Annales 1

De staatkundige ontwikkeling van Rome in een notendop


Caput I

1.1.1. Urbem Romam a principio reges habuere; libertatem et consulatum L. Brutus instituit. dictaturae ad tempus sumebantur; neque decemviralis potestas ultra biennium neque tribunorum militum consulare ius diu valuit. non Cinnae, non Sullae longa dominatio; et Pompei Crassique potentia cito in Caesarem, Lepidi atque Antonii arma in Augustum cessere, qui cuncta discordiis civilibus fessa nomine principis sub imperium accepit.

Hoofdstuk 1

1.1.1. Over de stad Rome hebben aanvankelijk koningen geregeerd; de vrije Republiek met zijn consuls heeft Lucius Brutus ingesteld. In tijd van nood werden dictators aangesteld en de macht van Tienmannen is niet langer dan twee jaar van kracht geweest en ook de consulaire macht van de Krijgstribunen heeft nooit lang geduurd. Noch van Cinna, noch van Sulla was de heerschappij een lang leven beschoren; en de macht van Pompeius en Crassus is al snel overgegaan op Caesar, de militaire dictatuur van Lepidus en Antonius op Augustus, die het hele rijk, dat uitgeput was door burgertwisten, aan zijn gezag onderwierp onder de benaming 'vorst'.
1.1.2. Sed veteris populi Romani prospera vel adversa claris scriptoribus memorata sunt, temporibusque Augusti dicendis non defuere decora ingenia, donec gliscente adulatione deterrerentur; Tiberii Gaique et Claudii ac Neronis res florentibus ipsis ob metum falsae, postquam occiderant recentibus odiis compositae sunt.
1.1.2. Maar voor- of tegenspoed van het vroegere romeinse volk zijn al door vermaarde historici te boek gesteld en ook de geschiedenis van Augustus' tijd heeft het niet ontbroken aan vaardige talenten, zolang men tenminste niet afgeschrikt werd als gevolg van toenemende kruiperij; de daden van Tiberius en Gaius, Claudius en Nero zijn verdraaid te boek gesteld, uit angst tijdens hun leven, uit nog verse haatgevoelens na hun dood.
1.1.3.Inde consilium mihi pauca de Augusto et extrema tradere; mox Tiberii principatum et cetera, sine ira et studio, quorum causas procul habeo
1.1.3. Daarom ben ik van plan om slechts geringe aandacht te besteden aan Augustus, en dan nog alleen aan zijn nadagen; vervolgens verder te gaan met het principaat van Tiberius en zo verder, zonder ressentiment of toegeeflijkheid, waartoe ik de aanleidingen verre van mij houd.

Caput II

1.2.1.Postquam Bruto et Cassio caesis nulla iam publica arma, Pompeius apud Siciliam oppressus, exutoque Lepido, interfecto Antonio ne Iulianis quidem partibus nisi Caesar dux reliquus,posito triumviri nomine consulem se ferens et ad tuendam plebem tribunicio iure contentum, ubi militem donis, populum annona, cunctos dulcedine otii pellexit, insurgere paulatim, munia senatus magistratuum legum in se trahere, nullo adversante, cum ferocissimi per acies aut proscriptione cecidissent, ceteri nobilium, quanto quis servitio promptior, opibus et honoribus extollerentur ac novis ex rebus aucti tuta et praesentia quam vetera et periculosa mallent

Hoofdstuk 2

1.2.1. Nadat Brutus en Cassius uit de weg geruimd waren bleef er geen leger meer over om de Republiek te verdedigen, omdat Pompeius bij Sicilië verslagen was en na de liquidatie van Lepidus en de dood van Antonius ook van de Iuliaanse partij alleen Caesar als aanvoerder over was. Deze legde zijn titel van 'triumvir' af, presenteerde zich als consul en wendde voor tevreden te zijn met de macht van tribuun om het volk te beschermen. Zodra hij echter het leger in slaap gesust had met giften, het volk met voedsel en allen met weldadige rust, begon hij zich allengs te roeren en prerogatieven van senaat, ambtsdragers en wetten tot zich te trekken. Niemand bood hierbij tegenstand, omdat de grootste houwdegens op het slagveld of door vogelvrijverklaring omgekomen waren en omdat de overige vooraanstaanden - al naar gelang ze meer bereid waren tot onderdanigheid - door geld en ereambten tot groter maatschappelijk aanzien gebracht werden en zij dus op grond van hun pas verworven posities de voorkeur gaven aan nieuwe zekerheden boven de hachelijke omstandigheden van het verleden.

1.2.2. Neque provinciae illum rerum statum abnuebant, suspecto senatus populique imperio ob certamina potentium et avaritiam magistratuum, invalido legum auxilio, quae vi, ambitu, postremo pecunia turbabantur.

1.2.2. Ook de provincies verzetten zich niet tegen die gang van zaken omdat het gezag van senaat en volk in diskrediet geraakt was door de rivaliteit van de machtigen en de schraapzucht van de ambtsdragers. De wetgeving stond hiertegenover machteloos omdat ze door geweld, vriendjespolitiek en tenslotte omkoperij ontkracht werd.

Caput III

1.3.1. Ceterum Augustus subsidia dominationi Claudium Marcellum sororis filium admodum adulescentem pontificatu et curuli aedilitate, M. Agrippam ignobilem loco, bonum militia et victoriae socium, geminatis consulatibus extulit, mox defuncto Marcello generum sumpsit; Tiberium Neronem et Claudium Drusum privignos imperatoriis nominibus auxit, integra etiam tum domo sua.

Hoofdstuk 3

1.3.1. Augustus nu verhief tot steunpilaren voor zijn heerschappij Claudius Marcellus, zijn neefje en nog onvolwassen, door aan hem een pontificaat en een curulische aediliteit te verlenen, en aan Marcus Agrippa, van onaanzienlijke afkomst maar zijn trouwe vriend in oorlog en overwinning, gaf hij twee consulaten achter elkaar, en toen al spoedig Marcellus overleed koos hij de laatste tot schoonzoon. Aan Tiberius Nero en Claudius Drusus, zijn stiefzonen, kende hij de titel 'imperator' toe, hoewel toen ook zijn eigen familie nog compleet was.
1.3.2. Nam genitos Agrippa Gaium ac Lucium in familiam Caesarum induxerat, necdum posita puerili praetexta principes iuventutis appellari, destinari consules specie recusantis flagrantissime cupiverat.
1.3.2.Want hij had de zonen van Agrippa, Gaius en Lucius, in de familie der Caesars opgenomen en hij had er op gestaan dat zij, toen zij nog niet de jongenstoog ontgroeid waren, al 'jeugd-vorsten' genoemd werden en voor het consulaat bestemd werden, zogenaamd tegen zijn zin.
1.3.3 Ut Agrippa vita concessit, Lucium Caesarem euntem ad Hispanienses exercitus, Gaium remeantem Armenia et vulnere invalidum mors fato propera vel novercae Liviae dolus abstulit, Drusoque pridem extincto Nero solus e privignis erat, illuc cuncta vergere: filius, collega imperii, consors tribuniciae potestatis adsumitur omnisque per exercitus ostentatur, non obscuris, ut antea, matris artibus, sed palam hortatu.

1.3.3. Na de dood van Agrippa is Lucius Caesar gestorven toen hij op weg was naar de legers in Spanje en Gaius toen hij op de terugweg was vanuit Armenië en verzwakt was door een verwonding. De dood werd verhaast door het lot of doordat stiefmoeder Livia daarbij stiekem een handje hielp en omdat Drusus al lang overleden was, bleef alleen Nero van de stiefzonen over en bij hem kwam tenslotte alles terecht: hij werd aangenomen als zijn zoon, zijn partner in de macht, zijn deelgenoot in de 'tribunicia potestas' en als zodanig werd hij aan alle legers voorgedragen, niet meer met slinkse trucs van zijn moeder, maar openlijk op haar aansporen.
1.3.4. Nam senem Augustum devinxerat adeo, uti nepotem unicum Agrippam Postumum, in insulam Planasiam proiecerit, rudem sane bonarum artium et robore corporis stolide ferocem, nullius tamen flagitii conpertum.
1.3.4. Want zij had Augustus op zijn oude dag zo weten te bewerken dat hij zijn enige kleinzoon, Agrippa Postumus, naar het eiland Planasia liet deporteren. Dat was dan wel een jongen waar weinig cultuur bij zat en die voornamelijk prat ging op brute lichaamskracht maar van wie toch geen wandaad te melden was.
1.3.5.At hercule Germanicum Druso ortum octo apud Rhenum legionibus inposuit adscirique per adoptionem a Tiberio iussit, quamquam esset in domo Tiberii filius iuvenis, sed quo pluribus munimentis insisteret.
1.3.5. Maar - tragisch genoeg - stelde hij Germanicus, de zoon van Drusus, aan het hoofd van acht legioenen bij de Rijn en gaf opdracht dat hij door Tiberius geadopteerd werd ofschoon zich in het gezin van Tiberius een jonge zoon bevond, maar zo hoopte hij zich van des te meer steunpilaren te verzekeren.
1.3.6. Bellum ea tempestate nullum nisi adversus Germanos supererat, abolendae magis infamiae ob amissum cum Quintilio Varo exercitum quam cupidine proferendi imperii aut dignum ob praemium.
1.3.6. In die tijd was er geen enkele andere oorlog drukkender dan tegen de Germanen; en die woedde in feite meer om de schande te wreken wegens het verlies van het leger onder Quintilius Varus dan uit verlangen het rijk uit te breiden of noemenswaardige buit te behalen.
1.3.7. Domi res tranquillae, eadem magistratuum vocabula; iuniores post Actiacam victoriam, etiam senes plerique inter bella civium nati: quotus quisque reliquus qui rem publicam vidisset?
1.3.7. Binnenslands heerste rust, in naam functioneerden de magistraten; de jongeren waren geboren na de overwinning bij Actium, ook de oude garde was grotendeels uit de tijd tussen de burgeroorlogen: hoe weinigen waren nog over die de tijd van de Republiek nog meegemaakt hadden ?

Caput IV

1.4.1. Igitur verso civitatis statu nihil usquam prisci et integri moris: omnes exuta aequalitate iussa principis aspectare, nulla in praesens formidine, dum Augustus aetate validus seque et domum in pacem sustentavit.

Hoofdstuk 4

1.4.1. Zo was er na het op zijn kop zetten van de staatsrechtelijke orde nergens meer iets te vinden van de traditionele, respectabele verhoudingen: toen eenmaal het principe van gelijkheid overboord gezet was wachtten allen de bevelen van de vorst af. Vooralsnog was er weinig te duchten zolang Augustus in de kracht van zijn jaren zichzelf en zijn familie en de vrede in stand hield.
1.4.2.Postquam provecta iam senectus aegro et corpore fatigabatur, aderatque finis et spes novae, pauci bona libertatis in cassum disserere, plures bellum pavescere, alii cupere; pars multo maxima imminentis dominos variis rumoribus differebant:
1.4.2. Toen hij eenmaal op gevorderde leeftijd kwam en ziekelijk werd en toen zijn einde naderde en daarmee nieuwe verwachtingen, bespraken weinigen vruchteloos de zegeningen van de vrijheid, meerderen vatten vrees op voor oorlog, anderen verlangden er juist naar. Verreweg de meesten verspreidden in allerlei prietpraat wat men zoal van eventuele komende heersers te verwachten had:
1.4.3. trucem Agrippam et ignominia accensum non aetate neque rerum experientia tantae moli parem; Tiberium Neronem maturum annis, spectatum bello, sed vetere atque insita Claudiae familiae superbia, multaque indicia saevitiae, quamquam premantur, erumpere.
1.4.3.Agrippa, nors en rancuneus door de smadelijke behandeling hem aangedaan, zou noch door zijn leeftijd noch door bestuurservaring opgewassen zijn tegen zo'n grote opgave; Tiberius Nero mocht dan voldoende jaren tellen en zich bewezen hebben in de oorlog, hij was toch behept met die onuitroeibare arrogantie waar de Claudii het patent op hadden; ook staken al veel tekens van een driftige aard de kop op, al werden die ook nog verdoezeld.
1.4.4. Hunc et prima ab infantia eductum in domo regnatrice; congestos iuveni consulatus, triumphos; ne iis quidem annis, quibus Rhodi specie secessus exulem egerit, aliquid quam iram et simulationem et secretas libidines meditatum.
1.4.4. Hij was ook al van jongs af aan grootgebracht in een koninklijke ambiance; als jongeman al was hij overstelpt met consulaten en triomfen; zelfs in de jaren waarin hij op Rhodos als balling had doorgebracht, zogenaamd 'in retraite', had hij zich met niets anders bezig gehouden dan met wrok en veinzerij en een wellust die het daglicht niet kon verdragen.
1.4.5.Accedere matrem muliebri inpotentia: serviendum feminae duobusque insuper adulescentibus, qui rem publicam interim premant, quandoque distrahant.
1.4.5. Daar moest je nog een moeder aan toevoegen met de heerszucht van een vrouw: dat zou uitdraaien op slavernij aan een vrouw en bovendien twee jongelieden die onderling het staatsbelang onder druk zouden zetten en het eens zouden verscheuren.

Caput V

1.5.1. Haec atque talia agitantibus gravescere valetudo Augusti, et quidam scelus uxoris suspectabant. Quippe rumor incesserat paucos ante menses Augustum electis consciis et comite uno Fabio Maximo Planasiam vectum ad visendum Agrippam; multas illic utrimque lacrimas et signa caritatis spemque ex eo fore ut iuvenis penatibus avi redderetur.

1.5.2. Quod Maximum uxori Marciae aperuisse, illam Liviae. Gnarum id Caesari; neque multo post extincto Maximo, dubium an quaesita morte, auditos in funere eius Marciae gemitus semet incusantis, quod causa exitii marito fuisset.
1.5.3. Utcumque se ea res habuit, vixdum ingressus Illyricum Tiberius properis matris litteris accitur; neque satis conpertum est, spirantem adhuc Augustum apud urbem Nolam an exanimem reppererit.
1.5.4. Acribus namque custodiis domum et vias saepserat Livia, laetique interdum nuntii vulgabantur, donec provisis quae tempus monebat simul excessisse Augustum et rerum potiri Neronem fama eadem tulit.

Hoofdstuk 5

1.5.1. Terwijl men deze en soortgelijke geruchten druk besprak, werd de gezondheidstoestand van Augustus snel slechter; ook waren er die zijn vrouw ervan verdachten hierin de hand te hebben. Het gerucht had zich immers verspreid dat Augustus enkele maanden tevoren met medeweten van enkele vertrouwelingen en met als enige metgezel Fabius Maximus naar Planasia gevaren was om Agrippa te bezoeken; dat daar aan beide kanten veel tranen vergoten waren onder vertoon van genegenheid en dat men op grond hiervan de verwachting mocht koesteren dat de jongeman weer in genade bij zijn grootvader zou worden aangenomen.
1.5.2. Maximus zou dit verteld hebben aan zijn vrouw Marcia en die weer aan Livia. Dit zou Augustus ter ore zijn gekomen; en toen niet veel later Maximus omkwam, misschien door zelfdoding, zouden er bij zijn begrafenis weeklachten van Marcia gehoord zijn waarin zij zichzelf beschuldigde dat zij de oorzaak van de dood van haar man geweest was.
1.5.3. Hoe de zaak ook in elkaar zat: Tiberius werd, toen hij amper voet aan wal gezet had in Illyrië, in allerijl schriftelijk ontboden door zijn moeder en er bestaat geen zekerheid of hij Augustus nog levend bij Nola aangetroffen heeft of reeds overleden.
1.5.4. Want Livia had paleis en toegangswegen afgegrendeld met scherpe wachtposten en van tijd tot tijd werden optimistische mededelingen gedaan totdat, na het treffen van de voorzorgsmaatregelen waar de omstandigheden om vroegen, hetzelfde communiqué de dood van Augustus bekend gemaakt heeft en de machtsovername door Nero.

Caput VI

1.6.1. Primum facinus novi principatus fuit Postumi Agrippae caedes, quem ignarum inerumumque quamvis firmatus animo centurio aegre confecit. Nihil de ea re Tiberius apud senatum disseruit: patris iussa simulabat, quibus praescripsisset tribuno custodiae adposito, ne cunctaretur Agrippam morte adficere, quandoque ipse supremum diem explevisset.

Hoofdstuk 6

1.6.1. De eerste wandaad onder het nieuwe principaat bestond uit de moord op Postumus Agrippa, die, hoewel hij op niets verdacht was en ongewapend, een centurio, hoe vastberaden die ook was, toch maar met moeite wist af te slachten. Met geen woord heeft Tiberius hierover tegenover de senaat gerept: hij wendde voor dat het hier ging om bevelen van zijn vader waarin deze aan de tribuun die toezicht hield op de bewaking orders gegeven had om niet te dralen Agrippa te vermoorden, zodra hij zelf de laatste adem zou hebben uitgeblazen.
1.6.2. Multa sine dubio saevaque Augustus de moribus adulescentis questus, ut exilium eius senatus consulto sanciretur perfecerat: ceterum in nullius umquam suorum necem duravit, neque mortem nepoti pro securitate privigni inlatam credibile erat. Propius vero Tiberium ac Liviam, illum metu, hanc novercalibus odiis, suspecti et invisi iuvenis caedem festinavisse.
1.6.2. Ongetwijfeld had Augustus door vaak bitter te klagen over de gedragswijze van de jongeman gedaan gekregen dat zijn verbanning door een senaatsbesluit bekrachtigd werd: maar nooit heeft hij wrok jegens wie ook van zijn familie uit laten lopen op doodslag, en ook was het niet geloofwaardig dat hij zijn kleinzoon de das aandeed om zijn stiefzoon te beschermen. Waarschijnlijker scheen dat Tiberius en Livia, de eerste uit angst, de tweede uit stiefmoederlijke haatgevoelens, haast hadden gemaakt met de moord op de verdachte en gehate jongeman.
1.6.3. Nuntianti centurioni, ut mos militiae, factum esse quod imperasset, neque imperasse sese et rationem facti reddendam apud senatum respondit. Quod postquam Sallustius Crispus particeps secretorum (is ad tribunum miserat codicillos) comperit, metuens ne reus subderetur, iuxta periculoso ficta seu vera promeret, monuit Liviam ne arcana domus, ne consilia amicorum, ministeria militum vulgarentur, neve Tiberius vim principatus resolveret cuncta ad senatum vocando: eam condicionem esse imperandi, ut non aliter ratio constet quam si uni reddatur.
1.6.3. Aan de centurio, die naar militair gebruik kwam melden dat volbracht was wat hij opgedragen had, antwoordde hij dat er van een opdracht zijnerzijds geen sprake was geweest en dat verantwoording voor deze daad voor de senaat moest worden afgelegd. Maar toen Sallustius Crispus, die in het complot betrokken was [hij had de brief met de opdracht naar de tribuun gestuurd] hiervan lucht had gekregen drong hij er, uit angst dat hij als zondebok gebruikt zou worden, bij Livia op aan dat noch familiegeheimen noch adviezen van vrienden of militaire dienstbevelen aan de grote klok gehangen moesten worden, en dat Tiberius het prestige van het principaat niet moest uithollen door alles maar in de senaat aan de orde te stellen: dat dit de voorwaarde was voor heersen, dat de rekening alleen maar klopte als ze aan één enkeling werd overgelegd.

CAPUT VII

1.7.1. At Romae ruere in servitium consules, patres, eques. Quanto quis inlustrior, tanto magis falsi ac festinantes, vultuque composito, ne laeti excessu principis neu tristiores primordio, lacrimas gaudium, questus adulationem miscebant.

Hoofdstuk 7

1.7.1. Maar in Rome stortten zich consuls, senatoren, ridders in slaafs dienstbetoon. Naarmate men meer vooraanstaand was, des te meer mengde men, gehuicheld en gehaast, maar met het gezicht in een grimas om toch maar niet verheugd te lijken bij het overlijden van de ene vorst maar ook weer niet te treurig bij het aantreden van de ander, tranen en blijdschap, geweeklaag en vleierij.
1.7.2. Sex. Pompeius et Sex. Appuleius consules primi in verba Tiberii Caesaris iuravere, apudque eos Seius Strabo et C. Turranius, ille praetoriarum cohortium praefectus, hic annonae; mox senatus milesque et populus.
1.7.2. De consuls Sextus Pompeius en Sextus Appuleius hebben als eersten trouw gezworen aan Tiberius Caesar, en ten overstaan van hen legden Seius Strabo en Gaius Turranius de eed af, de eerste als commandant van de keizerlijke lijfwacht, de laatstgenoemde als verantwoordelijke voor de voedselvoorziening; daarna volgden senaat, leger en volk.
1.7.3. Nam Tiberius cuncta per consules incipiebat, tamquam vetere re publica et ambiguus imperandi: ne edictum quidem, quo patres in curiam vocabat, nisi tribuniciae potestatis praescriptione posuit sub Augusto acceptae.
1.7.3. Want Tiberius voerde al zijn beleid uit met de consuls als uitgangspunt, alsof de oude republikeinse verhoudingen nog in zwang waren en hij het maar zo zo vond om de touwtjes in handen te nemen: zelfs het edict waarin hij de senatoren ontbood naar het senaatsgebouw, heeft hij slechts uitgevaardigd op grond van de tribunicia potestas die hij onder Augustus verkregen had.
1.7.4. Verba edicti fuere pauca et sensu permodesto: de honoribus parentis consulturum, neque abscedere a corpore, idque unum ex publicis muneribus usurpare.
1.7.4. Het edict bevatte ook weinig tekst en had een zeer bescheiden strekking: hij was van plan hen te raadplegen over de eerbewijzen aan zijn vader, en hij week niet van zijn lichaam, en alleen deze publieke taak eiste hij voor zich op.
1.7.5. Sed defuncto Augusto signum praetoriis cohortibus ut imperator dederat; excubiae, arma, cetera aulae; miles in forum, miles in curiam comitabatur. Litteras ad exercitus tamquam adepto principatu misit, nusquam cunctabundus nisi cum in senatu loqueretur.
1.7.5. Maar toen Augustus overleden was had hij aan de keizerlijke lijfwacht het wachtwoord gegeven als hun opperbevelhebber; hij omringde zich met wachtposten, een lijfwacht, en wat maar bij een hofhouding hoorde; soldaten vergezelden hem naar het Forum, soldaten vergezelden hem naar het senaatsgebouw. Brieven naar de legers zond hij alsof hij het principaat had overgenomen, nergens terughoudend of het moest zijn toen hij in de senaat het woord voerde.
1.7.6. Causa praecipua ex formidine, ne Germanicus, in cuius manu tot legiones, immensa sociorum auxilia, mirus apud populum favor, habere imperium quam exspectare mallet.
1.7.6. De voornaamste oorzaak kwam voort uit de angst dat Germanicus, die zoveel legioenen en onafzienbare hulptroepen aan bondgenoten bij de hand had en die een wonderlijke populariteit bij het volk genoot, liever de macht zou willen grijpen dan afwachten.
1.7.7. Dabat et famae, ut vocatus electusque potius a re publica videretur quam per uxorium ambitum et senili adoptione inrepsisse. Postea cognitum est ad introspiciendas etiam procerum voluntates inductam dubitationem: nam verba vultus in crimen detorquens recondebat.
1.7.7. Ook hechtte hij aan de opinie dat hij veeleer uitgeroepen en gekozen was door de openbare lichamen dan dat hij zich binnen had weten te dringen via de eerzucht van een vrouw en de adoptie door een oude man. Later is men te weten gekomen dat hij tot die aarzelende houding gebracht is om ook de gezindheid van de vooraanstaanden te peilen: want hun woorden en gezichtsuitdrukking onthield hij, terwijl hij ze tot misdaden verdraaide.

Het eerste politieke optreden van Tiberius

CAPUT VIII

1.8.1. Nihil primo senatus die agi passus nisi de supremis Augusti. Cuius testamentum inlatum per virgines Vestae Tiberium et Liviam heredes habuit. Livia in familiam Iuliam nomenque Augustum adsumebatur. In spem secundam nepotes pronepotesque, tertio gradu primores civitatis scripserat, plerosque invisos sibi, sed iactantia gloriaque ad posteros.

Hoofdstuk 8

1.8.1. Op de eerste zittingsdag van de senaat heeft hij niets anders behandeld willen zien dan de begrafenis van Augustus. Diens testament werd door Vestaalse maagden binnengebracht en gaf Tiberius en Livia aan als erfgenamen. Livia werd in de familia Iulia opgenomen en kreeg de titel Augusta. Als erfgenamen in de tweede graad had hij zijn kleinzonen en achterkleinzonen benoemd, en in de derde graad de meest vooraanstaanden uit de burgerij, de meesten zijn vijanden, maar hij handelde zo door gebral en uit eerzucht bij het nageslacht.
>
1.8.2. Legata non ultra civilem modum, nisi quod populo et plebi quadringentiens triciens quinquies, praetoriarum cohortium militibus singula nummum milia, urbanis quingenos, legionariis aut cohortibus civium Romanorum trecenos nummos viritim dedit.
1.8.2. Zijn nalatenschap ging die van een gewoon burger niet te boven, behalve dat hij aan de burgerij en het volk drieënveertig miljoen vijfhonderdduizend sestertiën, aan de soldaten van de keizerlijke lijfwacht ieder duizend sestertiën, aan die van de stadscohorte vijfhonderd, aan de legioensoldaten en de cohorten van Romeinse burgers per man driehonderd sestertiën schonk.
1.8.3. Tum consulatum de honoribus; ex quis qui maxime insignes visi, ut porta triumphali duceretur funus, Gallus Asinius, ut legum latarum tituli, victarum ab eo gentium vocabula anteferentur, L. Arruntius censuere.
1.8.3. Daarna is er beraadslaagd over de eerbewijzen; hiervan werden als de opvallendste beschouwd dat de lijkstoet door de triomfpoort geleid zou worden, waarvoor Gallus Asinius het voorstel indiende, en dat de titels van de wetten die door hem waren bekrachtigd en de namen van de volken die door hem waren overwonnen vooruitgedragen zouden worden, waarvoor Lucius Arruntius het initiatief nam.
1.8.4. Addebat Messalla Valerius renovandum per annos sacramentum in nomen Tiberii; interrogatusque a Tiberio num se mandante eam sententiam prompsisset, sponte dixisse respondit, neque in iis quae ad rem publicam pertinerent consilio nisi suo usurum, vel cum periculo offensionis: ea sola species adulandi supererat.
1.8.4. Hieraan voegde Messalla Valerius nog toe dat de eed op Tiberius elk jaar hernieuwd moest worden; en toen hem door Tiberius gevraagd was of hij deze mening op zijn aandringen naar voren had gebracht, antwoordde hij dat hij uit eigen beweging gesproken had en dat hij in het algemeen slechts bij zichzelf te rade zou gaan in kwesties die de openbare zaak betroffen, zelfs als hij gevaar liep te schofferen: dat was de enige vorm van vleierij die nog niet vertoond was.
1.8.5. Conclamant patres corpus ad rogum umeris senatorum ferendum. Remisit Caesar adroganti moderatione, populumque edicto monuit ne, ut quondam nimiis studiis funus divi Iulii turbassent, ita Augustum in foro potius quam in campo Martis, sede destinata, cremari vellent.
1.8.5. Eenparig besloten de senatoren dat het stoffelijk overschot op de schouders van de senatoren naar de brandstapel gedragen moest worden. Met hooghartige bescheidenheid stemde de keizer daarmee in en hij vermaande het volk bij edict om niet, zoals zij eens de begrafenis van de goddelijke Iulius door al te grote genegenheidsbetuigingen in een chaotische gebeurtenis verkeerd hadden, zo ook bij Augustus te verlangen dat hij liever op het Forum gecremeerd zou worden in plaats van op het Marsveld, de plaats die Augustus zelf gekozen had.
1.8.6. Die funeris milites velut praesidio stetere, multum inridentibus qui ipsi viderant quique a parentibus acceperant diem illum crudi adhuc servitii et libertatis inprospere repetitae, cum occisus dictator Caesar aliis pessimum, aliis pulcherrimum facinus videretur: nunc senem principem, longa potentia, provisis etiam heredum in rem publicam opibus, auxilio scilicet militari tuendum, ut sepultura eius quieta foret.
1.8.6. Op de dag van de begrafenis stonden soldaten als voor handhaving van de orde opgesteld, tot grote hilariteit van hen die met eigen ogen gezien hadden of die van hun ouders gehoord hadden over die dag van nog verse onderdanigheid en vergeefs terugverlangde vrijheid, toen de moord op de dictator Caesar aan sommigen een allerellendigste en aan anderen een sublieme daad toescheen: nu werd een hoogbejaarde vorst, met een lange regeringsperiode achter zich, na ook al zijn erfgenamen op de springplank gezet te hebben in strijd met het algemeen belang, die moest nota bene met militaire hulp beschermd worden zodat zijn begrafenis rustig zou verlopen.

