽ ἄρ᾽ ἔτι δὴν
ἵππω δευέσθην σημάντορος· αἶψα γὰρ εὗρεν
Ἰφιτίδην Ἀρχεπτόλεμον θρασύν, ὅν ῥα τόθ᾽ ἵππων
ὠκυπόδων ἐπέβησε, δίδου δέ οἱ ἡνία χερσίν.



129
en hij ging op zoek naar een andere, moedige menner.
Niet lang ontbrak het de wagen aan een bestuurder: al gauw vond hij
de dappere Archeptolemos, zoon van Ifitos: die liet hij
zijn wagen bestijgen en hij gaf hem de teugels in handen.


8, 130 - 197: Diomedes verschrikt door Zeus, gehoond door Hektor.

ἔνθά κε λοιγὸς ἔην καὶ ἀμήχανα ἔργα γένοντο,
καί νύ κε σήκασθεν κατὰ Ἴλιον ἠΰτε ἄρνες,
εἰ μὴ ἄρ᾽ ὀξὺ νόησε πατὴρ ἀνδρῶν τε θεῶν τε·
βροντήσας δ᾽ ἄρα δεινὸν ἀφῆκ᾽ ἀργῆτα κεραυνόν,
κὰδ δὲ πρόσθ᾽ ἵππων Διομήδεος ἧκε χαμᾶζε·
δεινὴ δὲ φλὸξ ὦρτο θεείου καιομένοιο,





135
- Toen zou verderf hebben plaatsgevonden en onherstelbaar onheil
en de Trojanen zouden in Ilios opgesloten zijn als schapen,
als niet de vader van mensen en goden het scherp had opgemerkt;
met donderend geweld zond hij een flitsende bliksem
omlaag en vlak vóór de paarden van Diomedes in de grond;
een felle vlam van brandend zwavel steeg op
τὼ δ᾽ ἵππω δείσαντε καταπτήτην ὑπ᾽ ὄχεσφι·
Νέστορα δ᾽ ἐκ χειρῶν φύγον ἡνία σιγαλόεντα,
δεῖσε δ᾽ ὅ γ᾽ ἐν θυμῷ, Διομήδεα δὲ προσέειπε·
Τυδεΐδη ἄγε δ᾽ αὖτε φόβον δ᾽ ἔχε μώνυχας ἵππους.
ἦ οὐ γιγνώσκεις ὅ τοι ἐκ Διὸς οὐχ ἕπετ᾽ ἀλκή;




140
en de twee paarden doken hevig verschrikt tegen de wagen.
De glanzende leidsels ontglipten de handen van Nestor,
het werd hem angstig te moede en hij zei tegen Diomedes:
'Zoon van Tydeus, kom, drijf nu de eenhoevige paarden weg:
merk je niet dat de hulp van Zeus ons niet vergezelt?
νῦν μὲν γὰρ τούτῳ Κρονίδης Ζεὺς κῦδος ὀπάζει
σήμερον· ὕστερον αὖτε καὶ ἡμῖν, αἴ κ᾽ ἐθέλῃσι,
δώσει· ἀνὴρ δέ κεν οὔ τι Διὸς νόον εἰρύσσαιτο
οὐδὲ μάλ᾽ ἴφθιμος, ἐπεὶ ἦ πολὺ φέρτερός ἐστι.
τὸν δ᾽ ἠμείβετ᾽ ἔπειτα βοὴν ἀγαθὸς Διομήδης·




145
Nu schenkt aan hem Kronos' zoon Zeus de roem, vandaag,
later geeft hij die misschien weer aan ons, als hij wil:
een mens zal Zeus' plan toch niet kunnen dwarsbomen
hoe sterk hij ook is, want Zeus is veel machtiger!'.
Hem antwoordde daarop Diomedes, goed in de krijgskreet:
ναὶ δὴ ταῦτά γε πάντα γέρον κατὰ μοῖραν ἔειπες·
ἀλλὰ τόδ᾽ αἰνὸν ἄχος κραδίην καὶ θυμὸν ἱκάνει·
Ἕκτωρ γάρ ποτε φήσει ἐνὶ Τρώεσσ᾽ ἀγορεύων·
Τυδεΐδης ὑπ᾽ ἐμεῖο φοβεύμενος ἵκετο νῆας.
ὥς ποτ᾽ ἀπειλήσει· τότε μοι χάνοι εὐρεῖα χθών.




150
'Ja, oude baas, dat alles sprak je naar behoren,
maar deze grief treft mij diep in mijn hart:
dat Hektor ooit in een bijeenkomst van Trojanen zal zeggen:
"uit angst voor mij vluchtte Tydeus' zoon naar het scheepskamp",
zo zal hij eens brallen: dan moge de aarde zich voor mij openen'.
τὸν δ᾽ ἠμείβετ᾽ ἔπειτα Γερήνιος ἱππότα Νέστωρ·
ὤ μοι Τυδέος υἱὲ δαΐφρονος, οἷον ἔειπες.
εἴ περ γάρ σ᾽ Ἕκτωρ γε κακὸν καὶ ἀνάλκιδα φήσει,
ἀλλ᾽ οὐ πείσονται Τρῶες καὶ Δαρδανίωνες
καὶ Τρώων ἄλοχοι μεγαθύμων ἀσπιστάων,




155
Hem antwoordde daarop de Geryonische wagenstrijder Nestor:
'Zoon van de schrandere Tydeus, wat zeg je me daar!
Als Hektor jou laf en weerloos zal noemen,
dan zullen de Trojanen en Dardaniërs hem toch niet geloven,
noch de vrouwen van de schilddragende Trojanen,
τάων ἐν κονίῃσι βάλες θαλεροὺς παρακοίτας.
ὣς ἄρα φωνήσας φύγαδε τράπε μώνυχας ἵππους
αὖτις ἀν᾽ ἰωχμόν· ἐπὶ δὲ Τρῶές τε καὶ Ἕκτωρ
ἠχῇ θεσπεσίῃ βέλεα στονόεντα χέοντο.
τῷ δ᾽ ἐπὶ μακρὸν ἄϋσε μέγας κορυθαίολος Ἕκτωρ·




160
wier mannen, in de bloei van hun leven, jij in het stof liet bijten'.
Met deze woorden liet hij de eenhoevige paarden wegkeren
dwars door het krijgsgewoel; maar de Trojanen, geleid door Hektor,
zonden een regen van pijnbrengende pijlen af onder vreselijk geschreeuw
en hem brulde de grote, helmboswuivende Hektor luid toe:
Τυδεΐδη περὶ μέν σε τίον Δαναοὶ ταχύπωλοι
ἕδρῃ τε κρέασίν τε ἰδὲ πλείοις δεπάεσσι·
νῦν δέ σ᾽ ἀτιμήσουσι· γυναικὸς ἄρ᾽ ἀντὶ τέτυξο.
ἔρρε κακὴ γλήνη, ἐπεὶ οὐκ εἴξαντος ἐμεῖο
πύργων ἡμετέρων ἐπιβήσεαι, οὐδὲ γυναῖκας




165
'Zoon van Tydeus, de Grieken met hun snelle paarden
plachten jou te eren met veel vlees en volle bokalen,
maar nu zullen ze jou verachten: je bent eigenlijk een oud wijf!
Val dood, loze pop! Nu ik me tegen jou verzet,
zul jij onze muren niet beklimmen, geen vrouwen meenemen
ἄξεις ἐν νήεσσι· πάρος τοι δαίμονα δώσω.
ὣς φάτο, Τυδεΐδης δὲ διάνδιχα μερμήριξεν
ἵππους τε στρέψαι καὶ ἐναντίβιον μαχέσασθαι.
τρὶς μὲν μερμήριξε κατὰ φρένα καὶ κατὰ θυμόν,
τρὶς δ᾽ ἄρ᾽ ἀπ᾽ Ἰδαίων ὀρέων κτύπε μητίετα Ζεὺς




170
op jullie schepen: eerder zal ik de daimon op je afsturen!'
Zo sprak hij; en Tydeus' zoon overwoog in twijfel
de paarden tot keren te brengen en de strijd aan te binden.
Drie maal overwoog hij dit in zijn moedige geest,
maar drie maal liet de alwetende Zeus het donderen vanaf de Ida
σῆμα τιθεὶς Τρώεσσι μάχης ἑτεραλκέα νίκην.
Ἕκτωρ δὲ Τρώεσσιν ἐκέκλετο μακρὸν ἀΰσας·
Τρῶες καὶ Λύκιοι καὶ Δάρδανοι ἀγχιμαχηταὶ
ἀνέρες ἔστε φίλοι, μνήσασθε δὲ θούριδος ἀλκῆς.
γιγνώσκω δ᾽ ὅτι μοι πρόφρων κατένευσε Κρονίων




175
en gaf daarmee aan de Trojanen een teken van wisselende zege.
Hektor riep daarop luid tegen de Trojanen:
'Trojanen, Lykiërs en Dardanen, vechters van man tegen man,
wees kerels en houd uw onstuimige kracht vol.
Ik begrijp dat Kronos' zoon mij welgezind overwinning en veel roem
νίκην καὶ μέγα κῦδος, ἀτὰρ Δαναοῖσί γε πῆμα·
νήπιοι οἳ ἄρα δὴ τάδε τείχεα μηχανόωντο
ἀβλήχρ᾽ οὐδενόσωρα· τὰ δ᾽ οὐ μένος ἁμὸν ἐρύξει·
ἵπποι δὲ ῥέα τάφρον ὑπερθορέονται ὀρυκτήν.
ἀλλ᾽ ὅτε κεν δὴ νηυσὶν ἔπι γλαφυρῇσι γένωμαι,




