Ilias 4



Ὁμήρου Ἰλιὰς Δ

4,1 - 85: Beraad van de goden.

Οἳ δὲ θεοὶ πὰρ Ζηνὶ καθήμενοι ἠγορόωντο
χρυσέῳ ἐν δαπέδῳ, μετὰ δέ σφισι πότνια Ἥβη
νέκταρ ἐοινοχόει· τοὶ δὲ χρυσέοις δεπάεσσι
δειδέχατ᾽ ἀλλήλους, Τρώων πόλιν εἰσορόωντες·
αὐτίκ᾽ ἐπειρᾶτο Κρονίδης ἐρεθιζέμεν Ἥρην




5
- De goden intussen zaten in vergadering bij Zeus
in diens gouden verblijf en de respectabele Hebe schonk hen
nektar in: zij dronken elkaar toe in gouden bekers,
terwijl zij op de stad der Trojanen neerkeken.
Direct probeerde Kronos' zoon Hera te tarten
κερτομίοις ἐπέεσσι παραβλήδην ἀγορεύων·
δοιαὶ μὲν Μενελάῳ ἀρηγόνες εἰσὶ θεάων
Ἥρη τ᾽ Ἀργείη καὶ Ἀλαλκομενηῒς Ἀθήνη.
Ἀλλ᾽ ἤτοι ταὶ νόσφι καθήμεναι εἰσορόωσαι
τέρπεσθον· τῷ δ᾽ αὖτε φιλομειδὴς Ἀφροδίτη




10
met stekelig smalende opmerkingen:
"Onder de goden heeft Menelaos twee helpsters,
de Argivische Hera en assertieve Athene.
Maar die bleven zich amuseren met van ver zitten kijken,
terwijl Afrodite met haar vriendelijk lachje
αἰεὶ παρμέμβλωκε καὶ αὐτοῦ κῆρας ἀμύνει·
καὶ νῦν ἐξεσάωσεν ὀϊόμενον θανέεσθαι.
Ἀλλ᾽ ἤτοι νίκη μὲν ἀρηϊφίλου Μενελάου·
ἡμεῖς δὲ φραζώμεθ᾽ ὅπως ἔσται τάδε ἔργα,
ἤ ῥ᾽ αὖτις πόλεμόν τε κακὸν καὶ φύλοπιν αἰνὴν




15
hèm steeds bijstaat en het doodlot ver van hem houdt:
ook nu redde ze hem hoewel hij de dood al in het gezicht keek.
Nou, de zege komt toch echt toe aan de dappere Menelaos:
laten wij maar overleggen hoe dit moet verlopen,
of we weer een ellendige oorlog en bruut krijgsgewoel
ὄρσομεν, ἦ φιλότητα μετ᾽ ἀμφοτέροισι βάλωμεν.
Εἰ δ᾽ αὖ πως τόδε πᾶσι φίλον καὶ ἡδὺ γένοιτο,
ἤτοι μὲν οἰκέοιτο πόλις Πριάμοιο ἄνακτος,
αὖτις δ᾽ Ἀργείην Ἑλένην Μενέλαος ἄγοιτο.
Ὣς ἔφαθ᾽, αἳ δ᾽ ἐπέμυξαν Ἀθηναίη τε καὶ Ἥρη·




20
laten ontbranden, ofwel vrede aan weerszijden zullen bezorgen.
Als nu dit laatste wel aan allen het beste lijkt:
dan mag de stad van vorst Priamos zijn inwoners houden,
en Menelaos de Griekse Helena terugvoeren".
Zo sprak hij, maar Athene en Hera morden hierover en
πλησίαι αἵ γ᾽ ἥσθην, κακὰ δὲ Τρώεσσι μεδέσθην.
Ἤτοι Ἀθηναίη ἀκέων ἦν οὐδέ τι εἶπε
σκυζομένη Διὶ πατρί, χόλος δέ μιν ἄγριος ᾕρει·
Ἥρῃ δ᾽ οὐκ ἔχαδε στῆθος χόλον, ἀλλὰ προσηύδα·
αἰνότατε Κρονίδη ποῖον τὸν μῦθον ἔειπες·




25
bogen zich naar elkaar over, op kwaad broedend voor de Trojanen.
Athene hield zich nog stil en zei niets, al was ze verbolgen op Zeus,
haar vader, en maakte woeste toorn zich van haar meester;
maar Hera kon haar woede niet inhouden, nee, zei sprak:
"Geduchte zoon van Kronos, wat zei je daar nu?
πῶς ἐθέλεις ἅλιον θεῖναι πόνον ἠδ᾽ ἀτέλεστον,
ἱδρῶ θ᾽ ὃν ἵδρωσα μόγῳ, καμέτην δέ μοι ἵπποι
λαὸν ἀγειρούσῃ, Πριάμῳ κακὰ τοῖό τε παισίν.
Ἕρδ᾽· ἀτὰρ οὔ τοι πάντες ἐπαινέομεν θεοὶ ἄλλοι.
Τὴν δὲ μέγ᾽ ὀχθήσας προσέφη νεφεληγερέτα Ζεύς·




30
Wil je soms de moeite tenietdoen en vruchteloos maken,
die ik me gaf, zwetend en mijn paarden afmattend, bij het ronselen
van krijgsvolk tot onheil voor Priamos en diens zonen?
Doe dat; maar wij, andere goden, staan daar niet eensgezind achter!"
Tot haar sprak, in woede ontstoken, de wolkenverzamelaar Zeus:
δαιμονίη τί νύ σε Πρίαμος Πριάμοιό τε παῖδες
τόσσα κακὰ ῥέζουσιν, ὅ τ᾽ ἀσπερχὲς μενεαίνεις
Ἰλίου ἐξαλαπάξαι ἐϋκτίμενον πτολίεθρον;
εἰ δὲ σύ γ᾽ εἰσελθοῦσα πύλας καὶ τείχεα μακρὰ
ὠμὸν βεβρώθοις Πρίαμον Πριάμοιό τε παῖδας




35
"Verdwaasde, hoe doen toch Priamos en zijn zonen jou
zoveel kwaad dat jij mateloos ernaar streeft
de prachtige stad Ilios te vernietigen?
Pas als jij de poorten en hoge muren bent binnengegaan
om Priamos en diens zonen rauw te verslinden
ἄλλους τε Τρῶας, τότε κεν χόλον ἐξακέσαιο.
Ἕρξον ὅπως ἐθέλεις· μὴ τοῦτό γε νεῖκος ὀπίσσω
σοὶ καὶ ἐμοὶ μέγ᾽ ἔρισμα μετ᾽ ἀμφοτέροισι γένηται.
Ἄλλο δέ τοι ἐρέω, σὺ δ᾽ ἐνὶ φρεσὶ βάλλεο σῇσιν·
ὁππότε κεν καὶ ἐγὼ μεμαὼς πόλιν ἐξαλαπάξαι




40
en ook de andereTrojanen: pas dan zul je je toorn kunnen stillen!
Doe maar zoals je verkiest, opdat dit niet later een oorzaak
van hevige twist tussen ons beiden, jou en mij, wordt.
Maar dit wil ik wel zeggen, houd jij dit wel voor ogen:
wanneer ook ík ooit, verlangend een stad uit te roeien,
τὴν ἐθέλω ὅθι τοι φίλοι ἀνέρες ἐγγεγάασι,
μή τι διατρίβειν τὸν ἐμὸν χόλον, ἀλλά μ᾽ ἐᾶσαι·
καὶ γὰρ ἐγὼ σοὶ δῶκα ἑκὼν ἀέκοντί γε θυμῷ·
αἳ γὰρ ὑπ᾽ ἠελίῳ τε καὶ οὐρανῷ ἀστερόεντι
ναιετάουσι πόληες ἐπιχθονίων ἀνθρώπων,




45
zó een bedoel ik, waar mensen in wonen die jou ter harte gaan,
dwarsboom dan ook niet míjn toorn, maar laat me begaan,
want ik heb jou nu je zin gegeven, met tegenzin mijnerzijds;
want van alle steden der mensen op aarde
die gelegen zijn onder de zon en de sterrenrijke hemel
τάων μοι περὶ κῆρι τιέσκετο Ἴλιος ἱρὴ
καὶ Πρίαμος καὶ λαὸς ἐϋμμελίω Πριάμοιο.
Οὐ γάρ μοί ποτε βωμὸς ἐδεύετο δαιτὸς ἐΐσης
λοιβῆς τε κνίσης τε· τὸ γὰρ λάχομεν γέρας ἡμεῖς.
Τὸν δ᾽ ἠμείβετ᾽ ἔπειτα βοῶπις πότνια Ἥρη·




50
was het heilige Ilios mij steeds van harte geliefd,
en Priamos met stevige lans en zijn volk.
Nooit immers ontbrak het mijn altaar aan het deel dat mij toekwam
noch plengoffer noch vetdamp: dat offergeschenk kregen wij."
Hem antwoordde daarop de grootogige, respectabele Hera:
ἤτοι ἐμοὶ τρεῖς μὲν πολὺ φίλταταί εἰσι πόληες
Ἄργός τε Σπάρτη τε καὶ εὐρυάγυια Μυκήνη·
τὰς διαπέρσαι ὅτ᾽ ἄν τοι ἀπέχθωνται περὶ κῆρι·
τάων οὔ τοι ἐγὼ πρόσθ᾽ ἵσταμαι οὐδὲ μεγαίρω.
Εἴ περ γὰρ φθονέω τε καὶ οὐκ εἰῶ διαπέρσαι,




55
Werkelijk, mij zijn drie steden het dierbaarst van alle:
Argos, Sparta en Mykene met haar brede straten:
roei ze uit wanneer ze gehaat bij je zijn:
geen ervan ga ik tegen jou beschermen, ik misgun ze je niet
Want ook al wijs ik het af en verzet ik mij tegen verwoesting,
οὐκ ἀνύω φθονέουσ᾽ ἐπεὶ ἦ πολὺ φέρτερός ἐσσι.
Ἀλλὰ χρὴ καὶ ἐμὸν θέμεναι πόνον οὐκ ἀτέλεστον·
καὶ γὰρ ἐγὼ θεός εἰμι, γένος δέ μοι ἔνθεν ὅθεν σοί,
καί με πρεσβυτάτην τέκετο Κρόνος ἀγκυλομήτης,
ἀμφότερον γενεῇ τε καὶ οὕνεκα σὴ παράκοιτις




60
dat verzet baat me toch niet, daar jij veel machtiger bent.
Toch mag je ook mijn streven niet frustreren:
ook ik ben immers godin, van dezelfde afkomst als jij;
ja, zelfs verwekte de listige Kronos mij als hoogste dochter
èn door mijn geboorte èn omdat ik jouw echtgenote mag heten,
κέκλημαι, σὺ δὲ πᾶσι μετ᾽ ἀθανάτοισιν ἀνάσσεις.
Ἀλλ᾽ ἤτοι μὲν ταῦθ᾽ ὑποείξομεν ἀλλήλοισι,
σοὶ μὲν ἐγώ, σὺ δ᾽ ἐμοί· ἐπὶ δ᾽ ἕψονται θεοὶ ἄλλοι
ἀθάνατοι· σὺ δὲ θᾶσσον Ἀθηναίῃ ἐπιτεῖλαι
ἐλθεῖν ἐς Τρώων καὶ Ἀχαιῶν φύλοπιν αἰνήν,




65
terwijl jij heerst over alle onsterfelijken.
Hierin zullen wij toegeeflijk zijn aan elkaar,
ik aan jou en jij aan mij en de andere onsterfelijke goden
zullen ons hierin volgen. Geef jij nu Athene de opdracht
naar het strijdperk van Trojanen en Grieken te gaan,
πειρᾶν δ᾽ ὥς κε Τρῶες ὑπερκύδαντας Ἀχαιοὺς
ἄρξωσι πρότεροι ὑπὲρ ὅρκια δηλήσασθαι.
Ὣς ἔφατ᾽, οὐδ᾽ ἀπίθησε πατὴρ ἀνδρῶν τε θεῶν τε·
αὐτίκ᾽ Ἀθηναίην ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
αἶψα μάλ᾽ ἐς στρατὸν ἐλθὲ μετὰ Τρῶας καὶ Ἀχαιούς,