Caput IX

1.9.1. Multus hinc ipso de Augusto sermo, plerisque vana mirantibus, quod idem dies accepti quondam imperii princeps et vitae supremus, quod Nolae in domo et cubiculo in quo pater eius Octavius vitam finivisset.

Hoofdstuk 9

1.9.1. Hierna deden vele praatjes de ronde over Augustus zelf waarbij de meesten een bewondering aan de dag legden over onnozelheden: dat dezelfde dag de eerste was geweest van het begin van zijn regering in het verleden en de laatste van zijn leven nu, dat hij te Nola in het huis, ja zelfs in de kamer gestorven was waarin ook zijn vader Octavius de laatste adem had uitgeblazen.
1.9.2. Numerus etiam consulatuum celebrabatur, quo Valerium Corvum et C. Marium simul aequaverat, continuata per septem et triginta annos tribunicia potestas, nomen imperatoris semel atque vicies partum aliaque honorum mutiplicata aut nova.
1.9.2. Ook werd geprezen het grote aantal van zijn consulaten, waarmee hij Valerius Corvus en Gaius Marius samen geëvenaard had, de prestatie dat hij gedurende 37 jaar achtereenvolgens het ambt van tribuun bekleed had, 21 maal de titel 'imperator' verworven had en andere ereambten herhaaldelijk of voor het eerst verworven had.
1.9.3. At apud prudentes vita eius varie extollebatur arguebaturve. Hi: pietate erga parentem et necessitudine rei publicae, in qua nullus tunc legibus locus, ad arma civilia actum, quae neque parari possent neque haberi per bonas artes.
1.9.3. Maar onder mensen met een genuanceerd oordeel werd zijn levensloop op uiteenlopende wijze geprezen of tegen het licht gehouden. De ene groep redeneerde dat hij uit respect voor zijn vader en de noodzaak van de politieke omstandigheden waarin toen geen enkele mogelijkheid voor wettelijk handelen meer bestond, wel gedreven was tot burgeroorlog die nou eenmaal noch voorbereid noch uitgevochten kon worden met schone handen.
1.9.4. Multa Antonio, dum interfectores patris ulcisceretur, multa Lepido concessisse. Postquam hic socordia senuerit, ille per libidines pessum datus sit, non aliud discordantis patriae remedium fuisse quam ut ab uno regeretur.
1.9.4. Hij had veel toe moeten geven aan Antonius, als die maar wraak zou nemen op de moordenaars van zijn vader, veel ook aan Lepidus. Nadat de laatste oud geworden was in desinteresse en de eerstgenoemde zich te grabbel gegooid had in een liederlijk leven was er geen ander geneesmiddel geweest voor het vaderland-in-tweespalt dan dat het door één man werd geregeerd.
1.9.5. Non regno tamen neque dictatura, sed principis nomine constitutam rem publicam; mari Oceano aut amnibus longinquis saeptum imperium; legiones, provincias, classes, cuncta inter se conexa; ius apud cives, modestiam apud socios; urbem ipsam magnificio ornatu; pauca admodum vi tractata, quo ceteris quies esset.
1.9.5. Toch had hij de staatsvorm niet met een koningschap geregeld noch met een dictatuur maar onder de titel 'princeps'; het rijk had hij afgegrendeld met de Oceaan of verafgelegen rivieren; legioenen, provincies, vloten, alles was onderling in een georganiseerd verband gebracht; de burgers leefden in een rechtsstaat, de bondgenoten wisten hun plaats; Rome zelf kende een schitterende pracht; slechts weinig was maar gewelddadig geregeld en dat dan nog om op andere gebieden voor rust te zorgen.

Caput X

1.10.1. Dicebatur contra: pietatem erga parentem et tempora rei publicae obtentui sumpta: ceterum cupidine dominandi concitos per largitionem veteranos, paratum ab adulescente privato exercitum, corruptas consulis legiones, simulatam Pompeianarum partium gratiam.

Hoofdstuk 10

1.10.1. Daartegen werd ingebracht dat hij het respect voor zijn vader en de politieke omstandigheden slechts als voorwendsel gebruikt had: maar dat hij uit begeerte om te heersen de oudgedienden met schenkingen aan zich gebonden had, dat hij al van jongs af aan en zonder ambt een leger op de been had gebracht, de legioenen van een consul had omgekocht, een goede verstandhouding met de partij van Pompeius had voorgewend.
1.10.2. Mox ubi decreto patrum fasces et ius praetoris invaserit, caesis Hirtio et Pansa, sive hostis illos, seu Pansam venenum vulneri adfusum, sui milites Hirtium et machinator doli Caesar abstulerat, utriusque copias ocupavisse; extortum invito senatu consulatum, armaque quae in Antonium acceperit contra rem publicam versa; proscriptionem civium, divisiones agrorum ne ipsis quidem qui fecere laudatas.
1.10.2. Daarna had hij zich van de legers van Hirtius en Pansa meester gemaakt zodra hij via een decreet van de senaat in het bezit gekomen was van de fasces en de bevoegdheid van praetor. Eerst had hij Hirtius en Pansa uit de weg geruimd, hetzij de vijand met hen had afgerekend, hetzij Pansa vergif in een wond gespoten had gekregen en Hirtius door zijn eigen soldaten uit de weg was geruimd met Caesar als aanstichter van deze slinkse operatie. Tegen de zin van de senaat had hij een consulaat afgeperst en de wapens die hij verkregen had om tegen Antonius te vechten had hij aangewend tegen de staat. De vogelvrijverklaring van burgers en de verdeling van grondgebieden waren zelfs niet goed gepraat door degenen die het zelf ten uitvoer hadden gebracht.
1.10.3. Sane Cassii et Brutorum exitus paternis inimicitiis datos, quamquam fas sit privata odia publicis utilitatibus remittere: sed Pompeium imagine pacis, sed Lepidum specie amicitiae deceptos; post Antonium, Tarentino Brundisinoque foedere et nuptiis sororis inlectum, subdolae adfinitatis poenas morte exsolvisse.
1.10.3. Weliswaar konden de liquidatie van Cassius en de beide Brutussen toegeschreven worden aan hun vijandschap met zijn vader (hoewel het toch correct zou zijn persoonlijke grieven achter te stellen bij het belang van de staat): maar Pompeius was toch misleid door een verzoening die slechts in scene gezet was, Lepidus onder het mom van vriendschap; vervolgens had Antonius, verleid door de verdragen van Tarente en Brundisium en het huwelijk met zijn zuster voor zijn arglistige aanverwantschap met zijn leven moeten boeten.
1.10.4. Pacem sine dubio post haec, verum cruentam: Lollianas Varianasque clades, interfectos Romae Varrones, Egnatios, Iullos.
1.10.4. Ongetwijfeld heerste er daarna vrede, maar een bloedige: nederlagen van Lollius en Varus, te Rome executies van mannen als Varro, als Egnatius, als Lullus.
1.10.5. Nec domesticis abstinebatur: abducta Neroni uxor et consulti per ludibrium pontifices an concepto necdum edito partu rite nuberet; Q.Vitellii et Vedii Pollionis luxus; postremo Livia gravis in rem publicam mater, gravis domui Caesarum noverca.
1.10.5. Ook zijn huiselijk leven liet men niet onbesproken: van Nero was diens echtgenote afgetroggeld en met een cynische draai was aan de opperpriesters de vraag voorgelegd of hij wel een huwelijk mocht aangaan met een vrouw die zwanger was maar nog niet gebaard had; en dan de uitspattingen van Quintus Vitellius en Vedius Pollio; tenslotte: Livia, een spook als moeder voor de staat, maar ook als stiefmoeder voor de dynastie der Caesars.
1.10.6. Nihil deorum honoribus relictum, cum se templis et effigie numinum per flamines et sacerdotes coli vellet.
1.10.6. Niets was aan exclusieve eerbewijzen voor de goden overgelaten, nu hij zich in tempels en met afbeeldingen van goden wilde laten vereren door speciale en algemene priesters.
1.10.7. Ne Tiberium quidem caritate aut rei publicae cura successorem adscitum, sed, quoniam adrogantiam saevitiamque eius introspexerit, comparatione deterrima sibi gloriam quaesivisse. Etenim Augustus paucis ante annis, cum Tiberio tribuniciam potestatem a patribus rursum postularet, quamquam honora oratione, quaedam de habitu cultuque et institutis eius iecerat, quae velut excusando exprobraret.
1.10.7. Zelfs Tiberius had hij niet uit genegenheid of zorg voor het staatsbelang als zijn opvolger aangetrokken, maar, aangezien hij diens arrogantie en grimmigheid doorzien had, had hij roem voor zichzelf nagejaagd op grond van een uiterst verwerpelijke onderlinge vergelijking. Inderdaad had Augustus enkele jaren tevoren, toen hij aan de senaat opnieuw de tribunicische bevoegdheid voor Tiberius vroeg, in een weliswaar eervolle redevoering toch over zijn gedrag, levenswijze en gewoonten enkele opmerkingen gemaakt die onder het mom van een vergoelijking een verwijt inhielden.
1.10.8. Ceterum sepultura more perfecta templum et caelestes religiones decernuntur.
1.10.8. Overigens werden hem, nadat de begrafenis volgens gebruik had plaatsgevonden, een tempel en goddelijke verering toegekend.

Caput XI

1.11.1. Versae inde ad Tiberium preces. Et ille varie disserebat de magnitudine imperii, sua modestia. Solam divi Augusti mentem tantae molis capacem: se in partem curarum ab illo vocatum experiendo didicisse quam arduum, quam subiectum fortunae regendi cuncta onus. Proinde in civitate tot inlustribus viris subnixa non ad unum omnia deferrent: plures facilius munia rei publicae sociatis laboribus exsecuturos.

Hoofdstuk 11

1.11.1. Hierop richtte men zijn smeekbeden tot Tiberius. En hij sprak op omslachtige wijze over de enorme omvang van de heerschappij en zijn bescheiden capaciteiten. Alleen de geest van de goddelijke Augustus was opgewassen tegen een zo grote opgave: hijzelf had, toen hij eenmaal door hem tot deelname aan het bestuur geroepen was, door ervaring geleerd hoe een moeilijke en aan lotsgrillen onderworpen taak het besturen van alles vormde. Overigens mocht men niet in een staat, die geschraagd werd door zoveel voortreffelijke mannen alles afwentelen op de schouders van één man: meerderen zouden met groter gemak met vereende krachten de staatszaken ter hand kunnen nemen.
1.11.2. Plus in oratione tali dignitatis quam fidei erat; Tiberioque etiam in rebus quas non occuleret, seu natura sive adsuetudine, suspensa semper et obscura verba: tunc vero nitenti ut sensus suos penitus abderet in incertum et ambiguum magis implicabantur.
1.11.2. Een dergelijke toespraak was eerder imponerend dan geloofwaardig; en Tiberius was ook in aangelegenheden die geen geheimzinnigheid nodig hadden altijd een omsluierd en duister taalgebruik eigen, hetzij van nature hetzij door gewoonte: toen echter, toen hij er op uit was om zijn bedoelingen echt te verbergen, werden zijn gedachten nog meer in onduidelijkheid en dubbelzinnigheid verpakt.
1.11.3. At patres, quibus unus metus si intellegere viderentur, in questus lacrimas vota effundi; ad deos, ad effigiem Augusti, ad genua ipsius manus tendere, cum proferri libellum recitarique iussit.
1.11.3. Maar de senatoren, wier enige schrik hierin bestond dat zij dachten hem te begrijpen, putten zich uit in klachten, tranen en geloften; naar de goden, naar het beeld van Augustus, naar Tiberius' knieën strekten zij hun handen uit toen hij bevel gaf een boekje te voorschijn te halen en voor te lezen.
1.11.4. Opes publicae continebantur, quantum civium sociorumque in armis, quot classes, regna, provinciae, tributa aut vectigalia, et necessitates ac largitiones. Quae cuncta sua manu perscripserat Augustus addideratque consilium coercendi intra terminos imperii, incertum metu an per invidiam.
1.11.4. De openbare middelen stonden hierin opgesomd, hoeveel burgers en bondgenoten onder de wapens stonden, hoeveel vloten, vazalstaten, provincies, oorlogsschattingen of belastingen en de gedwongen en vrijwillige schenkingen. Dit alles had Augustus eigenhandig op papier gezet en hij had er het advies aan toegevoegd om het rijk beperkt te houden binnen de bestaande grenzen, waarbij het onzeker is of hij dit schreef uit vrees of afgunst.

Caput XII

1.12.1. Inter quae senatu ad infimas obtestationes procumbente, dixit forte Tiberius se, ut non toti rei publicae parem, ita quaecumque pars sibi mandaretur eius tutelam suscepturum.

Hoofdstuk 12

1.12.1. Terwijl intussen de senaat afzakte tot de laagste smeekbeden, zei Tiberius terloops dat hij, ook al was hij dan niet opgewassen tegen het staatsbestuur als geheel, hij dan toch wel elk onderdeel op zich zou nemen dat aan hem toevertrouwd zou worden.
1.12.2. Tum Asinius Gallus: 'Interrogo', inquit, 'Caesar, quam partem rei publicae mandari tibi velis.' Perculsus inprovisa interrogatione paulum reticuit: dein collecto animo respondit nequaquam decorum pudori suo legere aliquid aut evitare ex eo cui in universum excusari mallet.
1.12.2. Toen vroeg Asinius Gallus: 'Ik vraag U, Caesar, welk onderdeel u zou willen dat u toevertrouwd zou worden'. Uit het veld geslagen door deze onverwachte vraag zweeg hij even: daarna antwoordde hij, toen hij zijn tegenwoordigheid van geest weer terug had, dat het geenszins paste bij zijn bescheidenheid om iets te kiezen of af te wijzen van datgene waarvan hij in zijn geheel liever verschoond wilde blijven.
1.12.3. Rursum Gallus (etenim vultu offensionem coniectaverat) non idcirco interrogatum ait, ut divideret quae separari nequirent sed ut sua confessione argueretur unum esse rei publicae corpus atque unius animo regendum. Addidit laudem de Augusto Tiberiumque ipsum victoriarum suarum quaeque in toga per tot annos egregie fecisset admonuit.
1.12.3. Hierop zei Gallus (hij had immers uit zijn gezichtsuitdrukking opgemaakt dat hij hem beledigd had) dat hij zijn vraag niet hierom gesteld had om te delen wat niet niet gedeeld kon worden maar om door zijn eigen uitspraak duidelijk gemaakt te krijgen dat het bestuursapparaat één samenhangend geheel vormde en dan ook door de inzichten van één man geleid moest worden. Hij voegde daaraan nog lofprijzingen toe aan het adres van Augustus en herinnerde Tiberius zelf aan zijn oorlogsoverwinningen en aan wat hij gedurende zoveel jaren voortreffelijk had gepresteerd.
1.12.4. Nec ideo iram eius lenivit, pridem invisus, tamquam ducta in matrimonium Vipsania M. Agrippae filia, quae quondam Tiberii uxor fuerat, plus quam civilia agitaret Pollionisque Asinii patris ferociam retineret.
1.12.4. Maar toch heeft hij daardoor zijn woede niet kunnen wegnemen, daar hij al lang gehaat was bij hem omdat hij (naar Tiberius' gevoel) door zijn huwelijk met Vipsania, de dochter van Marcus Agrippa, die voorheen de echtgenote van Tiberius was geweest, meer dan een burgerambitie koesterde en hij de grimmigheid van zijn vader had geërfd.

Caput XIII

1.13.1. Post quae L. Arruntius haud multum discrepans a Galli oratione perinde offendit, quamquam Tiberio nulla vetus in Arruntium ira: sed divitem, promptum, artibus egregiis et pari fama publice, suspectabat.

Hoofdstuk 13

1.13.1. Hierna schoffeerde Lucius Arruntius hem eveneens met een redevoering die niet veel verschilde van die van Gallus, ofschoon Tiberius geen oude wrok tegen Arruntius koesterde: maar hij wantrouwde hem omdat hij rijk was, slagvaardig, met een verfijnde cultuur en een reputatie bij de bevolking waarmee aan die kwaliteiten recht gedaan werd.
1.13.2. Quippe Augustus supremis sermonibus cum tractaret quinam adipisci principem locum suffecturi abnuerent aut inpares vellent vel idem possent cuperentque, M. Lepidum dixerat capacem sed aspernantem, Gallum Asinium avidum et minorem, L. Arruntium non indignum et si casus daretur ausurum.
1.13.2. Immers, Augustus had in zijn laatste gesprekken, toen hij besprak wie voldoende in hun mars zouden hebben om de plaats van princeps te bekleden maar het zouden afwijzen of het wel zouden willen zonder er tegen opgewassen te zijn of het zowel zouden willen als zouden ambiëren, gezegd dat Marcus Lepidus het kon maar niet wilde, Gallus Asinius er tuk op was maar te kort schoot en Lucius Arruntius die positie niet onwaardig was en het ook zou aandurven als hem de gelegenheid geboden zou worden.
1.13.3. De prioribus consentitur, pro Arruntio quidam Cn. Pisonem tradidere; omnesque praeter Lepidum variis mox criminibus struente Tiberio circumventi sunt.
1.13.3. Over de eersten zijn de bronnen eensluidend maar in plaats van Arruntius hebben sommigen Gnaius Piso overgeleverd; en, op Lepidus na, zijn allen omgebracht op uiteenlopende beschuldigingen op aanstoken van Tiberius.
1.13.4. Etiam Q. Haterius et Mamercus Scaurus suspicacem animum perstrinxere, Haterius cum dixisset 'Quo usque patieris, Caesar, non adesse caput rei publicae?' Scaurus quia dixerat spem esse ex eo non inritas fore senatus preces quod relationi consulum iure tribuniciae potestatis non intercessisset. In Haterium statim invectus est; Scaurum, cui inplacabilius irascebatur, silentio tramisit.
1.13.4. Ook Quintus Haterius en Mamercus Scaurus hebben zijn achterdochtige geest gekwetst, Haterius omdat hij gezegd had: 'Hoe lang nog zult ge, Caesar, dulden dat de staat geen hoofd heeft ?'; Scaurus omdat hij gezegd had dat er hoop voortkwam dat de smeekbeden van de senaat niet tevergeefs zouden zijn op grond hiervan dat hij zich niet op grond van zijn tribunicische bevoegdheid had verzet tegen het voorstel van de consuls. Tegen Haterius is hij terstond uitgevaren; Scaurus, op wie hij onverzoenlijker gebeten was, heeft hij zwijgend voor paal laten staan.
1.13.5. Fessusque clamore omnium, expostulatione singulorum flexit paulatim, non ut fateretur suscipi a se imperium, sed ut negare et rogari desineret.
1.13.5. Vermoeid door de acclamaties van allen en de aandrang van de afzonderlijke senatoren ging hij allengs overstag, niet in zoverre dat hij er voor uitkwam dat hij het oppergezag op zich nam, maar dat hij ophield het te ontkennen en zich te laten soebatten.
1.13.6. Constat Haterium, cum deprecandi causa Palatium introisset ambulantisque Tiberii genua advolveretur, prope a militibus interfectum quia Tiberius casu an manibus eius inpeditus prociderat. Neque tamen periculo talis viri mitigatus est, donec Haterius Augustam oraret eiusque curatissimis precibus protegeretur.
1.13.6. Het staat vast dat Haterius, toen hij het Palatium binnengegaan was om te smeken om verzoening en zich aan de knieën wierp van Tiberius die daar rondliep, bijna door soldaten gedood is omdat Tiberius toevallig, of gestruikeld over zijn handen, voorover gevallen was. En toch is Tiberius door het gevaar waarin een dergelijk man verkeerd had, niet milder gestemd geraakt, totdat Haterius een beroep deed op Augusta en hij door haar zeer dringende voorspraak beschermd werd.

Caput XIV

1.14.1. Multa patrum et in Augustam adulatio. Alii parentem, alii matrem patriae appellandam, plerique ut nomini Caesaris adscriberetur 'Iuliae filius' censebant.

Hoofdstuk 14

1.14.1. Overdadig was ook aan het adres van Augusta de vleierij van de senatoren. Sommigen waren oordeel dat zij de titel 'Levenschenkster' zou moeten krijgen, anderen weer die van 'Moeder des Vaderlands', de meerderheid dat aan de naam Caesar die van 'Zoon van Iulia' gehecht zou worden.
1.14.2. Ille moderandos feminarum honores dictitans eademque se temperantia usurum in iis quae sibi tribuerentur, ceterum anxius invidia et muliebre fastigium in deminutionem sui accipiens ne lictorem quidem ei decerni passus est aramque adoptionis et alia huiusce modi prohibuit.
1.14.2. Hij echter benadrukte dat eerbetuigingen aan vrouwen binnen de perken gehouden moesten worden en dat hij dezelfde matiging zou betrachten in die eerbewijzen die aan hem toebedeeld zouden worden; maar in feite was hij bezorgd uit afgunst en vatte hij de verheffing van deze vrouw op als een degradatie van hemzelf en duldde zodoende zelfs niet dat aan haar een lictor werd toegekend en hij heeft ook een altaar ter ere van de adoptie en andere uitingen van deze aard tegengehouden.
1.14.3. At Germanico Caesari proconsulare imperium petivit, missique legati qui deferrent, simul maestitiam eius ob excessum Augusti solarentur. Quo minus idem pro Druso postularetur, ea causa quod designatus consul Drusus praesensque erat.
1.14.3. Maar voor Germanicus Caesar heeft hij om de proconsulaire macht gevraagd en er zijn gezanten gestuurd om hem dit over te brengen en hem tegelijkertijd zijn medeleven te betuigen met het overlijden van Augustus. Dat ditzelfde niet ook voor Drusus werd gevraagd had deze reden dat Drusus al consul voor de volgende ambtstermijn was en ter plaatse aanwezig.
1.14.4. Candidatos praeturae duodecim nominavit, numerum ab Augusto traditum; et hortante senatu ut augeret, iure iurando obstrinxit se non excessurum.
1.14.4. Hij benoemde twaalf candidaten voor de praetuur, een aantal dat door Augustus was overgeleverd; en toen de senaat erop aandrong om het aantal te vergroten, zwoer hij dat hij dat aantal niet zou overschrijden.

Caput XV

1.15.1. Tum primum e campo comitia ad patres translata sunt: nam ad eam diem, etsi potissima arbitrio principis, quaedam tamen studiis tribuum fiebant. Neque populus ademptum ius questus est nisi inani rumore, et senatus largitionibus ac precibus sordidis exsolutus libens tenuit, moderante Tiberio ne plures quam quattuor candidatos commendaret sine repulsa et ambitu designandos.

Hoofdstuk 15

1.15.1. Toen is voor het eerst de volksvergadering van het Marsveld overgebracht naar de senaat: want tot op die dag gebeurden sommige zaken nog naar het goeddunken van de kiesdistrikten hoewel het oordeel van de princeps natuurlijk zwaar zijn invloed deed voelen. En het volk heeft zich niet beklaagd dat haar een recht ontnomen werd, behalve dan met wat loos gemor, en de senaat heeft, bevrijd van de last van schenkingen en smadelijk ronselen, daar maar al te graag aan vastgehouden terwijl Tiberius zich ertoe beperkte om niet meer dan vier candidaten voor te dragen die zonder weigering en lobbyen gekozen moesten worden.
1.15.2. Inter quae tribuni plebei petivere ut proprio sumptu ederent ludos qui de nomine Augusti fastis additi Augustales vocarentur. Sed decreta pecunia ex aerario, utque per circum triumphali veste uterentur: curru vehi haud permissum.
1.15.2. In dezelfde tijd vroegen de volkstribunen om op eigen kosten spelen te mogen laten houden die dan, toegevoegd aan de kalender 'Augustales' zouden heten, afgeleid van de naam Augustus. Maar het geld hiervoor is toegewezen uit de schatkist en zij mochten in het circus gekleed gaan in triomfkleding: op een triomfwagen rijden is niet toegestaan.
1.15.3. Mox celebratio annua ad praetorem translata cui inter civis et peregrinos iurisdictio evenisset.
1.15.3. Al spoedig is deze jaarlijkse viering overgedragen aan die praetor, aan wie de rechtspraak tussen burgers en vreemdelingen ten deel viel.

Muiterij in Pannonië en het verloop daarvan.

Caput XVI

Hoofdstuk 16

1.16.1. Hic rerum urbanarum status erat, cum Pannonicas legiones seditio incessit, nullis novis causis nisi quod mutatus princeps licentiam turbarum et ex civili bello spem praemiorum ostendebat.
1.16.1. Zo was de toestand in Rome toen een opstand zich meester maakte van de legioenen in Pannonië met geen andere reden dan dat de verandering van princeps een mogelijkheid bood tot losbandigheid onder de troepen en de hoop op beloning als gevolg van een burgeroorlog.
1.16.2. Castris aestivis tres simul legiones habebantur, praesidente Iunio Blaeso, qui fine Augusti et initiis Tiberii auditis ob iustitium aut gaudium intermiserat solita munia. Eo principio lascivire miles, discordare, pessimi cuiusque sermonibus praebere aures, denique luxum et otium cupere, disciplinam et laborem aspernari.
1.16.2. In het zomerkamp waren drie legioenen tegelijk gelegerd onder het commando van Iunius Blaesus, die na het vernemen van de dood van Augustus en de regeringsaanvang van Tiberius uit gepaste overwegingen of als vreugdebetuiging de gebruikelijke taken had laten opschorten. Na dit begin sloegen de soldaten aan het lanterfanten, ruzieën, leenden het oor aan de stemmingmakerij van juist de meest abjecte sujetten en verlangden tenslotte naar het vieren van de teugels en indolentie en verwaarloosden tucht en inspanning.
1.16.3. Erat in castris Percennius quidam, dux olim theatralium operarum, dein gregarius miles, procax lingua et miscere coetus histrionali studio doctus. Is imperitos animos et quaenam post Augustum militiae condicio ambigentis inpellere paulatim nocturnis conloquiis aut flexo in vesperam die et dilapsis melioribus deterrimum quemque congregare.
1.16.3. In het legerkamp bevond zich een zekere Percennius, ooit de gangmaker bij theateruitvoeringen, daarna gemeen soldaat geworden; hij was brutaal van tong en gehaaid in het opzwepen van menigtes dank zij zijn toneelbezigheden. Deze hitste langzaam maar zeker onnozele halzen op en hen die zich afvroegen wat de toekomst in petto zou hebben voor de krijgsmacht na de dood van Augustus, tijdens nachtelijke samenkomsten, of hij wist in de avondschemering, wanneer de betere elementen zich verspreid hadden, juist het grootste tuig bij elkaar te krijgen.