180
toegezegd heeft, de Danaërs echter ellende!
Dwazen, die deze schanswerken bedachten,
poezelig, onnozel spul: dat zal mijn kracht niet weerstaan!
Mijn paarden zullen met gemak over dat grachtje heen springen.
Maar wanneer ik eenmaal bij de gewelfde schepen zal komen,
μνημοσύνη τις ἔπειτα πυρὸς δηΐοιο γενέσθω,
ὡς πυρὶ νῆας ἐνιπρήσω, κτείνω δὲ καὶ αὐτοὺς
Ἀργείους παρὰ νηυσὶν ἀτυζομένους ὑπὸ καπνοῦ.
ὣς εἰπὼν ἵπποισιν ἐκέκλετο φώνησέν τε·
Ξάνθέ τε καὶ σὺ Πόδαργε καὶ Αἴθων Λάμπέ τε δῖε




185
dan zal er sprake van vernietigend vuur zijn,
om de brand in de schepen te jagen en de Grieken zelf
te doden door de rook verstikt bij de schepen'.
Na deze woorden moedigde hij luid zijn paarden aan:
'Xanthos en jij, Podargos en Aithon en edele Lampos,
νῦν μοι τὴν κομιδὴν ἀποτίνετον, ἣν μάλα πολλὴν
Ἀνδρομάχη θυγάτηρ μεγαλήτορος Ἠετίωνος
ὑμῖν πὰρ προτέροισι μελίφρονα πυρὸν ἔθηκεν
οἶνόν τ᾽ ἐγκεράσασα πιεῖν, ὅτε θυμὸς ἀνώγοι,
ἢ ἐμοί, ὅς πέρ οἱ θαλερὸς πόσις εὔχομαι εἶναι.




190
Vergoed mij nu de verzorging, die Andromache,
dochter van de fiere Eëtion, jullie in overvloed gaf:
zij bood jullie honingzoete tarwe aan
en mengde wijn om te drinken, wanneer dat gewenst was,
eerder nog dan aan mij, die toch haar stevige man heet.
ἀλλ᾽ ἐφομαρτεῖτον καὶ σπεύδετον ὄφρα λάβωμεν
ἀσπίδα Νεστορέην, τῆς νῦν κλέος οὐρανὸν ἵκει
πᾶσαν χρυσείην ἔμεναι, κανόνας τε καὶ αὐτήν,
αὐτὰρ ἀπ᾽ ὤμοιιν Διομήδεος ἱπποδάμοιο
δαιδάλεον θώρηκα, τὸν Ἥφαιστος κάμε τεύχων.




195
Haast jullie nu en maak voort opdat wij ons meester maken
van het schild van Nestor, waarover de mare hemelhoog gaat
dat het helemaal van goud is, met beugels en al,
en wij van de schouders van de paardenbedwingende Diomedes
zijn kunstige harnas trekken, dat Hefaistos knap heeft gemaakt.
εἰ τούτω κε λάβοιμεν, ἐελποίμην κεν Ἀχαιοὺς
αὐτονυχὶ νηῶν ἐπιβησέμεν ὠκειάων.

Als we die twee stukken buit kunnen maken, mag ik wel hopen
nog dezelfde nacht de Grieken hun snelle schepen op te drijven'.


8, 198 - 252: Hera en Zeus

ὣς ἔφατ᾽ εὐχόμενος, νεμέσησε δὲ πότνια Ἥρη,
σείσατο δ᾽ εἰνὶ θρόνῳ, ἐλέλιξε δὲ μακρὸν Ὄλυμπον,
καί ῥα Ποσειδάωνα μέγαν θεὸν ἀντίον ηὔδα·


200
- Zo sprak hij snoevend, maar de verheven Hera werd verontwaardigd
en schudde in haar zetel en zij deed de grote Olympos trillen;
en tot de grote god Poseidon sprak zij als volgt:
ὢ πόποι ἐννοσίγαι᾽ εὐρυσθενές, οὐδέ νυ σοί περ
ὀλλυμένων Δαναῶν ὀλοφύρεται ἐν φρεσὶ θυμός.
οἳ δέ τοι εἰς Ἑλίκην τε καὶ Αἰγὰς δῶρ᾽ ἀνάγουσι
πολλά τε καὶ χαρίεντα· σὺ δέ σφισι βούλεο νίκην.
εἴ περ γάρ κ᾽ ἐθέλοιμεν, ὅσοι Δαναοῖσιν ἀρωγοί,




205
'Ach, machtige aardschudder, wordt het ook jou niet droef te moede,
nu de Grieken hun ondergang tegemoet gaan?
Zij brengen jou toch offergaven in Helike en Aigai,
vele, aantrekkelijke; jij gunt hen toch de zege?
Als wij, die toch de Grieken tot steun zijn, zullen wensen
Τρῶας ἀπώσασθαι καὶ ἐρυκέμεν εὐρύοπα Ζῆν,
αὐτοῦ κ᾽ ἔνθ᾽ ἀκάχοιτο καθήμενος οἶος ἐν Ἴδῃ.
τὴν δὲ μέγ᾽ ὀχθήσας προσέφη κρείων ἐνοσίχθων·
Ἥρη ἀπτοεπὲς ποῖον τὸν μῦθον ἔειπες.
οὐκ ἂν ἔγωγ᾽ ἐθέλοιμι Διὶ Κρονίωνι μάχεσθαι




210
de Trojanen af te weren en de luiddonderende Zeus tegen te houden,
dan zal hij wel treurig en eenzaam daar op de Ida zitten.
Tot haar echter sprak verontwaardigd de machtige aardschudder:
'Hera, wat is dit voor een onbeheerste uitspraak!
ik zou niet graag willen dat wij allen het opnemen tegen
ἡμέας τοὺς ἄλλους, ἐπεὶ ἦ πολὺ φέρτερός ἐστιν.
ὣς οἳ μὲν τοιαῦτα πρὸς ἀλλήλους ἀγόρευον·
τῶν δ᾽ ὅσον ἐκ νηῶν ἀπὸ πύργου τάφρος ἔεργε
πλῆθεν ὁμῶς ἵππων τε καὶ ἀνδρῶν ἀσπιστάων
εἰλομένων· εἴλει δὲ θοῷ ἀτάλαντος Ἄρηϊ




215
Kronos' zoon, Zeus, want hij is toch verreweg het machtigst'.
Zo bespraken zij deze zaken onder elkaar;
maar zoveel als er aan ruimte lag tussen gracht en scheepswal,
dat liep intussen vol paarden en schilddragende krijgers,
zich verdringend; want Hektor, Priamos' zoon, opbiedend tegen Ares,
Ἕκτωρ Πριαμίδης, ὅτε οἱ Ζεὺς κῦδος ἔδωκε.
καί νύ κ᾽ ἐνέπρησεν πυρὶ κηλέῳ νῆας ἐΐσας,
εἰ μὴ ἐπὶ φρεσὶ θῆκ᾽ Ἀγαμέμνονι πότνια Ἥρη
αὐτῷ ποιπνύσαντι θοῶς ὀτρῦναι Ἀχαιούς.
βῆ δ᾽ ἰέναι παρά τε κλισίας καὶ νῆας Ἀχαιῶν




220
drong hen samen, nu Zeus hem kans op roem bood.
En nu zou hij de schepen in brand hebben gestoken met laaiend vuur,
als de eerwaarde Hera Agamemnon niet had ingefluisterd
om snel de Achaiers aan te sporen.
Hij ging langs de tenten en schepen der Grieken
πορφύρεον μέγα φᾶρος ἔχων ἐν χειρὶ παχείῃ,
στῆ δ᾽ ἐπ᾽ Ὀδυσσῆος μεγακήτεϊ νηῒ μελαίνῃ,
ἥ ῥ᾽ ἐν μεσσάτῳ ἔσκε γεγωνέμεν ἀμφοτέρωσε,
ἠμὲν ἐπ᾽ Αἴαντος κλισίας Τελαμωνιάδαο
ἠδ᾽ ἐπ᾽ Ἀχιλλῆος, τοί ῥ᾽ ἔσχατα νῆας ἐΐσας




225
met zijn purperen mantel in zijn vuist
en bleef staan bij het grote, donkere schip van Odysseus,
dat steeds in het midden lag op roepafstand naar weerskanten,
zowel naar de tenten van Aias, zoon van Telamon,
als naar die van Achilleus, wiens mannen de evenwichtige schepen
εἴρυσαν, ἠνορέῃ πίσυνοι καὶ κάρτεϊ χειρῶν·
ἤϋσεν δὲ διαπρύσιον Δαναοῖσι γεγωνώς·
αἰδὼς Ἀργεῖοι, κάκ᾽ ἐλέγχεα, εἶδος ἀγητοί·
πῇ ἔβαν εὐχωλαί, ὅτε δὴ φάμεν εἶναι ἄριστοι,
ἃς ὁπότ᾽ ἐν Λήμνῳ κενεαυχέες ἠγοράασθε,




230
aan de buitenkant hadden getrokken, vertrouwend op hun moed
en de kracht van hun handen; hij riep daar hard tot de Grieken:
'Schande, Grieken, mooi van uiterlijk maar laf als het erop aan komt!
Waarheen is nu dat gesnoef, toen we beweerden de besten te zijn,
dat jullie loos uitkraamden in Lemnos,
ἔσθοντες κρέα πολλὰ βοῶν ὀρθοκραιράων
πίνοντες κρητῆρας ἐπιστεφέας οἴνοιο,
Τρώων ἄνθ᾽ ἑκατόν τε διηκοσίων τε ἕκαστος
στήσεσθ᾽ ἐν πολέμῳ· νῦν δ᾽ οὐδ᾽ ἑνὸς ἄξιοί εἰμεν
Ἕκτορος, ὃς τάχα νῆας ἐνιπρήσει πυρὶ κηλέῳ.