70
om te proberen de Trojanen als eersten de overmoedige Grieken
te laten provoceren door schending van het verdrag."
Zo sprak zij en de vader van mensen en goden leende haar het oor
en gaf terstond aan Athene de duidelijke opdracht:
"Ga direct naar het strijdperk, naar Trojanen en Grieken,
πειρᾶν δ᾽ ὥς κε Τρῶες ὑπερκύδαντας Ἀχαιοὺς
ἄρξωσι πρότεροι ὑπὲρ ὅρκια δηλήσασθαι.
Ὣς εἰπὼν ὄτρυνε πάρος μεμαυῖαν Ἀθήνην,
βῆ δὲ κατ᾽ Οὐλύμποιο καρήνων ἀΐξασα.
Οἷον δ᾽ ἀστέρα ἧκε Κρόνου πάϊς ἀγκυλομήτεω




75
en zorg ervoor dat de Trojanen de overmoedige Grieken
tarten door letsel toe te brengen in strijd met het verdrag."
Met deze opdracht prikkelde hij Athene, toch al daarop belust,
en zij sprong op en daalde af van de toppen van de Olympos.
Als een meteoor zond de zoon van de listige Kronos haar voort,
ἢ ναύτῃσι τέρας ἠὲ στρατῷ εὐρέϊ λαῶν
λαμπρόν· τοῦ δέ τε πολλοὶ ἀπὸ σπινθῆρες ἵενται·
τῷ ἐϊκυῖ᾽ ἤϊξεν ἐπὶ χθόνα Παλλὰς Ἀθήνη,
κὰδ δ᾽ ἔθορ᾽ ἐς μέσσον· θάμβος δ᾽ ἔχεν εἰσορόωντας
Τρῶάς θ᾽ ἱπποδάμους καὶ ἐϋκνήμιδας Ἀχαιούς·




80
een teken voor schippers of een breed leger krijgsvolk,
zo 'n felle schicht: daar schieten veel vonken vanaf;
daarop lijkend vloog Pallas Athene naar de aarde
en landde in hun midden: ontzag beving hen bij de aanblik,
de wagenmennende Trojanen en de goedgepantserde Grieken;
ὧδε δέ τις εἴπεσκεν ἰδὼν ἐς πλησίον ἄλλον·
ἦ ῥ᾽ αὖτις πόλεμός τε κακὸς καὶ φύλοπις αἰνὴ
ἔσσεται, ἢ φιλότητα μετ᾽ ἀμφοτέροισι τίθησι
Ζεύς, ὅς τ᾽ ἀνθρώπων ταμίης πολέμοιο τέτυκται.
Ὣς ἄρα τις εἴπεσκεν Ἀχαιῶν τε Τρώων τε.




85
en menigeen keek zijn buurman aan en zei:
"Gaat het nu weer op oorlog uitdraaien en verbitterd gevecht
of brengt Zeus vriendschap voor beide partijen,
hij die toch regelt het oorlogsgeweld onder de mensen?"
Zo sprak menigeen van de Grieken en de Trojanen.


4,86 - 147: Athene en Pandaros.

Ἣ δ᾽ ἀνδρὶ ἰκέλη Τρώων κατεδύσεθ᾽ ὅμιλον
Λαοδόκῳ Ἀντηνορίδῃ κρατερῷ αἰχμητῇ,
Πάνδαρον ἀντίθεον διζημένη εἴ που ἐφεύροι.
Εὗρε Λυκάονος υἱὸν ἀμύμονά τε κρατερόν τε
ἑσταότ᾽· ἀμφὶ δέ μιν κρατεραὶ στίχες ἀσπιστάων




90
- Zij nu drong de menigte Trojanen binnen in de gedaante
van een man, Antenors zoon Laodokos, een geduchte lansvechter,
op zoek naar de uitmuntende Pandaros, in de hoop hem te vinden.
En zij zag de voortreffelijke, sterke zoon van Lykaoon staan
met rondom hem krachtige gelederen schilddragende krijgers
λαῶν, οἵ οἱ ἕποντο ἀπ᾽ Αἰσήποιο ῥοάων·
ἀγχοῦ δ᾽ ἱσταμένη ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ἦ ῥά νύ μοί τι πίθοιο Λυκάονος υἱὲ δαΐφρον.
Τλαίης κεν Μενελάῳ ἐπιπροέμεν ταχὺν ἰόν,
πᾶσι δέ κε Τρώεσσι χάριν καὶ κῦδος ἄροιο,




95
die hem gevolgd waren vanaf de rivier de Aisepos.
Zij ging naar hem toe en zei hem duidelijk:
"Let op wat ik zeg, schrandere zoon van Lykaoon:
zou jij een snelle pijl af durven schieten op Menelaos
en zo prachtige roem oogsten bij alle Trojanen,
ἐκ πάντων δὲ μάλιστα Ἀλεξάνδρῳ βασιλῆϊ.
Τοῦ κεν δὴ πάμπρωτα παρ᾽ ἀγλαὰ δῶρα φέροιο,
αἴ κεν ἴδῃ Μενέλαον ἀρήϊον Ἀτρέος υἱὸν
σῷ βέλεϊ δμηθέντα πυρῆς ἐπιβάντ᾽ ἀλεγεινῆς.
Ἀλλ᾽ ἄγ᾽ ὀΐστευσον Μενελάου κυδαλίμοιο,




100
maar het meest van allen bij vorst Alexander?
Van hem zul je bij uitstek prachtige geschenken ontvangen,
als hij de krijgslustige Menelaos, zoon van Atreus,
gesneuveld door jouw schot de smartelijke brandstapel ziet opgaan.
Dus, vooruit, mik op de roemruchte Menelaos
εὔχεο δ᾽ Ἀπόλλωνι Λυκηγενέϊ κλυτοτόξῳ
ἀρνῶν πρωτογόνων ῥέξειν κλειτὴν ἑκατόμβην
οἴκαδε νοστήσας ἱερῆς εἰς ἄστυ Ζελείης.
Ὣς φάτ᾽ Ἀθηναίη, τῷ δὲ φρένας ἄφρονι πεῖθεν·
αὐτίκ᾽ ἐσύλα τόξον ἐΰξοον ἰξάλου αἰγὸς




105
en beloof de Lykische Apollo, vermaard om zijn boog,
een prachtig offer te brengen van eerstgeboren rammen
na je terugkeer naar huis in de stad van het heilige Zeleia".
Zo sprak Athene en overreedde de dwaas.
Direct pakte hij zijn gladde boog van het gewei van een steenbok
ἀγρίου, ὅν ῥά ποτ᾽ αὐτὸς ὑπὸ στέρνοιο τυχήσας
πέτρης ἐκβαίνοντα δεδεγμένος ἐν προδοκῇσι
βεβλήκει πρὸς στῆθος· ὃ δ᾽ ὕπτιος ἔμπεσε πέτρῃ.
Τοῦ κέρα ἐκ κεφαλῆς ἑκκαιδεκάδωρα πεφύκει·
καὶ τὰ μὲν ἀσκήσας κεραοξόος ἤραρε τέκτων,




110
- van een wilde berggeit, die hij ooit zelf had getroffen onder zijn borst
na hem opgewacht te hebben in een hinderlaag tot hij van een rots
sprong, pal in zijn borst: achterover sloeg hij tegen de rots;
op zijn kop was een gewei van zestien palm gegroeid
dat paste een hoornwerker zorgvuldig aaneen en aan
πᾶν δ᾽ εὖ λειήνας χρυσέην ἐπέθηκε κορώνην.
Καὶ τὸ μὲν εὖ κατέθηκε τανυσσάμενος ποτὶ γαίῃ
ἀγκλίνας· πρόσθεν δὲ σάκεα σχέθον ἐσθλοὶ ἑταῖροι
μὴ πρὶν ἀναΐξειαν ἀρήϊοι υἷες Ἀχαιῶν
πρὶν βλῆσθαι Μενέλαον ἀρήϊον Ἀτρέος υἱόν.




115
het gepolijste gewei in zijn geheel maakte hij een gouden haak vast -.
die boog spande hij met een druk tegen de grond en legde hem neer,
voorzichtig; en zijn trouwe mannen hielden hun schilden ervoor,
opdat de krijgslustige zonen der Grieken niet op zouden springen
vóórdat Atreus' zoon Menelaos was getroffen.
Αὐτὰρ ὁ σύλα πῶμα φαρέτρης, ἐκ δ᾽ ἕλετ᾽ ἰὸν
ἀβλῆτα πτερόεντα μελαινέων ἕρμ᾽ ὀδυνάων·
αἶψα δ᾽ ἐπὶ νευρῇ κατεκόσμει πικρὸν ὀϊστόν,
εὔχετο δ᾽ Ἀπόλλωνι Λυκηγενέϊ κλυτοτόξῳ
ἀρνῶν πρωτογόνων ῥέξειν κλειτὴν ἑκατόμβην




120
Hij haalde het deksel van de koker en nam er een pijl uit,
een nieuwe, gevederd, brenger van sombere pijnen;
snel legde hij de bittere schacht op de pees
en hij beloofde de Lykische Apollo, befaamd om zijn boogschot,
een prachtig offer te brengen van eerstgeboren schapen
οἴκαδε νοστήσας ἱερῆς εἰς ἄστυ Ζελείης.
Ἕλκε δ᾽ ὁμοῦ γλυφίδας τε λαβὼν καὶ νεῦρα βόεια·
νευρὴν μὲν μαζῷ πέλασεν, τόξῳ δὲ σίδηρον.
Αὐτὰρ ἐπεὶ δὴ κυκλοτερὲς μέγα τόξον ἔτεινε,
λίγξε βιός, νευρὴ δὲ μέγ᾽ ἴαχεν, ἆλτο δ᾽ ὀϊστὸς




125
als hij terug was in de stad van het heilig Zeleia.
Hij trok met zijn greep tegelijk de kepen en rundleren pees aan
en trok de pees tot tegen zijn borst en de ijzeren punt tegen de boog.
Toen hij de grote boog rond had getrokken,
piepte hij hel en de pees zoefde fel en weg sprong de pijl
ὀξυβελὴς καθ᾽ ὅμιλον ἐπιπτέσθαι μενεαίνων.
Οὐδὲ σέθεν Μενέλαε θεοὶ μάκαρες λελάθοντο
ἀθάνατοι, πρώτη δὲ Διὸς θυγάτηρ ἀγελείη,
ἥ τοι πρόσθε στᾶσα βέλος ἐχεπευκὲς ἄμυνεν.
Ἣ δὲ τόσον μὲν ἔεργεν ἀπὸ χροὸς ὡς ὅτε μήτηρ




130
met zijn scherpe punt, begerig doel te treffen in de menigte.
Maar ook jou, Menelaos, vergaten de gelukzalige goden niet,
minst van allen de op krijgsbuit beluste dochter van Zeus,
zij ging namelijk vóór je staan en weerde de scherpe pijl af.
Zij hield hem zo ver af van je huid als wanneer een moeder
παιδὸς ἐέργῃ μυῖαν ὅθ᾽ ἡδέϊ λέξεται ὕπνῳ,
αὐτὴ δ᾽ αὖτ᾽ ἴθυνεν ὅθι ζωστῆρος ὀχῆες
χρύσειοι σύνεχον καὶ διπλόος ἤντετο θώρηξ.
Ἐν δ᾽ ἔπεσε ζωστῆρι ἀρηρότι πικρὸς ὀϊστός·
διὰ μὲν ἂρ ζωστῆρος ἐλήλατο δαιδαλέοιο,




135
een vlieg verjaagt van haar kind als dat zoet ligt te slapen.
Eigenhandig leidde ze hem naar waar de gordelbanden van goud
aaneensloten en het pantser ook nog dubbel bijdroeg.
In de goedsluitende gordel kwam de bittere pijl toen terecht,
en hij drong wel door de kunstige gordel heen
καὶ διὰ θώρηκος πολυδαιδάλου ἠρήρειστο
μίτρης θ᾽, ἣν ἐφόρει ἔρυμα χροὸς ἕρκος ἀκόντων,
ἥ οἱ πλεῖστον ἔρυτο· διὰ πρὸ δὲ εἴσατο καὶ τῆς.
Ἀκρότατον δ᾽ ἄρ᾽ ὀϊστὸς ἐπέγραψε χρόα φωτός·
αὐτίκα δ᾽ ἔρρεεν αἷμα κελαινεφὲς ἐξ ὠτειλῆς.