Caput XVII

Hoofdstuk 17

1.17.1. Postremo promptis iam et aliis seditionis ministris velut contionabundus interrogabat cur paucis centurionibus paucioribus tribunis in modum servorum oboedirent. Quando ausuros exposcere remedia, nisi novum et nutantem adhuc principem precibus vel armis adirent?
1.17.1. Tenslotte, toen ook al anderen zich bereid toonden de muiterij op gang te helpen, vroeg hij als in een troepenvergadering, waarom zij als slaven dansten naar het pijpen van een handvol centurio's en nog minder tribunen. Wanneer zouden zij het eens aandurven om genoegdoening te eisen als ze nu niet eens met verzoeken of wapens een nieuwe en nog ja-knikkende vorst aan zijn jasje trokken ?
1.17.2. Satis per tot annos ignavia peccatum, quod tricena aut quadragena stipendia senes et plerique truncato ex vulneribus corpore tolerent.
1.17.2. Ze hadden zich gedurende zoveel jaren al genoeg in de luren laten leggen uit lafhartigheid, dat zij nu als hoogbejaarden en merendeels met gewonde lichamen dertig of veertig dienstjaren wilden verdragen.
1.17.3. Ne dimissis quidem finem esse militiae, sed apud vexillum tendentes alio vocabulo eosdem labores perferre. Ac si quis tot casus vita superaverit, trahi adhuc diversas in terras ubi per nomen agrorum uligines paludum vel inculta montium accipiant.
1.17.3. En zelfs aan degenen die afzwaaiden werd geen einde aan de diensttijd gegund, maar die moesten, gelegerd bij het vaandel onder een andere naam zich dezelfde inspanningen getroosten. En als iemand in z'n leven al zoveel lotgevallen doorstond, dan werd hij tenslotte naar een uithoek van de aarde overgebracht om daar zompige moerasgrond of onontginbaar bergland als landbouwgrond toegewezen te krijgen.
1.17.4. Enimvero militiam ipsam gravem, infructuosam: denis in diem assibus animam et corpus aestimari: hinc vestem arma tentoria, hinc saevitiam centurionum et vacationes munerum redimi. At hercule verbera et vulnera, duram hiemem, exercitas aestates, bellum atrox: aut sterilem pacem sempiterna.
1.17.4. Jazeker de krijgsdienst zelf was zwaar, en niet lonend: leven en dood werd dag aan dag op tien assen gewaardeerd: hiervan moest dan nog kleding, tenten, bruut optreden van de centurionen en vrijstelling van corvees betaald worden. Maar verdomme, het was alleen maar zweepslagen en verwondingen wat de klok sloeg, strenge winters, slavenwerk in de zomers, grimmige oorlogen of vrede die niets opbracht.
1.17.5. Nec aliud levamentum quam si certis sub legibus militia iniretur, ut singulos denarios mererent, sextus decumus stipendii annus finem adferret, ne ultra sub vexillis tenerentur, sed isdem in castris praemium pecunia solveretur.
1.17.5. En er was geen andere verlichting van hun werklast mogelijk dan wanneer ze op nauwkeurig omschreven voorwaarden de krijgdienst aanvaardden, namelijk dat ze ieder een denarius per dag verdienden, dat het zestiende jaar van de krijgsdienst het laatste zou zijn, dat ze dan ook niet langer meer onder het vaandel gehouden werden, maar dat nog in het legerkamp zelf hun beloning in geld werd uitbetaald.
1.17.6. An praetorias cohortis, quae binos denarios acceperint, quae post sedecim annos penatibus suis reddantur, plus periculorum suscipere? Non obtrectari a se urbanas excubias: sibi tamen apud horridas gentis e contuberniis hostem aspici.
1.17.6. Moesten de soldaten van de keizerlijke lijfwacht, die elk twee denarieën per dag verdienden, die na zestien jaar diensttijd weer naar huis mochten terugkeren, soms meer gevaren doorstaan ? Nu wilde hij niets afdingen op de stadsbewaking: maar zij moesten tussen wilde volken vanuit hun tenten de vijand onder ogen zien.

Caput XVIII

Hoofdstuk 18

1.18.1. Adstrepebat vulgus, diversis incitamentis, hi verberum notas, illi canitiem, plurimi detrita tegmina et nudum corpus exprobrantes.
1.18.1. De menigte betuigde luid haar instemming, waarbij zij uiteenlopende drijfveren had, sommigen toonden verwijtend de merktekens van zweepslagen, anderen hun grijze haren,zeer velen hun versleten kleding en zelfs een onbedekt lichaam.
1.18.2. Postremo eo furoris venere ut tres legiones miscere in unam agitaverint. Depulsi aemulatione, quia suae quisque legioni eum honorem quaerebant, alio vertunt atque una tres aquilas et signa cohortium locant; simul congerunt caespites, exstruunt tribunal, quo magis conspicua sedes foret.
1.18.2. Tenslotte geraakten zij in zo'n staat van razernij dat zij het er op aanstuurden om de drie legioenen samen te smelten. Toen zij dat weer hadden laten varen uit naijver omdat ieder die eer voor zijn eigen legioen opeiste, gooiden ze het over een andere boeg en zetten de drie adelaars en de vaandels van de cohorten op één plaats; tegelijkertijd brachten ze graszoden bijeen en richtten een verhoging op zodat die standplaats des te opvallender zou zijn.
1.18.3. Properantibus Blaesus advenit, increpabatque ac retinebat singulos, clamitans 'mea potius caede imbuite manus: leviore flagitio legatum interficietis quam ab imperatore desciscitis. Aut incolumis fidem legionum retinebo aut iugulatus paenitentiam adcelerabo.'
1.18.3. Terwijl ze hiermee druk in de weer waren kwam Blaesus op hen aangerend en voer tegen hen uit en hield afzonderlijke soldaten tegen terwijl hij uitriep: "Doop liever jullie handen in mijn bloed: het zal een mindere misdaad zijn om een onderbevelhebber te doden dan tegen de keizer in opstand te komen. Ofwel zal ik ongedeerd de trouw van de legioenen behouden ofwel door mijn dood jullie berouw versnellen".

Caput XIX

Hoofdstuk 19

1.19.1. Aggerabatur nihilo minus caespes iamque pectori usque adcreverat, cum tandem pervicacia victi inceptum omisere.
1.19.1. Niettemin ging men verder met het aandragen van graszoden en de verhoging was al tot borsthoogte aangegroeid toen zij, eindelijk door zijn hardnekkigheid overgehaald, hun onderneming staakten.
1.19.2. Blaesus multa dicendi arte non per seditionem et turbas desideria militum ad Caesarem ferenda ait, neque veteres ab imperatoribus priscis neque ipsos a divo Augusto tam nova petivisse; et parum in tempore incipientis principis curas onerari.
1.19.2. Blaesus betoogde met grote welsprekendheid dat de verlangens van de soldaten niet door middel van muiterij en rellen onder de ogen van de keizer gebracht moesten worden en dat noch de vroegere generaties aan de opperbevelhebbers van weleer noch zijzelf aan de goddelijke Augustus zulke ongehoorde eisen hadden gesteld; en dat het bovendien een erg ongelukkig tijdstip was om de zorgen van een keizer die zijn draai nog moest vinden te verzwaren.
1.19.3. Si tamen tenderent in pace temptare quae ne civilium quidem bellorum victores expostulaverint cur contra morem obsequii, contra fas disciplinae vim meditentur? Decernerent legatos seque coram mandata darent.
1.19.3. Als zij er toch toe neigden om in vrestijd te proberen te verkrijgen wat zelfs de overwinnaars in burgeroorlogen niet gevraagd zouden hebben, waarom dan een gewelddadig optreden overwogen tegen het beginsel van gehoorzaamheid in en tegen de plicht van discipline ? Ze konden beter gezanten aanwijzen en die in zijn aanwezigheid hun opdrachten geven.
1.19.4. Adclamavere ut filius Blaesi tribunus legatione ea fungeretur peteretque militibus missionem ab sedecim annis: cetera mandaturos ubi prima provenissent.
1.19.4. Zij stemden ermee in dat de zoon van Blaesus, een tribuun, zich met dit gezantschap zou belasten en voor de soldaten ontslag zou vragen na zestien dienstjaren: de rest zouden ze wel opdragen zodra het eerste bevredigend verlopen was.
1.19.5. Profecto iuvene modicum otium: sed superbire miles quod filius legati orator publicae causae satis ostenderet necessitate expressa quae per modestiam non obtinuissent.
1.19.5. Na het vertrek van de jongeman bleef het tamelijk rustig: maar de soldaten gingen er prat op dat de zoon van de onderbevelhebber zich nu bepleiter betoonde van hun gemeen belang en dat zij dus met dwang hadden kunnen bereiken wat zij met bescheidenheid niet hadden kunnen klaarstomen.

Caput XX

Hoofdstuk 20

1.20.1. Interea manipuli ante coeptam seditionem Nauportum missi ob itinera et pontes et alios usus, postquam turbatum in castris accepere, vexilla convellunt direptisque proximis vicis ipsoque Nauporto, quod municipii instar erat, retinentis centuriones inrisu et contumeliis, postremo verberibus insectantur, praecipua in Aufidienum Rufum praefectum castrorum ira, quem dereptum vehiculo sarcinis gravant aguntque primo in agmine per ludibrium rogitantes an tam immensa onera, tam longa itinera libenter ferret.
1.20.1. Intussen hebben compagnieën die vóór het begin van de muiterij naar Nauportus gestuurd waren met het oog op wegen en bruggen en andere behoeften, de vaandels uit de grond gerukt nadat ze van de opstand in het legerkamp gehoord hadden en nadat ze de nabijgelegen dorpen en Nauportus zelf, dat de omvang van een plattelandsstad had, geplunderd hadden, onder spottend hoongelach tegenover de centurio's die hen probeerden tegen te houden. Tenslotte gingen ze hen zelfs met zweepslagen te lijf waarbij ze vooral hun woede koelden op Aufidienus Rufus, de bevelhebber van het legerkamp die zij van zijn wagen sleurden en belastten met bagage en voor in de troep voortdreven en hem steeds treiterend vroegen of hij voor z'n lol zo'n zware last over zo grote afstanden vervoerde.
1.20.2. Quippe Rufus diu manipularis, dein centurio, mox castris praefectus, antiquam duramque militiam revocabat, vetus operis ac laboris et eo inmitior quia toleraverat.
1.20.2. Immers Rufus, lange tijd gemeen soldaat, daarna centurio, vervolgens kampcommandant, probeerde de oude, harde krijgstucht in ere te herstellen, oudgeworden onder zware inspanningen en des te onbuigzamer omdat hij het zelf verdragen had.

Caput XXI

Hoofdstuk 21

1.21.1. Horum adventu redintegratur seditio et vagi circumiecta populabantur. Blaesus paucos, maxime praeda onustos, ad terrorem ceterorum adfici verberibus, claudi carcere iubet; nam etiam tum legato a centurionibus et optimo quoque manipularium parebatur.
1.21.1. Bij de aankomst van dezen stak de muiterij weer de kop op en op strooptochten plunderden ze de omringende gebieden. Blaesus gaf opdracht om een handvol plunderaars die het zwaarst met buit beladen waren tot afschrikwekkend voorbeeld voor de overigen met de zweep af te straffen en op te sluiten; want ook toen nog gehoorzaamden de centurio's en juist de beste manipelsoldaten hun commandant.
1.21.2. Illi obniti trahentibus, prensare circumstantium genua, ciere modo nomina singulorum, modo centuriam quisque cuius manipularis erat, cohortem, legionem, eadem omnibus inminere clamitantes. Simul probra in legatum cumulant, caelum ac deos obtestantur, nihil reliqui faciunt quo minus invidiam misericordiam metum et iras permoverent. Adcurritur ab universis, et carcere effracto solvunt vincula desertoresque ac rerum capitalium damnatos sibi iam miscent.
1.21.2. Zij verzetten zich echter tegen degenen die hen wilden arresteren, omarmden de knieën van de omstanders, riepen nu eens de namen van de individuele soldaten, dan weer noemde ieder de centurie waarvan hij soldaat was, de cohort, het legioen en riepen steeds weer dat allen hetzelfde boven het hoofd hing. Tegelijk stapelden ze verwensingen op het hoofd van de commandant en riepen hemel en goden tot getuige aan en lieten niets na waarmee ze haat en medelijden, vrees en woede konden oproepen. Allen schoten hen te hulp en na het openbreken van hun kerker bevrijdden zij de opstandelingen en maakten al gemene zaak met degenen die wegens hoogverraad veroordeeld waren.

Caput XXII

Hoofdstuk 22

1.22.1. Flagrantior inde vis, plures seditioni duces. Et Vibulenus quidam gregarius miles, ante tribunal Blaesi adlevatus circumstantium umeris, apud turbatos et quid pararet intentos 'Vos quidem' inquit 'his innocentibus et miserrimis lucem et spiritum reddidistis: sed quis fratri meo vitam, quis fratrem mihi reddit? Quem missum ad vos a Germanico exercitu de communibus commodis nocte proxima iugulavit per gladiatores suos, quos in exitium militum habet atque armat.
1.22.1. Heviger laaide daarop het geweld op, meer aanstichters voor opstand traden op. En ene Vibulenus, een gewoon soldaat zei, vóór het tribunaal van Blaesus op de schouders van de omstanders gehesen tegen de menigte die opgehitst was en gespitst op wat hij ging klaarmaken: 'Jullie hebben aan deze onschuldigen en allerongelukkigsten het licht en de geest teruggegeven: maar wie geeft mijn broer zijn leven terug, wie geeft mij mijn broer terug ? Die was naar jullie toegezonden vanuit het Germaanse leger om voor onze gezamelijke belangen op te komen maar hem heeft hij afgelopen nacht laten kelen door zijn gladiatoren die hij tot ondergang van de soldaten onder de wapens houdt.
1.22.2. Responde, Blaese, ubi cadaver abieceris: ne hostes quidem sepultura invident. Cum osculis, cum lacrimis dolorem meum implevero, me quoque trucidari iube, dum interfectos nullum ob scelus sed quia utilitati legionum consulebamus hi sepeliant.'
1.22.2. Antwoord, Blaesus, waar je het stoffelijk overschot gedeponeerd hebt: zelfs vijanden misgunnen iemand een begrafenis niet. Wanneer ik met mijn ogen, wanneer ik met mijn tranen mijn verdriet gestild heb, laat ook mij dan doden, als dezen hier ons maar mogen begraven, ons, gedood niet wegens een misdaad maar omdat we voor de belangen van de legioenen opkwamen'.

Caput XXIII

Hoofdstuk 23

1.23.1. Incendebat haec fletu et pectus atque os manibus verberans. Mox disiectis quorum per umeros sustinebatur, praeceps et singulorum pedibus advolutus tantum consternationis invidiaeque concivit, ut pars militum gladiatores, qui e servitio Blaesi erant, pars ceteram eiusdem familiam vincirent, alii ad quaerendum corpus effunderentur.
1.23.1. Hij wakkerde dit spektakel nog aan door te huilen en door zich met de vuisten op borst en gezicht te beuken. Daarop duwde hij degenen uiteen, op wier schouders hij leunde, sprong op de grond en wentelde zich voor de voeten van elk van hen en ontketende daardoor zoveel verwarring en haat dat een deel van de soldaten de zwaardvechters die bij Blaesus in dienst stonden, een ander deel de rest van diens personeel in de boeien sloeg, en weer anderen zich verspreidden om het lijk te zoeken.
1.23.2. Ac ni propere neque corpus ullum reperiri, et servos adhibitis cruciatibus abnuere caedem, neque illi fuisse umquam fratrem pernotuisset, haud multum ab exitio legati aberant.
1.23.2. En als niet al vlug bekend geworden was dat er geen lijk te vinden was, en dat het personeel, ondanks toegepaste folteringen, ontkende dat er een moord had plaats gehad, ja zelfs dat hij nooit een broer gehad had, scheelde het maar een haar of de commandant was er aan gegaan.
1.23.3. Tribunos tamen ac praefectum castrorum extrusere, sarcinae fugientium direptae, et centurio Lucilius interficitur cui militaribus facetiis vocabulum 'cedo alteram' indiderant, quia fracta vite in tergo militis alteram clara voce ac rursus aliam poscebat.
1.23.3. Toch verjoegen zij de tribunen en het kamphoofd en plunderden de bagage van hen terwijl ze een goed heenkomen zochten, en zij doodden de centurio Lucilius die zij met soldatenspot de bijnaam 'Hier, geef er nog eens een' gegeven hadden omdat hij, als hij zijn stok gebroken had op de rug van een soldaat luidkeels een andere placht te eisen en dan nog een.
1.23.4. Ceteros latebrae texere, uno retento Clemente Iulio qui perferendis militum mandatis habebatur idoneus ob promptum ingenium.
1.23.4. De overige tribunen hebben zich schuil kunnen houden; alleen Clemens Iulius spaarden zij omdat hij wegens zijn toeschietelijkheid geschikt geacht werd om de opdrachten van de soldaten uit te voeren.
1.23.5. Quin ipsae inter se legiones octava et quinta decuma ferrum parabant, dum centurionem cognomento Sirpicum illa morti deposcit, quintadecumani tuentur, ni miles nonanus preces et adversum aspernantis minas interiecisset.
1.23.5. Ja zelfs dreigden het achtste en het vijftiende legioen het met elkaar aan de stok te krijgen, omdat de eersten de uitlevering eisten van de centurio met de naam Sirpicus om hem ter dood te brengen maar die van het vijftiende hem beschermden [maar het zou toch tot een gevecht gekomen zijn] als de soldaten van het negende met hun voorspraak en hun dreigementen tegen weerspannige elementen niet tussenbeide gekomen waren.

Caput XXIV

Hoofdstuk 24

1.24.1. Haec audita quamquam abstrusum et tristissima quaeque maxime occultantem Tiberium perpulere, ut Drusum filium cum primoribus civitatis duabusque praetoriis cohortibus mitteret, nullis satis certis mandatis, ex re consulturum.
1.24.1. Het vernemen van deze gebeurtenissen heeft Tiberius, hoewel hij een binnenvetter was en juist de grootste tegenslagen voor zich hield, ertoe gebracht om zijn zoon Drusus met de meest vooraanstaanden uit de burgerij en twee cohorten van de vorstelijke lijfwacht er op af te sturen zonder een nauwkeurig omschreven opdracht, maar om te handelen naar bevind van zaken.
1.24.2. Et cohortes delecto milite supra solitum firmatae. Additur magna pars praetoriani equitis et robora Germanorum, qui tum custodes imperatori aderant; simul praetorii praefectus Aelius Seianus, collega Straboni patri suo datus, magna apud Tiberium auctoritate, rector iuveni et ceteris periculorum praemiorumque ostentator.
1.24.2. Ook werden de cohorten door een keur van soldaten op meer dan normale sterkte gebracht. Een groot deel van de ruiterij van de praetoriaanse garde werd hier aan toegevoegd alsmede keurtroepen van Germanen die toen als lijfwachten de vorst ten dienste stonden; tevens de commandant van de vorstelijke lijfwacht: Aelius Seianus, die aan zijn vader Strabo als collega gegeven was en een groot aanzien bij Tiberius genoot, om de jongeman als leidsman te dienen en de overigen te sturen door op gevaren te wijzen en beloningen voor te houden.
1.24.3. Druso propinquanti quasi per officium obviae fuere legiones, non laetae, ut adsolet, neque insignibus fulgentes, sed inluvie deformi et vultu, quamquam maestitiam imitarentur contumaciae propiores.
1.24.3. Bij zijn nadering kwamen de legioenen Drusus tegemoet als uit plichtsbetrachting, niet in vreugde, zoals dat gebruikelijk is, noch met stralende veldtekens, maar afzichtelijk door vervuiling en in hun gezichtsuitdrukking toch eerder verwaten, ofschoon zij droefheid voorwendden.

Caput XXV

Hoofdstuk 25

1.25.1. Postquam vallum introiit, portas stationibus firmant, globos armatorum certis castrorum locis opperiri iubent: ceteri tribunal ingenti agmine circumveniunt. Stabat Drusus silentium manu poscens.
1.25.1. Nadat hij de omwalling binnengetrokken was stelden zij bewakingspiketten bij de poorten op en lieten groepen gewapenden postvatten op bepaalde punten van het kamp: de overigen stelden zich in een geweldige drom op rond de verhoging. Daar stond Drusus en eiste met een handgebaar stilte.
1.25.2. Illi quoties oculos ad multitudinem rettulerant, vocibus truculentis strepere, rursum viso Caesare trepidare; murmur incertum, atrox clamor et repente quies; diversis animorum motibus pavebant terrebantque.
1.25.2. Van hun kant gingen zij met dreigende stemmen te keer zo vaak als zij hun ogen lieten dwalen over die reusachtige menigte, dan weer zonk hun de moed in de schoenen als zij hun ogen richtten op Caesar voor zich; er was onbestemd gemor, grimmig geschreeuw en dan plotseling rust; door uiteenlopende gemoedsbewegingen bonden zij in en joegen schrik aan.
1.25.3. Tandem interrupto tumultu litteras patris recitat, in quis perscriptum erat, praecipuam ipsi fortissimarum legionum curam, quibuscum plurima bella toleravisset; ubi primum a luctu requiesset animus, acturum apud patres de postulatis eorum; misisse interim filium ut sine cunctatione concederet quae statim tribui possent; cetera senatui servanda quem neque gratiae neque severitatis expertem haberi par esset.
1.25.3. Toen hij er tenslotte in geslaagd was aan het rumoer een einde te maken las hij de brief van zijn vader voor waarin uitvoerig beschreven stond dat de zorg voor de zeer dappere legioenen, waarmee hij de last van zeer veel oorlogen gedragen had, hem zeer ter harte ging; dat hij, zodra zijn hart uitgerouwd was, stappen zou ondernemen bij de senaat betreffende hun eisen; dat hij intussen zijn zoon gestuurd had om zonder dralen toe te staan wat terstond vergund kon worden; dat de rest overgelaten moest worden aan de senaat waarvan aangenomen mocht worden dat zij evenzeer toeschietelijk als streng optrad.

Caput XXVI

Hoofdstuk 26

1.26.1. Responsum est a contione mandata Clementi centurioni quae perferret. Is orditur de missione a sedecim annis, de praemiis finitae militiae, ut denarius diurnum stipendium foret, ne veterani sub vexillo haberentur. Ad ea Drusus cum arbitrium senatus et patris obtenderet, clamore turbatur.
1.26.1. Door de vergadering is ten antwoord gegeven dat aan de centurio Clemens volmacht gegeven was om te onderhandelen. Deze begon over het afzwaaien na zestien dienstjaren, over de beloning voor volbrachte dienst, dat het soldij een denarius per dag moest bedragen, dat de veteranen niet operationeel gehouden moesten worden. Toen Drusus tegenwierp dat hierover overleg met de senaat en de senatoren nodig was werd hij met geschreeuw overstemd.
1.26.2. Cur venisset neque augendis militum stipendiis neque adlevandis laboribus, denique nulla bene faciendi licentia? At hercule verbera et necem cunctis permitti. Tiberium olim nomine Augusti desideria legionum frustrari solitum: easdem artis Drusum rettulisse.
1.26.2. Waarom was hij nou eigenlijk gekomen als het toch niet was om de soldij van de soldaten te verhogen of hun inspanningen te verlichten ? Voor geseling en doodstraf waren godbetere allen wel goed genoeg. Tiberius had er in het verleden een handje van gehad om in naam van Augustus de verlangens van de legioenen dood te laten lopen: nu was Drusus met diezelfde truken aan komen zetten.
1.26.3. Numquamne ad se nisi filios familiarum venturos? Novum id plane quod imperator sola militis commoda ad senatum reiciat. Eundem ergo senatum consulendum quotiens supplicia aut proelia indicantur: an praemia sub dominis, poenas sine arbitro esse?
1.26.3. Zouden er dan nooit eens anderen dan onmondige zonen naar hen toe komen ? Dit was wel iets ongehoords, dat de vorst alleen maar naar de senaat verwees wat in het belang van de soldaten was. Dan moest de senaat ook maar adviseren hoe vaak er doodstraffen uitgedeeld werden en gevechten aangegaan: of stonden beloningen onder toezicht maar konden straffen zonder meer uitgedeeld worden ?

Caput XXVII

Hoofdstuk 27

1.27.1. Postremo deserunt tribunal, ut quis praetorianorum militum amicorumve Caesaris occurreret, manus intentantes, causam discordiae et initium armorum, maxime infensi Cn. Lentulo, quod is ante alios aetate et gloria belli firmare Drusum credebatur et illa militiae flagitia primus aspernari.
1.27.1. Tenslotte liepen ze bij het spreekverhoog weg de vuist schuddend tegen wie ze maar van de gardesoldaten of de getrouwen van Caesar tegenkwamen, als een provocatie tot onenigheid en een aanzet tot wapengeweld, met name gebeten op Gnaeus Lentulus omdat ze geloofden dat deze meer dan de anderen op grond van zijn leeftijd en oorlogsroem Drusus steunde en ook met name de overtredingen van de krijgsdiscipline verwierp.
1.27.2. Nec multo post digredientem cum Caesare ac provisu periculi hiberna castra repetentem circumsistunt, rogitantes quo pergeret, ad imperatorem an ad patres, ut illic quoque commodis legionum adversaretur; simul ingruunt, saxa iaciunt. Iamque lapidis ictu cruentus et exitii certus adcursu multitudinis quae cum Druso advenerat protectus est.
1.27.2. Toen hij kort daarop met de zoon van de vorst wilde vetrekken en, omdat hij gevaar voorzag, naar het winterkwartier terug wilde gaan, gingen ze om hem heen staan en vroegen jennend waar hij heen wilde, naar de vorst of de senaat om daar de belangen van de legioenen te verkwanselen; tegelijk drongen ze op, gooiden met stenen. En reeds was hij door een steenworp getroffen en had hij een bloedende wond opgelopen en was al zeker van zijn einde toen hij door de hulp van de menigte die met Drusus meegekomen was ontzet is.