235
je te goed doend aan veel vlees van rechthoornige runderen
en mengvaten boordevol wijn drinkend,
jullie zouden ieder wel honderd, ja tweehonderd Trojanen
het hoofd bieden in de oorlog: nu zijn we nog niet opgewassen
tegen één, Hektor, die straks de schepen in brand steekt.
Ζεῦ πάτερ, ἦ ῥά τιν᾽ ἤδη ὑπερμενέων βασιλήων
τῇδ᾽ ἄτῃ ἄασας καί μιν μέγα κῦδος ἀπηύρας;
οὐ μὲν δή ποτέ φημι τεὸν περικαλλέα βωμὸν
νηῒ πολυκλήϊδι παρελθέμεν ἐνθάδε ἔρρων,
ἀλλ᾽ ἐπὶ πᾶσι βοῶν δημὸν καὶ μηρί᾽ ἔκηα




240
Vader Zeus, hebt ge al ooit een van de stoutmoedige koningen
met zo'n verblinding geslagen en hem zo veel roem ontfutseld!
Toch denk ik nooit op deze onheilstocht hierheen op mijn schip
met veel roeiers aan een versierd altaar van u voorbij te zijn gegaan,
nee, op alle altaren brandde ik vet en schenkels van runderen,
ἱέμενος Τροίην εὐτείχεον ἐξαλαπάξαι.
ἀλλὰ Ζεῦ τόδε πέρ μοι ἐπικρήηνον ἐέλδωρ·
αὐτοὺς δή περ ἔασον ὑπεκφυγέειν καὶ ἀλύξαι,
μηδ᾽ οὕτω Τρώεσσιν ἔα δάμνασθαι Ἀχαιούς.
ὣς φάτο, τὸν δὲ πατὴρ ὀλοφύρατο δάκρυ χέοντα,




245
verlangend het goedommuurde Troje te verwoesten.
Maar, Zeus, vervul mij toch deze wens:
laat ons zelf veilig ontkomen met behoud van ons leven
en sta niet toe dat de Grieken overweldigd worden door de Trojanen'.
Zo sprak hij en de vader had medelijden met zijn tranen
νεῦσε δέ οἱ λαὸν σόον ἔμμεναι οὐδ᾽ ἀπολέσθαι.
αὐτίκα δ᾽ αἰετὸν ἧκε τελειότατον πετεηνῶν,
νεβρὸν ἔχοντ᾽ ὀνύχεσσι τέκος ἐλάφοιο ταχείης·
πὰρ δὲ Διὸς βωμῷ περικαλλέϊ κάββαλε νεβρόν,
ἔνθα πανομφαίῳ Ζηνὶ ῥέζεσκον Ἀχαιοί.




250
en hij stemde erin toe dat het krijgsvolk behouden zou blijven.
En terstond zond hij een adelaar, de meest profetische vogel,
met in zijn klauwen het jong van een snelle hinde,
en dat jong liet hij vallen bij het prachtige altaar van Zeus,
waarop de Grieken plachten te offeren aan de orakelgevende Zeus
οἳ δ᾽ ὡς οὖν εἴδονθ᾽ ὅ τ᾽ ἄρ᾽ ἐκ Διὸς ἤλυθεν ὄρνις,
μᾶλλον ἐπὶ Τρώεσσι θόρον, μνήσαντο δὲ χάρμης.

en toen zij begrepen dat de vogel van Zeus was gekomen,
stormden zij krachtiger af op de Trojanen en waren krijgshaftig.


8, 253 - 349: Een uitval van de Grieken; Teukros.

ἔνθ᾽ οὔ τις πρότερος Δαναῶν πολλῶν περ ἐόντων
εὔξατο Τυδεΐδαο πάρος σχέμεν ὠκέας ἵππους
τάφρου τ᾽ ἐξελάσαι καὶ ἐναντίβιον μαχέσασθαι,


255
- Toen kon niemand van de Grieken, hoe talrijk ook,
zich erop beroemen zijn snelle wagen eerder dan Tydeus' zoon
over de gracht heen te drijven en de strijd te trotseren;
ἀλλὰ πολὺ πρῶτος Τρώων ἕλεν ἄνδρα κορυστὴν
Φραδμονίδην Ἀγέλαον· ὃ μὲν φύγαδ᾽ ἔτραπεν ἵππους·
τῷ δὲ μεταστρεφθέντι μεταφρένῳ ἐν δόρυ πῆξεν
ὤμων μεσσηγύς, διὰ δὲ στήθεσφιν ἔλασσεν·
ἤριπε δ᾽ ἐξ ὀχέων, ἀράβησε δὲ τεύχε᾽ ἐπ᾽ αὐτῷ.




260
nee, hij was de allereerste die een gehelmde Trojaan wist te doden:
Agelaos, de zoon van Fradmon; die mende zijn paarden op de vlucht,
maar hij wierp hem na zijn draai een lans in de rug,
tussen de schouders en hij dreef hem dwars door zijn borst:
dreunend stortte hij van zijn wagen en zijn wapens kletterden op hem.
τὸν δὲ μετ᾽ Ἀτρεΐδαι Ἀγαμέμνων καὶ Μενέλαος,
τοῖσι δ᾽ ἐπ᾽ Αἴαντες θοῦριν ἐπιειμένοι ἀλκήν,
τοῖσι δ᾽ ἐπ᾽ Ἰδομενεὺς καὶ ὀπάων Ἰδομενῆος
Μηριόνης ἀτάλαντος Ἐνυαλίῳ ἀνδρειφόντῃ,
τοῖσι δ᾽ ἐπ᾽ Εὐρύπυλος Εὐαίμονος ἀγλαὸς υἱός·




265
Hem volgden de Atreïden, Agamemnon en Menelaos,
en hen weer de Aiassen, bekleed met onstuimige weerkracht,
en die weer Idomeneus met zijn krijgsmakker Meriones,
gelijkwaardig aan de mannendodende Enualios,
en hen weer Eurypulos, de fiere zoon van Euaimon;
Τεῦκρος δ᾽ εἴνατος ἦλθε παλίντονα τόξα τιταίνων,
στῆ δ᾽ ἄρ᾽ ὑπ᾽ Αἴαντος σάκεϊ Τελαμωνιάδαο.
ἔνθ᾽ Αἴας μὲν ὑπεξέφερεν σάκος· αὐτὰρ ὅ γ᾽ ἥρως
παπτήνας, ἐπεὶ ἄρ τιν᾽ ὀϊστεύσας ἐν ὁμίλῳ
βεβλήκοι, ὃ μὲν αὖθι πεσὼν ἀπὸ θυμὸν ὄλεσσεν,




270
Teukros kwam als negende, terwijl hij zijn veerkrachtige boog spande,
hij stelde zich op onder dekking van het schild van Telamons zoon Aias.
Aias schoof steeds het schild weg en dan loerde de held en als hij
iemand in de menigte met zijn pijl had getroffen,
stortte die daar neer met verlies van zijn leven,
αὐτὰρ ὃ αὖτις ἰὼν πάϊς ὣς ὑπὸ μητέρα δύσκεν
εἰς Αἴανθ᾽· ὃ δέ μιν σάκεϊ κρύπτασκε φαεινῷ.
ἔνθα τίνα πρῶτον Τρώων ἕλε Τεῦκρος ἀμύμων;
Ὀρσίλοχον μὲν πρῶτα καὶ Ὄρμενον ἠδ᾽ Ὀφελέστην
Δαίτορά τε Χρομίον τε καὶ ἀντίθεον Λυκοφόντην




275
maar hij dook dan snel weer naar Aias, als een kind naar zijn moeder;
en die gaf hem weer dekking achter zijn glanzende schild.
Welke Trojaan doodde de voortreffelijke Teukros het eerst?
Eerst Orsilochos en Ormenos en Ofelestes
en Daitor, Chromios en de godgelijke Lykofontes
καὶ Πολυαιμονίδην Ἀμοπάονα καὶ Μελάνιππον,
πάντας ἐπασσυτέρους πέλασε χθονὶ πουλυβοτείρῃ.
τὸν δὲ ἰδὼν γήθησεν ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγαμέμνων
τόξου ἄπο κρατεροῦ Τρώων ὀλέκοντα φάλαγγας·
στῆ δὲ παρ᾽ αὐτὸν ἰὼν καί μιν πρὸς μῦθον ἔειπε·




280
en Polyaimons zoon Amopaon en Melanippos:
hen allen dreef hij snel na elkaar naar de velenvoedende aarde.
Toen de leider der mannen Agamemnon hem met zijn krachtige boog
de gelederen van de Trojanen zag doden veerde hij op;
hij ging op hem af en sprak tot hem:
Τεῦκρε φίλη κεφαλή, Τελαμώνιε κοίρανε λαῶν
βάλλ᾽ οὕτως, αἴ κέν τι φόως Δαναοῖσι γένηαι
πατρί τε σῷ Τελαμῶνι, ὅ σ᾽ ἔτρεφε τυτθὸν ἐόντα,
καί σε νόθον περ ἐόντα κομίσσατο ᾧ ἐνὶ οἴκῳ·
τὸν καὶ τηλόθ᾽ ἐόντα ἐϋκλείης ἐπίβησον.