140
en ook door het rijkversierde pantser was hij gegaan
en de buikriem die hij droeg als huidbescherming tegen de lansen,
die het meest hem beschutte: ook daar ging hij doorheen.
Zo schampte de pijl nog de huid van de man
en terstond vloeide donker bloed uit de wond.
Ὡς δ᾽ ὅτε τίς τ᾽ ἐλέφαντα γυνὴ φοίνικι μιήνῃ
Μῃονὶς ἠὲ Κάειρα παρήϊον ἔμμεναι ἵππων·
κεῖται δ᾽ ἐν θαλάμῳ, πολέες τέ μιν ἠρήσαντο
ἱππῆες φορέειν· βασιλῆϊ δὲ κεῖται ἄγαλμα,
ἀμφότερον κόσμός θ᾽ ἵππῳ ἐλατῆρί τε κῦδος·




145
En zoals wanneer een vrouw ivoor heeft beschilderd met purper,
een Maeonische of Karische, als wangstuk voor paarden
- het ligt in een kamer geborgen, terwijl veel wagenmenners
gewedijverd hadden het te gebruiken: maar het is een kado voor de vorst,
zowel versiering voor het paard als trots voor de menner -
τοῖοί τοι Μενέλαε μιάνθην αἵματι μηροὶ
εὐφυέες κνῆμαί τε ἰδὲ σφυρὰ κάλ᾽ ὑπένερθε.

zo werden jouw dijen, Menelaos, gekleurd door het bloed
en je prachtige schenen en je mooie enkels daaronder.


4,148 - 219: Machaon verzorgt Menelaos.

Ῥίγησεν δ᾽ ἄρ᾽ ἔπειτα ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγαμέμνων
ὡς εἶδεν μέλαν αἷμα καταρρέον ἐξ ὠτειλῆς·
ῥίγησεν δὲ καὶ αὐτὸς ἀρηΐφιλος Μενέλαος.


150
- Huiver beving de heerser der mannen Agamemnon
direct toen hij het donkere bloed uit de wond stromen zag;
huiver beving ook de krijgslustige Menelaos.
Ὡς δὲ ἴδεν νεῦρόν τε καὶ ὄγκους ἐκτὸς ἐόντας
ἄψορρόν οἱ θυμὸς ἐνὶ στήθεσσιν ἀγέρθη.
Τοῖς δὲ βαρὺ στενάχων μετέφη κρείων Ἀγαμέμνων
χειρὸς ἔχων Μενέλαον, ἐπεστενάχοντο δ᾽ ἑταῖροι·
φίλε κασίγνητε θάνατόν νύ τοι ὅρκι᾽ ἔταμνον




155
Maar toen hij zag dat snoer en weerhaken
nog buiten staken, putte hij daaruit weer moed.
Met een diepe zucht sprak de machtige Agamemnon onder hen,
terwijl hij Menelaos' hand vastpakte (de manschappen zuchtten daarbij):
"Mijn broer, tot jouw dood sloot ik wel een verdrag, door jou alleen
οἶον προστήσας πρὸ Ἀχαιῶν Τρωσὶ μάχεσθαι,
ὥς σ᾽ ἔβαλον Τρῶες, κατὰ δ᾽ ὅρκια πιστὰ πάτησαν.
Οὐ μέν πως ἅλιον πέλει ὅρκιον αἷμά τε ἀρνῶν
σπονδαί τ᾽ ἄκρητοι καὶ δεξιαὶ ᾗς ἐπέπιθμεν.
Εἴ περ γάρ τε καὶ αὐτίκ᾽ Ὀλύμπιος οὐκ ἐτέλεσσεν,




160
op te stellen om voor de Grieken te strijden tegen de Trojanen,
daar de Trojanen jou troffen en daarmee het verdrag schonden.
Maar helemaal niet vergeefs is de eed, bezegeld met rammenbloed,
de plengoffers van pure wijn en de beloften waarop wij vertrouwden.
Want wanneer de Olympiër het niet terstond vervuld heeft,
ἔκ τε καὶ ὀψὲ τελεῖ, σύν τε μεγάλῳ ἀπέτισαν
σὺν σφῇσιν κεφαλῇσι γυναιξί τε καὶ τεκέεσσιν.
Εὖ γὰρ ἐγὼ τόδε οἶδα κατὰ φρένα καὶ κατὰ θυμόν·
ἔσσεται ἦμαρ ὅτ᾽ ἄν ποτ᾽ ὀλώλῃ Ἴλιος ἱρὴ
καὶ Πρίαμος καὶ λαὸς ἐϋμμελίω Πριάμοιο,




165
dan zal hij dat toch later volbrengen en boeten ze zwaar
met hun eigen leven en vrouwen en kinderen.
Want hiervan ben ik heilig overtuigd:
de dag zal komen dat het heilige Ilios te gronde gaat
met Priamos en het volk van Priamos met stevige lans,
Ζεὺς δέ σφι Κρονίδης ὑψίζυγος αἰθέρι ναίων
αὐτὸς ἐπισσείῃσιν ἐρεμνὴν αἰγίδα πᾶσι
τῆσδ᾽ ἀπάτης κοτέων· τὰ μὲν ἔσσεται οὐκ ἀτέλεστα·
ἀλλά μοι αἰνὸν ἄχος σέθεν ἔσσεται ὦ Μενέλαε
αἴ κε θάνῃς καὶ πότμον ἀναπλήσῃς βιότοιο.




170
Zeus, hoogtronend, woonachtig in hoog verblijf,
zwaait in eigen persoon allen zijn donkere aigis voor
in woede om dit bedrog: zo zal het gaan, zonder afstel.
Maar, Menelaos, vreselijk zal mijn smart zijn om jou
als je moet sterven en je levenslot moet beëindigen.
Καί κεν ἐλέγχιστος πολυδίψιον Ἄργος ἱκοίμην·
αὐτίκα γὰρ μνήσονται Ἀχαιοὶ πατρίδος αἴης·
κὰδ δέ κεν εὐχωλὴν Πριάμῳ καὶ Τρωσὶ λίποιμεν
Ἀργείην Ἑλένην· σέο δ᾽ ὀστέα πύσει ἄρουρα
κειμένου ἐν Τροίῃ ἀτελευτήτῳ ἐπὶ ἔργῳ.




175
Met schande overladen zal ik het droge Argos bereiken:
want de Grieken zullen terug willen keren naar vaderlandse bodem
en tot bluf zullen wij de Argivische Helena achterlaten bij Priamos
en de Trojanen; maar van jou zal de aarde de botten doen vergaan
als je hier vóór Troje blijft liggen bij een onvoltooid werk.
Καί κέ τις ὧδ᾽ ἐρέει Τρώων ὑπερηνορεόντων
τύμβῳ ἐπιθρῴσκων Μενελάου κυδαλίμοιο·
αἴθ᾽ οὕτως ἐπὶ πᾶσι χόλον τελέσει᾽ Ἀγαμέμνων,
ὡς καὶ νῦν ἅλιον στρατὸν ἤγαγεν ἐνθάδ᾽ Ἀχαιῶν,
καὶ δὴ ἔβη οἶκον δὲ φίλην ἐς πατρίδα γαῖαν




180
En van de overmoedige Trojanen zullen er heel wat
trappen op het graf van de fiere Menelaos met de woorden:
'Mocht Agamemnon bij alles zijn woede zo koelen,
zoals hij ook nu zijn leger van Grieken voor niets hierheen bracht,
en afdroop naar huis in zijn vaderland met lege schepen
σὺν κεινῇσιν νηυσὶ λιπὼν ἀγαθὸν Μενέλαον.
Ὥς ποτέ τις ἐρέει· τότε μοι χάνοι εὐρεῖα χθών.
Τὸν δ᾽ ἐπιθαρσύνων προσέφη ξανθὸς Μενέλαος·
θάρσει, μηδέ τί πω δειδίσσεο λαὸν Ἀχαιῶν·
οὐκ ἐν καιρίῳ ὀξὺ πάγη βέλος, ἀλλὰ πάροιθεν




185
en met achterlating van de dappere Menelaos'.
Zo zal het rondzingen. Moge de wijde aarde zich dan voor mij openen".
Maar bemoedigend sprak toen tot hem de blonde Menelaos:
"Rustig maar..maak het krijgsvolk der Grieken toch niet bang:
de scherpe pijl kwam niet op een vitale plek want tevoren
εἰρύσατο ζωστήρ τε παναίολος ἠδ᾽ ὑπένερθε
ζῶμά τε καὶ μίτρη, τὴν χαλκῆες κάμον ἄνδρες.
Τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη κρείων Ἀγαμέμνων·
αἲ γὰρ δὴ οὕτως εἴη φίλος ὦ Μενέλαε·
ἕλκος δ᾽ ἰητὴρ ἐπιμάσσεται ἠδ᾽ ἐπιθήσει




190
hield de schitterende gordel hem tegen en daaronder
mijn kuras en lendenschort, dat smeden vervaardigden".
Hem antwoordde toen de machtige Agamemnon:
"Ach, mocht dat zo zijn, dierbare Menelaos;
maar een arts moet de wond onderzoeken en er kruiden op smeren
φάρμαχ᾽ ἅ κεν παύσῃσι μελαινάων ὀδυνάων.
Ἦ καὶ Ταλθύβιον θεῖον κήρυκα προσηύδα·
Ταλθύβι᾽ ὅττι τάχιστα Μαχάονα δεῦρο κάλεσσον
φῶτ᾽ Ἀσκληπιοῦ υἱὸν ἀμύμονος ἰητῆρος,
ὄφρα ἴδῃ Μενέλαον ἀρήϊον Ἀτρέος υἱόν,




195
die je van je sombere pijnen zullen bevrijden".
Dat zei hij en sprak tot de edele heraut Talthybios:
"Talthybios, roep zo snel mogelijk Machaon,
zoon van Asklepios, de voortreffelijke arts,
opdat hij Menelaos onderzoekt, de dappere zoon van Atreus
ὅν τις ὀϊστεύσας ἔβαλεν τόξων ἐῢ εἰδὼς
Τρώων ἢ Λυκίων, τῷ μὲν κλέος, ἄμμι δὲ πένθος.
Ὣς ἔφατ᾽, οὐδ᾽ ἄρα οἱ κῆρυξ ἀπίθησεν ἀκούσας,
βῆ δ᾽ ἰέναι κατὰ λαὸν Ἀχαιῶν χαλκοχιτώνων
παπταίνων ἥρωα Μαχάονα· τὸν δὲ νόησεν




200
die iemand van de Trojanen of Lykiërs welgemikt heeft getroffen,
voor hem tot roem, maar voor ons tot smart".
Dat zei hij en de heraut gaf hem gaarne gehoor
en hij ging op weg door het leger van de Grieken met bronzen pantser,
uitkijkend naar de dappere Machaon;
ἑσταότ᾽· ἀμφὶ δέ μιν κρατεραὶ στίχες ἀσπιστάων
λαῶν, οἵ οἱ ἕποντο Τρίκης ἐξ ἱπποβότοιο.
Ἀγχοῦ δ᾽ ἱστάμενος ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ὄρσ᾽ Ἀσκληπιάδη, καλέει κρείων Ἀγαμέμνων,
ὄφρα ἴδῃς Μενέλαον ἀρήϊον ἀρχὸν Ἀχαιῶν,




205
hij zag hem staan tussen drommen sterke schilddragers
die hem waren gevolgd uit het paardenvoedende Trika.
Hij ging naar hem toe en zei duidelijk tegen hem:
kom, zoon van Asklepios, de machtige Agamemnon ontbiedt je
om Menelaos te onderzoeken, de dappere aanvoerder der Grieken,
ὅν τις ὀϊστεύσας ἔβαλεν τόξων ἐῢ εἰδὼς
Τρώων ἢ Λυκίων, τῷ μὲν κλέος, ἄμμι δὲ πένθος.
Ὣς φάτο, τῷ δ᾽ ἄρα θυμὸν ἐνὶ στήθεσσιν ὄρινε·
βὰν δ᾽ ἰέναι καθ᾽ ὅμιλον ἀνὰ στρατὸν εὐρὺν Ἀχαιῶν.
Ἀλλ᾽ ὅτε δή ῥ᾽ ἵκανον ὅθι ξανθὸς Μενέλαος