Caput XXVIII

Hoofdstuk 28

1.28.1. Noctem minacem et in scelus erupturam fors lenivit: nam luna claro repente caelo visa languescere. Id miles rationis ignarus omen praesentium accepit, suis laboribus defectionem sideris adsimulans, prospereque cessura qua pergerent si fulgor et claritudo deae redderetur.
1.28.1. Een toevallige omstandigheid heeft de dreiging van de nacht die anders op misdadigheid zou uitlopen afgeremd: want aan een heldere hemel zag men de maan plotseling slinken. Jan soldaat die natuurlijk niet op de hoogte was van het waarom van dit natuurverschijnsel heeft dit als een voorteken opgevat ten aanzien van de huidige gebeurtenissen waarbij hij de verduistering van het hemellichaam associeerde met zijn eigen problemen en het er op hield dat die problemen een voorspoedig verloop zouden krijgen op de manier waarop zij die hanteerden als de godin haar schittering en helderheid zou terugkrijgen.
1.28.2. Igitur aeris sono, tubarum cornuumque concentu strepere; prout splendidior obscuriorve laetari aut maerere; et postquam ortae nubes offecere visui creditumque conditam tenebris, ut sunt mobiles ad superstitionem perculsae semel mentes, sibi aeternum laborem portendi, sua facinora aversari deos lamentantur.
1.28.2. Derhalve begonnen zij lawaai te produceren met behulp van kopergeschal, een samenspel van bazuinen en hoorns; naarmate de maan schitterender of donkerder werd werden zij opgeluchter of droeviger gestemd; en toen er wolken op kwamen zetten en haar aan het zicht onttrokken en zij meenden dat zij in duisternis opgelost was jammerden zij dat aan hen een eeuwige kwelling voorspeld werd omdat de goden zich afkeerden van hun gedrag, zoals dat gaat met labiele geesten als die eenmaal door bijgeloof getroffen zijn.
1.28.3. Utendum inclinatione ea Caesar et quae casus obtulerat in sapientiam vertenda ratus circumiri tentoria iubet; accitur centurio Clemens et si alii bonis artibus grati in vulgus.
1.28.3. Brutus was van mening dat van deze neigingen gebruik gemaakt moest worden en dat wat het lot had aangeboden tot wijsheid moest worden aangewend en hij gaf dan ook bevel om de tenten langs te gaan; de centurio Clemens werd ontboden alsook anderen die bij de gewone soldaten gezien waren om hun gewaardeerde karakters.
1.28.4. Hi vigiliis, stationibus, custodiis portarum se inserunt, spem offerunt, metum intendunt. 'Quo usque filium imperatoris obsidebimus? Quis certaminum finis? Percennione et Vibuleno sacramentum dicturi sumus? Percennius et Vibulenus stipendia militibus, agros emeritis largientur? Denique pro Neronibus et Drusis imperium populi Romani capessent? Quin potius, ut novissimi in culpam, ita primi ad paenitentiam sumus? Tarda sunt quae in commune expostulantur: privatam gratiam statim mereare, statim recipias.'
1.28.4. Dezen mengden zich onder de nachtwachten, wachtposten en poortwachters, spiegelden verwachtingen voor en versterkten gevoelens van vrees. 'Hoelang nog zullen wij de zoon van de vorst nog te na komen ? Waar zullen deze vijandigheden op uit lopen ? Zullen wij de krijgseed afleggen in handen van Percennius en Vibulenus ? Zullen Percennius en Vibulenus aan de soldaten hun soldij betalen en de uitgedienden landerijen schenken ? Zullen zij uiteindelijk in plaats van de Nero's en Drusussen de heerschappij over het Romeinse volk op zich nemen ? Zullen wij niet liever, zoals we de eersten waren om ons te misdragen, zo ook als eersten tot inkeer komen ? Wat gemeenschappelijk geëist wordt vindt slechts langzaam gehoor: individuele verzoeken worden terstond gehonoreerd, meteen ingewilligd.'
1.28.5. Commotis per haec mentibus et inter se suspectis tironem a veterano, legionem a legione dissociant. Tum redire paulatim amor obsequii: omittunt portas, signa unum in locum principio seditionis congregata suas in sedes referunt.
1.28.5. Doordat men hierdoor onder de indruk kwam en men elkaar ging wantrouwen weekten ze de recruut los van de veteraan en het ene legioen van het andere. Toen keerde allengs het verlangen terug naar discipline: men verliet de poorten en bracht de vaandels die bij elkaar gezet waren aan het begin van de muiterij terug naar hun eigen plaatsen.

Caput XXIX

Hoofdstuk 29

1.29.1. Drusus orto die et vocata contione, quamquam rudis dicendi, nobilitate ingenita incusat priora, probat praesentia; negat se terrore et minis vinci: flexos ad modestiam si videat, si supplices audiat, scripturum patri ut placatus legionum preces exciperet.
1.29.1. Drusus riep bij zonsopgang het leger bijeen en, ofschoon onervaren in de welsprekendheid, sprak hij met aangeboren distantie afkeurend over wat er gebeurd was en prees hij de verandering van gedrag. Hij zei dat hij niet door verschrikking en bedreigingen onder de indruk werd gebracht maar dat als hij hen tot inkeer gebracht zou zien, als hij smeekbeden zou horen, dat hij zijn vader dan schriftelijk zou verzoeken om de beden van de legioenen welwillend in overweging te nemen.
1.29.2. Orantibus rursum idem Blaesus et L. Aponius, eques Romanus e cohorte Drusi, Iustusque Catonius, primi ordinis centurio, ad Tiberium mittuntur.
1.29.2. Toen zij hierom vroegen werden wederom Blaesus en Lucius Aponius, Romeins ridder uit de cohorte van Drusus, en Iustus Catonius, centurio van de eerste rang, naar Tiberius gestuurd.
1.29.3. Certatum inde sententiis, cum alii opperiendos legatos atque interim comitate permulcendum militem censerent, alii fortioribus remediis agendum: nihil in vulgo modicum; terrere ni paveant, ubi pertimuerint inpune contemni: dum superstitio urgeat, adiciendos ex duce metus sublatis seditionis auctoribus.
1.29.3. Vervolgens liepen de meningen uiteen omdat de ene groep van mening was dat de terugkomst van de gezanten afgewacht moest worden en dat intussen de soldaten met vriendelijk gedrag kalm gehouden moesten worden, maar een andere groep juist vond dat er met strakke maatregelen opgetreden moest worden: bij het gewone volk gebeurde immers niets met mate; ze joegen schrik aan als ze niet zelf in hun schulp kropen maar als ze eenmaal de schrik te pakken hadden kon men ze straffeloos als voetveeg gebruiken: zolang hun bijgeloof hen nog in zijn greep had moest van de kant van de aanvoerder vrees toegevoegd worden door het liquideren van de aanstichters van de muiterij.
1.29.4. Promptum ad asperiora ingenium Druso erat: vocatos Vibulenum et Percennium interfici iubet. Tradunt plerique intra tabernaculum ducis obrutos, alii corpora extra vallum abiecta ostentui.
1.29.4. De aard van Drusus was geneigd tot de strenge aanpak: hij gaf opdracht Vibulenus en Percennius op het matje te roepen en te executeren. De meesten leveren over dat zij in de tent van de aanvoerder onder de grond gestopt zijn, anderen schrijven dat hun lichamen over de omheining zijn geworpen tot afschrikwekkend voorbeeld.

Caput XXX

Hoofdstuk 30

1.30.1. Tum ut quisque praecipuus turbator conquisiti, et pars, extra castra palantes, a centurionibus aut praetoriarum cohortium militibus caesi: quosdam ipsi manipuli documentum fidei tradidere.
1.30.1. Toen zijn er heksenjachten gehouden op de grootste onrustzaaiers en een deel is, terwijl ze buiten het legerkamp rondzwierven, door hun centurio's of soldaten van de vorstlijke garde omgebracht: sommigen zijn door hun eigen manipels als bewijs van hun goede trouw uitgeleverd.
1.30.2. Auxerat militum curas praematura hiems imbribus continuis adeoque saevis, ut non egredi tentoria, congregari inter se, vix tutari signa possent, quae turbine atque unda raptabantur.
1.30.2. De zorgen van de soldaten werden nog vermeerderd door de vroeg invallende winter met stortregens die niet ophielden en zo hevig waren dat ze de tenten niet uit konden, niet bij elkaar konden komen en maar amper de vaandels konden behouden die door windhozen en watermassa's dreigden te worden meegesleurd.
1.30.3. Durabat et formido caelestis irae, nec frustra adversus impios hebescere sidera, ruere tempestates: non aliud malorum levamentum, quam si linquerent castra infausta temerataque et soluti piaculo suis quisque hibernis redderentur.
1.30.3. Ook de vrees voor de hemelse toorn hield aan:'niet voor niets verbleekten de hemellichamen, raasden de stormen tegen de goddelozen: geen andere verlichting voor hun misdaden was er dan het heilloze en ontwijde kamp te verlaten en bevrijd van hun schuld ieder naar hun eigen winterkwartieren terug te keren'.
1.30.4. Primum octava, dein quinta decuma legio rediere: nonanus opperiendas Tiberii epistulas clamitaverat, mox desolatus aliorum discessione imminentem necessitatem sponte praevenit. Et Drusus non exspectato legatorum regressu, quia praesentia satis consederant, in urbem rediit.
1.30.4. Eerst is het achtste legioen teruggekeerd, daarna het vijftiende: het negende had wel geëist dat ze de brieven van Tiberius zouden afwachten, maar vervolgens ontmoedigd door het vertrek van de anderen zijn ze toch maar uit eigen beweging weggetrokken voordat de noodzaak hen zou dwingen. En Drusus is, zonder de terugkeer van de gezanten af te wachten, naar Rome teruggekeerd omdat voor het moment de rust voldoende was teruggekeerd.

Muiterij in Germanië;het optreden van Germanicus.

Caput XXXI

Hoofdstuk 31

1.31.1. Isdem ferme diebus isdem causis Germanicae legiones turbatae, quanto plures tanto violentius, et magna spe fore ut Germanicus Caesar imperium alterius pati nequiret daretque se legionibus vi sua cuncta tracturis.
1.31.1. Ongeveer tegelijkertijd zijn om dezelfde redenen de Germaanse legioenen aan het muiten geslagen, en omdat deze groter in aantal waren had dat ook grotere repercussies; bovendien leefde daar de stellige verwachting dat Germanicus Caesar de heerschappij van de ander niet zou willen dulden en dat hij zich zou voegen naar de wensen van de legioenen die met hun geweld alles zouden regelen.
1.31.2. Duo apud ripam Rheni exercitus erant: cui nomen superiori sub C. Silio legato, inferiorem A. Caecina curabat. Regimen summae rei penes Germanicum agendo Galliarum censui tum intentum.
1.31.2. Er lagen twee legers aan de oever van de Rijn: dat met de naam 'Bovenloop-leger' stond onder leiding van de onderbevelhebber Gaius Silius, Aulus Caecina hield toezicht op het 'Benedenloop-leger'. Het opperbevel berustte bij Germanicus die toen bezig was met de belastingheffing van de Gallië's.
1.31.3. Sed quibus Silius moderabatur, mente ambigua fortunam seditionis alienae speculabantur: inferioris exercitus miles in rabiem prolapsus est, orto ab unetvicesimanis quintanisque initio, et tractis prima quoque ac vicesima legionibus: nam isdem aestivis in finibus Vbiorum habebantur per otium aut levia munia.
1.31.3. Maar de legioenen die onder bevel stonden van Silius keken met weifelend gemoed naar de afloop van de muiterij van de anderen: de soldaten van het benedenloopleger daarentegen barstten in razernij los nadat die van het eenentwintigste en het vijfde legioen het initiatief genomen hadden en ook het eerste en twintigste legioen meegesleept waren: want die waren gelegerd in hetzelfde zomerkamp in het gebied van de Ubii zonder of met slechts beperkte operationele opdrachten.
1.31.4. Igitur audito fine Augusti vernacula multitudo, nuper acto in urbe dilectu, lasciviae sueta, laborum intolerans, implere ceterorum rudes animos: venisse tempus quo veterani maturam missionem, iuvenes largiora stipendia, cuncti modum miseriarum exposcerent saevitiamque centurionum ulciscerentur.
1.31.4. Gevolg van een en ander was dat, bij het vernemen van Augustus' overlijden, de menigte die uit Rome afkomstig was [er was nog onlangs in Rome een lichting gehouden], gewend aan losbandigheid en wars van inspanning, de onervaren gemoederen van de anderen begonnen te bewerken: nu was het tijdstip aangebroken waarop de oudgedienden een tijdig ontslag, de jongeren ruimer soldij en allen een matiging van hun werkdruk moesten eisen en wraak moesten nemen voor de strengheid van de centurio's.
1.31.5. Non unus haec, ut Pannonicas inter legiones Percennius, nec apud trepidas militum auris, alios validiores exercitus respicientium, sed multa seditionis ora vocesque: sua in manu sitam rem Romanam, suis victoriis augeri rem publicam, in suum cognomentum adscisci imperatores.
1.31.5. Niet slechts één man was de verspreider van deze opstandige praat, zoals bij de Pannonische legioenen Percennius, en ook niet speelde dit bij schuchtere soldaten die rekening hielden met andere, krachtiger legers, maar hier had de muiterij vele monden en stemmen: in hun hand rustte het Romeinse gezag, door hun overwinningen werd het rijk vergroot, aan hun naam werd de naam van de opperbevelhebbers ontleend.

Caput XXXII

Hoofdstuk 32

1.32.1. Nec legatus obviam ibat: quippe plurium vaecordia constantiam exemerat. Repente lymphati destrictis gladiis in centuriones invadunt: ea vetustissima militaribus odiis materies et saeviendi principium. Prostratos verberibus mulcant, sexageni singulos, ut numerum centurionum adaequarent: tum convulsos laniatosque et partim exanimos ante vallum aut in amnem Rhenum proiciunt.
1.32.1. En ook de onderbevelhebber probeerde niet hiertegen op te treden: want de dolzinnigheid van te veel manschappen had zijn vastberadenheid ondergraven. Plotseling stormen zij dolzinnig met getrokken zwaarden op hun centurio's af: die vormen het oudste mikpunt voor de woede van de soldaten en het uitgangspunt voor razernij. Zij smijten hen op de grond en tuigen hen af met zweepslagen, met zijn zestigen tegen één om het aantal centurio's te evenaren; daarna werpen ze hen, verscheurd en verminkt en deels overleden over de omwalling of in de rivier de Rijn.
1.32.2. Septimius cum perfugisset ad tribunal pedibusque Caecinae advolveretur, eo usque flagitatus est donec ad exitium dederetur. Cassius Chaerea, mox caede Gai Caesaris memoriam apud posteros adeptus, tum adulescens et animi ferox, inter obstantes et armatos ferro viam patefecit.
1.32.2. Toen Septimius zijn toevlucht gezocht had op het spreekverhoog en smekend Caecina te voet viel is hij zo lang opgeëist totdat hij uitgeleverd werd tot zijn ondergang. Cassius Chaerea, die zich later bij het nageslacht gedenkwaardig maakte door zijn moord op Gaius Caesar maar die toen nog een jongeman was en onverschrokken, heeft zich met zijn zwaard een weg gebaand tussen de soldaten door die zich gewapend in de weg stelden.
1.32.3. Non tribunus ultra, non castrorum praefectus ius obtinuit: vigilias, stationes, et si qua alia praesens usus indixerat, ipsi partiebantur. Id militaris animos altius coniectantibus praecipuum indicium magni atque inplacabilis motus, quod neque disiecti nec paucorum instinctu, set pariter ardescerent, pariter silerent, tanta aequalitate et constantia ut regi crederes.
1.32.3. Geen tribuun, geen kampleider heeft nog langer zijn gezag kunnen handhaven: nachtwachten, wachtposten en wat verder de behoefte van het moment nodig maakte, verdeelden ze eigenmachtig. Dit was voor degenen die de gemoederen van de soldaten beter konden peilen het belangrijkste teken van een grote en onverzoenlijke muiterij: dat zij niet in een los verband en ook niet op de impuls van een handjevol maar als één man losbrandden, als één man tot stilte kwamen, met een zo grote eensgezindheid en vastberadenheid dat je er een sturing achter verwacht zou hebben.

Caput XXXIII

Hoofdstuk 33

1.33.1. Interea Germanico per Gallias, ut diximus, census accipienti excessisse Augustum adfertur. Neptem eius Agrippinam in matrimonio pluresque ex ea liberos habebat, ipse Druso fratre Tiberii genitus, Augustae nepos, sed anxius occultis in se patrui aviaeque odiis quorum causae acriores quia iniquae.
1.33.1. Intussen werd aan Germanicus, toen hij, zoals we vertelden, in Gallië de vermogensopgaven in ontvangst aan het nemen was gemeld dat Augustus overleden was. Hij was getrouwd met een kleindochter van hem, Agrippina, en had meerdere kinderen bij haar; zelf was hij de zoon van Drusus, Tiberius' broer, en een kleinzoon van Augusta, maar bezorgd om de heimelijke haatgevoelens jegens hem bij zijn oom en zijn grootmoeder; juist omdat de redenen daarvoor misplaatst waren, pakten die haatgevoelens des te heviger uit.
1.33.2. Quippe Drusi magna apud populum Romanum memoria, credebaturque, si rerum potitus foret, libertatem redditurus; unde in Germanicum favor et spes eadem. Nam iuveni civile ingenium, mira comitas et diversa ab Tiberii sermone vultu, adrogantibus et obscuris.
1.33.2. Immers de nagedachtenis aan Drusus stond in hoog aanzien bij het Romeinse volk en men ging ervan uit dat hij, als hij aan de macht zou zijn gekomen, de republikeinse staatsvorm zou hebben hersteld; vandaar koesterde men dezelfde gunstige gezindheid en verwachting tegenover Germanicus. Want de jongeman bezat een vriendelijk karakter en een voorkomendheid die opmerkelijk was en in schril contrast stond tegenover de aanmatigende en duistere taal en gezichtsuitdrukking van Tiberius.
1.33.3. Accedebant muliebres offensiones novercalibus Liviae in Agrippinam stimulis, atque ipsa Agrippina paulo commotior, nisi quod castitate et mariti amore quamvis indomitum animum in bonum vertebat.
1.33.3. Daarbij kwamen nog de echt vrouwelijke hatelijkheden, uitgedrukt in stief[groot]moederlijke steken van Livia tegen Agrippina en het feit dat Agrippina wat al te emotioneel was, zij het dan dat zij door haar schroom en de liefde voor haar man haar gevoelens, hoe heftig die ook waren, in goede banen leidde.

Caput XXXIV

Hoofdstuk 34

1.34.1. Sed Germanicus quanto summae spei propior, tanto impensius pro Tiberio niti. Sequanos proximos et Belgarum civitates in verba eius adigit. Dehinc audito legionum tumultu raptim profectus obvias extra castra habuit, deiectis in terram oculis velut paenitentia.
1.34.1. Maar naarmate Germanicus dichter in de nabijheid van de oppermacht kwam, des te intensiever spande hij zich voor Tiberius in. De meest naburigen van de Sequanen alsook stammen van de Belgen bracht hij onder diens gezag. Toen hij hierna hoorde van de muiterij onder de legioenen vertrok hij in allerijl en trof ze buiten het legerkamp aan met hun ogen naar de grond gericht als uit berouw.
1.34.2. Postquam vallum iniit dissoni questus audiri coepere. Et quidam prensa manu eius per speciem exosculandi inseruerunt digitos ut vacua dentibus ora contingeret; alii curvata senio membra ostendebant.
Nadat hij de omwalling binnengegaan was begon men verwarde klachten te laten horen. En sommigen namen zijn hand onder het voorwendsel die te willen kussen maar staken zijn vingers naar binnen om ze te laten voelen dat hun kaken geen tanden meer hadden; anderen toonden hem hun door ouderdom gekromde ledematen.
1.34.3. Adsistentem contionem, quia permixta videbatur, discedere in manipulos iubet: sic melius audituros responsum; vexilla praeferri ut id saltem discerneret cohortis: tarde obtemperavere.
1.34.3. Toen zij in een drom om hem heen kwamen staan beval hij zich manipelgewijs op te stellen, omdat dit een chaotische indruk maakte: er werd geantwoord dat zij hem zo beter konden horen; dan moesten in ieder geval de vaandels voorop gezet worden zodat hij de cohorten althans van elkaar zou kunnen onderscheiden: daaraan hebben zij slechts schoorvoetend gehoor gegeven.
1.34.4. Tunc a veneratione Augusti orsus flexit ad victorias triumphosque Tiberii, praecipuis laudibus celebrans quae apud Germanias illis cum legionibus pulcherrima fecisset. Italiae inde consensum, Galliarum fidem extollit; nil usquam turbidum aut discors. Silentio haec vel murmure modico audita sunt.
1.34.4. Toen is hij begonnen met woorden van respect aan het adres van Augustus en is daarna overgestapt op de overwinningen en triomfen van Tiberius waarbij hij met lofprijzingen onderstreepte wat hij aan buitengewoon prachtige prestaties geleverd had in de Germaanse gebieden met deze legioenen. Vervolgens heeft hij de eendracht van Italië en de trouw van de Gallische gewesten opgehemeld; nergens ook maar iets van opstand of tweespalt. Deze zaken werden stilzwijgend of met onderdrukt gemor aanhoord.

Caput XXXV

Hoofdstuk 35

1.35.1. Vt seditionem attigit, ubi modestia militaris, ubi veteris disciplinae decus, quonam tribunos, quo centuriones exegissent, rogitans, nudant universi corpora, cicatrices ex vulneribus, verberum notas exprobrant; mox indiscretis vocibus pretia vacationum, angustias stipendii, duritiam operum ac propriis nominibus incusant vallum, fossas, pabuli materiae lignorum adgestus, et si qua alia ex necessitate aut adversus otium castrorum quaeruntur.
1.35.1. Zodra hij het onderwerp van de muiterij aanroerde door te vragen waar nu de militaire bescheidenheid en waar de roem van hun vroegere discipline gebleven waren, waar zij toch de tribunen heengebracht hadden, waarheen de centurio's, ontblootten zij allen hun lichamen en hielden hem verwijtend de littekens als gevolg van hun verwondingen voor, de afdrukken van zweepslagen; daarop voeren zij in een mengelmoes van kreten uit tegen de prijzen voor corveevrijstellingen, de benepen soldij, de zwaarte van de inspanningen en noemden die met name: het werken aan de omwalling, de grachten, het gesjouw met voedsel, materiaal, hout en wat maar verder ofwel uit noodzaak ofwel als middel tegen leegloperij in het kamp verzonnen werd.
1.35.2. Atrocissimus veteranorum clamor oriebatur, qui tricena aut supra stipendia numerantes, mederetur fessis, neu mortem in isdem laboribus, sed finem tam exercitae militiae neque inopem requiem orabant.
1.35.2. Het meest indringende gejammer klonk van de kant van de veteranen die dertig of meer dienstjaren uittelden en smeekten dat hij hulp zou bieden aan degenen die versleten waren opdat niet de dood in hetzelfde gezwoeg hen ten deel zou vallen maar een einde aan de zo lang vervulde krijgsdienst en geen armzalig pensioen.
1.35.3. Fuere etiam qui legatam a divo Augusto pecuniam reposcerent, faustis in Germanicum ominibus; et si vellet imperium promptos ostentavere.
1.35.3. Sommigen eisten zelfs het geld op dat door de goddelijke Augustus was nagelaten onder heilwensen aan het adres van Germanicus; en zij toonden zich bereid tot steun als hij het hoogste gezag zou willen.
1.35.4. Tum vero, quasi scelere contaminaretur, praeceps tribunali desiluit. Opposuerunt abeunti arma, minitantes, ni regrederetur; at ille moriturum potius quam fidem exueret clamitans, ferrum a latere diripuit elatumque deferebat in pectus, ni proximi prensam dextram vi attinuissent.
1.35.4. Toen echter sprong hij hals over kop van het verhoog alsof hij zich aan een misdaad dreigde te bezoedelen. Maar toen hij weg wilde lopen versperden zij hem de weg met hun wapens en uitten bedreigingen voor het geval hij niet zou terugkeren; hij, echter, riep uit dat hij liever zou willen sterven dan zijn eed van trouw breken, rukte zijn zwaard uit de schede en wilde het met een uithaal in zijn borst stoten maar degenen die naast hem stonden grepen zijn rechterhand en hielden die met geweld tegen.
1.35.5. Extrema et conglobata inter se pars contionis ac, vix credibile dictu, quidam singuli propius incedentes feriret hortabantur; et miles nomine Calusidius strictum obtulit gladium, addito acutiorem esse. Saevum id malique moris etiam furentibus visum, ac spatium fuit quo Caesar ab amicis in tabernaculum raperetur.
1.35.6. Het achterste en dichtopeengedrongen deel van de meute, alsook, je kan het bijna niet geloven als je het zo vertelt, sommigen die afzonderlijk dichter bij kwamen spoorden hem aan om toe te steken; en een soldaat, Calusidius genaamd, hield hem zijn getrokken zwaard voor terwijl hij er aan toevoegde dat dat scherper was. Dit scheen zelfs deze razenden te gortig en smakeloos en dat leverde een pauze op waarin Caesar door zijn vrienden zijn tent in kon worden gesleurd.

Caput XXXVI

Hoofdstuk 36

1.36.1. Consultatum ibi de remedio. Etenim nuntiabatur parari legatos qui superiorem exercitum ad causam eandem traherent; destinatum excidio Vbiorum oppidum, imbutasque praeda manus in direptionem Galliarum erupturas.
1.36.1. Daar is krijgsraad gehouden over een oplossing. Er werd namelijk bericht dat gezanten instructies ontvingen om het leger aan de bovenloop voor dezelfde zaak te winnen; de stad van de Ubiërs was bestemd om verwoest te worden en als de benden eenmaal met buit in aanraking gekomen waren dan zouden ze losbarsten in een plundering van de Gallische gebieden.
1.36.2. Augebat metum gnarus Romanae seditionis et, si omitteretur ripa, invasurus hostis: at si auxilia et socii adversum abscedentis legiones armarentur, civile bellum suscipi. Periculosa severitas, flagitiosa largitio: seu nihil militi sive omnia concedentur in ancipiti res publica.
1.36.2. De ongerustheid werd nog vergroot door het feit dat de vijand op de hoogte was van de Romeinse muiterij en een inval zouden doen als de oever ontruimd zou worden: maar als de hulptroepen en bondgenoten bewapend zouden worden om tegen de opstandige legioenen op te treden, stond dat gelijk aan het ondernemen van een burgeroorlog. Streng optreden was riskant, inbinden schandelijk: of aan de soldaten nu niets of alles zou worden toegestaan: de staat kwam in gevaar.
1.36.3. Igitur volutatis inter se rationibus placitum ut epistulae nomine principis scriberentur: missionem dari vicena stipendia meritis, exauctorari qui sena dena fecissent ac retineri sub vexillo ceterorum inmunes nisi propulsandi hostis, legata quae petiverant exsolvi duplicarique.
1.36.3. Derhalve is er, na het een tegen het ander afgewogen te hebben, besloten om een brief op te stellen uit naam van de vorst met als inhoud dat ontslag uit de dienst verleend zou worden aan degenen die twintig jaar krijgsdienst verricht hadden, dat degenen met zestien jaar dienstverband slechts in reserve gehouden zouden worden zonder andere taak dan het afweren van de vijand, dat de erflatingen waarom zij gevraagd hadden uitgekeerd en zelfs verdubbeld zouden worden.