285
'Mijn beste Teukros, zoon van Telamon, aanvoerder van krijgsvolk,
schiet zo verder om je een held te tonen voor de Grieken
en ook voor je vader Telamon, die je van jongsaf grootbracht
en je, ook al was je zijn bastaard, opnam in zijn huis;
breng hem tot roem, ook al is hij ver weg.
σοὶ δ᾽ ἐγὼ ἐξερέω ὡς καὶ τετελεσμένον ἔσται·
αἴ κέν μοι δώῃ Ζεύς τ᾽ αἰγίοχος καὶ Ἀθήνη
Ἰλίου ἐξαλαπάξαι ἐϋκτίμενον πτολίεθρον,
πρώτῳ τοι μετ᾽ ἐμὲ πρεσβήϊον ἐν χερὶ θήσω,
ἢ τρίποδ᾽ ἠὲ δύω ἵππους αὐτοῖσιν ὄχεσφιν




290
Maar dit verzeker ik je bij deze voor de toekomst:
als de aigiszwaaiende Zeus met Athene mij vergunt
de schoongelegen stad Ilios te veroveren,
dan zal ik, na mij, aan jou als eerste een eergeschenk ter hand
stellen: zij het een drievoet of een span paarden met wagen en al
ἠὲ γυναῖχ᾽, ἥ κέν τοι ὁμὸν λέχος εἰσαναβαίνοι.
τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσεφώνεε Τεῦκρος ἀμύμων·
Ἀτρεΐδη κύδιστε τί με σπεύδοντα καὶ αὐτὸν
ὀτρύνεις; οὐ μέν τοι ὅση δύναμίς γε πάρεστι
παύομαι, ἀλλ᾽ ἐξ οὗ προτὶ Ἴλιον ὠσάμεθ᾽ αὐτοὺς




295
of een vrouw die jouw bed delen zal'.
Tot hem sprak de edele Teukros ten antwoord:
'Roemvolle zoon van Atreus, waarom spoor je mij aan
terwijl ik ook uit mijzelf al druk bezig ben? Zolang ik nog kracht heb
laat ik niet af, maar sedert wij hen terugdreven naar Troje
ἐκ τοῦ δὴ τόξοισι δεδεγμένος ἄνδρας ἐναίρω.
ὀκτὼ δὴ προέηκα τανυγλώχινας ὀϊστούς,
πάντες δ᾽ ἐν χροῂ πῆχθεν ἀρηϊθόων αᾇζηῶν·
τοῦτον δ᾽ οὐ δύναμαι βαλέειν κύνα λυσσητῆρα.
ἦ ῥα καὶ ἄλλον ὀϊστὸν ἀπὸ νευρῆφιν ἴαλλεν




300
loer ik met mijn pijlen en ruim ik mannnen uit de weg.
Acht pijlen met spitse weerhaken schoot ik af
en allemaal drongen ze in de huid van krijgszuchtige mannen,
maar die ene dolle hond kan ik maar niet te grazen nemen'.
Dat zei hij en stuurde nog een andere pijl van zijn pees
Ἕκτορος ἀντικρύ, βαλέειν δέ ἑ ἵετο θυμός·
καὶ τοῦ μέν ῥ᾽ ἀφάμαρθ᾽, ὃ δ᾽ ἀμύμονα Γοργυθίωνα
υἱὸν ἐῢν Πριάμοιο κατὰ στῆθος βάλεν ᾇῷ,
τόν ῥ᾽ ἐξ Αᾇσύμηθεν ὀπυιομένη τέκε μήτηρ
καλὴ Καστιάνειρα δέμας ἐϊκυῖα θεῇσι.




305
recht af op Hektor, want die wenste hij vurig te treffen.
Die nu miste hij, maar hij trof de edele Gorgythion,
de voortreffelijke zoon van Priamos in de borst;
hem had de mooie Kastianeira, in uiterlijk godinnen gelijk,
vanuit Aisyme ten huwelijk gekomen, voortgebracht.
μήκων δ᾽ ὡς ἑτέρωσε κάρη βάλεν, ἥ τ᾽ ἐνὶ κήπῳ
καρπῷ βριθομένη νοτίῃσί τε εᾇαρινῇσιν,
ὣς ἑτέρωσ᾽ ἤμυσε κάρη πήληκι βαρυνθέν.
Τεῦκρος δ᾽ ἄλλον ὀϊστὸν ἀπὸ νευρῆφιν ἴαλλεν
Ἕκτορος ἀντικρύ, βαλέειν δέ ἑ ἵετο θυμός.




310
Zijn hoofd zakte opzij als een papaverbol, die in een tuin
zwaar wordt van zijn zaad en de lenteregens,
zo zakte zijn hoofd opzij, bezwaard door zijn helm.
En weer schoot Teukros een pijl van zijn pees af
op Hektor gericht, want hem verlangde hij vurig te treffen;
ἀλλ᾽ ὅ γε καὶ τόθ᾽ ἅμαρτε· παρέσφηλεν γὰρ Ἀπόλλων·
ἀλλ᾽ Ἀρχεπτόλεμον θρασὺν Ἕκτορος ἡνιοχῆα
ἱέμενον πόλεμον δὲ βάλε στῆθος παρὰ μαζόν·
ἤριπε δ᾽ ἐξ ὀχέων, ὑπερώησαν δέ οἱ ἵπποι
ὠκύποδες· τοῦ δ᾽ αὖθι λύθη ψυχή τε μένος τε.




315
maar ook toen miste hij hem, want Apollo boog hem weg,
en hij trof de moedige Archepolemos, Hektors menner
belust op de strijd, in de borst langs de tepel;
hij stortte neer uit de wagen en de snelle paarden weken
schichtig terug; en zijn levensgeest en kracht vervlogen.
Ἕκτορα δ᾽ αᾇνὸν ἄχος πύκασε φρένας ἡνιόχοιο·
τὸν μὲν ἔπειτ᾽ εἴασε καὶ ἀχνύμενός περ ἑταίρου,
Κεβριόνην δ᾽ ἐκέλευσεν ἀδελφεὸν ἐγγὺς ἐόντα
ἵππων ἡνί᾽ ἑλεῖν· ὃ δ᾽ ἄρ᾽ οὐκ ἀπίθησεν ἀκούσας.
αὐτὸς δ᾽ ἐκ δίφροιο χαμαὶ θόρε παμφανόωντος




320
Een vreselijk leed om zijn menner greep Hektor aan;
toch liet hij hem achter, hoezeer ook begaan met zijn makker,
maar zijn broer Kebriones die in de buurt was vroeg hij
de leidsels der paarden te nemen en die gaf daaraan gehoor.
Zelf sprong hij uit de schitterende wagenbak op de grond
σμερδαλέα ᾇάχων· ὃ δὲ χερμάδιον λάβε χειρί,
βῆ δ᾽ ᾇθὺς Τεύκρου, βαλέειν δέ ἑ θυμὸς ἀνώγει.
ἤτοι ὃ μὲν φαρέτρης ἐξείλετο πικρὸν ὀϊστόν,
θῆκε δ᾽ ἐπὶ νευρῇ· τὸν δ᾽ αὖ κορυθαίολος Ἕκτωρ
αὐερύοντα παρ᾽ ὦμον, ὅθι κληῂς ἀποέργει




325
met een vreselijke schreeuw, en met zijn hand greep hij een steen
en kwam recht af op Teukros: al te graag wilde hij hem treffen.
Die haalde juist een bittere pijl uit zijn koker
en legde hem tegen de pees; maar Hektor met wuivende helmbos
trof hem, terwijl hij aantrok, bij de schouder, waar het sleutelbeen
αὐχένα τε στῆθός τε, μάλιστα δὲ καίριόν ἐστι,
τῇ ῥ᾽ ἐπὶ οἷ μεμαῶτα βάλεν λίθῳ ὀκριόεντι,
ῥῆξε δέ οἱ νευρήν· νάρκησε δὲ χεὶρ ἐπὶ καρπῷ,
στῆ δὲ γνὺξ ἐριπών, τόξον δέ οἱ ἔκπεσε χειρός.
Αἴας δ᾽ οὐκ ἀμέλησε κασιγνήτοιο πεσόντος,




330
hals en borst afsluit, een zeer kwetsbare plek,
daar trof hij hem met een puntige steen terwijl hij nog mikte
en scheurde de pees, en zijn arm werd bij de pols verlamd;
hij zonk op de knieën en de boog glipte uit zijn hand.
Maar Aias ontfermde zich over zijn gevallen broer,
ἀλλὰ θέων περίβη καί οἱ σάκος ἀμφεκάλυψε.
τὸν μὲν ἔπειθ᾽ ὑποδύντε δύω ἐρίηρες ἑταῖροι
Μηκιστεὺς Ἐχίοιο πάϊς καὶ δῖος Ἀλάστωρ
νῆας ἔπι γλαφυρὰς φερέτην βαρέα στενάχοντα.
ἂψ δ᾽ αὖτις Τρώεσσιν Ὀλύμπιος ἐν μένος ὦρσεν·




335
want hij snelde toe en schermde hem af met zijn schild.
Twee trouwe makkers bukten eronder,
Mekistos, de zoon van Echios en de nobele Alastor,
en droegen hem naar de gewelfde schepen: hij kreunde zwaar.
Nu gaf de Olympiër de Trojanen weer moed:
οἳ δ᾽ ἰθὺς τάφροιο βαθείης ὦσαν Ἀχαιούς·
Ἕκτωρ δ᾽ ἐν πρώτοισι κίε σθένεϊ βλεμεαίνων.
ὡς δ᾽ ὅτε τίς τε κύων συὸς ἀγρίου ἠὲ λέοντος
ἅπτηται κατόπισθε ποσὶν ταχέεσσι διώκων
ἰσχία τε γλουτούς τε, ἑλισσόμενόν τε δοκεύει,




340
zij dreven de Grieken weer terug naar de diepe gracht,
Hektor ging voorop, vertrouwend op zijn kracht;
en zoals wanneer een hond bij een achtervolging
zich vanachter vastbijt in een wild zwijn of een leeuw
bij zijn heup of zijn bil en verdacht is op een draaiing,
ὣς Ἕκτωρ ὤπαζε κάρη κομόωντας Ἀχαιούς,
αἰὲν ἀποκτείνων τὸν ὀπίστατον· οἳ δὲ φέβοντο.
αὐτὰρ ἐπεὶ διά τε σκόλοπας καὶ τάφρον ἔβησαν
φεύγοντες, πολλοὶ δὲ δάμεν Τρώων ὑπὸ χερσίν,
οἳ μὲν δὴ παρὰ νηυσὶν ἐρητύοντο μένοντες,




345
zo achtervolgde Hektor de langharige Grieken,
steeds de achterste dodend: zij vluchtten steeds verder.
Maar toen zij de palissaden en de gracht gepasseerd waren
op hun vlucht en velen waren gesneuveld door de handen
van de Trojanen, hielden zij stand bij de schepen
ἀλλήλοισί τε κεκλόμενοι καὶ πᾶσι θεοῖσι
χεῖρας ἀνίσχοντες μεγάλ᾽ εὐχετόωντο ἕκαστος·
Ἕκτωρ δ᾽ ἀμφιπεριστρώφα καλλίτριχας ἵππους
Γοργοῦς ὄμματ᾽ ἔχων ἠδὲ βροτολοιγοῦ Ἄρηος.



elkaar toeroepend, en ieder hief de handen en sprak
tot alle goden een vurig gebed uit.
Maar Hektor stuurde zijn paarden met mooie manen alom rond
met de ogen van een Gorgo of de mannenverdelgende Ares.