210
iemand van de Trojanen of Lykiërs trof hem met een pijl,
een knap schutter, tot roem voor hemzelf maar voor ons tot smart".
Dat zei hij en wekte hem daarmee op;
en zij gingen op weg door het wijde gekrioel van de Grieken.
Toen zij nu waren gekomen, waar de blonde Menelaos
βλήμενος ἦν, περὶ δ᾽ αὐτὸν ἀγηγέραθ᾽ ὅσσοι ἄριστοι
κυκλόσ᾽, ὃ δ᾽ ἐν μέσσοισι παρίστατο ἰσόθεος φώς,
αὐτίκα δ᾽ ἐκ ζωστῆρος ἀρηρότος ἕλκεν ὀϊστόν·
τοῦ δ᾽ ἐξελκομένοιο πάλιν ἄγεν ὀξέες ὄγκοι.
Λῦσε δέ οἱ ζωστῆρα παναίολον ἠδ᾽ ὑπένερθε




215
zich, getroffen, bevond met rondom hem heen de vorsten
verzameld, ging de waardige man in hun midden staan bij hem,
terstond trok hij de pijl uit de nauwsluitende gordel;
en bij het trekken eraan braken de scherpe weerhaken eraf.
Hij maakte de prachtige gordel los en daaronder
ζῶμά τε καὶ μίτρην, τὴν χαλκῆες κάμον ἄνδρες.
Αὐτὰρ ἐπεὶ ἴδεν ἕλκος ὅθ᾽ ἔμπεσε πικρὸς ὀϊστός,
αἷμ᾽ ἐκμυζήσας ἐπ᾽ ἄρ᾽ ἤπια φάρμακα εἰδὼς
πάσσε, τά οἵ ποτε πατρὶ φίλα φρονέων πόρε Χείρων.



pantser en schort, dat smeden hadden vervaardigd.
Toen hij de wond had onderzocht die de bittere pijl had veroorzaakt,
zoog hij het bloed uit en strooide er handig pijnstillende kruiden op
die ooit de vriendelijke Cheiron aan zijn vader gegeven had.


4,220 - 421: Agamemnon houdt een laatste inspectie.

Ὄφρα τοὶ ἀμφεπένοντο βοὴν ἀγαθὸν Μενέλαον,
τόφρα δ᾽ ἐπὶ Τρώων στίχες ἤλυθον ἀσπιστάων·
οἳ δ᾽ αὖτις κατὰ τεύχε᾽ ἔδυν, μνήσαντο δὲ χάρμης.
Ἔνθ᾽ οὐκ ἂν βρίζοντα ἴδοις Ἀγαμέμνονα δῖον
οὐδὲ καταπτώσσοντ᾽ οὐδ᾽ οὐκ ἐθέλοντα μάχεσθαι,
ἀλλὰ μάλα σπεύδοντα μάχην ἐς κυδιάνειραν.





225
- Terwijl zij nu bezig waren met Menelaos, alert op de krijgsroep,
rukten de linies Trojanen weer op, krachtig gewapend;
Maar ook de anderen wapenden zich weer, vurig van strijdlust.
Toen zou je de voortreffelijke Agamemnon niet hebben zien slapen
of zich verschuilen in onwil tot strijden, integendeel,
maar al te zeer haastte hij zich tot de mannen roembrengende strijd.
Ἵππους μὲν γὰρ ἔασε καὶ ἅρματα ποικίλα χαλκῷ·
καὶ τοὺς μὲν θεράπων ἀπάνευθ᾽ ἔχε φυσιόωντας
Εὐρυμέδων υἱὸς Πτολεμαίου Πειραΐδαο·
τῷ μάλα πόλλ᾽ ἐπέτελλε παρισχέμεν ὁππότε κέν μιν
γυῖα λάβῃ κάματος πολέας διὰ κοιρανέοντα·




230
Zijn paarden en met brons versierde wagen liet hij staan;
en hen, snuivend, hield zijn dienaar op afstand in toom,
Eurymedon, de zoon van Ptolemaios en kleinzoon van Peiraios;
hem droeg hij met nadruk op ze gereed te houden voor het geval
dat hij moe zou worden terwijl hij de menigte rondging;
αὐτὰρ ὃ πεζὸς ἐὼν ἐπεπωλεῖτο στίχας ἀνδρῶν·
καί ῥ᾽ οὓς μὲν σπεύδοντας ἴδοι Δαναῶν ταχυπώλων,
τοὺς μάλα θαρσύνεσκε παριστάμενος ἐπέεσσιν·
Ἀργεῖοι μή πώ τι μεθίετε θούριδος ἀλκῆς·
οὐ γὰρ ἐπὶ ψευδέσσι πατὴρ Ζεὺς ἔσσετ᾽ ἀρωγός,




235
te voet ging hij door de gelederen der mannen en inspecteerde
al wie zich gereed maakten van de Grieken met snelle paarden.
Bij hen hield hij halt en sprak hen moed in met de woorden:
"Grieken, laat vooral jullie krijgslust niet varen:
vader Zeus zal de leugens echt niet bijstaan,
ἀλλ᾽ οἵ περ πρότεροι ὑπὲρ ὅρκια δηλήσαντο
τῶν ἤτοι αὐτῶν τέρενα χρόα γῦπες ἔδονται,
ἡμεῖς αὖτ᾽ ἀλόχους τε φίλας καὶ νήπια τέκνα
ἄξομεν ἐν νήεσσιν, ἐπὴν πτολίεθρον ἕλωμεν.
Οὕς τινας αὖ μεθιέντας ἴδοι στυγεροῦ πολέμοιο,




240
nee, van hen die eerst het verdrag hebben geschonden
zullen werkelijk de gieren de tere huid vreten,
maar wij zullen hun vrouwen en onnozele kinderen
wegvoeren op de schepen, wanneer wij de stad ingenomen hebben".
Maar wie hij de wrede oorlog maar op zijn beloop zag laten,
τοὺς μάλα νεικείεσκε χολωτοῖσιν ἐπέεσσιν·
Ἀργεῖοι ἰόμωροι ἐλεγχέες οὔ νυ σέβεσθε;
τίφθ᾽ οὕτως ἔστητε τεθηπότες ἠΰτε νεβροί,
αἵ τ᾽ ἐπεὶ οὖν ἔκαμον πολέος πεδίοιο θέουσαι
ἑστᾶσ᾽, οὐδ᾽ ἄρα τίς σφι μετὰ φρεσὶ γίγνεται ἀλκή·




245
die kafferde hij uit met bijtende woorden:
"Grieken, bekvechtende lafaards, hebben jullie geen eergevoel?
Wat staan jullie nou onthutst als hinden,
die, na een amechtige draf door een stuk vlakte,
stokstijf blijven staan, zonder een greintje veerkracht in hun lijf:
ὣς ὑμεῖς ἔστητε τεθηπότες οὐδὲ μάχεσθε.
Ἦ μένετε Τρῶας σχεδὸν ἐλθέμεν ἔνθά τε νῆες
εἰρύατ᾽ εὔπρυμνοι πολιῆς ἐπὶ θινὶ θαλάσσης,
ὄφρα ἴδητ᾽ αἴ κ᾽ ὔμμιν ὑπέρσχῃ χεῖρα Κρονίων;
ὣς ὅ γε κοιρανέων ἐπεπωλεῖτο στίχας ἀνδρῶν·




250
ja, zo staan jullie daar verbluft zonder te vechten.
Wachten jullie soms tot de Trojanen dichterbij komen waar de schepen
met mooie achterstevens op het strand van de grauwe zee liggen
om te zien of Kronos' zoon zijn hand beschermend voor jullie ophoudt?"
Zo monsterde hij de gelederen met zijn commando's
ἦλθε δ᾽ ἐπὶ Κρήτεσσι κιὼν ἀνὰ οὐλαμὸν ἀνδρῶν.
Οἳ δ᾽ ἀμφ᾽ Ἰδομενῆα δαΐφρονα θωρήσσοντο·
Ἰδομενεὺς μὲν ἐνὶ προμάχοις συῒ εἴκελος ἀλκήν,
Μηριόνης δ᾽ ἄρα οἱ πυμάτας ὄτρυνε φάλαγγας.
Τοὺς δὲ ἰδὼν γήθησεν ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγαμέμνων,




255
en kwam zo bij het gewoel van de Kretensers aan.
Die waren zich aan het bewapenen rondom de wakkere Idomeneus;
die stond tussen de voorvechters, in kracht gelijk aan een everzwijn,
terwijl Meriones de achterste linies aanvuurde.
Bij het zien van hen werd de heerser der mannen Agamemnon verheugd
αὐτίκα δ᾽ Ἰδομενῆα προσηύδα μειλιχίοισιν·
Ἰδομενεῦ περὶ μέν σε τίω Δαναῶν ταχυπώλων
ἠμὲν ἐνὶ πτολέμῳ ἠδ᾽ ἀλλοίῳ ἐπὶ ἔργῳ
ἠδ᾽ ἐν δαίθ᾽, ὅτε πέρ τε γερούσιον αἴθοπα οἶνον
Ἀργείων οἳ ἄριστοι ἐνὶ κρητῆρι κέρωνται.




260
en terstond sprak hij vleiend tot Idomeneus:
"Idomeneus, voor jou heb ik onder de Grieken met snelle paarden
veel respect in oorlog en vrede
en ook bij de maaltijd, wanneer de vorsten der Grieken
zich de fonkelende raadsliedenwijn in het mengvat mengen.
Εἴ περ γάρ τ᾽ ἄλλοι γε κάρη κομόωντες Ἀχαιοὶ
δαιτρὸν πίνωσιν, σὸν δὲ πλεῖον δέπας αἰεὶ
ἕστηχ᾽, ὥς περ ἐμοί, πιέειν ὅτε θυμὸς ἀνώγοι.
Ἀλλ᾽ ὄρσευ πόλεμον δ᾽ οἷος πάρος εὔχεαι εἶναι.
Τὸν δ᾽ αὖτ᾽ Ἰδομενεὺς Κρητῶν ἀγὸς ἀντίον ηὔδα·




265
want waneer ook al de langharige Grieken
hun aandeel drinken, jouw beker staat altijd gevuld,
net als de mijne, om te drinken wanneer je dat wilt.
Dus, op ten oorlog zoals je aangeeft dat steeds te doen".
Hem nu gaf Idomeneus, de aanvoerder der Kretensen, ten antwoord:
Ἀτρεΐδη μάλα μέν τοι ἐγὼν ἐρίηρος ἑταῖρος
ἔσσομαι, ὡς τὸ πρῶτον ὑπέστην καὶ κατένευσα·
ἀλλ᾽ ἄλλους ὄτρυνε κάρη κομόωντας Ἀχαιοὺς
ὄφρα τάχιστα μαχώμεθ᾽, ἐπεὶ σύν γ᾽ ὅρκι᾽ ἔχευαν
Τρῶες· τοῖσιν δ᾽ αὖ θάνατος καὶ κήδε᾽ ὀπίσσω




270
Zoon van Atreus, heus, ik zal jouw trouwe makker zijn,
zoals ik voorheen beloofde en instemde;
maar spoor nu de andere langharige Grieken aan
om ten strijde te trekken, immers de Trojanen braken hun belofte:
dus moet er nu dood en verderf voor hen in het verschiet liggen
ἔσσετ᾽ ἐπεὶ πρότεροι ὑπὲρ ὅρκια δηλήσαντο.
Ὣς ἔφατ᾽, Ἀτρεΐδης δὲ παρῴχετο γηθόσυνος κῆρ·
ἦλθε δ᾽ ἐπ᾽ Αἰάντεσσι κιὼν ἀνὰ οὐλαμὸν ἀνδρῶν·
τὼ δὲ κορυσσέσθην, ἅμα δὲ νέφος εἵπετο πεζῶν.
Ὡς δ᾽ ὅτ᾽ ἀπὸ σκοπιῆς εἶδεν νέφος αἰπόλος ἀνὴρ