Caput XXXVII

Hoofdstuk 37

1.37.1. Sensit miles in tempus conficta statimque flagitavit. Missio per tribunos maturatur, largitio differebatur in hiberna cuiusque. Non abscessere quintani unetvicesimanique donec isdem in aestivis contracta ex viatico amicorum ipsiusque Caesaris pecunia persolveretur.
1.37.1. De soldaten voelden wel aan dat dit allemaal verzonnen was om tijd te winnen en eisten boter bij de vis. Het ontslag uit dienstverband werd met spoed uitgevoerd door de tribunen maar er werd een poging ondernomen de uitbetalingen uit te stellen totdat ieder in zijn winterkwartieren zou zijn teruggekeerd. De soldaten van het vijfde en van het eenentwintigste echter weigerden weg te gaan voordat zij in het zomerkamp zelf het geld volledig uitbetaald zouden krijgen uit de reiskas van Caesars vrienden en hemzelf.
1.37.2. Primam ac vicesimam legiones Caecina legatus in civitatem Vbiorum reduxit turpi agmine cum fisci de imperatore rapti inter signa interque aquilas veherentur.
1.37.2. Het eerste en twintigste legioen voerde de onderbevelhebber Caecina terug naar de stad van de Ubiërs in een smadelijke slagorde omdat de geldzakken die zij van de opperbevelhebber geroofd hadden, meegevoerd werden tussen de veldtekenen en de adelaars.
1.37.3. Germanicus superiorem ad exercitum profectus secundam et tertiam decumam et sextam decumam legiones nihil cunctatas sacramento adigit. Quartadecumani paulum dubitaverant: pecunia et missio quamvis non flagitantibus oblata est.
1.37.3. Germanicus vertrok naar het leger aan de Boven-Rijn en liet het tweede en dertiende en zestiende legioen de krijgseed afleggen zonder dat zij tegenstribbelden. Die van het veertiende hadden nog even geaarzeld: maar het geld en het groot verlof is hen aangeboden hoewel zij dat niet expliciet eisten.

Caput XXXVIII

Hoofdstuk 38

1.38.1. At in Chaucis coeptavere seditionem praesidium agitantes vexillarii discordium legionum et praesenti duorum militum supplicio paulum repressi sunt. Iusserat id M'. Ennius castrorum praefectus, bono magis exemplo quam concesso iure.
1.38.2. Maar in het gebied van de Chaucen begonnen de vexillarii van de muitende legioenen die daar een bewakingstaak uitvoerden een opstand maar die zijn door de ogenblikkelijke terechtstelling van twee soldaten wat ingetoomd. Het bevel hiertoe had Manius Ennius, de kampcommandant, gegeven, meer als een goed voorbeeld dan uit hoofde van zijn bevoegdheid.
1.38.2. Deinde intumescente motu profugus repertusque, postquam intutae latebrae, praesidium ab audacia mutuatur: non praefectum ab iis, sed Germanicum ducem, sed Tiberium imperatorem violari. Simul exterritis qui obstiterant, raptum vexillum ad ripam vertit, et si quis agmine decessisset, pro desertore fore clamitans, reduxit in hiberna turbidos et nihil ausos.
1.38.2. Vervolgens is hij, toen de onlusten toenamen, gevlucht maar weer opgespoord en, nu een schuilplaats hem geen veiligheid geboden had, zocht hij bescherming in driest optreden: niet hun commandant werd door hen geschoffeerd, maar Germanicus, hun bevelhebber, ja zelfs vorst Tiberius. Tegelijk ontrukte hij aan hen die onthutst stonden te kijken na hem eerst in de weg gestaan te hebben, het vaandel en zette weer koers naar de oever en, terwijl hij uitriep dat degene die uit de linies zou wijken als deserteur behandeld zou worden, voerde hij hen weer terug de winterkwartieren in terwijl ze nog opgewonden waren maar niets hadden durven ondernemen.

Het verloop van deze muiterij.

Caput XXXIX

Hoofdstuk 39

1.39.1. Interea legati ab senatu regressum iam apud aram Vbiorum Germanicum adeunt. Duae ibi legiones, prima atque vicesima, veteranique nuper missi sub vexillo hiemabant.
1.39.1. Intussen kwamen gezanten van de kant van de senaat bij Germanicus aan die al naar het Altaar der Ubiërs was teruggekeerd. Daar overwinterden twee legioenen, het eerste en het twintigste, en veteranen die pas onlangs in een vendel waren ondergebracht.
1.39.2. Pavidos et conscientia vaecordes intrat metus venisse patrum iussu qui inrita facerent quae per seditionem expresserant.
1.39.2. Omdat zij bang waren en dolzinnig door schuldbesef besprong hen de vrees dat er in opdracht van de senaat lieden waren gekomen die alles wat zij door hun muiterij afgedwongen hadden te niet zouden kunnen doen.
1.39.3. Utque mos vulgo quamvis falsis reum subdere, Munatium Plancum consulatu functum, principem legationis, auctorem senatus consulti incusant; et nocte concubia vexillum in domo Germanici situm flagitare occipiunt, concursuque ad ianuam facto moliuntur foris, extractum cubili Caesarem tradere vexillum intento mortis metu subigunt.
1.39.3. En zoals nu eenmaal de gewoonte bij het gewone volk is om een schuldige te vinden voor gebeurtenissen, ook als die uit hun duim gezogen zijn, beschuldigden zij Munatius Plancus, een oud-consul en leider van het gezantschap, ervan de initiatiefnemer tot het senaatsbesluit te zijn; en zij begonnen in het holst van de nacht het vaandel op te eisen dat in de woning van Germanicus stond opgesteld en, nadat zich een oploop voor de deur gevormd had, forceerden zij de toegang, sleepten Caesar van zijn bed en dwongen hem onder bedreiging met de dood het vaandel uit te leveren.
1.39.4. Mox vagi per vias obvios habuere legatos, audita consternatione ad Germanicum tendentis. Ingerunt contumelias, caedem parant, Planco maxime, quem dignitas fuga impediverat; neque aliud periclitanti subsidium quam castra primae legionis. Illic signa et aquilam amplexus religione sese tutabatur, ac ni aquilifer Calpurnius vim extremam arcuisset, rarum etiam inter hostis, legatus populi Romani Romanis in castris sanguine suo altaria deum commaculavisset.
1.39.4. Daarna ontmoetten zij bij hun omzwervingen de gezanten die onderweg waren naar Germanicus nadat zij de opschudding gehoord hadden. Zij scholden hen uit en maakten zich klaar om tot een moordpartij over te gaan, met name tegenover Plancus die door zijn waardigheid tot dan toe van de vlucht was afgehouden; en in zijn hachelijke positie stond hem geen andere toevlucht ten dienste dan het legerkamp van het eerste legioen. Daar probeerde hij zich door godsdienstig handelen in veiligheid te brengen namelijk door de veldtekens en de adelaar te omarmen en, als de adelaardrager Calpurnius het uiterste geweld niet afgeweerd had, zou - iets zeldzaams, zelfs onder vijanden - een gezant van het Romeinse volk in een Romeins legerkamp met zijn bloed een godenaltaar bezoedeld hebben.
1.39.5. Luce demum, postquam dux et miles et facta noscebantur, ingressus castra Germanicus perduci ad se Plancum imperat recepitque in tribunal.
1.39.5. Pas bij het ochtendgloren, toen aanvoerder en soldaat en de gebeurtenissen herkenbaar werden, kwam Germanicus het legerkamp binnen, beval Plancus bij zich te brengen en zette hem naast zich op het verhoog.
1.39.6. Tum fatalem increpans rabiem, neque militum sed deum ira resurgere, cur venerint legati aperit; ius legationis atque ipsius Planci gravem et immeritum casum, simul quantum dedecoris adierit legio, facunde miseratur, attonitaque magis quam quieta contione legatos praesidio auxiliarium equitum dimittit.
1.39.6. Toen voer hij uit tegen deze noodlottige razernij 'die niet door de woede van de soldaten maar door die van de goden weer opvlamde' en legde uit waarvoor de gezanten gekomen waren; in welsprekende bewoordingen schilderde hij het gezantenrecht en het ernstige en onverdiende lot van Plancus in persoon alsook de grote schande die het legioen op zich geladen had en nadat de toehoorders meer afgebekt dan tot rust gebracht waren zond hij de gezanten weg onder de hoede van de ruiterij der hulptroepen.

Caput XXXX

Hoofdstuk 40

1.40.1. Eo in metu arguere Germanicum omnes quod non ad superiorem exercitum pergeret, ubi obsequia et contra rebellis auxilium: satis superque missione et pecunia et mollibus consultis peccatum.
1.40.1. In deze hachelijke omstandigheden keurden allen het in Germanicus af dat hij niet naar het boven-leger trok waar nog discipline heerste en anderzijds hulp te krijgen was ten aanzien van de rebellen: er was al meer dan genoeg verkeerd opgetreden door het geven van groot verlof en geld en door halfzachte maatregelen.
1.40.2. Vel si vilis ipsi salus, cur filium parvulum, cur gravidam coniugem inter furentis et omnis humani iuris violatores haberet? illos saltem avo et rei publicae redderet.
1.40.2. Of, als zijn behoud voor hemzelf zo weinig te betekenen had, waarom zou hij dan zijn kleine zoontje, waarom zijn zwangere vrouw nog tussen deze razende kerels en schenners van elk mensenrecht laten blijven ? Hen moest hij toch minstens teruggeven aan zijn grootvader en de staat.
1.40.3. Diu cunctatus aspernantem uxorem, cum se divo Augusto ortam neque degenerem ad pericula testaretur, postremo uterum eius et communem filium multo cum fletu complexus, ut abiret perpulit.
1.40.3. Nadat hij lang geaarzeld had wist hij tenslotte zijn echtgenote, die aanvankelijk de boot afhield door te claimen dat zij de kleindochter van de goddelijke Augustus was en zich opgewassen betoond had tegen gevaren, ertoe te bewegen dat zij heenging nadat hij haar schoot en hun beider zoontje onder veel tranen had omhelsd.
1.40.4. Incedebat muliebre et miserabile agmen, profuga ducis uxor, parvulum sinu filium gerens, lamentantes circum amicorum coniuges quae simul trahebantur nec minus tristes qui manebant.
1.40.4. Daar ging dan de de deerniswekkende stoet vrouwen op weg, de echtgenote van de aanvoerder, haar peutertje op de arm terwijl de vrouwen van zijn vrienden, die tegelijk meegevoerd werden, om haar heen jammerden en de achterblijvers niet minder droevig gestemd waren.

Caput XXXXI

Hoofdstuk 41

1.41.1. Non florentis Caesaris neque suis in castris, sed velut in urbe victa facies; gemitusque ac planctus etiam militum auris oraque advertere: progrediuntur contuberniis. Quis ille flebilis sonus? Quod tam triste? Feminas inlustres, non centurionem ad tutelam, non militem, nihil imperatoriae uxoris aut comitatus soliti: pergere ad Treviros et externae fidei committi.
1.41.1. Niet het beeld van een stralende Caesar in een kamp dat hij de zijne kon achten, maar als in een overwonnen stad; en het gekerm en gejammer trok ook de oren en ogen van de soldaten naar zich toe: zij kwamen uit hun tenten tevoorschijn. Wat was dat voor een droefgeestig geluid ? Wat was er zo treurigs ? Vooraanstaande vrouwen en dan geen centurio om ze te escorteren, zelfs geen soldaat, niets wat hoort bij de echtgenote van vorstelijke huize of de gebruikelijke begeleiding: ze trokken naar de Treveri en vertrouwden zich toe aan de bescherming van vreemdelingen.
1.41.2. Pudor inde et miseratio et patris Agrippae, Augusti avi memoria, socer Drusus, ipsa insigni fecunditate, praeclara pudicitia; iam infans in castris genitus, in contubernio legionum eductus, quem militari vocabulo Caligulam appellabant, quia plerumque ad concilianda vulgi studia eo tegmine pedum induebatur.
1.41.2. Hieruit kwam schaamte voort en medelijden en de herinnering aan haar vader Agrippa, haar grootvader Augustus, hoe Drusus haar schoonvader was en zij zelf opvallend vruchtbaar en erkend ingetogen; dan dat jongetje, geboren in het legerkamp, opgegroeid in tentgenootschap met de legioenen en die zij met de soldateske bijnaam 'Soldatenlaarsje' plachten te noemen omdat men hem meestal dat schoeisel aantrok om de genegenheid van de massa te winnen.
1.41.3. Sed nihil aeque flexit quam invidia in Treviros: orant obsistunt, rediret maneret, pars Agrippinae occursantes, plurimi ad Germanicum regressi. Isque ut erat recens dolore et ira apud circumfusos ita coepit:
1.41.3. Maar niets bracht hen zo tot inkeer als de afgunst jegens de Treveri: zij smeekten, en gingen daarbij in de weg staan, om terug te keren en te blijven, en liepen daarbij deels Agrippina tegemoet maar de meesten namen hun toevlucht tot Germanicus. En omdat deze nog amper bekomen was van zijn smart en woede nam hij als volgt het woord tegenover degenen die rond hem samendromden.

Caput XXXXII

Hoofdstuk 42

1.42.1. 'Non mihi uxor aut filius patre et re publica cariores sunt, sed illum quidem sua maiestas, imperium Romanum ceteri exercitus defendent. Coniugem et liberos meos, quos pro gloria vestra libens ad exitium offerrem, nunc procul a furentibus summoveo, ut quidquid istud sceleris imminet, meo tantum sanguine pietur, neve occisus Augusti pronepos, interfecta Tiberii nurus nocentiores vos faciant. Quid enim per hos dies inausum intemeratumve vobis?
1.42.1. Niet zijn mij mijn vrouw of mijn zoon dierbaarder dan mijn vader en de staat, maar hem zal zeker zijn majesteit verdedigen en het Romeinse rijk de overige legers. Mijn vrouw en kinderen, die ik voor jullie roem graag prijs zou geven aan de dood, breng ik nu buiten het bereik van jullie razende praktijken opdat, wat daarbij aan misdaad dreigt, slechts door mijn bloed gewroken wordt en niet de moord op de achterkleinzoon van Augustus, de afslachting van Tiberius' schoondochter jullie schuldiger maakt. Wat immers hebben jullie dezer dagen niet bestaan en niet geschonden ?
1.42.2. Quod nomen huic coetui dabo? Militesne appellem, qui filium imperatoris vestri vallo et armis circumsedistis? An cives, quibus tam proiecta senatus auctoritas? Hostium quoque ius et sacra legationis et fas gentium rupistis.
1.42.2. Welke naam zal ik aan deze verzameling die jullie vormen geven ? Zal ik jullie 'soldaten' noemen, terwijl jullie toch de zoon van jullie opperbevelhebber met een wal en wapens omsingeld hebben ? Of 'burgers' terwijl het gezag van de senaat toch zo vertrapt is door jullie ? Zelfs het recht van vijanden : de gewijde status van een gezantschap en het door de goden beschermde volkenrecht hebben jullie geschonden.
1.42.3. Divus Iulius seditionem exercitus verbo uno compescuit, Quirites vocando qui sacramentum eius detrectabant: divus Augustus vultu et aspectu Actiacas legiones exterruit: nos ut nondum eosdem, ita ex illis ortos si Hispaniae Syriaeve miles aspernaretur, tamen mirum et indignum erat. Primane et vicesima legiones, illa signis a Tiberio acceptis, tu tot proeliorum socia, tot praemiis aucta, egregiam duci vestro gratiam refertis!
1.42.3. De tot god verheven Iulius heeft de muiterij van zijn leger met slechts één woord bezworen door diegenen 'Quirites' te noemen die de krijgseed aan hem verbraken: de tot god verheven Augustus heeft met zijn verschijning en blik de legioenen bij Actium uit het veld geslagen: wat mij betreft, ook al ben ik dan niet van hun kaliber maar dan toch wel uit hen geboren: als een Spaanse of Syrische soldaat mij zou schofferen dan zou ik daarover toch verbaasd en verontwaardigd zijn. Maar jullie, het eerste en twintigste legioen, het eerste met veldtekens ontvangen uit de handen van Tiberius, en jij, het twintigste, met zoveel beloningen begiftigd, jullie brengen wel een fraaie dankbetuiging aan jullie aanvoerder !
1.42.4. Hunc ego nuntium patri laeta omnia aliis e provinciis audienti feram? Ipsius tirones, ipsius veteranos non missione, non pecunia satiatos: hic tantum interfici centuriones, eici tribunos, includi legatos, infecta sanguine castra, flumina, meque precariam animam inter infensos trahere.
1.42.4. Moet ik deze boodschap dan laten overbrengen aan mijn vader, die uit alle andere provincies alleen maar prettig nieuws hoort ? Dat zijn eigen rekruten, zijn eigen veteranen niet tevreden te stellen zijn met groot verlof of geld: dat hier alleen maar centurio's gedood worden, tribunen over de omheining gegooid, gezanten in het nauw gebracht, het legerkamp en de rivieren met bloed besmet worden en dat ik mijn kostbare leven tussen vijandige elementen slijt?

Caput XXXXIII

Hoofdstuk 43

1.43.1. 'Cur enim primo contionis die ferrum illud, quod pectori meo infigere parabam, detraxistis, o inprovidi amici? Melius et amantius ille qui gladium offerebat. Cecidissem certe nondum tot flagitiorum exercitui meo conscius; legissetis ducem, qui meam quidem mortem inpunitam sineret, Vari tamen et trium legionum ulcisceretur.
1.43.1. Waarom immers hebben jullie op die eerste dag van de bijeenkomst dat zwaard, dat ik in mijn borst wilde gaan stoten, uit mijn handen getrokken, kortzichtige vrienden ? Beter en liefdevoller handelde diegene die mij zijn zwaard aanbood, Ik zou althans gesneuveld zijn zonder medeplichtig geweest te zijn aan zoveel schanddaden bij mijn leger; jullie zouden een aanvoerder gekozen hebben die dan wel mijn dood ongestraft gelaten had maar dan toch wraak genomen had voor Varus en zijn drie legioenen.
1.43.2. Neque enim di sinant ut Belgarum quamquam offerentium decus istud et claritudo sit subvenisse Romano nomini, compressisse Germaniae populos.
1.43.2. Want mogen de goden niet toestaan dat dit de roem en triomf van de Belgen wordt, ook al bieden ze dat dan aan: de Romeinen te hulp gekomen zijn en de volken van Germanië onder de voet gelopen te hebben.
1.43.3. Tua, dive Auguste, caelo recepta mens, tua, pater Druse, imago, tui memoria isdem istis cum militibus, quos iam pudor et gloria intrat, eluant hanc maculam irasque civilis in exitium hostibus vertant. Vos quoque, quorum alia nunc ora, alia pectora contueor, si legatos senatui, obsequium imperatori, si mihi coniugem et filium redditis, discedite a contactu ac dividite turbidos: id stabile ad paenitentiam, id fidei vinculum erit.'
1.43.3. Uw geest, goddelijke Augustus, in de hemel opgenomen, uw beeld, vader Drusus, de gedachtenis aan u bij juist deze soldaten, die reeds schaamte en verlangen naar roem bekruipt, wissen hopelijk deze smet uit en verkeren hopelijk de razernij onder de burgers tot ondergang voor de vijanden. Jullie dan, van wie ik de gezichten nu al veranderd zie en jullie bedoelingen ook, als jullie de gezanten aan de senaat willen teruggeven en jullie discipline aan de keizer, als jullie mij mijn vrouw en zoon weer willen teruggeven maak je dan los van bezoedeling en neem afstand van de heethoofden: dat zal het betrouwbare teken vormen tot berouw, dat zal het verbond van onze trouw uitdrukken.'

Caput XXXXIV

Hoofdstuk 44

1.44.1. Supplices ad haec et vera exprobrari fatentes orabant puniret noxios, ignosceret lapsis et duceret in hostem: revocaretur coniunx, rediret legionum alumnus neve obses Gallis traderetur. Reditum Agrippinae excusavit ob inminentem partum et hiemem: venturum filium: cetera ipsi exsequerentur.
1.44.1. Hierop vroegen ze hem als smekelingen en terwijl ze erkenden dat hen de waarheid verweten werd om de schuldigen te straffen, de meelopers te vergeven en hen aan te voeren tegen de vijand: zijn echtgenote moest teruggeroepen worden, de pleegzoon van de legioenen moest terugkeren en niet als gijzelaar aan de Galliërs worden uitgeleverd. De terugkeer van Agrippina heeft hij geweigerd onder verwijzing naar de op handen zijnde bevalling en de naderende winter: maar zijn zoon zou komen: de rest moesten zij zelf uitvoeren.
1.44.2. Discurrunt mutati et seditiosissimum quemque vinctos trahunt ad legatum legionis primae C. Caetronium, qui iudicium et poenas de singulis in hunc modum exercuit. Stabant pro contione legiones destrictis gladiis: reus in suggestu per tribunum ostendebatur: si nocentem adclamaverant, praeceps datus trucidabatur.
1.44.2. Totaal omgeslagen renden ze naar alle kanten en sleepten juist de meest opstandige kerels geboeid voor de onderbevelhebber van het eerste legioen Gaius Caetronius, die het oordeel en de straffen over de afzonderlijke gevallen op de volgende manier regelde. De legioenen stonden in vergaderorde opgesteld met getrokken zwaarden: de aangeklaagde werd op een verhoging door een tribuun getoond: als ze luid geroepen hadden dat hij schuldig was werd hij terstond uitgeleverd en afgemaakt.
1.44.3. Et gaudebat caedibus miles tamquam semet absolveret; nec Caesar arcebat, quando nullo ipsius iussu penes eosdem saevitia facti et invidia erat.
1.44.3. En Jan soldaat ging met vreugde tekeer bij het moorden alsof hij zichzelf zo schoon waste; en Caesar kwam niet tussenbeide omdat, zonder dat hijzelf daartoe opdracht had gegeven, de razernij van hun daad en de gehaatheid ervoor bij dezelfden terecht kwam.
1.44.4. Secuti exemplum veterani haud multo post in Raetiam mittuntur, specie defendendae provinciae ob imminentis Suebos ceterum ut avellerentur castris trucibus adhuc non minus asperitate remedii quam sceleris memoria. Centurionatum inde egit.
1.44.4. De veteranen hebben dit voorbeeld gevolgd en werden kort daarop naar Raetië gestuurd, zogenaamd om de provincie te verdedigen tegen een dreigende aanval van de Sueben, maar in werkelijkheid om hen weg te halen bij het legerkamp waaraan zoveel bloed kleefde, niet zozeer wegens de gruwelijke afloop alswel wegens de herinnering aan de misdaden. Daarop heeft hij een vergadering van de centurionen belegd.
1.44.5. Citatus ab imperatore nomen, ordinem, patriam, numerum stipendiorum, quae strenue in proeliis fecisset, et cui erant, dona militaria edebat. Si tribuni, si legio industriam innocentiamque adprobaverant, retinebat ordinem: ubi avaritiam aut crudelitatem consensu obiectavissent, solvebatur militia.
1.44.5. Opgeroepen door de opperbevelhebber moest ieder zijn naam opgeven, zijn stand, zijn gebied van herkomst, zijn aantal dienstjaren, wat hij aan dappers in gevechten gepresteerd had en, die dat konden, ook hun militaire onderscheidingen. Als de tribunen en het legioen zijn toewijding en onschuld hadden erkend, behielden zij hun rang: waar hen eenstemmig hebzucht of wreedheid verweten werd, werden zij uit de dienst ontslagen.

Caput XXXXV

Hoofdstuk 45

1.45.1. Sic compositis praesentibus haud minor moles supererat ob ferociam quintae et unetvicesimae legionum, sexagesimum apud lapidem (loco Vetera nomen est) hibernantium.
1.45.1. Toen deze zaken in de onmiddellijke omgeving geregeld waren restte een niet minder grote inspanning wegens de woede van het 5e en het 21e legioen, die overwinterden op 60 mijl afstand (de naam van de plaats is 'Vetera').
1.45.2. Nam primi seditionem coeptaverant: atrocisslmum quodque facinus horum manibus patratum; nec poena commilitonum exterriti nec paenitentia conversi iras retinebant. Igitur Caesar arma classem socios demittere Rheno parat, si imperium detrectetur, bello certaturus.
1.45.2. Want zij waren het eerst met muiten begonnen: juist de gruwelijkste misdaden waren door hun handen begaan; en noch door de bestraffing van hun medesoldaten verschrikt, noch door spijt tot inkeer gekomen deden zij moeite om hun razernij onder controle te krijgen. Derhalve liet Caesar wapens, een vloot en bondgenoten de Rijn afzakken, vast van plan om in een gevecht te strijden als aan het gezag afbreuk zou worden gedaan.

Tiberius' houding tegenover Germanicus tijdens diens campagne.

Caput XXXXVI

Hoofdstuk 46

1.46.1. At Romae nondum cognito qui fuisset exitus in Illyrico, et legionum Germanicarum motu audito, trepida civitas incusare Tiberium quod, dum patres et plebem, invalida et inermia, cunctatione ficta ludificetur, dissideat interim miles neque duorum adulescentium nondum adulta auctoritate comprimi queat. 1.46.1. Maar te Rome waar nog niet bekend geworden was hoe de afloop geweest was in Illyrië en de opstand van de Germaanse legioenen al wel vernomen was, begon de zenuwachtige burgerij Tiberius te verwijten dat hij de senatoren en het volk, krachteloze en ongewapende partijen, met voorgewende besluiteloosheid frustreerde maar dat intussen de soldaten onderling problemen maakten en niet in bedwang gehouden konden worden door het onrijpe gezag van twee nog jonge aanvoerders.
1.46.2. Ire ipsum et opponere maiestatem imperatoriam debuisse cessuris ubi principem longa experientia eundemque severitatis et munificentiae summum vidissent.
1.46.2. Hij had er zelf heen moeten gaan en zijn gezag van opperbevelhebber moeten tonen aan hen die wel in zouden binden zodra ze de vorst met zijn lange ervaring en tevens met de grootste gestrengheid maar ook vrijgevigheid met eigen ogen gezien hadden.
1.46.3. An Augustum fessa aetate totiens in Germanias commeare potuisse: Tiberium vigentem annis sedere in senatu, verba patrum cavillantem? Satis prospectum urbanae servituti: militaribus animis adhibenda fomenta ut ferre pacem velint.
1.46.3. Had Augustus soms niet op hoge leeftijd zo vaak naar Germanië kunnen pendelen? Tiberius beperkte zich in de kracht van zijn jaren tot het zitting hebben in de senaat en het miezemuizen over de woorden van de senatoren. Er was voldoende gezorgd voor de onderdanigheid van Rome: de gemoederen van de soldaten moesten nu in de watten gelegd worden zodat ze zich zouden willen schikken in vrede.