8, 350 - 424: Hera en Athene steunen de Grieken.

τοὺς δὲ ἰδοῦσ᾽ ἐλέησε θεὰ λευκώλενος Ἥρη,
αἶψα δ᾽ Ἀθηναίην ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ὢ πόποι αἰγιόχοιο Διὸς τέκος οὐκέτι νῶϊ
ὀλλυμένων Δαναῶν κεκαδησόμεθ᾽ ὑστάτιόν περ;
οἵ κεν δὴ κακὸν οἶτον ἀναπλήσαντες ὄλωνται
ἀνδρὸς ἑνὸς ῥιπῇ, ὃ δὲ μαίνεται οὐκέτ᾽ ἀνεκτῶς





355
- Bij het kijken naar hen kreeg medelijden de godin, de blankarmige Hera,
direct richtte zij tot Athene de duidelijke woorden:
'Wee, kind van de aigiszwaaiende Zeus, zullen wij beiden
ons tenslotte dan niet bekommeren om de ondergang van de Grieken?
Die zullen nog te gronde gaan door een vreselijk lot,
het geweld van één man die onverdraaglijk te keer gaat,
Ἕκτωρ Πριαμίδης, καὶ δὴ κακὰ πολλὰ ἔοργε.
τὴν δ᾽ αὖτε προσέειπε θεὰ γλαυκῶπις Ἀθήνη·
καὶ λίην οὗτός γε μένος θυμόν τ᾽ ὀλέσειε
χερσὶν ὑπ᾽ Ἀργείων φθίμενος ἐν πατρίδι γαίῃ·
ἀλλὰ πατὴρ οὑμὸς φρεσὶ μαίνεται οὐκ ἀγαθῇσι




360
Hektor, Priamos' zoon, die al veel ellende heeft veroorzaakt'.
Tot haar dan sprak de godin Athene met de felle ogen:
'Ja, mocht hij maar het leven nu laten,
door de handen gedood van de Grieken, hier in zijn vaderland!
Maar mijn vader gaat als een dolle tekeer, onzinnig,
σχέτλιος, αἰὲν ἀλιτρός, ἐμῶν μενέων ἀπερωεύς·
οὐδέ τι τῶν μέμνηται, ὅ οἱ μάλα πολλάκις υἱὸν
τειρόμενον σώεσκον ὑπ᾽ Εὐρυσθῆος ἀέθλων.
ἤτοι ὃ μὲν κλαίεσκε πρὸς οὐρανόν, αὐτὰρ ἐμὲ Ζεὺς
τῷ ἐπαλεξήσουσαν ἀπ᾽ οὐρανόθεν προΐαλλεν.




365
schandalig, steeds achterbaks frustreert hij mijn plannen.
Niet meer denkt hij eraan, hoe vaak ik zijn zoon Herakles
te hulp kwam toen die met Eurystheus' opdrachten te kampen had.
Hij riep toen toch steeds weer ten hemel, maar Zeus zond dan
mij uit de hemel omlaag om hem te helpen.
εἰ γὰρ ἐγὼ τάδε ᾔδε᾽ ἐνὶ φρεσὶ πευκαλίμῃσιν
εὖτέ μιν εἰς Ἀΐδαο πυλάρταο προὔπεμψεν
ἐξ Ἐρέβευς ἄξοντα κύνα στυγεροῦ Ἀΐδαο,
οὐκ ἂν ὑπεξέφυγε Στυγὸς ὕδατος αἰπὰ ῥέεθρα.
νῦν δ᾽ ἐμὲ μὲν στυγέει, Θέτιδος δ᾽ ἐξήνυσε βουλάς,




370
Als ik dit nu geweten had in mij scherpzinnige geest
toen hij hem naar de poortsluiter Hades zond
om uit de duistere onderwereld de helhond te ontvoeren,
dan zou hij de steile stroom van de Styx niet ontsnapt zijn.
Maar nu is hij gebeten op mij en danst naar het pijpen van Thetis,
ἥ οἱ γούνατ᾽ ἔκυσσε καὶ ἔλλαβε χειρὶ γενείου,
λισσομένη τιμῆσαι Ἀχιλλῆα πτολίπορθον.
ἔσται μὰν ὅτ᾽ ἂν αὖτε φίλην γλαυκώπιδα εἴπῃ.
ἀλλὰ σὰ μὲν νῦν νῶϊν ἐπέντυε μώνυχας ἵππους,
ὄφρ᾽ ἂν ἐγὼ καταδῦσα Διὸς δόμον αἰγιόχοιο




375
zij kuste zijn knieën en pakte zijn kin met haar hand,
smekend de stedenverwoester Achilleus te eren.
Toch zal de dag komen dat hij mij zijn dierbare feloog noemt.
Maar span jij nu voor ons de eenhoevige paarden in,
terwijl ik het huis binnenga van de aigisvoerende Zeus
τεύχεσιν ἐς πόλεμον θωρήξομαι, ὄφρα ἴδωμαι
ἢ νῶϊ Πριάμοιο πάϊς κορυθαίολος Ἕκτωρ
γηθήσει προφανέντε ἀνὰ πτολέμοιο γεφύρας,
ἦ τις καὶ Τρώων κορέει κύνας ἠδ᾽ οἰωνοὺς
δημῷ καὶ σάρκεσσι, πεσὼν ἐπὶ νηυσὶν Ἀχαιῶν.




380
om mij te wapenen ten oorlog om te zien of Priamos' zoon,
Hektor met zijn wuivende helmbos, nog blij zal zijn over ons
als we op de dammen van de oorlog verschijnen en
als ook flink wat Trojanen ten prooi vallen aan honden en gieren
met hun vet en hun vlees, gesneuveld bij de schepen der Grieken'.
ὣς ἔφατ᾽, οὐδ᾽ ἀπίθησε θεὰ λευκώλενος Ἥρη.
ἣ μὲν ἐποιχομένη χρυσάμπυκας ἔντυεν ἵππους
Ἥρη πρέσβα θεὰ θυγάτηρ μεγάλοιο Κρόνοιο·
αὐτὰρ Ἀθηναίη κούρη Διὸς αἰγιόχοιο
πέπλον μὲν κατέχευεν ἑανὸν πατρὸς ἐπ᾽ οὔδει




385
Dat zei ze; de godin, de blankarmige Hera gaf daaraan gehoor,
ging naar de paarden met gouden hoofdband en spande ze in,
zij, Hera, de eerbiedwaardige dochter van de grote Kronos;
maar Athene, dochter van de aigisvoerende Zeus,
liet in het paleis van haar vader haar prachtige peplos afglijden,
ποικίλον, ὅν ῥ᾽ αὐτὴ ποιήσατο καὶ κάμε χερσίν,
ἣ δὲ χιτῶν᾽ ἐνδῦσα Διὸς νεφεληγερέταο
τεύχεσιν ἐς πόλεμον θωρήσσετο δακρυόεντα.
ἐς δ᾽ ὄχεα φλόγεα ποσὶ βήσετο, λάζετο δ᾽ ἔγχος
βριθὺ μέγα στιβαρόν, τῷ δάμνησι στίχας ἀνδρῶν




390
die zij eigenhandig gemaakt had met onvermoeibare hand,
trok een hemd aan en rustte zich uit met de wapens van Zeus,
de wolkenverzamelaar, voor de tranenverwekkende oorlog.
Zij besteeg haar vlammende wagen, en ze greep de grote,
zware lans, waarmee zij de rijen der mannen bedwingt,
ἡρώων, τοῖσίν τε κοτέσσεται ὀβριμοπάτρη.
Ἥρη δὲ μάστιγι θοῶς ἐπεμαίετ᾽ ἄρ᾽ ἵππους·
αὐτόμαται δὲ πύλαι μύκον οὐρανοῦ ἃς ἔχον Ὧραι,
τῇς ἐπιτέτραπται μέγας οὐρανὸς Οὔλυμπός τε
ἠμὲν ἀνακλῖναι πυκινὸν νέφος ἠδ᾽ ἐπιθεῖναι.




395
der helden, op wie de dochter van de geweldige vertoornd is.
Snel legde Hera de zweep over de paarden: vanzelf gingen
de poorten open van de hemel, die de Horen beheerden,
aan wie de grote hemel en de Olympos is toevertrouwd
door de stevige wolkendeur te openen en te sluiten;
τῇ ῥα δι᾽ αὐτάων κεντρηνεκέας ἔχον ἵππους.
Ζεὺς δὲ πατὴρ Ἴδηθεν ἐπεὶ ἴδε χώσατ᾽ ἄρ᾽ αἰνῶς,
Ἶριν δ᾽ ὄτρυνε χρυσόπτερον ἀγγελέουσαν·
βάσκ᾽ ἴθι Ἶρι ταχεῖα, πάλιν τρέπε μηδ᾽ ἔα ἄντην
ἔρχεσθ᾽· οὐ γὰρ καλὰ συνοισόμεθα πτόλεμον δέ.