275
omdat zij als eersten het verdrag hebben geschonden".
Zo sprak hij, en Atreus' zoon ging verheugd verder.
Tijdens zijn ronde door het gewoel van strijders kwam hij bij de Aiassen:
beiden hadden zich bewapend en een drom voetvolk drong om hen op.
Zoals wanneer vanaf een uitkijkpunt een geitenhoeder een wolk
ἐρχόμενον κατὰ πόντον ὑπὸ Ζεφύροιο ἰωῆς·
τῷ δέ τ᾽ ἄνευθεν ἐόντι μελάντερον ἠΰτε πίσσα
φαίνετ᾽ ἰὸν κατὰ πόντον, ἄγει δέ τε λαίλαπα πολλήν,
ῥίγησέν τε ἰδών, ὑπό τε σπέος ἤλασε μῆλα·
τοῖαι ἅμ᾽ Αἰάντεσσι διοτρεφέων αἰζηῶν




280
over zee aan ziet komen, voortgejaagd door een noordwester
- voor hem lijkt hij op afstand zwarter toe dan pek
als hij over zee aandrijft met een grote lading storm binnenin
hij huivert bij de aanblik en drijft zijn schapen een grot in -
zó donker braken rond de Aiassen de linies
δήϊον ἐς πόλεμον πυκιναὶ κίνυντο φάλαγγες
κυάνεαι, σάκεσίν τε καὶ ἔγχεσι πεφρικυῖαι.
Καὶ τοὺς μὲν γήθησεν ἰδὼν κρείων Ἀγαμέμνων,
καί σφεας φωνήσας ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
Αἴαντ᾽ Ἀργείων ἡγήτορε χαλκοχιτώνων,




285
van dappere strijders op tot een moorddadige oorlog,
donker en ruig door schilden en lansen.
Ook over hem werd de machtige Agamemnon enthousiast bij de aanblik
en hij slaakte luid tegen hen deze uitroep:
"Aiassen, leiders van de kopergeharnaste Grieken,
σφῶϊ μέν· οὐ γὰρ ἔοικ᾽ ὀτρυνέμεν· οὔ τι κελεύω·
αὐτὼ γὰρ μάλα λαὸν ἀνώγετον ἶφι μάχεσθαι.
Αἲ γὰρ Ζεῦ τε πάτερ καὶ Ἀθηναίη καὶ Ἄπολλον
τοῖος πᾶσιν θυμὸς ἐνὶ στήθεσσι γένοιτο·
τώ κε τάχ᾽ ἠμύσειε πόλις Πριάμοιο ἄνακτος




290
ongepast zou het zijn jullie beiden aan te sporen of te commanderen,
want jullie sporen zelf al je krijgsvolk aan om vurig te vechten.
Ach, vader Zeus, Athene, Apollo,
hadden allen maar zo'n vuur in hun hart,
dan zou al gauw de stad van vorst Priamos vallen,
χερσὶν ὑφ᾽ ἡμετέρῃσιν ἁλοῦσά τε περθομένη τε.
Ὣς εἰπὼν τοὺς μὲν λίπεν αὐτοῦ, βῆ δὲ μετ᾽ ἄλλους·
ἔνθ᾽ ὅ γε Νέστορ᾽ ἔτετμε λιγὺν Πυλίων ἀγορητὴν
οὓς ἑτάρους στέλλοντα καὶ ὀτρύνοντα μάχεσθαι
ἀμφὶ μέγαν Πελάγοντα Ἀλάστορά τε Χρομίον τε




295
ingenomen en vernietigd door onze handen!"
Met deze woorden liet hij hen daar achter en ging op anderen af;
toen kwam hij bij de Nestor, de redenaar met heldere stem,
bezig zijn mannen op te stellen en op te peppen tot strijd
rond de grote Pelagon, Alastor en Chromios,
Αἵμονά τε κρείοντα Βίαντά τε ποιμένα λαῶν·
ἱππῆας μὲν πρῶτα σὺν ἵπποισιν καὶ ὄχεσφι,
πεζοὺς δ᾽ ἐξόπιθε στῆσεν πολέας τε καὶ ἐσθλοὺς
ἕρκος ἔμεν πολέμοιο· κακοὺς δ᾽ ἐς μέσσον ἔλασσεν,
ὄφρα καὶ οὐκ ἐθέλων τις ἀναγκαίῃ πολεμίζοι.




300
de machtige Haimon en krijgsleider Bias;
voorop zette hij de mooie wagenstrijders met hun paarden en wagens
en daarachter veel dapper voetvolk
om als bolwerk in de strijd dienst te doen; schichtig volk in het midden,
opdat men ook tegen zijn zin wel gedwongen werd tot de strijd.
Ἱππεῦσιν μὲν πρῶτ᾽ ἐπετέλλετο· τοὺς γὰρ ἀνώγει
σφοὺς ἵππους ἐχέμεν μηδὲ κλονέεσθαι ὁμίλῳ·
μηδέ τις ἱπποσύνῃ τε καὶ ἠνορέηφι πεποιθὼς
οἶος πρόσθ᾽ ἄλλων μεμάτω Τρώεσσι μάχεσθαι,
μηδ᾽ ἀναχωρείτω· ἀλαπαδνότεροι γὰρ ἔσεσθε.




300
Eerst gaf hij de wagenstrijders zijn bevelen; hij commandeerde
hun paarden in te houden en niet samen te dringen:
laat niemand, vertrouwend op zijn menkunde en moed, ernaar streven
op zijn eentje, vóór de anderen uit tegen de Trojanen van leer te trekken,
maar ook niet terugdeinzen: dan zullen jullie verzwakken!
Ὃς δέ κ᾽ ἀνὴρ ἀπὸ ὧν ὀχέων ἕτερ᾽ ἅρμαθ᾽ ἵκηται
ἔγχει ὀρεξάσθω, ἐπεὶ ἦ πολὺ φέρτερον οὕτω.
Ὧδε καὶ οἱ πρότεροι πόλεας καὶ τείχε᾽ ἐπόρθεον
τόνδε νόον καὶ θυμὸν ἐνὶ στήθεσσιν ἔχοντες.
Ὣς ὃ γέρων ὄτρυνε πάλαι πολέμων ἐῢ εἰδώς·




310
En wie in zijn wagen een vijandelijke wagen tegenkomt
moet zich opwerpen met zijn lans, want dat zal verre het best zijn.
Zo verwoestten ook onze voorouders steden en burchten,
met deze strategie en gezindheid".
Zo spoorde de grijsaard hen aan met ervaring in vroegere oorlog.
καὶ τὸν μὲν γήθησεν ἰδὼν κρείων Ἀγαμέμνων,
καί μιν φωνήσας ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ὦ γέρον εἴθ᾽ ὡς θυμὸς ἐνὶ στήθεσσι φίλοισιν
ὥς τοι γούναθ᾽ ἕποιτο, βίη δέ τοι ἔμπεδος εἴη·
ἀλλά σε γῆρας τείρει ὁμοίϊον· ὡς ὄφελέν τις




315
Ook over hem werd de machtige Agamemnon verheugd toen hij dit zag
en hij sprak tot hem duidelijk en luid:
"Grijsaard, konden je knieën je geestdrift maar bijhouden
en was je kracht toch nog onaangetast;
maar de niemand ontziende ouderdom kwelt jou: kon iemand anders
ἀνδρῶν ἄλλος ἔχειν, σὺ δὲ κουροτέροισι μετεῖναι.
Τὸν δ᾽ ἠμείβετ᾽ ἔπειτα Γερήνιος ἱππότα Νέστωρ·
Ἀτρεΐδη μάλα μέν τοι ἐγὼν ἐθέλοιμι καὶ αὐτὸς
ὣς ἔμεν ὡς ὅτε δῖον Ἐρευθαλίωνα κατέκταν.
Ἀλλ᾽ οὔ πως ἅμα πάντα θεοὶ δόσαν ἀνθρώποισιν·




320
die maar overnemen en jij je bij de jongeren voegen!".
Hem antwoordde daarop de Geryonische wagenstrijder Nestor:
"Atride, dat zou ik zeker ook zelf graag willen:
nog zó te zijn als toen ik de machtige Ereuthalion doodde;
Maar de goden geven niet alles aan de mensen;
εἰ τότε κοῦρος ἔα νῦν αὖτέ με γῆρας ὀπάζει.
Ἀλλὰ καὶ ὧς ἱππεῦσι μετέσσομαι ἠδὲ κελεύσω
βουλῇ καὶ μύθοισι· τὸ γὰρ γέρας ἐστὶ γερόντων.
Αἰχμὰς δ᾽ αἰχμάσσουσι νεώτεροι, οἵ περ ἐμεῖο
ὁπλότεροι γεγάασι πεποίθασίν τε βίηφιν.




325
was ik toen nog jong, nu vergezelt me de ouderdom;
maar toch zal ik mijn plaats hebben tussen de wagenstrijders
en hen adviseren, want dat komt de ouderen toe;
en de jongeren slingeren hun lansen, die sterker dan ik zijn
en kunnen vertrouwen op hun kracht".
Ὣς ἔφατ᾽, Ἀτρεΐδης δὲ παρῴχετο γηθόσυνος κῆρ.
Εὗρ᾽ υἱὸν Πετεῶο Μενεσθῆα πλήξιππον
ἑσταότ᾽· ἀμφὶ δ᾽ Ἀθηναῖοι μήστωρες ἀϋτῆς·
αὐτὰρ ὃ πλησίον ἑστήκει πολύμητις Ὀδυσσεύς,
πὰρ δὲ Κεφαλλήνων ἀμφὶ στίχες οὐκ ἀλαπαδναὶ




330
Dat zei hij, en Atreus' zoon ging verder, verheugd in zijn hart.
Hij kwam bij Peteos' zoon Menestheus, temmer van paarden,
nog niet actief; en bij hem de Atheners, verwekkers van krijgsgeschreeuw.
Daarnaast stond de listenrijke Odysseus,
en bij hem de onverschrokken linies der Kefalleniërs.
ἕστασαν· οὐ γάρ πώ σφιν ἀκούετο λαὸς ἀϋτῆς,
ἀλλὰ νέον συνορινόμεναι κίνυντο φάλαγγες
Τρώων ἱπποδάμων καὶ Ἀχαιῶν· οἳ δὲ μένοντες
ἕστασαν ὁππότε πύργος Ἀχαιῶν ἄλλος ἐπελθὼν
Τρώων ὁρμήσειε καὶ ἄρξειαν πολέμοιο.




335
Nog niet sloeg hun krijgsvolk acht op de aanvalskreet,
maar net nog maar tegen elkaar oprukkend bewogen de linies
van paardenfokkende Trojanen en Grieken: zij wachtten af
totdat een andere colonne Grieken, nader gerukt,
af zou stormen op de Trojanen en de strijd zou beginnen.
Τοὺς δὲ ἰδὼν νείκεσσεν ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγαμέμνων,
καί σφεας φωνήσας ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ὦ υἱὲ Πετεῶο διοτρεφέος βασιλῆος,
καὶ σὺ κακοῖσι δόλοισι κεκασμένε κερδαλεόφρον
τίπτε καταπτώσσοντες ἀφέστατε, μίμνετε δ᾽ ἄλλους;




340
Toen Agamemnon, leider van het krijgsvolk, hen zag,
riep hij smalend, luid en duidelijk, tot hen:
"Zoon van Zeusstammende koning Peteos,
en jij, uitmuntend in listen en lagen, op voordeel belust,
wat duiken jullie daar weg en wachten jullie anderen af?
σφῶϊν μέν τ᾽ ἐπέοικε μετὰ πρώτοισιν ἐόντας
ἑστάμεν ἠδὲ μάχης καυστείρης ἀντιβολῆσαι·
πρώτω γὰρ καὶ δαιτὸς ἀκουάζεσθον ἐμεῖο,
ὁππότε δαῖτα γέρουσιν ἐφοπλίζωμεν Ἀχαιοί.
Ἔνθα φίλ᾽ ὀπταλέα κρέα ἔδμεναι ἠδὲ κύπελλα




345
Jullie beiden past het om vooraan te staan
en deel te nemen aan de hete strijd;
jullie geven toch ook beiden als eersten gehoor aan mijn invitaties,
wanneer wij Grieken een raadsmaaltijd aanrichten.
Dan eten jullie graag gebraden vlees en drinken
οἴνου πινέμεναι μελιηδέος ὄφρ᾽ ἐθέλητον·
νῦν δὲ φίλως χ᾽ ὁρόῳτε καὶ εἰ δέκα πύργοι Ἀχαιῶν
ὑμείων προπάροιθε μαχοίατο νηλέϊ χαλκῷ.
Τὸν δ᾽ ἄρ᾽ ὑπόδρα ἰδὼν προσέφη πολύμητις Ὀδυσσεύς·
Ἀτρεΐδη ποῖόν σε ἔπος φύγεν ἕρκος ὀδόντων;




350
bekers zoete wijn naar hartelust.
Maar nu zullen jullie graag toezien zelfs als tien colonnes Grieken
vóór jullie uit de strijd ingaan met het genadeloze brons".
Tot hem zei de listenrijke Odysseus met dreigende blik:
"Atride, wat woorden ontsnapte de omheining van je tanden!
πῶς δὴ φῂς πολέμοιο μεθιέμεν ὁππότ᾽ Ἀχαιοὶ
Τρωσὶν ἐφ᾽ ἱπποδάμοισιν ἐγείρομεν ὀξὺν Ἄρηα;
ὄψεαι αἴ κ᾽ ἐθέλῃσθα καὶ αἴ κέν τοι τὰ μεμήλῃ
Τηλεμάχοιο φίλον πατέρα προμάχοισι μιγέντα
Τρώων ἱπποδάμων· σὺ δὲ ταῦτ᾽ ἀνεμώλια βάζεις.