Caput XXXXVII

Hoofdstuk 47

1.47.1. Immotum adversus eos sermones fixumque Tiberio fuit non omittere caput rerum neque se remque publicam in casum dare. Multa quippe et diversa angebant: validior per Germaniam exercitus, propior apud Pannoniam; ille Galliarum opibus subnixus, hic Italiae inminens: quos igitur anteferret?
1.47.1. Onwrikbaar tegenover deze adviezen en als een paal boven water stond het voor Tiberius: niet zijn greep op de hoofdstad te verliezen en het lot van de staat niet aan het toeval prijs te geven. Want veel tegenstrijdigs beangstigde hem: het leger in Germanië was sterker maar dat in Pannonië lag dichterbij; het eerste kon terugvallen op de rijkdommen van Gallië, maar het laatste bedreigde Italië: aan wie zou hij dan de voorkeur moeten geven?
1.47.2. Ac ne postpositi contumelia incenderentur. At per filios pariter adiri maiestate salva, cui maior e longinquo reverentia. Simul adulescentibus excusatum quaedam ad patrem reicere, resistentisque Germanico aut Druso posse a se mitigari vel infringi: quod aliud subsidium si imperatorem sprevissent?
1.47.2. En degenen die achtergesteld werden moesten vooral niet wegens deze smaad woedend worden. Daarentegen kon hij door middel van zijn zonen beide partijen gelijkelijk behandelen zonder zijn majesteit in discrediet te brengen waarvoor het respect vanuit de verte groter was. Tevens kon men het de jongemannen niet kwalijk nemen dat zij sommige zaken naar hun vader doorverwezen, degenen die aan Germanicus of Drusus weerstand boden konden door hem tegemoetkomend of bruut behandeld worden: maar welke andere hulp zou er nog bestaan als ze de opperbevelnebber zelf eenmaal tartten ?
1.47.3. Ceterum ut iam iamque iturus legit comites, conquisivit impedimenta, adornavit navis: mox hiemem aut negotia varie causatus primo prudentes, dein vulgum, diutissime provincias fefellit.
1.47.3. Maar alsof hij op het punt stond elk moment af te reizen koos hij metgezellen, liet lastdieren bijeenzoeken en schepen uitrusten: vervolgens verontschuldigde hij zich dan weer op allerlei manieren met verwijzing naar slecht weer of bezigheden en leidde mensen die wel beter wisten, vervolgens het volk en het langst de provincies om de tuin.

Caput XXXXVIII

Hoofdstuk 48

1.48.1. At Germanicus, quamquam contracto exercitu et parata in defectores ultione, dandum adhuc spatium ratus, si recenti exemplo sibi ipsi consulerent, praemittit litteras ad Caecinam, venire se valida manu ac, ni supplicium in malos praesumant, usurum promisca caede.
1.48.1. Germanicus daarentegen, was van zijn kant van mening dat, ook al had hij dan een leger in staat van paraatheid gebracht en zich voorbereid op een wraakoefening tegen de muiters, hij toch wat respijt moest geven voor het geval zij door het recente voorbeeld zelf maatregelen zouden nemen in hun eigen belang, en hij stuurde een schrijven vooruit naar Caecina met de mededeling dat hij met een stevige krijgsmacht zou komen en een bloedbad zonder aanzien des persoons zou aanrichten als zij niet zelf de aanstichters een kopje kleiner zouden maken.
1.48.2. Eas Caecina aquiliferis signiferisque et quod maxime castrorum sincerum erat occulte recitat, utque cunctos infamiae, se ipsos morti eximant hortatur: nam in pace causas et merita spectari, ubi bellum ingruat innocentes ac noxios iuxta cadere.
1.48.2. Dit schrijven las Caecina in het geheim voor aan de adelaar- en vaandeldragers en wat er maar aan meest betrouwbaars in het legerkamp bivakkeerde en hij spoorde hen aan allen voor schande te behoeden en zichzelf voor de dood : in vredestijd werd immers gelet op oorzaken en verdiensten, maar zodra het tot een gevecht kwam sneuvelden onschuldigen en schuldigen gelijkelijk.
1.48.3. Illi temptatis quos idoneos rebantur, postquam maiorem legionum partem in officio vident, de sententia legati statuunt tempus, quo foedissimum quemque et seditioni promptum ferro invadant. Tunc signo inter se dato inrumpunt contubernia, trucidant ignaros, nullo nisi consciis noscente quod caedis initium, quis finis.
1.48.3. Zijn toehoorders gingen na wie zij geschikt achtten en, toen zij meenden dat het grootste deel van het legioen plichtsgetrouw was, bepaalden zij op advies van de commandant een tijdstip waarop zij gewapenderwijs konden afrekenen met juist de verwerpelijkste sujetten en degenen die het meest tot opstand bereid waren. Toen stormden ze, op een afgesproken teken de tenten binnen, richtten een slachting aan onder hen die op niets verdacht waren en zonder dat iemand, behalve dan degenen die in het complot zaten, wist waar het bloedbad begon en waar het zou eindigen.

Caput IL

Hoofdstuk 49

1.49.1. Diversa omnium, quae umquam accidere, civilium armorum facies. Non proelio, non adversis e castris, sed isdem e cubilibus, quos simul vescentis dies, simul quietos nox habuerat, discedunt in partis, ingerunt tela. Clamor vulnera sanguis palam, causa in occulto; cetera fors regit. Et quidam bonorum caesi, postquam intellecto in quos saeviretur pessimi quoque arma rapuerant.
1.49.1. De aanblik verschilde van alle gewapende conflicten tussen landgenoten die ooit plaatsgevonden hebben. Niet in een geregeld gevecht, niet vanuit vijandelijke legerkampen, maar vanuit dezelfde slaapvertrekken waarin zowel de dag hen met elkaar had zien eten als de nacht hen tot rust had gebracht, splitsten zij zich op in partijen en slingerden wapens op elkaar af. Overal klonk geschreeuw, werden verwondingen toegebracht en stroomde bloed zonder dat de reden duidelijk was; het toeval stuurde alles. Ook sommige getrouwen zijn gesneuveld toen eenmaal ook de meest laaghartigen de wapens gegrepen hadden nadat ze gemerkt hadden tegen wie deze razernij gericht was.
1.49.2. Neque legatus aut tribunus moderator adfuit: permissa vulgo licentia atque ultio et satietas. Mox ingressus castra Germanicus, non medicinam illud plurimis cum lacrimis sed cladem appellans, cremari corpora iubet.
1.49.2. En er bood zich geen commandant of tribuun aan om deze bende te sussen: aan het grauw werd losbandigheid, wraak en bevrediging toegestaan. Al spoedig daarna trok Germanicus het kamp binnen en riep onder een stroom van tranen uit dat dit geen remedie betekende maar een afgang en hij gaf opdracht de lichamen te cremeren.
1.49.3. Truces etiam tum animos cupido involat eundi in hostem, piaculum furoris; nec aliter posse placari commilitonum manes quam si pectoribus impiis honesta vulnera accepissent.
1.49.3. De ook toen nog woeste gemoederen vloog de begeerte binnen op de vijand los te trekken als boete voor hun razernij: niet anders konden immers de schimmen van hun medesoldaten verzoend worden dan wanneer zij in hun schuldige borst eervolle verwondingen opgelopen hadden.
1.49.4. Sequitur ardorem militum Caesar iunctoque ponte tramittit duodecim milia e legionibus, sex et viginti socias cohortis, octo equitum alas, quarum ea seditione intemerata modestia fuit.
1.49.4. Caesar liet zich leiden door de vurigheid van de soldaten en, nadat hij een brug had laten slaan voerde hij 12.000 legioensoldaten, 26 cohorten van de bondgenoten, 8 eskadrons ruiters aan, van wie bij die muiterij de discipline binnen de perken gebleven was.

Caput L

Hoofdstuk 50

1.50.1. Laeti neque procul Germani agitabant, dum iustitio ob amissum Augustum, post discordiis attinemur. At Romanus agmine propero silvam Caesiam limitemque a Tiberio coeptum scindit, castra in limite locat, frontem ac tergum vallo, latera concaedibus munitus.
1.50.1. Onbezorgd en niet ver vandaar bevonden de Germanen zich terwijl wij door de de rouwplechtigheden wegens het overlijden van Augustus en daarna door de twisten in beslag genomen werden. Maar de Romeinen hakten in een haastig geformeerde linie door het Haeserwald een grenspad dat al door Tiberius begonnen was, sloegen op die grens een legerkamp op waarbij zij aan de voor- en achterzijde door een wal beschermd werden en in de flanken door boomversperringen.
1.50.2. Inde saltus obscuros permeat consultatque ex duobus itineribus breve et solitum sequatur an inpeditius et intemptatum eoque hostibus in cautum.
1.50.2. Hierna trokken ze door duistere bergwouden en de vraag rees of ze van twee routes de kortste en meest gebruikelijke zouden volgen of de moeilijkst begaanbare en minst gebruikte en daardoor onbewaakt door de vijanden.
1.50.3. Delecta longiore via cetera adcelerantur: etenim attulerant exploratores festam eam Germanis noctem ac sollemnibus epulis ludicram. Caecina cum expeditis cohortibus praeire et obstantia silvarum amoliri iubetur: legiones modico intervallo sequuntur.
1.50.3. Men koos voor de langste route en maakte haast met de rest: want verkenners hadden gemeld dat door de Germanen die nacht een feest gevierd werd die zij met met een overdaad aan traditionele maaltijden zouden doorbrengen. Caecina kreeg de opdracht om met lichtgewapende cohorten voorop te gaan en de hindernissen in de bossen uit de weg te ruimen: de legioenen volgden op enige afstand.
1.50.4. Iuvit nox sideribus inlustris, ventumque ad vicos Marsorum et circumdatae stationes stratis etiam tum per cubilia propterque mensas, nullo metu, non antepositis vigiliis: adeo cuncta incuria disiecta erant neque belli timor, ac ne pax quidem nisi languida et soluta inter temulentos.
1.50.4. De nacht was hen met een stralende sterrenhemel gunstig gezind en ze kwamen aan bij de dorpen der Marsi en omsingelden die met wachtposten terwijl de bewoners ook toen nog op bed lagen of aan tafel, zonder vrees, zonder vooruitgeschoven nachtwachten: zozeer was alles door zorgeloosheid verwaarloosd en men koesterde geen vrees voor oorlog en als er al van vrede sprake was dan was dat er een van ontspannen sloomheid onder zuipschuiten.

Caput LI

Hoofdstuk 51

1.51.1. Caesar avidas legiones quo latior populatio foret quattuor in cuneos dispertit; quinquaginta milium spatium ferro flammisque pervastat. Non sexus, non aetas miserationem attulit: profana simul et sacra et celeberrimum illis gentibus templum quod Tanfanae vocabant solo aequantur. Sine vulnere milites, qui semisomnos, inermos aut palantis ceciderant.
1.51.1. Caesar verdeelde zijn hongerige legioenen over vier wigvormige formaties om zo voor een verwoesting over een grotere oppervlakte te zorgen; een gebied van vijftig mijl verwoestte hij te vuur en te zwaard. Geen sexe, geen leeftijd wist te vermurwen: het profane evenals het gewijde, ja zelfs het bij die volken zeer geêerde heiligdom dat zij aan Tanfana wijdden, werden met de grond gelijk gemaakt. De soldaten, die hun slachtoffers halfslapend, ongewapend of ronddolend afgeslacht hadden, bleven zonder wonden.
1.51.2. Excivit ea caedes Bructeros, Tubantes, Vsipetes, saltusque, per quos exercitui regressus, insedere. Quod gnarum duci incessitque itineri et proelio. Pars equitum et auxiliariae cohortes ducebant, mox prima legio, et mediis impedimentis sinistrum latus unetvicesimani, dextrum quintani clausere, vicesima legio terga firmavit, post ceteri sociorum.
1.51.2. Dit bloedbad alarmeerde de Bructeren, Tubanten en Usipeten en zij bezetten de woudpassen waarlangs de terugkeer voor het leger voerde. Dit was de aanvoerder bekend en hij zorgde voor een opstelling voor mars en strijd. Een deel van de ruiterij en cohorten van de hulptroepen trok voorop, daarachter kwam het eerste legioen en, met de bagage in het midden dekten die van het 21e de linker-, die van het vijfde de rechterflank, het 20e legioen zorgde voor een sterke achterhoede, daarachter kwamen de overige bondgenoten.
1.51.3. Sed hostes, donec agmen per saltus porrigeretur, immoti, dein latera et frontem modice adsultantes, tota vi novissimos incurrere. Turbabanturque densis Germanorum catervis leves cohortes, cum Caesar advectus ad vicesimanos voce magna hoc illud tempus obliterandae seditionis clamitabat: pergerent, properarent culpam in decus vertere.
1.51.3. Maar de vijanden hielden zich gedeisd totdat het hele leger zich in de woudpas bevond, daarop kwamen zij met kleine schermutselingen in contact met flanken en front maar renden uit alle macht in op de achterhoede. De lichtgewapende cohorten werden in verwarring gebracht door de dichte formaties Germanen toen Caesar naar de soldaten van het 20e toereed en luidkeels schreeuwde dat dit het tijdstip was om de muiterij uit het geheugen te wissen: 'er op af, als de bliksem, nu schuld in roem veranderen!'.
1.51.4. Exarsere animis unoque impetu perruptum hostem redigunt in aperta caeduntque: simul primi agminis copiae evasere silvas castraque communivere. Quietum inde iter, fidensque recentibus ac priorum oblitus miles in hibernis locatur.
1.51.4. Zij brandden los en drongen in één stoot de doorgedrongen vijand terug het open terrein in en hakten hen in de pan: tegelijkertijd marcheerden de troepen van de voorhoede de bossen uit en sloegen een versterkt kamp op. Hierna verliep de tocht rustig en in vertrouwen op hun zojuist verrichte prestaties en zonder nog de herinnering aan de vroegere gebeurtenissen namen de soldaten hun intrek weer in de winterkwartieren

Caput LII

Hoofdstuk 52

1.52.1. Nuntiata ea Tiberium laetitia curaque adfecere: gaudebat oppressam seditionem, sed quod largiendis pecuniis et missione festinata favorem militum quaesivisset, bellica quoque Germanici gloria angebatur.
1.52.1. De berichten over deze ontwikkelingen hebben Tiberius met vreugde en zorg vervuld: hij verheugde zich over de onderdrukking van de muiterij maar over het feit dat Germanicus zich door geldschenkingen en versneld groot verlof populariteit bij de soldaten gezocht had en ook over zijn oorlogsroem maakte hij zich bezord.
1.52.2. Rettulit tamen ad senatum de rebus gestis multaque de virtute eius memoravit, magis in speciem verbis adornata quam ut penitus sentire crederetur.
1.52.2. Toch heeft hij verslag uitgebracht aan de senaat over de krijgsdaden en uitvoerig melding gemaakt van zijn dapperheid die overigens meer door uitvoerig woordvertoon werd belicht dan in de hoop dat men zou geloven dat er een diepe overtuiging achter zat.
1.52.3. Paucioribus Drusum et finem Illyrici motus laudavit, sed intentior et fida oratione. Cunctaque quae Germanicus indulserat servavit etiam apud Pannonicos exercitus.
1.52.3. Met minder omhaal van woorden heeft hij Drusus en het einde van de Illyrische muiterij geprezen, maar met meer gevoel en een betrouwbare redevoering. En al wat Germanicus had toegestaan heeft hij ook tegenover de Pannonische legers toegezegd.

Slot van het jaar 14 en begin 15.

Caput LIII

Hoofdstuk 53

1.53.1. Eodem anno Iulia supremum diem obiit, ob impudicitiam olim a patre Augusto Pandateria insula, mox oppido Reginorum, qui Siculum fretum accolunt, clausa. Fuerat in matrimonio Tiberii florentibus Gaio et Lucio Caesaribus spreveratque ut inparem; nec alia tam intima Tiberio causa cur Rhodum abscederet.
1.53.1. In hetzelfde jaar is Iulia gestorven, die wegens haar zedeloosheid ooit door haar vader Augustus opgesloten was op het eiland Pandateria, daarna in de vestingstad van de Reginers die aan de zeestraat wonen bij Sicilië. Zij was getrouwd geweest met Tiberius toen Gaius en Lucius Caesar nog in de bloei van hun jaren waren en zij had hem veracht om zijn lage afkomst; en geen andere reden is voor Tiberius een zo grondige geweest waarom hij zich afzonderde op Rodos.
1.53.2. Imperium adeptus extorrem, infamem et post interfectum Postumum Agrippam omnis spei egenam inopia ac tabe longa peremit, obscuram fore necem longinquitate exilii ratus.
1.53.2. Eenmaal aan het bewind gekomen heeft hij de verbannen, eerloze en, na de moord op Agrippa Postumus, van alle hoop beroofde vrouw verder leven onmogelijk gemaakt door gebrek aan alles en een proces van langzaam wegkwijnen, in de veronderstelling dat de systematische moord op haar verborgen zou blijven door de langdurigheid van haar ballingschap.
1.53.3. Par causa saevitiae in Sempronium Gracchum, qui familia nobili, sollers ingenio et prave facundus, eandem Iuliam in matrimonio Marci Agrippae temeraverat. Nec is libidini finis: traditam Tiberio pervicax adulter contumacia et odiis in maritum accendebat; litteraeque quas Iulia patri Augusto cum insectatione Tiberii scripsit a Graccho compositae credebantur.
1.53.3. Eenzelfde reden tot wreedheid was er tegenover Sempronius Gracchus, die, van adellijke afkomst, met een grote begaafdheid en een welsprekendheid waarvan hij misbruik maakte, deze zelfde Iulia verleid had toen zij getrouwd was met Marcus Agrippa. En dat vormde nog niet het einde van zijn wellust: toen zij eenmaal uitgehuwelijkt was aan Tiberius stijfde deze hardnekkige minnaar haar in haar opstandigheid en haatgevoelens tegenover haar man; en men neemt aan dat de brieven die Iulia aan haar vader Augustus schreef met beschuldigingen aan het adres van Tiberius, door Gracchus opgesteld zijn.
1.53.4. Igitur amotus Cercinam, Africi maris insulam, quattuordecim annis exilium toleravit.
1.53.4. Derhalve is hij gedeporteerd naar Cercina, een eiland in de zee bij Afrika en heeft daar veertien jaar in ballingschap moeten slijten.
1.53.5. Tunc milites ad caedem missi invenere in prominenti litoris nihil laetum opperientem. Quorum adventu breve tempus petivit ut suprema mandata uxori Alliariae per litteras daret, cervicemque percussoribus obtulit; constantia mortis haud indignus Sempronio nomine: vita degeneraverat.
1.53.5. Toen troffen de soldaten, die er op uit gestuurd waren hem te doden, hem aan op een uitloper van de kust terwijl hij al niets opbeurends meer verwachtte. Bij hun aankomst vroeg hij een korte tijd om schriftelijk aan zijn vrouw Allaria zijn laatste opdrachten te geven en daarna bood hij zijn nek aan aan zijn beulen; door zijn standvastigheid in de dood betoonde hij zich de naam Sempronius niet onwaardig: door zijn levensloop had hij zich die naam onwaardig betoond.
1.53.6. Quidam non Roma eos milites, sed ab L. Asprenate pro consule Africae missos tradidere auctore Tiberio, qui famam caedis posse in Asprenatem verti frustra speraverat.
1.53.6. Sommige bronnen vermelden dat die soldaten niet vanuit Rome gestuurd zijn maar door Lucius Asprenas, proconsul van Africa in opdracht van Tiberius die tevergeefs gehoopt had dat de verantwoordelijkheid voor de moord zo op Asprenas kon worden afgewenteld.

Caput LIV

Hoofdstuk 54

1.54.1. Idem annus novas caerimonias accepit addito sodalium Augustalium sacerdotio, ut quondam Titus Tatius retinendis Sabinorum sacris sodales Titios instituerat. Sorte ducti e primoribus civitatis unus et viginti: Tiberius Drususque et Claudius et Germanicus adiciuntur.
1.54.1. Hetzelfde jaar heeft het aanzien gegeven aan nieuwe ceremonieën door het in het leven roepen van het priesterschap van Augustaalse broeders, zoals ooit Titus Tatius tot behoud van de rituelen van de Sabijnen de Titische broeders had ingesteld. Bij loting zijn er 21 gekozen uit de meest vooraanstaanden van de burgerij: Tiberius en Drusus en Claudius en Germanicus werden daaraan toegevoegd.
1.54.2. Ludos Augustalis tunc primum coeptos turbavit discordia ex certamine histrionum. Indulserat ei ludicro Augustus, dum Maecenati obtemperat effuso in amorem Bathylli; neque ipse abhorrebat talibus studiis, et civile rebatur misceri voluptatibus vulgi. Alia Tiberio morum via: sed populum per tot annos molliter habitum nondum audebat ad duriora vertere.
1.54.2. De toen voor het eerst gehouden Augustalische spelen zijn verstoord door ruzie als gevolg van een strijd onder de mimenspelers. Deze podiumkunst had Augustus begunstigd om Maecenas terwille te zijn toen die hevig verliefd geworden was op Bathyllus; en zelf was hij ook niet afkerig van dergelijke sympathieën en hij hield het voor sociaal gewenst om zich in te laten met de voorliefdes van het volk. De trend bij Tiberius was heel anders: maar hij durfde nog niet het volk dat al zoveel jaren met een zacht lijntje was geregeerd harder aan te pakken.

Caput LV

Hoofdstuk 55

1.55.1. Druso Caesare C. Norbano consulibus decernitur Germanico triumphus manente bello; quod quamquam in aestatem summa ope parabat, initio veris et repentino in Chattos excursu praecepit. Nam spes incesserat dissidere hostem in Arminium ac Segestem, insignem utrumque perfidia in nos aut fide.
1.55.1. Onder het consulaat van Drusus Caesar en Gaius Norbanus werd aan Germanicus een triomftocht toegekend hoewel de oorlog nog bezig was; ofschoon hij zich uit alle macht daarop voorbereidde voor de zomer nam hij daarop een voorschot bij het begin van de lente en wel door een onverwachte campagne tegen de Chatten. Want er was hoop gerezen dat de vijand verdeeld was in sympathie tegenover Arminius enerzijds en Segestes aan de andere kant, beiden markant door ofwel trouweloosheid of juist aanhankelijkheid tegenover ons.
1.55.2. Arminius turbator Germaniae, Segestes parari rebellionem saepe alias et supremo convivio, post quod in arma itum, aperuit suasitque Varo ut se et Arminium et ceteros proceres vinciret: nihil ausuram plebem principibus amotis; atque ipsi tempus fore quo crimina et innoxios discerneret.
1.55.2. Arminius was de oproerkraaier in Germanië, Segestes deed al vaak bij andere gelegenheden uit de doeken dat er een opstand voorbereid werd en ook nog bij het laatste diner, waarna men te wapen gelopen was en hij drong er bij Varus op aan dat hij hem en de overige vooraanstaanden in hechtenis zou nemen: het volk zou niets durven ondernemen als eenmaal hun leiders weg waren; en zelf zou hij gelegenheid hebben om criminelen van onschuldigen te scheiden.
1.55.3. Sed Varus fato et vi Armini cecidit; Segestes quamquam consensu gentis in bellum tractus discors manebat, auctis privatim odiis, quod Arminius filiam eius alii pactam rapuerat: gener invisus inimici soceri; quaeque apud concordes vincula caritatis, incitamenta irarum apud infensos erant.
1.55.3. Maar Varus sneuvelde door zijn voorbeschikking : de stalen vuist van Arminius; en hoewel Segestes door de wens van het volk in de oorlog was meegesleept bleef hij bij zijn afwijkend inzicht, temeer waar zijn haatgevoelens nog door privé-omstandigheden waren aangewakkerd, namelijk dat Arminius zijn dochter, die al met een ander verloofd was, geschaakt had: zijn schoonzoon was het voorwerp van haat voor de schoonvader die toch al zijn vijand was, en wat bij eensgezinden banden van genegenheid vormden waren bij hen die elkaars vijanden waren prikkels tot verbittering.

Caput LVI

Hoofdstuk 56

1.56.1. Igitur Germanicus quattuor legiones, quinque auxiliarium milia et tumultuarias catervas Germanorum cis Rhenum colentium Caecinae tradit; totidem legiones, duplicem sociorum numerum ipse ducit, positoque castello super vestigia paterni praesidii in monte Tauno expeditum exercitum in Chattos rapit, L. Apronio ad munitiones viarum et fluminum relicto.
1.56.1. Derhalve droeg Germanicus vier legioenen, vijf duizend man hulptroepen en samengeraapte bendes van de aan deze zijde van de Rijn woonachtige Germanen over aan Caecina; eenzelfde aantal legioenen en een twee maal zo groot aantal bondgenoten nam hij zelf onder zijn leiding en, nadat hij in het Taunusgebergte een bolwerk had laten zetten op de restanten van de versterking van zijn vader liet hij zijn leger zonder tros oprukken tegen de Chatten met achterlating van Lucius Apronius om wegen en rivieren van versterkingen te voorzien.
1.56.2. Nam (rarum illi caelo) siccitate et amnibus modicis inoffensum iter properaverat, imbresque et fluminum auctus regredienti metuebantur.
1.56.2. Want door de droogte en de lage waterstand in de rivieren [een zeldzaamheid in dat gebied] had hij zijn tocht ongehinderd kunnen volbrengen, maar men vreesde stortregens en hoog water bij zijn terugkeer.
1.56.3. Sed Chattis adeo inprovisus advenit, ut quod imbecillum aetate ac sexu statim captum aut trucidatum sit. Iuventus flumen Adranam nando tramiserat, Romanosque pontem coeptantis arcebant. Dein tormentis sagittisque pulsi, temptatis frustra condicionibus pacis, cum quidam ad Germanicum perfugissent, reliqui omissis pagis vicisque in silvas disperguntur.
1.56.3. Maar voor de Chatten kwam hij zo onverwacht aan dat al wat weerloos was door leeftijd en sexe terstond gevangen genomen of uitgemoord is. De jongemannen waren zwemmend de rivier de Adrana overgestoken en probeerden de Romeinen te hinderen toen zij een brug begonnen te slaan. Daarna verdreven door katapulten en pijlen en na tevergeefs over vredesvoorwaarden onderhandeld te hebben, verspreidden, toen sommigen overgelopen waren naar Germanicus, de overigen zich in de bossen, na hun woonplaatsen en dorpen prijsgegeven te hebben.
1.56.4. Caesar incenso Mattio (id genti caput) aperta populatus vertit ad Rhenum, non auso hoste terga abeuntium lacessere, quod illi moris, quotiens astu magis quam per formidinem cessit.
1.56.4. Caesar keerde, na Mattium in brand gestoken te hebben [dat is de hoofdstad van dat volk] en het platteland geplunderd, terug naar de Rijn zonder dat de vijanden de achterhoede hadden durven provoceren terwijl ze wegtrokken, wat wel hun gewoonte is telkens als ze meer bij wijze van list dan door vrees zich teruggetrokken hebben.
1.56.5. Fuerat animus Cheruscis iuvare Chattos, sed exterruit Caecina huc illuc ferens arma; et Marsos congredi ausos prospero proelio cohibuit.
1.56.5. De Cheruscen waren van plan geweest de Chatten te hulp te komen maar Caecina heeft hen hiervan afgeschrikt door nu eens hier dan weer daar met wapengeweld te dreigen; ook de Marsen, die het gewaagd hadden de strijd aan te gaan, heeft hij met een voorspoedige strijd in bedwang gehouden.