400
hierdoorheen menden zij de opgezweepte paarden.
Maar toen vader Zeus dit zag vanaf de Ida, werd hij enorm kwaad
en spoorde Iris met de gouden vleugels aan te berichten:
'Vooruit, snelle Iris, eropaf en laat ze omkeren, maar laten ze mij niet
voor ogen komen want met mij is het slecht ruzieën.
ὧδε γὰρ ἐξερέω, τὸ δὲ καὶ τετελεσμένον ἔσται·
γυιώσω μέν σφωϊν ὑφ᾽ ἅρμασιν ὠκέας ἵππους,
αὐτὰς δ᾽ ἐκ δίφρου βαλέω κατά θ᾽ ἅρματα ἄξω·
οὐδέ κεν ἐς δεκάτους περιτελλομένους ἐνιαυτοὺς
ἕλκε᾽ ἀπαλθήσεσθον, ἅ κεν μάρπτῃσι κεραυνός·




405
Want ik zeg het volgende en dat zal zo ook gebeuren:
met verlamming ga ik hun snelle paarden onder de wagen treffen
en hen zelf slinger ik uit de wagenbak en de wagen verbrijzel ik;
in geen tien jaar zullen die twee herstellen
van de wonden die de bliksem hen toebrengt:
ὄφρα ἰδῇ γλαυκῶπις ὅτ᾽ ἂν ᾧ πατρὶ μάχηται.
Ἥρῃ δ᾽ οὔ τι τόσον νεμεσίζομαι οὐδὲ χολοῦμαι·
αἰεὶ γάρ μοι ἔωθεν ἐνικλᾶν ὅττί κεν εἴπω.
ὣς ἔφατ᾽, ὦρτο δὲ Ἶρις ἀελλόπος ἀγγελέουσα,
βῆ δ᾽ ἐξ Ἰδαίων ὀρέων ἐς μακρὸν Ὄλυμπον.




410
dan zal de scherpogige inzien wanneer ze haar vader kan bevechten.
Maar op Hera ben ik niet in die mate kwaad of vertoornd,
want zij verzet zich toch al altijd tegen wat ik zeg'.
Dat zei hij en Iris, snel als de wind, rees op om het te melden
en zij ging heen van de Ida naar de grote Olympos.
πρώτῃσιν δὲ πύλῃσι πολυπτύχου Οὐλύμποιο
ἀντομένη κατέρυκε, Διὸς δέ σφ᾽ ἔννεπε μῦθον·
πῇ μέματον; τί σφῶϊν ἐνὶ φρεσὶ μαίνεται ἦτορ;
οὐκ ἐάᾳ Κρονίδης ἐπαμυνέμεν Ἀργείοισιν.
ὧδε γὰρ ἠπείλησε Κρόνου πάϊς, ᾗ τελέει περ,




415
Vóór aan de poort van de kloofrijke Olympos
ontmoette ze hen en hield ze tegen en ze bracht Zeus' woord over:
waar moet dat heen met jullie dwaasheid? Wat maalt jullie hart?
Kronos' zoon verbiedt de Grieken te steunen,
als volgt dreigde Kronos' zoon, en zo zal het vervuld worden:
γυιώσειν μὲν σφῶϊν ὑφ᾽ ἅρμασιν ὠκέας ἵππους,
αὐτὰς δ᾽ ἐκ δίφρου βαλέειν κατά θ᾽ ἅρματα ἄξειν·
οὐδέ κεν ἐς δεκάτους περιτελλομένους ἐνιαυτοὺς
ἕλκε᾽ ἀπαλθήσεσθον, ἅ κεν μάρπτῃσι κεραυνός·
ὄφρα ἰδῇς γλαυκῶπι ὅτ᾽ ἂν σῷ πατρὶ μάχηαι.




420
jullie snelle paarden voor de wagen met verlamming te treffen
en jullie zelf uit de wagenbak te slingeren en de wagen te vernielen;
en in geen tientallen jaren zullen jullie genezen
van de wonden die zijn bliksem jullie toebrengt;
dan zal jij, scherpogige, eens zien wanneer je je tegen je vader verzet!
Ἥρῃ δ᾽ οὔ τι τόσον νεμεσίζεται οὐδὲ χολοῦται·
αἰεὶ γάρ οἱ ἔωθεν ἐνικλᾶν ὅττι κεν εἴπῃ·
ἀλλὰ σύ γ᾽ αἰνοτάτη κύον ἀδεὲς εἰ ἐτεόν γε
τολμήσεις Διὸς ἄντα πελώριον ἔγχος ἀεῖραι.



Maar op Hera is hij niet in die mate kwaad en vertoornd,
want zij verzet zich toch al altijd tegen wat hij zegt.
Maar jij bent wel alleronbeschaamd als je werkelijk
tegen Zeus je stevige lans zult durven verheffen.


8, 425 - 484: Hera en Athene binden in; Zeus' plan.

ἣ μὲν ἄρ᾽ ὣς εἰποῦσ᾽ ἀπέβη πόδας ὠκέα Ἶρις,
αὐτὰρ Ἀθηναίην Ἥρη πρὸς μῦθον ἔειπεν·
ὢ πόποι αἰγιόχοιο Διὸς τέκος, οὐκέτ᾽ ἔγωγε
νῶϊ ἐῶ Διὸς ἄντα βροτῶν ἕνεκα πτολεμίζειν·
τῶν ἄλλος μὲν ἀποφθίσθω, ἄλλος δὲ βιώτω,
ὅς κε τύχῃ· κεῖνος δὲ τὰ ἃ φρονέων ἐνὶ θυμῷ





430
- Iris met snelle voet vloog weg na deze woorden,
maar Hera sprak tot Athene de woorden:
'Oh wee, dochter van de aigisvoerende Zeus, ik kan niet meer
toestaan dat wij tegen Zeus opereren omwille van stervelingen;
laat dan maar de één omkomen, de ander overleven,
al naar gelang het treft. Hij zal toch aan Trojanen en
Τρωσί τε καὶ Δαναοῖσι δικαζέτω, ὡς ἐπιεικές.
ὣς ἄρα φωνήσασα πάλιν τρέπε μώνυχας ἵππους·
τῇσιν δ᾽ Ὧραι μὲν λῦσαν καλλίτριχας ἵππους,
καὶ τοὺς μὲν κατέδησαν ἐπ᾽ ἀμβροσίῃσι κάπῃσιν,
ἅρματα δ᾽ ἔκλιναν πρὸς ἐνώπια παμφανόωντα·




435
Grieken voltrekken wat hij in zijn hoofd heeft, zoals betaamt.
Met deze woorden wendde zij haar eenhoevige paarden weer
en de Horen spanden de paarden met mooie manen uit
en bonden ze vast bij de ruif met ambrozijn;
de wagen zetten zij tegen de blinkende wand.
αὐταὶ δὲ χρυσέοισιν ἐπὶ κλισμοῖσι κάθιζον
μίγδ᾽ ἄλλοισι θεοῖσι, φίλον τετιημέναι ἦτορ.
Ζεὺς δὲ πατὴρ Ἴδηθεν ἐΰτροχον ἅρμα καὶ ἵππους
Οὔλυμπον δὲ δίωκε, θεῶν δ᾽ ἐξίκετο θώκους.
τῷ δὲ καὶ ἵππους μὲν λῦσε κλυτὸς ἐννοσίγαιος,




440
Zelf namen ze plaats op de gouden zetels
tussen de andere goden in, neerslachtig.
Vader Zeus stuurde zijn paarden en wagen met goede wielen
vanaf de Ida naar de Olympos, de verblijfplaats der goden.
Voor hem spande de vermaarde aardschudder de paarden uit,
ἅρματα δ᾽ ἂμ βωμοῖσι τίθει κατὰ λῖτα πετάσσας·
αὐτὸς δὲ χρύσειον ἐπὶ θρόνον εὐρύοπα Ζεὺς
ἕζετο, τῷ δ᾽ ὑπὸ ποσσὶ μέγας πελεμίζετ᾽ Ὄλυμπος.
αἳ δ᾽ οἶαι Διὸς ἀμφὶς Ἀθηναίη τε καὶ Ἥρη
ἥσθην, οὐδέ τί μιν προσεφώνεον οὐδ᾽ ἐρέοντο·




445
zette de wagen op een podium en bedekte hem met een hoes.
Hij nu, de wijddonderende Zeus, nam plaats op een gouden troon
en onder zijn voeten trilde de grote Olympos;
maar Athene en Hera zaten ver weg van hem
samen apart terneer en spraken hem niet aan of vroegen hem iets.
αὐτὰρ ὃ ἔγνω ᾗσιν ἐνὶ φρεσὶ φώνησέν τε·
τίφθ᾽ οὕτω τετίησθον Ἀθηναίη τε καὶ Ἥρη;
οὐ μέν θην κάμετόν γε μάχῃ ἔνι κυδιανείρῃ
ὀλλῦσαι Τρῶας, τοῖσιν κότον αἰνὸν ἔθεσθε.
πάντως, οἷον ἐμόν γε μένος καὶ χεῖρες ἄαπτοι,




450
Maar hij doorzag hen en sprak tot hen:
Wat zitten jullie zo neerslachtig, Athene en Hera?
Jullie hebben je toch niet te sterk afgemat om in de oorlog,
die roem brengt, Trojanen te doden, op wie jullie zo toornig zijn.
Geenszins zullen de goden op de Olympos mijn besluit wijzigen,
οὐκ ἄν με τρέψειαν ὅσοι θεοί εἰσ᾽ ἐν Ὀλύμπῳ.
σφῶϊν δὲ πρίν περ τρόμος ἔλλαβε φαίδιμα γυῖα
πρὶν πόλεμόν τε ἰδεῖν πολέμοιό τε μέρμερα ἔργα.
ὧδε γὰρ ἐξερέω, τὸ δέ κεν τετελεσμένον ἦεν·
οὐκ ἂν ἐφ᾽ ὑμετέρων ὀχέων πληγέντε κεραυνῷ