355
Hoe kun je toch zeggen dat wij de oorlog laten waaien, nu wij Grieken
een felle strijd tegen de paardentemmende Trojanen ontketenen!
Nu zul je eens zien, als je wilt en het je interesseert,
hoe Telemachos' vader zich stort op de voorvechters
van de paardenbedwingende Trojanen; man, je kraamt onzin uit!
Τὸν δ᾽ ἐπιμειδήσας προσέφη κρείων Ἀγαμέμνων
ὡς γνῶ χωομένοιο· πάλιν δ᾽ ὅ γε λάζετο μῦθον·
διογενὲς Λαερτιάδη πολυμήχαν᾽ Ὀδυσσεῦ
οὔτέ σε νεικείω περιώσιον οὔτε κελεύω·
οἶδα γὰρ ὥς τοι θυμὸς ἐνὶ στήθεσσι φίλοισιν




360
Tot hem sprak de machtige Agamemnon toen met een glimlach
omdat hij zijn grimmigheid bemerkte, en hij nam zijn woorden terug:
"Van Zeus geboren zoon van Laërtes, vindingrijke Odysseus,
ik wil je niet overdreven irriteren of commanderen;
ik weet immers dat jij goede bedoelingen jegens mij koestert
ἤπια δήνεα οἶδε· τὰ γὰρ φρονέεις ἅ τ᾽ ἐγώ περ.
Ἀλλ᾽ ἴθι ταῦτα δ᾽ ὄπισθεν ἀρεσσόμεθ᾽ εἴ τι κακὸν νῦν
εἴρηται, τὰ δὲ πάντα θεοὶ μεταμώνια θεῖεν.
Ὣς εἰπὼν τοὺς μὲν λίπεν αὐτοῦ, βῆ δὲ μετ᾽ ἄλλους.
Εὗρε δὲ Τυδέος υἱὸν ὑπέρθυμον Διομήδεα




365
want roerend zijn we het eens.
Maar kom, laten we het later hebben over wat eventueel
is miszegd; mogen de goden dat in de wind verstrooien".
Met deze woorden liet hij hen daar achter en ging naar anderen toe.
Hij kwam terecht bij de zoon van Tydeus, de moedige Diomedes,
ἑσταότ᾽ ἔν θ᾽ ἵπποισι καὶ ἅρμασι κολλητοῖσι·
πὰρ δέ οἱ ἑστήκει Σθένελος Καπανήϊος υἱός.
Καὶ τὸν μὲν νείκεσσεν ἰδὼν κρείων Ἀγαμέμνων,
καί μιν φωνήσας ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ὤ μοι Τυδέος υἱὲ δαΐφρονος ἱπποδάμοιο




370
staande in zijn stevige strijdwagen;
bij hem stond Sthenelos, Kapaneus' zoon.
Bij het zien van hem viel de machtige Agamemnon uit
en sprak hard en duidelijk de woorden:
"Zoon van de schrandere, paardenbedwingende Tydeus,
τί πτώσσεις, τί δ᾽ ὀπιπεύεις πολέμοιο γεφύρας;
οὐ μὲν Τυδέϊ γ᾽ ὧδε φίλον πτωσκαζέμεν ἦεν,
ἀλλὰ πολὺ πρὸ φίλων ἑτάρων δηΐοισι μάχεσθαι,
ὡς φάσαν οἵ μιν ἴδοντο πονεύμενον· οὐ γὰρ ἔγωγε
ἤντησ᾽ οὐδὲ ἴδον· περὶ δ᾽ ἄλλων φασὶ γενέσθαι.




375
wat duik je weg, wat speur je naar luwtes in de strijd?
Tydeus hield er toch nooit van zich zo gedeisd te houden,
maar juist ver vóór zijn vrienden strijd te leveren met de vijand,
dat zeggen tenminste zijn ooggetuigen, want ik hem nooit ontmoet,
of bezig gezien; maar naar men zei blonk hij uit boven allen.
Ἤτοι μὲν γὰρ ἄτερ πολέμου εἰσῆλθε Μυκήνας
ξεῖνος ἅμ᾽ ἀντιθέῳ Πολυνείκεϊ λαὸν ἀγείρων·
οἳ δὲ τότ᾽ ἐστρατόωνθ᾽ ἱερὰ πρὸς τείχεα Θήβης,
καί ῥα μάλα λίσσοντο δόμεν κλειτοὺς ἐπικούρους·
οἳ δ᾽ ἔθελον δόμεναι καὶ ἐπῄνεον ὡς ἐκέλευον·




380
Heus, hij kwam ooit, buiten oorlogsgeweld naar Mykene
als gastvriend met de godgelijke Polyneikes om krijgsvolk te ronselen;
zij belegerden toen de heilige muren van Thebe,
en vroegen met aandrang om sterke bondgenoten.
Die waren zij bereid te geven en zij stemden in met hun wens;
ἀλλὰ Ζεὺς ἔτρεψε παραίσια σήματα φαίνων.
Οἳ δ᾽ ἐπεὶ οὖν ᾤχοντο ἰδὲ πρὸ ὁδοῦ ἐγένοντο,
Ἀσωπὸν δ᾽ ἵκοντο βαθύσχοινον λεχεποίην,
ἔνθ᾽ αὖτ᾽ ἀγγελίην ἐπὶ Τυδῆ στεῖλαν Ἀχαιοί.
Αὐτὰρ ὃ βῆ, πολέας δὲ κιχήσατο Καδμεΐωνας




385
maar Zeus hield hen tegen door onheilspellend tekens.
Toen zij immers vertrokken en al een eind onderweg,
en de biezen omzoomde Asopos, ingebed in weiden, bereikten,
toen stuurden de Grieken Tydeus als bode erheen.
Die ging op weg en trof veel Kadmeërs
δαινυμένους κατὰ δῶμα βίης Ἐτεοκληείης.
Ἔνθ᾽ οὐδὲ ξεῖνός περ ἐὼν ἱππηλάτα Τυδεὺς
τάρβει, μοῦνος ἐὼν πολέσιν μετὰ Καδμείοισιν,
ἀλλ᾽ ὅ γ᾽ ἀεθλεύειν προκαλίζετο, πάντα δ᾽ ἐνίκα
ῥηϊδίως· τοίη οἱ ἐπίρροθος ἦεν Ἀθήνη.




390
aan een maaltijd in de woning van de sterke Eteokles.
Daar zelfs, een vreemdeling, kende de wagenstrijder Tydeus
geen vrees, hoewel eenling tussen talrijke Kadmeërs,
nee, hij daagde ze uit tot wedkampen en won met gemak
bij alles: zo'n helpster was hem Athene.
Οἳ δὲ χολωσάμενοι Καδμεῖοι κέντορες ἵππων
ἂψ ἄρ᾽ ἀνερχομένῳ πυκινὸν λόχον εἷσαν ἄγοντες
κούρους πεντήκοντα· δύω δ᾽ ἡγήτορες ἦσαν,
Μαίων Αἱμονίδης ἐπιείκελος ἀθανάτοισιν,
υἱός τ᾽ Αὐτοφόνοιο μενεπτόλεμος Πολυφόντης.




395
Maar de paardendrijvende Kadmeërs, verontwaardigd
legden voor hem op zijn terugweg een gevaarlijke hinderlaag
met vijftig jonge strijders onder aanvoering van twee:
Maion, de zoon van Haimon, evenbeeld van de onsterfelijken,
en Autofons zoon, de krijgszuchtige Polyfontes.
Τυδεὺς μὲν καὶ τοῖσιν ἀεικέα πότμον ἐφῆκε·
πάντας ἔπεφν᾽, ἕνα δ᾽ οἶον ἵει οἶκον δὲ νέεσθαι·
Μαίον᾽ ἄρα προέηκε θεῶν τεράεσσι πιθήσας.
Τοῖος ἔην Τυδεὺς Αἰτώλιος· ἀλλὰ τὸν υἱὸν
γείνατο εἷο χέρεια μάχῃ, ἀγορῇ δέ τ᾽ ἀμείνω.




400
Tydeus bereidde ook dezen het afschuwelijke doodslot:
allen doodde hij, slechts één liet hij teruggaan naar huis:
Maion namelijk liet hij gaan, gehoorzamend aan de tekens der goden.
Zo'n held was de Aitoliër Tydeus; maar hij kreeg een zoon
die voor hem onderdeed in de strijd, ofschoon beter gebekt bij beraad".
Ὣς φάτο, τὸν δ᾽ οὔ τι προσέφη κρατερὸς Διομήδης
αἰδεσθεὶς βασιλῆος ἐνιπὴν αἰδοίοιο·
τὸν δ᾽ υἱὸς Καπανῆος ἀμείψατο κυδαλίμοιο·
Ἀτρεΐδη μὴ ψεύδε᾽ ἐπιστάμενος σάφα εἰπεῖν·
ἡμεῖς τοι πατέρων μέγ᾽ ἀμείνονες εὐχόμεθ᾽ εἶναι·




405
Dat waren zijn woorden, en de krachtige Diomedes zei niets tegen hem,
beschaamd om het verwijt van de respectabele vorst;
maar de zoon van de roemruchte Kapaneus antwoordde hem:
Atride, spreek geen onzin als je de waarheid kunt geven
wij, wij beroemen ons erop veel beter te zijn dan onze vaders:
ἡμεῖς καὶ Θήβης ἕδος εἵλομεν ἑπταπύλοιο
παυρότερον λαὸν ἀγαγόνθ᾽ ὑπὸ τεῖχος ἄρειον,
πειθόμενοι τεράεσσι θεῶν καὶ Ζηνὸς ἀρωγῇ·
κεῖνοι δὲ σφετέρῃσιν ἀτασθαλίῃσιν ὄλοντο·
τὼ μή μοι πατέρας ποθ᾽ ὁμοίῃ ἔνθεο τιμῇ.