Caput LVII

Hoofdstuk 57

1.57.1. Neque multo post legati a Segeste venerunt auxilium orantes adversus vim popularium a quis circumsedebatur, validiore apud eos Arminio quoniam bellum suadebat: nam barbaris, quanto quis audacia promptus, tanto magis fidus rebusque motis potior habetur.
1.57.1. Maar korte tijd daarna kwamen er gezanten van de kant van Segestes met het verzoek om hulp tegen het geweld van zijn stamgenoten door wie hij in het nauw gedreven werd en bij wie Arminius invloedrijker was omdat hij tot oorlogvoering ophitste: bij de barbaren geldt immers dat naarmate iemand zich door durf onderscheidt, hij des te meer vertrouwen geniet en meer aanzien bij oproer.
1.57.2. Addiderat Segestes legatis filium, nomine Segimundum: sed iuvenis conscientia cunctabatur. Quippe anno quo Germaniae descivere sacerdos apud aram Vbiorum creatus ruperat vittas, profugus ad rebelles. Adductus tamen in spem clementiae Romanae pertulit patris mandata benigneque exceptus cum praesidio Gallicam in ripam missus est.
1.57.2. Segestes had aan het gezantschap zijn zoon toegevoegd, Segimundus genaamd: maar deze jongeman trad uit schuldbewustzijn aarzelend op. Immers, in het jaar waarin de Germaniës zich afscheidden had hij toen hij bij het altaar der Ubiërs tot priester gekozen was, zijn hoofdbanden afgerukt en was overgelopen naar de opstandelingen. Toch heeft hij, aangelokt tot hoop op consideratie bij de Romeinen de opdrachten van zijn vader overgebracht en, welwillend ontvangen, is hij met een garnizoen naar de Gallische oever gezonden.
1.57.3. Germanico pretium fuit convertere agmen, pugnatumque in obsidentis, et ereptus Segestes magna cum propinquorum et clientium manu.
1.57.3. Germanicus vond het de moeite waard om zijn leger terug te voeren en hij heeft strijd geleverd tegen de belegeraars en Segestes ontzet samen met een grote strijdmacht van verwanten en horigen.
1.57.4. Inerant feminae nobiles, inter quas uxor Arminii eademque filia Segestis, mariti magis quam parentis animo, neque victa in lacrimas neque voce supplex; compressis intra sinum manibus gravidum uterum intuens.
1.57.4. Er bevonden zich vooraanstaande vrouwen bij, onder wie de vrouw van Arminius, tevens de dochter van Segestes, meer het type van haar man dan van haar vader en niet tot tranen gebracht of met woorden smekend: met haar armen samengevouwen in de plooi van haar gewaad hield ze slechts haar ogen gericht op haar zwangere buik.
1.57.5. Ferebantur et spolia Varianae cladis, plerisque eorum qui tum in deditionem veniebant praedae data: simul Segestes ipse, ingens visu et memoria bonae societatis inpavidus.
1.57.5. Ook werd er buit aangedragen van de nederlaag van Varus, tot buit gegeven aan de meesten van diegenen die zich nu overgaven: tevens Segestes zelf, een reus om te zien en onbevreesd door de gedachtenis aan zijn correct nageleefde bondgenootschap.

Caput LVIII

Hoofdstuk 58

1.58.1. Verba eius in hunc modum fuere: 'non hic mihi primus erga populum Romanum fidei et constantiae dies. Ex quo a divo Augusto civitate donatus sum, amicos inimicosque ex vestris utilitatibus delegi, neque odio patriae (quippe proditores etiam iis quos anteponunt invisi sunt), verum quia Romanis Germanisque idem conducere et pacem quam bellum probabam.
1.58.1. Zijn woorden kwamen in grote lijnen hierop neer: 'Dit is voor mij niet de eerste dag van trouw en karaktervastheid tegenover het Romeinse volk. Sedert ik vande vergoddeljkte Augustus het burgerschap gekregen heb, heb ik mijn vrienden en vijanden geselecteerd met het oog op uw wensen en dat niet uit haat voor het vaderland (immers verraders zijn ook gehaat bij diegenen aan wie zij de voorkeur geven), maar omdat ik voor Romeinen en Germanen hetzelfde voordelig achtte en vrede prefereerde boven oorlog.
1.58.2. Ergo raptorem filiae meae, violatorem foederis vestri, Arminium apud Varum, qui tum exercitui praesidebat, reum feci. Dilatus segnitia ducis, quia parum praesidii in legibus erat, ut me et Arminium et conscios vinciret flagitavi: testis illa nox, mihi utinam potius novissima!
1.58.2. Derhalve heb ik de verkrachter van mijn dochter en schender van het verdrag met u, Arminius, aangeklaagd bij Varus, de toenmalige commandant van het leger. Aan het lijntje gehouden door de besluiteloosheid van de aanvoerder heb ik, omdat er te weinig bescherming in de wetten lag, er op aangedrongen dat hij mij en Arminius en zijn trawanten in hechtenis zou nemen: die nacht moge daarvan getuigen; mocht die nacht maar mijn laatste zijn geweest !
1.58.3. Quae secuta sunt defleri magis quam defendi possunt: ceterum et inieci catenas Arminio et a factione eius iniectas perpessus sum. Atque ubi primum tui copia, vetera novis et quieta turbidis antehabeo, neque ob praemium, sed ut me perfidia exsolvam, simul genti Germanorum idoneus conciliator, si paenitentiam quam perniciem maluerit.
1.58.3. Wat volgde kan beter betreurd dan verdedigd worden: maar enerzijds heb ik Arminius in de boeien geslagen, anderzijds moeten dulden dat ik door zijn partij geboeid ben. En nu ik gelegenheid gekregen heb voor een contact met u, verkies ik de oude stand van zaken boven nieuwlichterij en een toestand van rust boven onrust, en dat niet om een beloning maar om me te bevrijden van het odium van ontrouw terwijl ik me tegelijkertijd als een geschikt bemiddelaar presenteer voor het volk der Germanen, als dat tenminste berouw zal prefereren boven vernietiging.
1.58.4. Pro iuventa et errore filii veniam precor: filiam necessitate huc adductam fateor. Tuum erit consultare utrum praevaleat quod ex Arminio concepit an quod ex me genita est.'
1.58.4. Voor het jeugdig falen van mijn zoon vraag ik vergiffenis: ik beken dat mijn dochter onder dwang hierheen gebracht is. Aan u laat ik te beslissen of zwaarder weegt dat zij zwanger is van Arminius of dat zij een dochter is van mij'.
1.58.5. Caesar clementi responso liberis propinquisque eius incolumitatem, ipsi sedem vetere in provincia pollicetur. Exercitum reduxit nomenque imperatoris auctore Tiberio accepit.
1.58.5. Caesar beloofde in een genadig antwoord veiligheid voor zijn kinderen en verwanten, voor hemzelf een woonplaats in de oude provincie. Hij voerde zijn leger terug en ontving de titel 'imperator' op voorstel van Tiberius.
1.58.6. Arminii uxor virilis sexus stirpem edidit: educatus Ravennae puer quo mox ludibrio conflictatus sit in tempore memorabo.
1.58.6. De vrouw van Arminius baarde een nakomeling van het mannelijk geslacht: hoe die knaap, opgevoed in Ravenna, later een speelbal van spot is geworden zal ik te zijner tijd vermelden.

Germanicus in het Teutoburgerwoud.

Caput LIX

Hoofdstuk 59

1.59.1. Fama dediti benigneque excepti Segestis vulgata, ut quibusque bellum invitis aut cupientibus erat, spe vel dolore accipitur. Arminium super insitam violentiam rapta uxor, subiectus servitio uxoris uterus vaecordem agebant, volitabatque per Cheruscos, arma in Segestem, arma in Caesarem poscens.
1.59.1. Het nieuws over de overgave en de welwillende ontvangst van Segestes verspreidde zich en werd, al naar gelang de oorlog ieder ongelegen of juist gelegen was gekomen, met hoop of smart ontvangen. Arminius werd, afgezien van zijn aangeboren gewelddadigheid, als een waanzinnige gestoken door het feit dat de vrucht van zijn vrouw onderworpen was, en hij spoedde zich door het land der Cherusken en eiste wapengeweld tegen Segestes, wapengeweld tegen Caesar.
1.59.2. Neque probris temperabat: egregium patrem, magnum imperatorem, fortem exercitum, quorum tot manus unam mulierculam avexerint.
1.59.2. En niet spaarde hij smaadwoorden: een uitstekende vader, een groot opperbevelhebber, een dapper leger, waarvan zoveel handen één vrouwtje weggevoerd hadden.
1.59.3. Sibi tres legiones, totidem legatos procubuisse; non enim se proditione neque adversus feminas gravidas, sed palam adversus armatos bellum tractare. Cerni adhuc Germanorum in lucis signa Romana, quae dis patriis suspenderit.
1.59.3. Voor hem hadden drie legioenen en evenveel onderbevelhebbers in het stof gebeten; hij gaf zich immers niet af met verraad en zwangere vrouwen, maar voerde openlijk oorlog tegen gewapenden. Nog waren in de heilige bossen van de Germanen de Romeinse veldtekenen te zien die hij opgehangen had, toegewijd aan de goden van zijn voorvaderen.
1.59.4. Coleret Segestes victam ripam, redderet filio sacerdotium hominum: Germanos numquam satis excusaturos quod inter Albim et Rhenum virgas et securis et togam viderint. Aliis gentibus ignorantia imperi Romani inexperta esse supplicia, nescia tributa:
1.59.4. Segestes moest de overwonnen oever maar bewonen, aan zijn zoon het priesterschap van [vergoddelijkte] mensen maar teruggeven: de echte Germanen zouden nooit voldoende verontschuldiging vinden voor het feit dat zij tussen Elbe en Rijn roedenbundels en bijlen en toga's zouden moeten aantreffen. Andere volken waren door hun onwetendheid onbekend met hun zware straffen, onbekend met hun oorlosschattingen.
1.59.5. Quae quoniam exuerint inritusque discesserit ille inter numina dicatus Augustus, ille delectus Tiberius, ne inperitum adulescentulum, ne seditiosum exercitum pavescerent.
1.59.5. En aangezien zij dit alles afgeworpen hadden en die onder de goden geplaatste Augustus onverrichterzake was afgedropen en ook die uitverkoren Tiberius, moesten zij niet bang worden voor dat onervaren knaapje en ook niet voor dat opstandige leger.
1.59.6. Si patriam parentes antiqua mallent quam dominos et colonias novas, Arminium potius gloriae ac libertatis quam Segestem flagitiosae servitutis ducem sequerentur.
1.59.6. Als zij de voorkeur gaven aan hun vaderland en ouders: de oude toestand, boven tyrannen en kolonies: nieuwlichterij, dan moesten ze veeleer Arminius volgen op de weg naar roem en vrijheid dan Segestes die hen voorging naar een schandelijke slavernij'.

Caput LX

Hoofdstuk 60

1.60.1. Conciti per haec non modo Cherusci, sed conterminae gentes, tractusque in partis Inguiomerus Arminii patruus, vetere apud Romanos auctoritate; unde maior Caesari metus.
1.60.1. Hierdoor werden niet alleen de Cherusci opgestookt maar ook aangrenzende stammen en ook werd Inguiomerus, de oom van Arminius, die op een aanzien met een lang verleden bij de Romeinen kon bogen, voor hun zaak gewonnen; als gevolg hiervan groeide de bezorgdheid bij Caesar.
1.60.2. Et ne bellum mole una ingrueret Caecinam cum quadraginta cohortibus Romanis distrahendo hosti per Bructeros ad flumen Amisiam mittit, equitem Pedo praefectus finibus Frisiorum ducit. Ipse inpositas navibus quattuor legiones per lacus vexit; simulque pedes eques classis apud praedictum amnem convenere. Chauci cum auxilia pollicerentur, in commilitium adsciti sunt.
1.60.2. En, opdat de oorlog niet in één lawine op zijn dak zou vallen, zond hij, om de vijand uiteen te trekken, Caecina met 40 Romeinse cohorten door het gebied van de Bructeren naar de rivier de Eems, de prefect Pedo voerde de ruiterij via het grensgebied van de Friezen. Zelf scheepte hij vier legioenen in en vervoerde ze over de meren; en tegelijkertijd kwam het voetvolk, de ruiterij en de vloot bij de bovengenoemde rivier samen. Omdat de Chauci hulptroepen toezegden, zijn ze in het leger opgenomen.
1.60.3. Bructeros sua urentis expedita cum manu L. Stertinius missu Germanici fudit; interque caedem et praedam repperit undevicesimae legionis aquilam cum Varo amissam. Ductum inde agmen ad ultimos Bructerorum, quantumque Amisiam et Lupiam amnis inter vastatum, haud procul Teutoburgiensi saltu in quo reliquiae Vari legionumque insepultae dicebantur.
1.60.3. Lucius Stertinius heeft de Bructeren, die hun eigen bezittingen verbrandden, met een lichtgewapende troep verslagen in opdracht van Germanicus; bij zijn slacht- en roofbedrijf stootte hij op de adelaar van het 19e legioen die met Varus verloren was gegaan. Vandaar is het leger verder gevoerd tot aan de verstverwijderde grens van de Bructeren en al wat er tussen de rivieren de Eems en Lippe lag is gebrandschat, niet ver van het Teutoburgerwoud, waarin, naar men zei, overblijfselen van Varus en zijn legioenen nog onbegraven lagen.

Caput LXI

Hoofdstuk 61

1.61.1. Igitur cupido Caesarem invadit solvendi suprema militibus ducique, permoto ad miserationem omni qui aderat exercitu ob propinquos, amicos, denique ob casus bellorum et sortem hominum. Praemisso Caecina ut occulta saltuum scrutaretur pontesque et aggeres umido paludum et fallacibus campis inponeret, incedunt maestos locos visuque ac memoria deformis.
1.61.1. Derhalve werd Caesar overweldigd door het verlangen om de laatste eer te bewijzen aan de soldaten en hun aanvoerder terwijl het hele leger, voorzover het aanwezig was tot tranen toe geroerd was vanwege verwanten, vrienden, tenslotte in het algemeen wegens de lotgevallen in de oorlogen en het lot van de mensen. Nadat Caecina vooruitgestuurd was om de verdekte plaatsen van de wouden te verkennen en bruggen en dijken aan te leggen over de zompige moerassen en de bedriegelijke terreinen, trokken ze de droefgeestige contreien binnen, weerzinwekkend door de aanblik en de herinnering.
1.61.2. Prima Vari castra lato ambitu et dimensis principiis trium legionum manus ostentabant; dein semiruto vallo, humili fossa accisae iam reliquiae consedisse intellegebantur: medio campi albentia ossa, ut fugerant, ut restiterant, disiecta vel aggerata.
1.61.2. Eerst werd het legerkamp van Varus zichtbaar, met zijn wijde omtrek en de omvang van het hoofdkwartier kennelijk het werk van drie legioenen. Verderop kon men uit de half vervallen wal en de ondiepe gracht opmaken dat daar de reeds uitgedunde resten zich genesteld hadden: midden op de vlakte lagen verbleekte botten, al naargelang ze gevlucht waren of stand hadden gehouden, verspreid of op een hoop.
1.61.3. Adiacebant fragmina telorum equorumque artus, simul truncis arborum antefixa ora. Lucis propinquis barbarae arae, apud quas tribunos ac primorum ordinum centuriones mactaverant.
1.61.3. Er lagen brokstukken van wapens bij en ledematen van paarden, tevens waren er aan boomstronken schedels bevestigd. In de rondomgelegen heilige wouden bevonden zich altaren van de barbaren, waarbij ze tribunen en centurio's van de eerste rang hadden geofferd.
1.61.4. Et cladis eius superstites, pugnam aut vincula elapsi, referebant hic cecidisse legatos, illic raptas aquilas; primum ubi vulnus Varo adactum, ubi infelici dextera et suo ictu mortem invenerit; quo tribunali contionatus Arminius, quot patibula captivis, quae scrobes, utque signis et aquilis per superbiam inluserit.
1.61.4. En de overlevenden van die nederlaag, ontkomen aan de strijd of de boeien, wezen aan dat hier de onderbevelhebbers gesneuveld waren, daar de adelaars buitgemaakt waren; waar Varus zijn eerste verwonding toegebracht was, waar hij met zijn noodlottige rechterhand zichzelf eigenhandig had doodgestoken; op welke verhoging Arminius zijn mannen had toegesproken, hoeveel kruishouten voor de krijgsgevangenen waren opgericht, welke kuilen waren gegraven en hoe hij in zijn overmoed de spot gedreven had met hun veldtekenen en adelaars.

Caput LXII

Hoofdstuk 62

1.62.1. Igitur Romanus qui aderat exercitus sextum post cladis annum trium legionum ossa, nullo noscente alienas reliquias an suorum humo tegeret, omnes ut coniunctos, ut consanguineos, aucta in hostem ira, maesti simul et infensi condebant. Primum extruendo tumulo caespitem Caesar posuit, gratissimo munere in defunctos et praesentibus doloris socius.
1.62.1. Derhalve hebben de Romeinse soldaten die daar aanwezig waren in de loop van het zesde jaar na de nederlaag de beenderen begraven van de drie legioenen zonder dat iemand wist of hij het stoffelijk overschot van vreemden of van familieleden begroef, allen als verwanten, als familieleden, waarbij hun woede jegens de vijand toenam en ze tegelijk bedroefd en kwaad waren. Caesar heeft de eerste graszode voor de op te richten grafheuvel geplaatst, als een verdiende plichtpleging tegenover de overledenen en als deelgenoot in de smart voor de aanwezigen.
1.62.2.Quod Tiberio haud probatum, seu cuncta Germanici in deterius trahenti, sive exercitum imagine caesorum insepultorumque tardatum ad proelia et formidolosiorem hostium credebat; neque imperatorem auguratu et vetustissimis caerimoniis praeditum adtrectare feralia debuisse.
1.62.2. Deze handelwijze werd door Tiberius niet op prijs gesteld, hetzij hij alles van Germanicus afkamde, hetzij hij meende dat het leger door het beeld van de in de pan gehakte en onbegraven voorgangers gedemoraliseerd was voor de strijd en angstiger voor de vijanden; en dat een opperbevelhebber, bekleed met een auguraat - en nog wel met zeer oude rituelen - zich niet had moeten inlaten met begrafenisplechtigheden.

Verdere krijgsoperaties in Germanië.

Caput LXIII

Hoofdstuk 63

1.63.1.Sed Germanicus cedentem in avia Arminium secutus, ubi primum copia fuit, evehi equites campumque quem hostis insederat eripi iubet. Arminius colligi suos et propinquare silvis monitos vertit repente: mox signum prorumpendi dedit iis quos per saltus occultaverat.
1.63.1. Maar Germanicus zette de achtervolging op Arminius in die naar ontoegankelijk gebied terugweek en zodra hij daartoe gelegenheid had beval hij de ruiterij uit te rukken en het terrein dat de vijand bezet had te veroveren. Arminius, die zijn mannen aanvankelijk bevolen had zich te hergroeperen en richting bossen te trekken, maakte plotseling rechtsomkeer: daarop gaf hij een teken om een uitval te doen aan diegenen die hij verdekt had opgesteld in de bergwouden.
1.63.2. Tunc nova acie turbatus eques, missaeque subsidiariae cohortes et fugientium agmine impulsae auxerant consternationem; trudebanturque in paludem gnaram vincentibus, iniquam nesciis, ni Caesar productas legiones instruxisset: inde hostibus terror, fiducia militi; et manibus aequis abscessum.
1.63.2. Toen is de ruiterij in verwarring gebracht door deze nieuwe linie en te hulp gestuurde cohorten hadden, aangestoken door de troep vluchtenden, de verwarring aanvankelijk alleen maar groter gemaakt; en zij zouden een moeras ingedreven zijn dat bekend was bij de partij die de overwinning dreigde te behalen, maar gevaarlijk voor iedereen die er niet mee bekend was, als Caesar niet de aangevoerde legioenen in het gelid had gezet: daaruit kwam schrik voort bij de vijanden en vertrouwen bij onze soldaten; en men week met onbesliste strijd.
1.63.3. Mox reducto ad Amisiam exercitu legiones classe, ut advexerat, reportat; pars equitum litore Oceani petere Rhenum iussa; Caecina, qui suum militem ducebat, monitus, quamquam notis itineribus regrederetur, pontes longos quam maturrime superare.
1.63.3. Daarop heeft hij zijn leger naar de Eems teruggevoerd en de legioenen op de vloot weer teruggebracht zoals hij ze had aangevoerd; een deel van de ruiterij heeft hij opgedragen langs de zeekust naar de Rijn te trekken; Caecina, die zijn eigen mannen leidde heeft hij met klem opgedragen om, hoewel hij langs bekende wegen terug zou keren, zo snel mogelijk de veenbruggen over te steken.
1.63.4. Angustus is trames vastas inter paludes et quondam a L. Domitio aggeratus, cetera limosa, tenacia gravi caeno aut rivis incerta erant; circum silvae paulatim adclives, quas tum Arminius inplevit, compendiis viarum et cito agmine onustum sarcinis armisque militem cum antevenisset.
1.63.4. Het gaat hier om een smal pad door uitgebreide moerassen, ooit door Lucius Domitius tot een dijk opgehoogd, verder was er leemgrond, zuigend door zware modder of onbetrouwbaar door beekjes; daaromheen strekten zich langzaam glooiende wouden uit die Arminius toen bezette omdat hij via afsnijdingen en met een lichte legertros onze soldaten, die belast waren met zware bagage en wapentuig, was voorgekomen.
1.63.5. Caecinae dubitanti quonam modo ruptos vetustate pontes reponeret simulque propulsaret hostem, castra metari in loco placuit, ut opus et alii proelium inciperent.
1.63.5. Caecina vroeg zich aanvankelijk af op welke manier hij de dammen die door hun ouderdom in verval geraakt waren zou kunnen herstellen en tegelijkertijd de vijand af zou kunnen slaan, maar besloot toen ter plaatse een legerkamp af te bakenen zodat een groep met de herstelwerkzaamheden zou kunnen beginnen en een andere groep de strijd zou kunnen aangaan.

Caput LXIV

Hoofdstuk 64

1.64.1. Barbari perfringere stationes seque inferre munitoribus nisi lacessunt, circumgrediuntur, occursant: miscetur operantium bellantiumque clamor.
1.64.1. De barbaren braken voortdurend door de wachtposten en drongen zich op aan de schanswerkers als ze niet provoceerden, omsingelden en aanstormden: het geschreeuw van de schanswerkers mengde zich met dat van de oorlogvoerders.
1.64.2. Et cuncta pariter Romanis adversa, locus uligine profunda, idem ad gradum instabilis, procedentibus lubricus, corpora gravia loricis; neque librare pila inter undas poterant. Contra Cheruscis sueta apud paludes proelia, procera membra, hastae ingentes ad vulnera facienda quamvis procul. Nox demum inclinantis iam legiones adversae pugnae exemit.
1.64.2. En alles zat de Romeinen tegelijk tegen, het terrein bestond uit een diep moeras, tevens was het onvast om op te staan en glibberig om op voort te trekken, hun lichamen waren zwaar door hun bepansering; en tussen al dat water konden ze hun werpspiesen zelfs niet drillen. Daarentegen waren de Cheruscen gewend aan gevechten bij moerassen, hadden zij slanke ledematen en geweldige lansen om verwondingen toe te brengen vanaf hoe ver ze maar wilden. De nacht heeft uiteindelijk de al wijkende legioenen ontzet uit een ongunstige strijd.
1.64.3. Germani ob prospera indefessi, ne tum quidem sumpta quiete, quantum aquarum circum surgentibus iugis oritur vertere in subiecta, mersaque humo et obruto quod effectum operis duplicatus militi labor.
1.64.3. De Germanen echter, door hun voorspoed onvermoeid, leidden, zonder zich toen zelfs rust gegund te hebben, al wat er aan water ontsprong op de rondom oprijzende bergkammen naar beneden en, doordat de grond zo werd weggespoeld en alles vernield wat al klaargekomen was van het schanswerk, werd de inspanning voor onze soldaten nog eens verdubbeld.
1.64.4. Quadragesimum id stipendium Caecina parendi aut imperitandi habebat, secundarum ambiguarumque rerum sciens eoque interritus. Igitur futura volvens non aliud repperit quam ut hostem silvis coerceret, donec saucii quantumque gravioris agminis anteirent; nam medio montium et paludum porrigebatur planities, quae tenuem aciem pateretur.
1.64.4. Caecina had er toen veertig dienstjaren opzitten als ondergeschikte die moest gehoorzamen of als leider die moest aanvoeren, en ervaren in voorspoed en hachelijke omstandigheden en daardoor onverschrokken. Derhalve kwam hij, overwegend hoe dit zou aflopen, tot de conclusie dat er geen andere mogelijkheid was dan de vijand zo lang in de bossen op te sluiten totdat de gewonden en de legertros een voorsprong gekregen hadden; want midden tussen bergen en moerassen strekte zich een vlakte uit waarop slechts een ondiepe slagorde gevormd kon worden.
1.64.5. Deliguntur legiones quinta dextro lateri, unetvicesima in laevum, primani ducendum ad agmen, vicesimanus adversum secuturos.
1.64.5. Uitgekozen werd het vijfde legioen voor de rechterflank, het eenentwintigste voor de linker, die van het eerste om de kolonne aan te voeren, en die van het twintigste tegen mogelijke achtervolgers.

Caput LXV

Hoofdstuk 65

1.65.1.Nox per diversa inquies, cum barbari festis epulis, laeto cantu aut truci sonore subiecta vallium ac resultantis saltus complerent, apud Romanos invalidi ignes, interruptae voces, atque ipsi passim adiacerent vallo, oberrarent tentoriis, insomnes magis quam pervigiles.
1.65.1. De nacht verliep om uiteenlopende redenen onrustig, omdat de barbaren met uitheinig gebral of grimmig geschreeuw bij feestmaaltijden de diepe valleien en de weergalmende woudpassen vulden, terwijl bij de Romeinen de vuren slechts zwakjes flakkerden, de stemmen slechts afgebroken opklonken en zijzelf overal bij de wal lagen of rond de tenten ijsbeerden, eerder slapeloos dan waakzaam.
1.65.2. Ducemque terruit dira quies: nam Quintilium Varum sanguine oblitum et paludibus emersum cernere et audire visus est velut vocantem, non tamen obsecutus et manum intendentis reppulisse.
1.65.2. En een nachtmerrie heeft de aanvoerder uit het lood geslagen: want hij meende Quintilius Varus, besmeurd met bloed uit de moerassen tevoorschijn te zien komen en te horen dat hij hem riep zonder dat hij daar gehoor aan gaf en hij meende dat hij de hand die deze naar hem uitstrekte had afgeslagen.
1.65.3. Coepta luce missae in latera legiones, metu an contumacia, locum deseruere, capto propere campo umentia ultra.
1.65.3. Bij het gloren van de dageraad hebben de legioenen die op de flanken waren opgesteld, uit vrees of ongedisciplineerdheid, hun post verlaten om snel de vlakte te bezetten achter de drassige gronden.
1.65.4. Neque tamen Arminius quamquam libero incursu statim prorupit: sed ut haesere caeno fossisque impedimenta, turbati circum milites, incertus signorum ordo, utque tali in tempore sibi quisque properus et lentae adversum imperia aures, inrumpere Germanos iubet, clamitans 'en Varus eodemque iterum fato vinctae legiones!' simul haec et cum delectis scindit agmen equisque maxime vulnera ingerit.
1.65.4. Maar toch heeft Arminius, ofschoon de toegang open lag, niet terstond een aanval gedaan: maar toen de legertros in de modder en de geulen bleef steken en de soldaten rondom in verwarring raakten, de orde in de veldtekenen verward werd en, zoals dat gaat in dergelijke omstandigheden, ieder gespitst was op eigen behoud en de oren niet zo gretig zijn om naar bevelen te luisteren, beval hij de Germanen er op af te stormen met de uitroep 'Kijk, daar hebben we Varus weer en zijn legioenen, weer door hetzelfde lot in de tang genomen!' en met deze woorden hakte hij zich een weg door de tros met zijn keurbenden en bracht vooral de paarden verwondingen toe.
1.65.5. Illi sanguine suo et lubrico paludum lapsantes excussis rectoribus disicere obvios, proterere iacentis. Plurimus circa aquilas labor, quae neque ferri adversum ingruentia tela neque figi limosa humo poterant.
1.65.5. Die gleden uit in hun eigen bloed en de glibberige bodem, wierpen hun berijders af en sloegen degenen uiteen die hen voor de voeten kwamen kwamen en vertrapten degenen die op de grond lagen. Het grootst was het geploeter rond de adelaars die namelijk niet verder gedragen konden worden tegen de groeiende regen van werptuigen in maar die ook niet in de modderige bodem vastgezet konden worden.
1.65.6. Caecina dum sustentat aciem, suffosso equo delapsus circumveniebatur, ni prima legio sese opposuisset. Iuvit hostium aviditas, omissa caede praedam sectantium, enisaeque legiones vesperascente die in aperta et solida.
1.65.6. Terwijl Caecina probeerde de tros te steunen rolde hij van zijn paard toen dat in de buik gestoken werd en zou omsingeld geworden zijn als het eerste legioen zich niet in de weg gesteld had. Een redding vormde ook de begerigheid van de vijanden die de slachtpartij verder wel geloofden en zich op de buit stortten, en zo zijn de legioenen bij het vallen van de avond op hun tandvlees op stevige, open grond aangekomen.
1.65.7. Neque is miseriarum finis. Struendum vallum, petendus agger, amissa magna ex parte per quae egeritur humus aut exciditur caespes; non tentoria manipulis, non fomenta sauciis; infectos caeno aut cruore cibos dividentes funestas tenebras et tot hominum milibus unum iam reliquum diem lamentabantur.
1.65.7. Maar dit betekende nog niet het einde van de ellende. Er moest nog een wal opgeworpen, materiaal gezocht worden, grotendeels was het gereedschap verloren gegaan waarmee aarde wordt uitgegraven of graszoden uitgestoken; er waren geen tenten voor de manipels, geen verbandmiddelen voor de gewonden; terwijl ze het voedsel dat besmeurd was met modder of bloed verdeelden bleven ze jammeren over die onheilspellende duisternis en dat voor zoveel duizenden mannen nog slechts één dag restte.