455
zo groot als mijn kracht is en mijn handen ongenaakbaar.
Maar jullie beiden beving al een siddering je prachtige leden,
voordat jullie de strijd en de heugelijke oorlogsdaden zagen!
Dit zal ik jullie zeggen en ik zou het hebben volvoerd:
jullie zouden, getroffen door mijn bliksem, niet op je wagen
ἂψ ἐς Ὄλυμπον ἵκεσθον, ἵν᾽ ἀθανάτων ἕδος ἐστίν.
ὣς ἔφαθ᾽, αἳ δ᾽ ἐπέμυξαν Ἀθηναίη τε καὶ Ἥρη·
πλησίαι αἵ γ᾽ ἥσθην, κακὰ δὲ Τρώεσσι μεδέσθην.
ἤτοι Ἀθηναίη ἀκέων ἦν οὐδέ τι εἶπε
σκυζομένη Διὶ πατρί, χόλος δέ μιν ἄγριος ᾕρει·




460
teruggekeerd zijn naar de Olympos, waar de zetel der goden is'.
Zo sprak hij, en zij, Athene en Hera, zaten mokkend bijeen,
dichtbij elkaar en beraamden ellende voor de Trojanen.
Athene, nu, zweeg en zei niets, wrokkend
tegen haar vader en wilde toorn hield haar in haar greep;
Ἥρῃ δ᾽ οὐκ ἔχαδε στῆθος χόλον, ἀλλὰ προσηύδα·
αἰνότατε Κρονίδη ποῖον τὸν μῦθον ἔειπες.
εὖ νυ καὶ ἡμεῖς ἴδμεν ὅ τοι σθένος οὐκ ἀλαπαδνόν·
ἀλλ᾽ ἔμπης Δαναῶν ὀλοφυρόμεθ᾽ αἰχμητάων,
οἵ κεν δὴ κακὸν οἶτον ἀναπλήσαντες ὄλωνται.




465
maar Hera bedwong haar toorn niet, nee, zij sprak tot hem:
'Allervreselijkste zoon van Kronos, wat bedoel je daarmee?
Ook wij weten heus wel dat je kracht niet gering is,
maar toch beklagen wij de strijders der Grieken,
die door hun doodslot gaan sneuvelen.
ἀλλ᾽ ἤτοι πολέμου μὲν ἀφεξόμεθ᾽, εἰ σὺ κελεύεις·
βουλὴν δ᾽ Ἀργείοις ὑποθησόμεθ᾽ ἥ τις ὀνήσει,
ὡς μὴ πάντες ὄλωνται ὀδυσσαμένοιο τεοῖο.
τὴν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη νεφεληγερέτα Ζεύς·
ἠοῦς δὴ καὶ μᾶλλον ὑπερμενέα Κρονίωνα




470
Welnu, wij zullen ons niet mengen in de strijd, als jij daarop staat,
maar wel de Grieken van gunstige adviezen voorzien,
opdat zij niet allen omkomen vanwege jouw toorn'.
Haar sprak daarop ten antwoord de wolkenverzamelaar Zeus:
'In de ochtend, grootogige, machtige Hera, kun je zien -
ὄψεαι, αἴ κ᾽ ἐθέλῃσθα, βοῶπις πότνια Ἥρη
ὀλλύντ᾽ Ἀργείων πουλὺν στρατὸν αἰχμητάων·
οὐ γὰρ πρὶν πολέμου ἀποπαύσεται ὄβριμος Ἕκτωρ
πρὶν ὄρθαι παρὰ ναῦφι ποδώκεα Πηλεΐωνα,
ἤματι τῷ ὅτ᾽ ἂν οἳ μὲν ἐπὶ πρύμνῃσι μάχωνται




475
als je dat wilt - hoe de oppermachtige zoon van Kronos
nog meer krijgsvolk der Grieken laat sneuvelen;
want niet zal de krijgshaftige Hektor de strijd staken
voordat bij de schepen de snelvoetige Achilleus opstaat
op de dag dat zij bij de achtersteven vechten in een vreselijk gedrang
στείνει ἐν αἰνοτάτῳ περὶ Πατρόκλοιο θανόντος·
ὣς γὰρ θέσφατόν ἐστι· σέθεν δ᾽ ἐγὼ οὐκ ἀλεγίζω
χωομένης, οὐδ᾽ εἴ κε τὰ νείατα πείραθ᾽ ἵκηαι
γαίης καὶ πόντοιο, ἵν᾽ Ἰάπετός τε Κρόνος τε
ἥμενοι οὔτ᾽ αὐγῇς Ὑπερίονος Ἠελίοιο




480
om het lichaam van de gesneuvelde Patroklos.
Zo is het immers beschikt. En om jouw gemok bekommer ik mij niet,
zelfs niet als je in de onderste regionen zult afdalen
van de aarde of de zee, waar Iapetos en Kronos verblijven
zonder het genot van de straling van Hyperions Zon
τέρποντ᾽ οὔτ᾽ ἀνέμοισι, βαθὺς δέ τε Τάρταρος ἀμφίς·
οὐδ᾽ ἢν ἔνθ᾽ ἀφίκηαι ἀλωμένη, οὔ σευ ἔγωγε
σκυζομένης ἀλέγω, ἐπεὶ οὐ σέο κύντερον ἄλλο.
ὣς φάτο, τὸν δ᾽ οὔ τι προσέφη λευκώλενος Ἥρη.



en zonder koelte van de winden, omgeven door de diepe Tartaros;
zelfs niet als je daar op je zwerftocht zou komen, je woede
doet me toch niets, want er bestaat niets onbeschaamder dan jij'.
Zo voer hij uit, maar de blankarmige Hera zei niets meer tegen hem.


8, 485 - 565: De Trojanen bivakkeren buiten de stad.

ἐν δ᾽ ἔπεσ᾽ Ὠκεανῷ λαμπρὸν φάος ἠελίοιο
ἕλκον νύκτα μέλαιναν ἐπὶ ζείδωρον ἄρουραν.
Τρωσὶν μέν ῥ᾽ ἀέκουσιν ἔδυ φάος, αὐτὰρ Ἀχαιοῖς
ἀσπασίη τρίλλιστος ἐπήλυθε νὺξ ἐρεβεννή.
Τρώων αὖτ᾽ ἀγορὴν ποιήσατο φαίδιμος Ἕκτωρ
νόσφι νεῶν ἀγαγὼν ποταμῷ ἔπι δινήεντι,





490
- Nu daalde het stralende licht van de zon neer in de Oceaan
en sleepte de donkere nacht over het graanschenkende land.
De Trojanen was dit een ergernis, maar voor de Grieken
kwam de duisternis van de nacht tot hun vreugde en vurig gewenst.
De stralende Hektor belegde nu een vergadering van de Trojanen
en bracht hen weg van de schepen bij een kolkrijke rivier
ἐν καθαρῷ ὅθι δὴ νεκύων διεφαίνετο χῶρος.
ἐξ ἵππων δ᾽ ἀποβάντες ἐπὶ χθόνα μῦθον ἄκουον
τόν ῥ᾽ Ἕκτωρ ἀγόρευε Διῒ φίλος· ἐν δ᾽ ἄρα χειρὶ
ἔγχος ἔχ᾽ ἑνδεκάπηχυ· πάροιθε δὲ λάμπετο δουρὸς
αἰχμὴ χαλκείη, περὶ δὲ χρύσεος θέε πόρκης,




495
op een open plaats zonder lijken.
Afgestegen van hun wagens op de grond luisterden zij
naar de woorden van Hektor, bij Zeus geliefd; in zijn hand
hield hij zijn lans van elf ellen, en voor aan de speer
blonk een bronzen punt met een gouden ring afgezet.
τῷ ὅ γ᾽ ἐρεισάμενος ἔπεα Τρώεσσι μετηύδα·
κέκλυτέ μευ Τρῶες καὶ Δάρδανοι ἠδ᾽ ἐπίκουροι·
νῦν ἐφάμην νῆάς τ᾽ ὀλέσας καὶ πάντας Ἀχαιοὺς
ἂψ ἀπονοστήσειν προτὶ Ἴλιον ἠνεμόεσσαν·
ἀλλὰ πρὶν κνέφας ἦλθε, τὸ νῦν ἐσάωσε μάλιστα




500
Daarop geleund sprak hij tot de Trojanen:
'Luister naar mij, Trojanen en Dardanen en bondgenoten;
nu had ik verwacht dat we na het vernietigen van de schepen
met alle Grieken terug zouden keren naar het winderige Troje;
maar de schemering is ons vóór: nu redt vooral die
Ἀργείους καὶ νῆας ἐπὶ ῥηγμῖνι θαλάσσης.
ἀλλ᾽ ἤτοι νῦν μὲν πειθώμεθα νυκτὶ μελαίνῃ
δόρπά τ᾽ ἐφοπλισόμεσθα· ἀτὰρ καλλίτριχας ἵππους
λύσαθ᾽ ὑπὲξ ὀχέων, παρὰ δέ σφισι βάλλετ᾽ ἐδωδήν·
ἐκ πόλιος δ᾽ ἄξεσθε βόας καὶ ἴφια μῆλα