410
wij wisten namelijk de zetel van het zevenpoortige Thebe te veroveren
met minder krijgsvolk onder een sterkere muur,
vertrouwend op de tekens der goden en de hulp van Zeus.
maar zij kwamen om door hun eigen overmoedig gedrag;
zet me dus nooit onze vaders op hetzelfde voetstuk als ons".
Τὸν δ᾽ ἄρ᾽ ὑπόδρα ἰδὼν προσέφη κρατερὸς Διομήδης·
τέττα, σιωπῇ ἧσο, ἐμῷ δ᾽ ἐπιπείθεο μύθῳ·
οὐ γὰρ ἐγὼ νεμεσῶ Ἀγαμέμνονι ποιμένι λαῶν
ὀτρύνοντι μάχεσθαι ἐϋκνήμιδας Ἀχαιούς·
τούτῳ μὲν γὰρ κῦδος ἅμ᾽ ἕψεται εἴ κεν Ἀχαιοὶ




415
Maar met een blik van verachting sprak de krachtige Diomedes tot hem:
"Baasje, houd je koest en geef acht op mijn woorden!
Ik voor mij neem de leider van het krijgsvolk het niet kwalijk
dat hij de goedgewapende Grieken oppept tot vechten:
hem immers valt roem toe als de Grieken
Τρῶας δῃώσωσιν ἕλωσί τε Ἴλιον ἱρήν,
τούτῳ δ᾽ αὖ μέγα πένθος Ἀχαιῶν δῃωθέντων.
Ἀλλ᾽ ἄγε δὴ καὶ νῶϊ μεδώμεθα θούριδος ἀλκῆς.
Ἦ ῥα καὶ ἐξ ὀχέων σὺν τεύχεσιν ἆλτο χαμᾶζε·
δεινὸν δ᾽ ἔβραχε χαλκὸς ἐπὶ στήθεσσιν ἄνακτος
ὀρνυμένου· ὑπό κεν ταλασίφρονά περ δέος εἷλεν.





421
de Trojanen kunnen doden en het heilige Troje innemen,
maar hem ook grote smart als de Grieken het af moeten leggen.
Maar kom, laten ook wij beiden nu ons concentreren op de strijd".
Zo sprak hij en hij sprong van de wagen op de grond;
en luid rinkelde het brons op de borst van de vorst bij die beweging:
zelfs een onverschrokken man zou de vrees erbij hebben bevangen.


4,422 - 544: De strijdt ontbrandt.

Ὡς δ᾽ ὅτ᾽ ἐν αἰγιαλῷ πολυηχέϊ κῦμα θαλάσσης
ὄρνυτ᾽ ἐπασσύτερον Ζεφύρου ὕπο κινήσαντος·
πόντῳ μέν τε πρῶτα κορύσσεται, αὐτὰρ ἔπειτα
χέρσῳ ῥηγνύμενον μεγάλα βρέμει, ἀμφὶ δέ τ᾽ ἄκρας



425
- Zoals golf na golf van de zee snel opeen aanrolt, af op
de kust met weergalm rondom, onder de drang van de westwind:
eerst verheft hij zich op zee, daarna raast hij donderend
als hij breekt op het land en hij gewelfd voortloopt om de kapen
κυρτὸν ἐὸν κορυφοῦται, ἀποπτύει δ᾽ ἁλὸς ἄχνην·
ὣς τότ᾽ ἐπασσύτεραι Δαναῶν κίνυντο φάλαγγες
νωλεμέως πόλεμον δέ· κέλευε δὲ οἷσιν ἕκαστος
ἡγεμόνων· οἳ δ᾽ ἄλλοι ἀκὴν ἴσαν, οὐδέ κε φαίης
τόσσον λαὸν ἕπεσθαι ἔχοντ᾽ ἐν στήθεσιν αὐδήν,




430
en torenhoog opgezwiept wordt en zand uit de zee uitspuwt,
zo bewogen linie na linie de Grieken zich voort,
onafwendbaar ten oorlog, ieder geleid door eigen aanvoerder.
De anderen trokken in stilte voort en je zou niet zeggen
dat zoveel krijgsvolk zwijgend meetrok,
σιγῇ δειδιότες σημάντορας· ἀμφὶ δὲ πᾶσι
τεύχεα ποικίλ᾽ ἔλαμπε, τὰ εἱμένοι ἐστιχόωντο.
Τρῶες δ᾽, ὥς τ᾽ ὄϊες πολυπάμονος ἀνδρὸς ἐν αὐλῇ
μυρίαι ἑστήκασιν ἀμελγόμεναι γάλα λευκὸν
ἀζηχὲς μεμακυῖαι ἀκούουσαι ὄπα ἀρνῶν,




435
in stil ontzag voor hun leiders; en overal glansden om hen heen
de bronzen wapenrusting waarmee bekleed de rijen voortgingen.
En de Trojanen? Zoals talloze ooien in de hof van een vermogend man
onophoudelijk staan te mekkeren als hun witte melk wordt gewonnen
terwijl zij het geblaat van de lammeren horen,
ὣς Τρώων ἀλαλητὸς ἀνὰ στρατὸν εὐρὺν ὀρώρει·
οὐ γὰρ πάντων ἦεν ὁμὸς θρόος οὐδ᾽ ἴα γῆρυς,
ἀλλὰ γλῶσσα μέμικτο, πολύκλητοι δ᾽ ἔσαν ἄνδρες.
Ὄρσε δὲ τοὺς μὲν Ἄρης, τοὺς δὲ γλαυκῶπις Ἀθήνη
Δεῖμός τ᾽ ἠδὲ Φόβος καὶ Ἔρις ἄμοτον μεμαυῖα,




440
zó weerklonk verward rumoer door het brede leger van de Trojanen,
want niet was van allen de roep gelijksoortig noch hun uitspraak hetzelfde,
nee, hun taal was een mengsel, het waren mannen van allerlei herkomst.
Ares dreef de ene partij voort, de felogige Athene de andere,
ook Verschrikking en Paniek en de onbedaarlijk gulzige Ruzie,
Ἄρεος ἀνδροφόνοιο κασιγνήτη ἑτάρη τε,
ἥ τ᾽ ὀλίγη μὲν πρῶτα κορύσσεται, αὐτὰρ ἔπειτα
οὐρανῷ ἐστήριξε κάρη καὶ ἐπὶ χθονὶ βαίνει·
ἥ σφιν καὶ τότε νεῖκος ὁμοίϊον ἔμβαλε μέσσῳ
ἐρχομένη καθ᾽ ὅμιλον ὀφέλλουσα στόνον ἀνδρῶν.




445
van de mannenmoordende Ares de zus en gezellin,
- eerst steekt zij de kop op in het klein, maar dan torent
haar kop ver de hemel in terwijl zij nog voortschrijdt op aarde -
zij waarde ook toen door de strijdmacht en voedde overal
de verbetenheid en vergrootte het gesteun van de mannen.
Οἳ δ᾽ ὅτε δή ῥ᾽ ἐς χῶρον ἕνα ξυνιόντες ἵκοντο,
σύν ῥ᾽ ἔβαλον ῥινούς, σὺν δ᾽ ἔγχεα καὶ μένε᾽ ἀνδρῶν
χαλκεοθωρήκων· ἀτὰρ ἀσπίδες ὀμφαλόεσσαι
ἔπληντ᾽ ἀλλήλῃσι, πολὺς δ᾽ ὀρυμαγδὸς ὀρώρει.
Ἔνθα δ᾽ ἅμ᾽ οἰμωγή τε καὶ εὐχωλὴ πέλεν ἀνδρῶν




450
Maar toen zij bij hun voortgang opeen waren gestoten,
bonkten hun schilden op elkaar, hun lansen en woede
van bronsgeharnaste mannen; de schilden met knop
stootten opeen en een oorverdovend geraas steeg op.
Toen weerklonk gejammer en gekrijs bij het moorden
ὀλλύντων τε καὶ ὀλλυμένων, ῥέε δ᾽ αἵματι γαῖα.
Ὡς δ᾽ ὅτε χείμαρροι ποταμοὶ κατ᾽ ὄρεσφι ῥέοντες
ἐς μισγάγκειαν συμβάλλετον ὄβριμον ὕδωρ
κρουνῶν ἐκ μεγάλων κοίλης ἔντοσθε χαράδρης,
τῶν δέ τε τηλόσε δοῦπον ἐν οὔρεσιν ἔκλυε ποιμήν·




455
en sneuvelen der mannen, de aarde werd door bloed overstroomd.
Zoals wanneer rivieren, in de winter gezwollen, van de bergen storten
en hun waterlast in een dal samenpersen:
vanuit rijke bronnen binnen een uitgehold bed
-van ver hoort een herder dat donderen in de bergen-
ὣς τῶν μισγομένων γένετο ἰαχή τε πόνος τε.
Πρῶτος δ᾽ Ἀντίλοχος Τρώων ἕλεν ἄνδρα κορυστὴν
ἐσθλὸν ἐνὶ προμάχοισι Θαλυσιάδην Ἐχέπωλον·
τόν ῥ᾽ ἔβαλε πρῶτος κόρυθος φάλον ἱπποδασείης,
ἐν δὲ μετώπῳ πῆξε, πέρησε δ᾽ ἄρ᾽ ὀστέον εἴσω




460
zó steeg er - toen zij zich op elkaar stortten - gesteun en geschreeuw op.
- Als eerste wist Antilochos een gehelmde strijder van de Trojanen
te doden, een edelman in de voorstrijders: Echepolos, zoon van Thalysios;
Hem trof hij als eerste in de beugel van de helm met de paardenhaarbos,
en hij dreef hem in het voorhoofd, zodat hij door het bot heendrong,
αἰχμὴ χαλκείη· τὸν δὲ σκότος ὄσσε κάλυψεν,
ἤριπε δ᾽ ὡς ὅτε πύργος ἐνὶ κρατερῇ ὑσμίνῃ.
Τὸν δὲ πεσόντα ποδῶν ἔλαβε κρείων Ἐλεφήνωρ
Χαλκωδοντιάδης μεγαθύμων ἀρχὸς Ἀβάντων,
ἕλκε δ᾽ ὑπ᾽ ἐκ βελέων, λελιημένος ὄφρα τάχιστα




465
de pijlpunt van brons, en duisternis bedekte zijn ogen,
en hij sloeg tegen de grond als een toren in het strijdgewoel.
Na zijn val greep de sterke Elefenoor hem bij de voeten,
de zoon van Chalkodon, aanvoerder van de Abanten,
en probeerde hem buiten schot te slepen, begerig om vlug
τεύχεα συλήσειε· μίνυνθα δέ οἱ γένεθ᾽ ὁρμή.
Νεκρὸν γὰρ ἐρύοντα ἰδὼν μεγάθυμος Ἀγήνωρ
πλευρά, τά οἱ κύψαντι παρ᾽ ἀσπίδος ἐξεφαάνθη,
οὔτησε ξυστῷ χαλκήρεϊ, λῦσε δὲ γυῖα.
Ὣς τὸν μὲν λίπε θυμός, ἐπ᾽ αὐτῷ δ᾽ ἔργον ἐτύχθη




470
zijn wapenrusting te roven: maar die poging duurde slechts kort;
de fiere Agenor immers had hem aan de dode zien trekken
en verwondde hem met zijn bronsgepunte speer in de zij
die bij het bukken zichtbaar werd van onder het schild, en doodde hem.
Zo verliet hem het leven en om zijn lichaam brandde een verwoede
ἀργαλέον Τρώων καὶ Ἀχαιῶν· οἳ δὲ λύκοι ὣς
ἀλλήλοις ἐπόρουσαν, ἀνὴρ δ᾽ ἄνδρ᾽ ἐδνοπάλιζεν.
Ἔνθ᾽ ἔβαλ᾽ Ἀνθεμίωνος υἱὸν Τελαμώνιος Αἴας
ἠΐθεον θαλερὸν Σιμοείσιον, ὅν ποτε μήτηρ
Ἴδηθεν κατιοῦσα παρ᾽ ὄχθῃσιν Σιμόεντος




475
worsteling los tussen Trojanen en Grieken: als wolven
besprongen ze elkaar in een gevecht van man tegen man.
Aias, Telamons zoon trof toen de zoon van Anthemion,
Simoëisios, een jongen nog, die zijn moeder gebaard had
na haar afdaling van de Ida aan de oever van de Simoeis,
γείνατ᾽, ἐπεί ῥα τοκεῦσιν ἅμ᾽ ἕσπετο μῆλα ἰδέσθαι·
τοὔνεκά μιν κάλεον Σιμοείσιον· οὐδὲ τοκεῦσι
θρέπτρα φίλοις ἀπέδωκε, μινυνθάδιος δέ οἱ αἰὼν
ἔπλεθ᾽ ὑπ᾽ Αἴαντος μεγαθύμου δουρὶ δαμέντι.
Πρῶτον γάρ μιν ἰόντα βάλε στῆθος παρὰ μαζὸν




480
meegegaan met haar ouders om naar de schapen te kijken:
daarom noemde men hem Simoëisios; maar niet vergold hij zijn ouders
zijn opvoeding, nee, zijn leven was nog maar kort,
toen hij gedood werd door de speer van de fiere Aias.
Hij trof hem frontaal toen hij naderde in de borst naast de rechtertepel,
δεξιόν· ἀντικρὺ δὲ δι᾽ ὤμου χάλκεον ἔγχος
ἦλθεν· ὃ δ᾽ ἐν κονίῃσι χαμαὶ πέσεν αἴγειρος ὣς
ἥ ῥά τ᾽ ἐν εἱαμενῇ ἕλεος μεγάλοιο πεφύκει
λείη, ἀτάρ τέ οἱ ὄζοι ἐπ᾽ ἀκροτάτῃ πεφύασι·
τὴν μέν θ᾽ ἁρματοπηγὸς ἀνὴρ αἴθωνι σιδήρῳ




485
en recht door zijn schouder vloog de bronzen punt,
en hij viel in het stof op de grond als een peppel
die in een moerassig weiland gegroeid is,
glad van stam, en in zijn top zijn takken ontsproten,
- hem velt een wagenmaker met zijn glanzende bijl
ἐξέταμ᾽, ὄφρα ἴτυν κάμψῃ περικαλλέϊ δίφρῳ·
ἣ μέν τ᾽ ἀζομένη κεῖται ποταμοῖο παρ᾽ ὄχθας.
Τοῖον ἄρ᾽ Ἀνθεμίδην Σιμοείσιον ἐξενάριξεν
Αἴας διογενής· τοῦ δ᾽ Ἄντιφος αἰολοθώρηξ
Πριαμίδης καθ᾽ ὅμιλον ἀκόντισεν ὀξέϊ δουρί.