505
de Grieken en hun schepen bij de branding.
Laten wij dan nu maar gehoor geven aan de donkere nacht
en een maaltijd bereiden; span dus de paarden uit met
hun mooie manen en zet hen voedsel voor.
Breng uit de stad snel runderen aan en vet kleinvee
καρπαλίμως, οἶνον δὲ μελίφρονα οἰνίζεσθε
σῖτόν τ᾽ ἐκ μεγάρων, ἐπὶ δὲ ξύλα πολλὰ λέγεσθε,
ὥς κεν παννύχιοι μέσφ᾽ ἠοῦς ἠριγενείης
καίωμεν πυρὰ πολλά, σέλας δ᾽ εἰς οὐρανὸν ἵκῃ,
μή πως καὶ διὰ νύκτα κάρη κομόωντες Ἀχαιοὶ




510
en breng uit de huizen honingzoete wijn en brood
en sprokkel veel hout, opdat we de hele nacht door
tot aan de vroege morgen veel vuren kunnen stoken,
en de gloed ten hemel stijgt en de langharige Grieken
niet onder dekking van de nacht proberen te vluchten
φεύγειν ὁρμήσωνται ἐπ᾽ εὐρέα νῶτα θαλάσσης.
μὴ μὰν ἀσπουδί γε νεῶν ἐπιβαῖεν ἕκηλοι,
ἀλλ᾽ ὥς τις τούτων γε βέλος καὶ οἴκοθι πέσσῃ
βλήμενος ἢ ἰῷ ἢ ἔγχεϊ ὀξυόεντι
νηὸς ἐπιθρῴσκων, ἵνα τις στυγέῃσι καὶ ἄλλος




515
over de brede rug van de zee.
Welnu, laten zij niet zonder moeite en strijd aan boord gaan
maar laat menigeen ook thuis nog van zijn wond genieten,
getroffen door een pijl of een scherpgepunte speer
toen hij aan boord klom, dan zal ook een ander het wel laten
Τρωσὶν ἐφ᾽ ἱπποδάμοισι φέρειν πολύδακρυν Ἄρηα.
κήρυκες δ᾽ ἀνὰ ἄστυ Διῒ φίλοι ἀγγελλόντων
παῖδας πρωθήβας πολιοκροτάφους τε γέροντας
λέξασθαι περὶ ἄστυ θεοδμήτων ἐπὶ πύργων·
θηλύτεραι δὲ γυναῖκες ἐνὶ μεγάροισιν ἑκάστη




520
om de paardenfokkende Trojanen een gruwelijke oorlog te verklaren!
Herauten, geliefd aan Zeus, moeten overal in de stad
de jonge kinderen en ouderen met grijze slapen oproepen
positie te kiezen op de door goden gebouwde bolwerken om de stad;
en laat elk van de vrouwen, het zwakke geslacht, in huis een groot vuur ontsteken:
πῦρ μέγα καιόντων· φυλακὴ δέ τις ἔμπεδος ἔστω
μὴ λόχος εἰσέλθῃσι πόλιν λαῶν ἀπεόντων.
ὧδ᾽ ἔστω Τρῶες μεγαλήτορες ὡς ἀγορεύω·
μῦθος δ᾽ ὃς μὲν νῦν ὑγιὴς εἰρημένος ἔστω,
τὸν δ᾽ ἠοῦς Τρώεσσι μεθ᾽ ἱπποδάμοις ἀγορεύσω.




525
zo moet er een stevige wacht zijn, opdat niet uit een hinderlaag
iemand de stad binnendringt als het leger er niet is.
- Als volgt moet het gaan, fiere Trojanen, zoals ik zeg:
nu moet een goed krijgsplan uitgezet worden,
dat ik morgen vroeg aankondig aan de paardenfokkende Trojanen.
ἔλπομαι εὐχόμενος Διί τ᾽ ἄλλοισίν τε θεοῖσιν
ἐξελάαν ἐνθένδε κύνας κηρεσσιφορήτους,
οὓς κῆρες φορέουσι μελαινάων ἐπὶ νηῶν.
ἀλλ᾽ ἤτοι ἐπὶ νυκτὶ φυλάξομεν ἡμέας αὐτούς,
πρῶϊ δ᾽ ὑπηοῖοι σὺν τεύχεσι θωρηχθέντες




530
Ik bid vol vertrouwen tot Zeus en de andere goden
dat zij van hier verdrijven die door het lot gebrachte honden,
die het lot hier bracht op hun donkere schepen.
Welnu, in de nacht zullen we onszelf beschermen,
maar in de ochtend zullen we, gehuld in onze wapenrusting,
νηυσὶν ἔπι γλαφυρῇσιν ἐγείρομεν ὀξὺν Ἄρηα.
εἴσομαι εἴ κέ μ᾽ ὁ Τυδεΐδης κρατερὸς Διομήδης
πὰρ νηῶν πρὸς τεῖχος ἀπώσεται, ἤ κεν ἐγὼ τὸν
χαλκῷ δῃώσας ἔναρα βροτόεντα φέρωμαι.
αὔριον ἣν ἀρετὴν διαείσεται, εἴ κ᾽ ἐμὸν ἔγχος




535
een felle strijd aangaan bij de gewelfde schepen.
Dan zal ik weten of Tydeus' zoon, de sterke Diomedes,
mij bij de schepen vandaan terugdringen zal naar de stad, of dat ik hem
met mijn brons doden zal en beroven van zijn bloedige wapens.
Morgen zal hij zijn voortreffelijkheid leren kennen: als hij mijn lans
μείνῃ ἐπερχόμενον· ἀλλ᾽ ἐν πρώτοισιν ὀΐω
κείσεται οὐτηθείς, πολέες δ᾽ ἀμφ᾽ αὐτὸν ἑταῖροι
ἠελίου ἀνιόντος ἐς αὔριον· εἰ γὰρ ἐγὼν ὣς
εἴην ἀθάνατος καὶ ἀγήρως ἤματα πάντα,
τιοίμην δ᾽ ὡς τίετ᾽ Ἀθηναίη καὶ Ἀπόλλων,




540
kan opvangen als die op hem afkomt; maar ik denk dat hij
getroffen zal liggen bij de voorstrijders en veel makkers bij hem
als morgen de zon opkomt. Mocht ik even zo zeker
onsterfelijk zijn en eeuwig jong en geëerd worden
als Athene en Apollo,
ὡς νῦν ἡμέρη ἥδε κακὸν φέρει Ἀργείοισιν.
ὣς Ἕκτωρ ἀγόρευ᾽, ἐπὶ δὲ Τρῶες κελάδησαν.
οἳ δ᾽ ἵππους μὲν λῦσαν ὑπὸ ζυγοῦ ἱδρώοντας,
δῆσαν δ᾽ ἱμάντεσσι παρ᾽ ἅρμασιν οἷσιν ἕκαστος·
ἐκ πόλιος δ᾽ ἄξοντο βόας καὶ ἴφια μῆλα




545
zo waar als de komende dag ellende brengt aan de Grieken'.
Zo sprak Hektor tot hen en de Trojanen juichten hem toe.
Zij spanden de zwetende paarden uit van onder hun juk
en ieder bond zijn span met een riem aan de wagen.
Vanuit de stad voerden zij snel runderen en vette schapen
καρπαλίμως, οἶνον δὲ μελίφρονα οἰνίζοντο,
σῖτόν τ᾽ ἐκ μεγάρων, ἐπὶ δὲ ξύλα πολλὰ λέγοντο.
κνίσην δ᾽ ἐκ πεδίου ἄνεμοι φέρον οὐρανὸν εἴσω.[549]
οἳ δὲ μέγα φρονέοντες ἐπὶ πτολέμοιο γεφύρας [553]
εἴατο παννύχιοι, πυρὰ δέ σφισι καίετο πολλά.
ὡς δ᾽ ὅτ᾽ ἐν οὐρανῷ ἄστρα φαεινὴν ἀμφὶ σελήνην





555
en honingzoete wijn droegen zij aan uit de huizen
alsook brood en zij sprokkelden veel hout bijeen.
De winden droegen de vetdamp van de vlakte ten hemel.
De hele nacht zaten zij vol goede moed op het slagveld
en vele vuren hielden zij brandend.
En zoals wanneer aan de hemel heel helder sterren flonkeren
φαίνετ᾽ ἀριπρεπέα, ὅτε τ᾽ ἔπλετο νήνεμος αἰθήρ·
ἔκ τ᾽ ἔφανεν πᾶσαι σκοπιαὶ καὶ πρώονες ἄκροι
καὶ νάπαι· οὐρανόθεν δ᾽ ἄρ᾽ ὑπερράγη ἄσπετος αἰθήρ,
πάντα δὲ εἴδεται ἄστρα, γέγηθε δέ τε φρένα ποιμήν·
τόσσα μεσηγὺ νεῶν ἠδὲ Ξάνθοιο ῥοάων




560
rondom de maan bij windstil weer:
- alle kapen en hoge voorgebergten en ravijnen
lichten op en aan de hemel breekt onmetelijk het uitspansel door,
bezaaid met sterren toont die zich, de herder een vreugde -
zoveel vuren flikkerden tussen de schepen en de Xanthos-stroom
Τρώων καιόντων πυρὰ φαίνετο Ἰλιόθι πρό.
χίλι᾽ ἄρ᾽ ἐν πεδίῳ πυρὰ καίετο, πὰρ δὲ ἑκάστῳ
εἴατο πεντήκοντα σέλᾳ πυρὸς αἰθομένοιο.
ἵπποι δὲ κρῖ λευκὸν ἐρεπτόμενοι καὶ ὀλύρας
ἑσταότες παρ᾽ ὄχεσφιν ἐΰθρονον Ἠῶ μίμνον.




565
door de Trojanen ontstoken vóór Troje.
Duizend vuren brandden dus in de vlakte en bij elk
zaten vijftig man in het schijnsel van het laaiende vuur.
De paarden stonden bij de wagens, knabbelend blanke gerst
en spelt, en wachtten de Dageraad, op mooie troon gezeten.



Terug naar inhoudsopgave llias
12/5/'15