490
om zo'n tak tot een velg te buigen voor een prachtige wagen;
maar hij ligt nu te rotten langs de oever van een rivier -;
zo verging het Simoëisios, Anthemions' zoon, toen Aias
hem ontdeed van zijn wapens. Maar op hem weer mikte in het gewoel
Antifos in flikkerend kuras, Priamos' zoon, met zijn scherpe lans.
Τοῦ μὲν ἅμαρθ᾽, ὃ δὲ Λεῦκον Ὀδυσσέος ἐσθλὸν ἑταῖρον
βεβλήκει βουβῶνα, νέκυν ἑτέρωσ᾽ ἐρύοντα·
ἤριπε δ᾽ ἀμφ᾽ αὐτῷ, νεκρὸς δέ οἱ ἔκπεσε χειρός.
Τοῦ δ᾽ Ὀδυσεὺς μάλα θυμὸν ἀποκταμένοιο χολώθη,
βῆ δὲ διὰ προμάχων κεκορυθμένος αἴθοπι χαλκῷ,




495
Hem miste hij, maar hij raakte de trouwe gezel van Odysseus
in zijn lies, terwijl hij het lijk weg probeerde te slepen;
zo viel hij daarbovenop en het lichaam glipte uit zijn hand.
Maar Odysseus werd ziedend om zijn plotselinge dood
en hij stapte door de voorstrijders heen, gewapend met fonkelend brons,
στῆ δὲ μάλ᾽ ἐγγὺς ἰὼν καὶ ἀκόντισε δουρὶ φαεινῷ
ἀμφὶ ἓ παπτήνας· ὑπὸ δὲ Τρῶες κεκάδοντο
ἀνδρὸς ἀκοντίσσαντος· ὃ δ᾽ οὐχ ἅλιον βέλος ἧκεν,
ἀλλ᾽ υἱὸν Πριάμοιο νόθον βάλε Δημοκόωντα
ὅς οἱ Ἀβυδόθεν ἦλθε παρ᾽ ἵππων ὠκειάων.




500
en vlakbij hem bleef hij staan en mikte met zijn glanzende speer,
terwijl hij rondom zich speurde: de Trojanen weken terug
voor de man met zijn speer in de aanslag; maar zijn schot bleef niet loos
want hij raakte de bastaard-zoon van Priamos Demokoön,
die hem uit Abydos, bij zijn paardenkudden vandaan, te hulp was gekomen.
Τόν ῥ᾽ Ὀδυσεὺς ἑτάροιο χολωσάμενος βάλε δουρὶ
κόρσην· ἣ δ᾽ ἑτέροιο διὰ κροτάφοιο πέρησεν
αἰχμὴ χαλκείη· τὸν δὲ σκότος ὄσσε κάλυψε,
δούπησεν δὲ πεσών, ἀράβησε δὲ τεύχε᾽ ἐπ᾽ αὐτῷ.
Χώρησαν δ᾽ ὑπό τε πρόμαχοι καὶ φαίδιμος Ἕκτωρ·




505
Hem trof dus Odysseus, woedend om zijn makker, aan zijn slaap
met zijn lans: die drong ook door zijn andere slaap heen,
brons aan de punt: het duister viel over zijn ogen,
met een dreun stortte hij neer en zijn wapens kletterden op hem.
Vol ontzag weken de voorstrijders terug, ook de stralende Hektor.
Ἀργεῖοι δὲ μέγα ἴαχον, ἐρύσαντο δὲ νεκρούς,
ἴθυσαν δὲ πολὺ προτέρω· νεμέσησε δ᾽ Ἀπόλλων
Περγάμου ἐκκατιδών, Τρώεσσι δὲ κέκλετ᾽ ἀΰσας·
ὄρνυσθ᾽ ἱππόδαμοι Τρῶες μηδ᾽ εἴκετε χάρμης
Ἀργείοις, ἐπεὶ οὔ σφι λίθος χρὼς οὐδὲ σίδηρος




510
Maar de Grieken barstten los in gejuich, gristen de lijken weg
en drongen verder naar voren; maar Apollo keek toe
vanaf Pergamos en wond zich op: luid riep hij tot de Trojanen:
"Vooruit paardentemmende Trojanen, wijk niet voor de Grieken
om hun fanatisme; hun huid is geen steen, ook geen ijzer
χαλκὸν ἀνασχέσθαι ταμεσίχροα βαλλομένοισιν·
οὐ μὰν οὐδ᾽ Ἀχιλεὺς Θέτιδος πάϊς ἠϋκόμοιο
μάρναται, ἀλλ᾽ ἐπὶ νηυσὶ χόλον θυμαλγέα πέσσει.
Ὣς φάτ᾽ ἀπὸ πτόλιος δεινὸς θεός· αὐτὰρ Ἀχαιοὺς
ὦρσε Διὸς θυγάτηρ κυδίστη Τριτογένεια




515
zodat zij het borende brons bij een treffer zouden kunnen weerstaan.
Niet nog vecht Achilleus mee, de zoon van de schoongelokte Thetis,
nee, die herkauwt vol grief zijn wrok bij de schepen".
Dat riep de geduchte god vanaf de stad; maar de wijdvermaarde
dochter van Zeus, aan de Triton geboren, spoorde de Grieken aan,
ἐρχομένη καθ᾽ ὅμιλον, ὅθι μεθιέντας ἴδοιτο.
Ἔνθ᾽ Ἀμαρυγκείδην Διώρεα μοῖρα πέδησε·
χερμαδίῳ γὰρ βλῆτο παρὰ σφυρὸν ὀκριόεντι
κνήμην δεξιτερήν· βάλε δὲ Θρῃκῶν ἀγὸς ἀνδρῶν
Πείρως Ἰμβρασίδης ὃς ἄρ᾽ Αἰνόθεν εἰληλούθει.




520
waar zij hen zag versagen, gaande door het gewoel.
Toen sloeg het lot toe bij Diores, Amarynkeus' zoon,
want met een puntige steen werd hij getroffen boven de enkel
in zijn rechterscheenbeen: de aanvoerder van de Thraciërs
trof hem, Peiroös, de zoon van Imbrasos, uit Ainos gekomen.
Ἀμφοτέρω δὲ τένοντε καὶ ὀστέα λᾶας ἀναιδὴς
ἄχρις ἀπηλοίησεν· ὃ δ᾽ ὕπτιος ἐν κονίῃσι
κάππεσεν ἄμφω χεῖρε φίλοις ἑτάροισι πετάσσας
θυμὸν ἀποπνείων· ὃ δ᾽ ἐπέδραμεν ὅς ῥ᾽ ἔβαλέν περ
Πείροος, οὖτα δὲ δουρὶ παρ᾽ ὀμφαλόν· ἐκ δ᾽ ἄρα πᾶσαι




525
Beide pezen en het bot vernielde de meedogenloze steen
totaal: hij viel achterover in het stof en strekte beide armen uit
naar zijn makkers, amechtig hijgend; maar op hem af rende Peiroös,
die hem ook had getroffen en stootte zijn speer in de navel;
al zijn darmen gleden naar buiten op de grond
χύντο χαμαὶ χολάδες, τὸν δὲ σκότος ὄσσε κάλυψε.
Τὸν δὲ Θόας Αἰτωλὸς ἀπεσσύμενον βάλε δουρὶ
στέρνον ὑπὲρ μαζοῖο, πάγη δ᾽ ἐν πνεύμονι χαλκός·
ἀγχίμολον δέ οἱ ἦλθε Θόας, ἐκ δ᾽ ὄβριμον ἔγχος
ἐσπάσατο στέρνοιο, ἐρύσσατο δὲ ξίφος ὀξύ,




530
en duisternis bedekte zijn ogen.
De Aitoliër Thoas trof Peiroös met zijn lans toen hij weg wilde rennen
in de borst boven de tepel, en de punt bleef steken in zijn long;
en Thoas kwam op hem af en trok de zware speer
uit zijn borst en hij pakte zijn scherpe zwaard en stootte die
τῷ ὅ γε γαστέρα τύψε μέσην, ἐκ δ᾽ αἴνυτο θυμόν.
Τεύχεα δ᾽ οὐκ ἀπέδυσε· περίστησαν γὰρ ἑταῖροι
Θρήϊκες ἀκρόκομοι δολίχ᾽ ἔγχεα χερσὶν ἔχοντες,
οἵ ἑ μέγαν περ ἐόντα καὶ ἴφθιμον καὶ ἀγαυὸν
ὦσαν ἀπὸ σφείων· ὃ δὲ χασσάμενος πελεμίχθη.




535
midden in zijn buik en ontnam hem daarmee het leven.
Maar zijn wapens kon hij niet afnemen: zijn Thracische medestrijders
met haarkam gingen om hem heen staan met lange lansen
in de aanslag: zij hielden hem tegen, hoe groot en sterk en moedig
hij ook was; hij moest wijken met wankele stappen.
Ὣς τώ γ᾽ ἐν κονίῃσι παρ᾽ ἀλλήλοισι τετάσθην,
ἤτοι ὃ μὲν Θρῃκῶν, ὃ δ᾽ Ἐπειῶν χαλκοχιτώνων
ἡγεμόνες· πολλοὶ δὲ περὶ κτείνοντο καὶ ἄλλοι.
Ἔνθά κεν οὐκέτι ἔργον ἀνὴρ ὀνόσαιτο μετελθών,
ὅς τις ἔτ᾽ ἄβλητος καὶ ἀνούτατος ὀξέϊ χαλκῷ




540
Zo lagen die twee daar bij elkaar in het stof, beide aanvoerders,
de één van de Thraciërs, de ander van de Epeiërs met bronzen harnas;
en ook vele anderen sneuvelden om hen.
Toen zou niemand meer die oorlog gering hebben geacht,
als hij daar ongedeerd en niet gewond door scherpe wapens
δινεύοι κατὰ μέσσον, ἄγοι δέ ἑ Παλλὰς Ἀθήνη
χειρὸς ἑλοῦσ᾽, αὐτὰρ βελέων ἀπερύκοι ἐρωήν·
πολλοὶ γὰρ Τρώων καὶ Ἀχαιῶν ἤματι κείνῳ
πρηνέες ἐν κονίῃσι παρ᾽ ἀλλήλοισι τέταντο.



middendoor rondliep aan de hand van Pallas Athene
die de vaart van werptuig kon afweren.
Want vele Trojanen en Grieken lagen die dag uitgestrekt
naast elkaar voorover in het stof.

(ed. D. B. Monro and T. W. Allen. Oxford, 1920)


Terug naar inhoudsopgave llias
13/7/'09