Caput LXVI

Hoofdstuk 66

1.66.1. Forte equus abruptis vinculis vagus et clamore territus quosdam occurrentium obturbavit. Tanta inde consternatio inrupisse Germanos credentium ut cuncti ruerent ad portas, quarum decumana maxime petebatur, aversa hosti et fugientibus tutior.
1.66.1. Toevallig bracht een paard dat uit zijn tuig was gebroken, aan het zwerven was geslagen en verschrikt geraakt was door het geschreeuw, enige mannen die hem trachtten tegen te houden in paniek. Zo groot was hierna de verwarring van lieden die geloofden dat de Germanen het kamp binnengedrongen waren dat ze allemaal naar de poorten renden en dan met name naar de decumanuspoort omdat die het verst van de vijand lag verwijderd en daardoor het veiligst was voor vluchters.
1.66.2. Caecina comperto vanam esse formidinem, cum tamen neque auctoritate neque precibus, ne manu quidem obsistere aut retinere militem quiret, proiectus in limine portae miseratione demum, quia per corpus legati eundum erat, clausit viam: simul tribuni et centuriones falsum pavorem esse docuerunt.
1.66.2. Toen Caecina begrepen had dat de vrees ongegrond was maar hij noch met zijn gezag noch met smeekbeden, zelfs niet met handgebaren de soldaten tot stilstand kon brengen of kon tegenhouden, heeft hij zich tenslotte op de drempel van de poort op de grond uitgestrekt en zo de uitweg gebarricadeerd om hun medelijden af te dwingen omdat ze nu over het lichaam van hun commandant heen moesten lopen: tegelijk legden de tribunen en centurio's uit dat hun schrik loos was.

Caput LXVII

Hoofdstuk 67

1.67.1. Tunc contractos in principia iussosque dicta cum silentio accipere temporis ac necessitatis monet. Unam in armis salutem, sed ea consilio temperanda manendumque intra vallum, donec expugnandi hostes spe propius succederent; mox undique erumpendum: illa eruptione ad Rhenum perveniri.
1.67.1. Toen bracht hij zijn soldaten bij elkaar bij het hoofdkwartier en beval hen in stilte naar zijn woorden te luisteren en prentte hen de ernst van hun hachelijke omstandigheden in. Alleen in de wapens lag hun hoop op behoud, maar die moesten dan wel met overleg gehanteerd worden en ze moesten binnen de omwalling blijven totdat de vijanden hoopvol te dichtbij zouden komen; daarop moesten ze aan alle kanten een uitval doen: met die uitval konden zij de Rijn bereiken.
1.67.2. Quod si fugerent, pluris silvas, profundas magis paludes, saevitiam hostium superesse; at victoribus decus gloriam. Quae domi cara, quae in castris honesta, memorat; reticuit de adversis. Equos dehinc, orsus a suis, legatorum tribunorumque nulla ambitione fortissimo cuique bellatori tradit, ut hi, mox pedes in hostem invaderent.
1.67.2. Maar als ze zouden vluchten dan wachtten hen nog meer wouden, diepere moerassen, de wreedheid van de vijanden; maar de overwinnaars wachtte eer en roem. Hij bracht hen in herinnering wat hen thuis dierbaar was, wat als eervol gold in het legerkamp; hij zweeg over de tegenspoed. Daarna stelde hij de paarden ter beschikking, te beginnen met die van hemzelf, van de commandanten en tribunen zonder onderscheid voor juist de dapperste strijders, opdat die op de vijanden zouden kunnen inrijden met daarachter de infanterie.

Caput LXVIII

Hoofdstuk 68

1.68.1. Haud minus inquies Germanus spe, cupidine et diversis ducum sententiis agebat, Arminio sinerent egredi egressosque rursum per umida et inpedita circumvenirent suadente, atrociora Inguiomero et laeta barbaris, ut vallum armis ambirent: promptam expugnationem, plures captivos, incorruptam praedam fore.
1.68.1. Niet minder ongedurig waren de Germanen door hoop, begeerte en omdat de meningen van hun aanvoerders verschilden, daar Arminius erop aandrong de Romeinen uit het kamp te laten trekken en, als dat eenmaal gebeurd was, hen weer via vochtige en onbegaanbare gebieden te omsingelen, terwijl Inguiomerus wredere en de barbaren welkome adviezen gaf: namelijk om de omwalling gewapenderwijs te omsingelen: een verovering zou niet op zich laten wachten, het aantal krijgsgevangenen zou groter zijn en de buit intact.
1.68.2. Igitur orta die proruunt fossas, iniciunt crates, summa valli prensant, raro super milite et quasi ob metum defixo.
1.68.2. Derhalve dempten zij bij het aanbreken van de dag de grachten, smeten er takkenbossen in en beten zich vast in de bovenrand van de wal waarop slechts hier en daar een soldaat stond, als door angst aan de grond genageld.
1.68.3. Postquam haesere munimentis, datur cohortibus signum cornuaque ac tubae concinuere. Exim clamore et impetu tergis Germanorum circumfunduntur, exprobrantes non hic silvas nec paludes, sed aequis locis aequos deos.
1.68.3. Nadat zij zich van het schanswerk hadden weten meester te maken werd aan de cohorten het sein gegeven en hoorns en trompetten weerklonken. Daarop stroomden zij onder geschreeuw en met een felle aanval in de rug van de Germanen, honend 'dat hier geen wouden en moerassen waren maar onpartijdige goden op een terrein dat voor beide partijen even gunstig was'.
1.68.4. Hosti facile excidium et paucos ac semermos cogitanti sonus tubarum, fulgor armorum, quanto inopina tanto maiora offunduntur, cadebantque, ut rebus secundis avidi, ita adversis incauti.
1.68.4. De vijand die rekende op een makkelijke slachtpartij en een handjevol halfgewapenden, werd overdonderd door het trompetgeschal van alle kanten, het geschitter van de wapens, dat des te indrukwekkender overkwam naarmate het onverwacht was en zij sneuvelden bij bosjes, even roekeloos in tegenspoed als zij begerig waren in voorspoed.
1.68.5. Arminius integer, Inguiomerus post grave vulnus pugnam deseruere: vulgus trucidatum est, donec ira et dies permansit. Nocte demum reversae legiones, quamvis plus vulnerum, eadem ciborum egestas fatigaret, vim sanitatem copias, cuncta in victoria habuere.
1.68.4. Arminius verliet ongedeerd, Inguiomerus na het oplopen van een verwonding, het krijgstoneel: hun manschappen zijn in de pan gehakt zolang de razernij en het daglicht duurde. Pas 's nachts hebben de legioenen rechtsomkeert gemaakt en, hoewel zij meer verwondingen hadden opgelopen en het gebrek aan voedsel nog hetzelfde was hebben zij kracht, gezondheid, overvloed, ja alles, geput uit de overwinning.

Caput LXIX

Hoofdstuk 69

1.69.1. Pervaserat interim circumventi exercitus fama et infesto Germanorum agmine Gallias peti, ac ni Agrippina inpositum Rheno pontem solvi prohibuisset, erant qui id flagitium formidine auderent. Sed femina ingens animi munia ducis per eos dies induit, militibusque, ut quis inops aut saucius, vestem et fomenta dilargita est.
1.69.1. Intussen had het gerucht over de omsingeling van het legeronderdeel de ronde gedaan alsook dat een vijandige horde Germanen in de richting van Gallië trok en, als Agrippina niet verhinderd had dat de brug die over de Rijn geslagen was afgebroken werd, zouden sommigen in hun paniek deze schanddaad nog bestaan hebben. Maar deze formidabele vrouw nam in die dagen de veldheerstaken op zich en zij liet onder de soldaten, al naar gelang die hongerig of gewond waren, kleding en verbandmiddelen uitreiken.
1.69.2. Tradit C. Plinius Germanicorum bellorum scriptor, stetisse apud principium ponti laudes et grates reversis legionibus habentem.
1.69.2. Gaius Plinius, de kroniekschrijver van de Germaanse oorlogen, vermeldt dat zij bij de opgang van de brug had postgevat en de teruggekeerde legioenen lof en dank betuigde.
1.69.3. Id Tiberii animum altius penetravit: non enim simplicis eas curas, nec adversus externos studia militum quaeri.
1.69.3. Deze informatie heeft op het gemoed van Tiberius een maar al te diepe indruk gemaakt: 'nee, dit waren geen simpele uitingen van zorg en er werd niet tegen vijanden van buiten naar de populariteit van de soldaten gehengeld.
1.69.4. Nihil relictum imperatoribus, ubi femina manipulos intervisat, signa adeat, largitionem temptet, tamquam parum ambitiose filium ducis gregali habitu circumferat Caesaremque Caligulam appellari velit. Potiorem iam apud exercitus Agrippinam quam legatos, quam duces; conpressam a muliere seditionem, cui nomen principis obsistere non quiverit.
1.69.4. Niets bleef er over voor de opperbevelhebbers waar een vrouw de manipels inspecteerde, de veldtekenen beheerde, vrijgevigheid aan de dag legde, alsof ze nog te weinig ambieerde door de zoon van de aanvoerder in soldatenkleding met zich mee te nemen en een Caesar 'Caligula' genoemd wilde horen. Agrippina was al invloedrijker bij de legers dan de commandanten; een muiterij was door die vrouw onderdrukt die het gezag van de vorst niet de kop had kunnen indrukken'.
1.69.5. Accendebat haec onerabatque Seianus, peritia morum Tiberii odia in longum iaciens, quae reconderet auctaque promeret.
1.69.5. Dit wantrouwen versterkte Seianus nog en hij gaf het het volle pond, door zijn vertrouwdheid met het karakter van Tiberius in staat om haatgevoelens voor de lange termijn post te laten vatten om ze bij zich op te potten en te zijner tijd nog heviger te voorschijn te halen.

Caput LXX

Hoofdstuk 70

1.70.1. At Germanicus legionum, quas navibus vexerat, secundam et quartam decimam itinere terrestri P. Vitellio ducendas tradit, quo levior classis vadoso mari innaret vel reciproco sideret.
1.70.1. Maar Germanicus droeg van de legioenen die hij op de schepen vervoerd had, het tweede en veertiende over aan Publius Vitellius om over de landroute te leiden opdat de vloot minder zwaarbeladen de ondiepten van de zee zou kunnen bevaren of bij eb minder vast zou komen te zitten.
1.70.2. Vitellius primum iter sicca humo aut modice adlabente aestu quietum habuit: mox inpulsu aquilonis, simul sidere aequinoctii, quo maxime tumescit Oceanus, rapi agique agmen. Et opplebantur terrae: eadem freto litori campis facies, neque discerni poterant incerta ab solidis, brevia a profundis.
1.70.2. Vitellius had een rustig begin van zijn tocht omdat de grond droog was of de branding slechts kalm aan kwam klotsen: maar daarna werd de kolonne heen en weer gesleurd door het aanzwellen van de Noordenwind in combinatie met het eveningsgesternte waardoor de Oceaan het meest omstuimig wordt.
1.70.3. Sternuntur fluctibus, hauriuntur gurgitibus; iumenta, sarcinae, corpora exanima interfluunt, occursant. Permiscentur inter se manipuli, modo pectore, modo ore tenus extantes, aliquando subtracto solo disiecti aut obruti. Non vox et mutui hortatus iuvabant adversante unda; nihil strenuus ab ignavo, sapiens ab inprudenti, consilia a casu differre: cuncta pari violentia involvebantur.
1.70.3. Alles werd door de stromingen overspoeld, door draaikolken verzwolgen; lastdieren, bagage, levenloze lichamen dreven tussen hen door, dobberden hen tegemoet. De manipels raakten buiten hun orde, nu eens tot hun borst, dan weer slechts tot hun mond boven water uitstekend en omdat soms de bodem onder hen werd weggezogen werden ze uiteengeslagen of verzwolgen. Geen stemgeluid of wederzijdse aanmoedigingen hielpen nu het water weerstand bood; in geen enkel opzicht verschilde de moedige van de lafaard, de wijze van de onvoorzichtige, overleg van toeval: alles werd in een gelijk natuurgeweld verwikkeld.
1.70.4. Tandem Vitellius in editiora enisus eodem agmen subduxit. Pernoctavere sine utensilibus, sine igni, magna pars nudo aut mulcato corpore, haud minus miserabiles quam quos hostis circumsidet: quippe illic etiam honestae mortis usus, his inglorium exitium.
1.70.4. Tenslotte wist Vitellius te ontkomen naar hogergelegen gebied en voerde de kolonne naar dezelfde plaats. Ze brachten de nacht door zonder levensmiddelen, zonder vuur, een groot deel zonder kleren of met geradbraakte ledematen, niet minder deerniswekkend dan wanneer de vijand hen omsingelde: dan immers heeft men nog het voordeel van een eervolle dood, maar voor dezen restte slechts een roemloos einde.
1.70.5. Lux reddidit terram, penetratumque ad amnem [Visurgin], quo Caesar classe contenderat. Inpositae dein legiones, vagante fama submersas; nec fides salutis, antequam Caesarem exercitumque reducem videre.
1.70.5. Het licht heeft het zicht op de aarde weer teruggegeven en ze zijn doorgestoten tot aan de rivier [de Wezer] waarheen Caesar zich met de vloot begeven had. Daarop zijn de legioenen ingescheept terwijl het gerucht ging dat zij verdronken waren; en men hechtte geen geloof aan hun behoud voordat zij Caesar en het leger weer terugzagen.

Caput LXXI

Hoofdstuk 71

1.71.1. Iam Stertinius, ad accipiendum in deditionem Segimerum fratrem Segestis praemissus, ipsum et filium eius in civitatem Vbiorum perduxerat. Data utrique venia, facile Segimero, cunctantius filio, quia Quintilii Vari corpus inlusisse dicebatur.
1.71.1. Reeds had Stertinius, vooruitgestuurd om Segimerus, de broer van Segestes, in onderwerping aan te nemen, hemzelf en zijn zoon naar de stad der Ubiërs weggevoerd. Aan beiden is genade geschonken, zonder bedenkingen aan Segimerus, met meer aarzeling aan zijn zoon omdat van hem verteld werd dat hij het stoffelijk overschot van Quintilius Varus geschonden had.
1.71.2. Ceterum ad supplenda exercitus damna certavere Galliae Hispaniae Italia, quod cuique promptum, arma equos aurum offerentes. Quorum laudato studio Germanicus, armis modo et equis ad bellum sumptis, propria pecunia militem iuvit.
1.71.2. Overigens hebben de Gallische en Spaanse wingewesten alsmede Italia zich als om strijd beijverd om de verliezen van het leger aan te vullen met wat ieder maar voorhanden had: wapens, paarden en geld aanbiedend. Nadat Germanicus hun toewijding geprezen had nam hij alleen de wapens en paarden voor de oorlog aan maar hielp hij de soldaten met zijn privé-vermogen.
1.71.3. Utque cladis memoriam etiam comitate leniret, circumire saucios, facta singulorum extollere; vulnera intuens alium spe, alium gloria, cunctos adloquio et cura sibique et proelio firmabat.
1.71.3. En, om de herinnering aan hun afgang ook met vriendelijkheid te verzachten maakte hij een rondgang langs de gewonden en prees de krijgsdaden van ieder afzonderlijk; terwijl hij hun verwondingen bekeek probeerde hij de een door een woord van troost, een ander weer door lofprijzingen, maar allen door een persoonlijk woord en verzorging op te monteren, en hij versterkte hun toewijding jegens hem persoonlijk en het krijgsbedrijf.

Tiberius in 15 na Chr.

Caput LXXII

Hoofdstuk 72

1.72.1.Decreta eo anno triumphalia insignia A. Caecinae, L. Apronio, C. Silio ob res cum Germanico gestas. Nomen patris patriae Tiberius, a populo saepius ingestum, repudiavit; neque in acta sua iurari quamquam censente senatu permisit, cuncta mortalium incerta, quantoque plus adeptus foret, tanto se magis in lubrico dictitans.
1.72.1. In dat jaar zijn de onderscheidingstekens, horend bij een triomf, toegekend aan Aulus Caecina, Lucius Apronius en Gaius Silius wegens de krijgsdaden die ze met Germanicus geleverd hadden. De titel 'Vader des Vaderlands', door het volk meer dan eens aan hem aangeboden, heeft Tiberius van de hand gewezen en hij heeft ook niet toegestaan dat men de eed aflegde op zijn handelingen, steeds weer verzekerend 'dat al het menselijke onzeker is en dat hij, naarmate hij meer aangenomen had, hij ook des te meer op een glibberig pad zou raken'.
1.72.2. Non tamen ideo faciebat fidem civilis animi; nam legem maiestatis reduxerat, cui nomen apud veteres idem, sed alia in iudicium veniebant, si quis proditione exercitum aut plebem seditionibus, denique male gesta re publica maiestatem populi Romani minuisset: facta arguebantur, dicta inpune erant.
1.72.2. Toch bereikte hij hiermee niet het vertrouwen bij het volk; want hij had de wet op majesteitsschennis, weer ingevoerd, waarvan de naam wel hetzelfde was bij vroegere generaties, maar toen kwamen er andere zaken voor veroordeling in aanmerking: als iemand door verraad het leger of het volk door opstand in gevaar had gebracht, of, kortom, iemand door wangedrag de hoogheid van het Romeinse volk in discrediet had gebracht: daden werden dan vervolgd, woorden bleven ongestraft.
1.72.3. Primus Augustus cognitionem de famosis libellis specie legis eius tractavit, commotus Cassii Severi libidine, qua viros feminasque inlustris procacibus scriptis diffamaverat; mox Tiberius, consultante Pompeio Macro praetore an iudicia maiestatis redderentur, exercendas leges esse respondit. Hunc quoque asperavere carmina incertis auctoribus vulgata in saevitiam superbiamque eius et discordem cum matre animum.
1.72.3 Als eerste heeft Augustus een onderzoek naar smaadschriften laten instellen onder het voorwendsel van die wet, geprikkeld door de hartstocht van Cassius Severus waarmee die vooraanstaande mannen en vrouwen in opspraak gebracht had door onbeschaamde geschriften. Daarna heeft Tiberius, toen de praetor Pompeius Macer hem raadpleegde of aanklachten wegens majesteitsschennis ontvankelijk verklaard moesten worden, geantwoord dat de wetten toegepast moesten worden. Ook hem verbitterden namelijk schimpdichten van anonieme herkomst, gericht tegen zijn wreedheid en arrogantie en zijn onenigheid met zijn moeder.

Caput LXXIII

Hoofdstuk 73

1.73.1. Haud pigebit referre in Falanio et Rubrio, modicis equitibus Romanis, praetemptata crimina, ut quibus initiis, quanta Tiberii arte gravissimum exitium inrepserit, dein repressum sit, postremo arserit cunctaque corripuerit, noscatur.
1.73.1. Ik zal er geen spijt van krijgen om te vertellen hoe er proefprocessen op touw gezet zijn in de gevallen van Falanius en Rubrius, ridders met bescheiden vermogen om te laten zien met wat voor begin en hoeveel omzichtigheid van Tiberius dit grootste kwaad binnengeslopen is, vervolgens onderdrukt is, en tenslotte opgelaaid is en alles heeft aangetast.
1.73.2. Falanio obiciebat accusator, quod inter cultores Augusti, qui per omnis domos in modum collegiorum habebantur, Cassium quendam mimum corpore infamem adscivisset, quodque venditis hortis statuam Augusti simul mancipasset. Rubrio crimini dabatur violatum periurio numen Augusti.
1.73.2. Falanius werd door zijn aanklager voor de voeten geworpen dat hij onder de vereerders van Augustus, die er in alle families als een soort genootschappen op na gehouden werden, ene Cassius, een mimespeler die om zijn ontucht slecht stond aangeschreven, had opgenomen, en dat hij bij de verkoop van zijn tuinen meteen een standbeeld van Augustus van de hand had gedaan. Rubrius werd aangewreven dat hij de goddelijkheid van Augustus door een meineed had geschonden.
1.73.3. Quae ubi Tiberio notuere, scripsit consulibus non ideo decretum patri suo caelum, ut in perniciem civium is honor verteretur. Cassium histrionem solitum inter alios eiusdem artis interesse ludis, quos mater sua in memoriam Augusti sacrasset; nec contra religiones fieri quod effigies eius, ut alia numinum simulacra, venditionibus hortorum et domuum accedant.
1.73.3. Zodra deze aantijgingen Tiberius ter ore waren gekomen, liet hij een schrijven opstellen aan de consuls 'dat niet hierom een plaats in de hemel aan zijn vader was toegekend door de senaat om die eer te laten verworden tot ondergang van de staat. Dat die podiumartist Cassius gewoonlijk met anderen van hetzelfde beroep meedeed aan spelen die zijn moeder ter gedachtenis aan Augustus had ingesteld; maar dat het niet stuitend was voor godsdienstige gevoelens dat er afbeeldingen van deze bij de verkoop van tuinen en huizen betrokken waren, evenmin als dat bij andere godenafbeeldingen het geval was.
1.73.4. Ius iurandum perinde aestimandum quam si Iovem fefellisset: deorum iniurias dis curae.
1.73.4. Dat de meineed net zo beschouwd moest worden als wanneer hij Juppiter tekort had gedaan: dat onrecht aan de goden de goden ook tot zorg zou strekken'.

Caput LXXIV

Hoofdstuk 74

1.74.1. Nec multo post Granium Marcellum praetorem Bithyniae quaestor ipsius Caepio Crispinus maiestatis postulavit, subscribente Romano Hispone.
1.74.1. Niet veel later is Granius Marcellus, praetor van Bithynië, door zijn eigen quaestor Caepio Crispinus beschuldigd van majesteitsschennis waarbij de aanklacht mede ondertekend werd door Romanus Hispo.
1.74.2. Qui formam vitae iniit, quam postea celebrem miseriae temporum et audaciae hominum fecerunt. Nam egens, ignotus, inquies, dum occultis libellis saevitiae principis adrepit, mox clarissimo cuique periculum facessit, potentiam apud unum, odium apud omnis adeptus dedit exemplum, quod secuti ex pauperibus divites, ex contemptis metuendi perniciem aliis ac postremum sibi invenere.
1.74.2. Deze heeft een levenswijze ingeluid die het verval van de tijden en de brutaliteit van de mensen later populair gemaakt hebben. Want behoeftig, onbekend en rusteloos, heeft hij, terwijl hij zich met achterbakse geschriften bij de wrede keizer inlikte, al gauw juist de meest vooraanstaanden in gevaar gebracht. En terwijl hij zich zo invloed verwierf bij één man maar haat bij allen, heeft hij een trend gezet die anderen volgden en waarmee zij, van veracht geducht geworden, de ondergang voor anderen en tenslotte voor zichzelf bewerkten.
1.74.3. Sed Marcellum insimulabat sinistros de Tiberio sermones habuisse, inevitabile crimen, cum ex moribus principis foedissima quaeque deligeret accusator obiectaretque reo. Nam quia vera erant, etiam dicta credebantur. Addidit Hispo statuam Marcelli altius quam Caesarum sitam, et alia in statua amputato capite Augusti effigiem Tiberii inditam.
1.74.3. Maar om kort te gaan: hij insinueerde dat Marcellus kwalijke praat over Tiberius had rondgestrooid, een beschuldiging waarvan je je niet kon schoon wassen omdat de aanklager uit de gewoonten van de vorst juist de schandelijkste had uitgekozen en die de aangeklaagde in de schoenen geschoven had. Want omdat ze nu eenmaal op werkelijkheid berustten, werden ze ook als inderdaad gezegd beschouwd. Hispo voegde daaraan nog toe dat een standbeeld van Marcellus hoger geplaatst was dan die van de Caesaren en dat bij een ander standbeeld het hoofd van Augustus verwijderd was en er de beeltenis van Tiberius voor in de plaats was gezet.
1.74.4. Ad quod exarsit adeo, ut rupta taciturnitate proclamaret se quoque in ea causa laturum sententiam palam et iuratum, quo ceteris eadem necessitas fieret. Manebant etiam tum vestigia morientis libertatis.
1.74.4. Bij het vernemen hiervan is Tiberius zo kwaad geworden dat hij zijn zwijgen verbrak en afkondigde dat hij zelf ook in deze zaak zijn stem wilde uitbrengen, openlijk en onder ede, zodat dat voor de anderen even noodzakelijk was. Toch bleven er ook toen nog sporen van de uistervende vrijheid.
1.74.5. Igitur Cn. Piso 'Quo' inquit 'loco censebis, Caesar? si primus, habebo quod sequar: si post omnis, vereor ne inprudens dissentiam.' Permotus his, quantoque incautius efferverat, paenitentia patiens tulit absolvi reum criminibus maiestatis: de pecuniis repetundis ad reciperatores itum est.
1.74.5. Gnaeus Piso sprak namelijk: 'Als hoeveelste zult gij Uw mening te kennen geven, Caesar ? Als U het als eerste zult doen, zal ik een voorbeeld tot navolging hebben; maar als U het als laatste zult doen, dan vrees ik dat ik in mijn onnozelheid een andere mening zal geven'. Hierdoor getroffen heeft Tiberius des te gelatener de aanklacht wegens majesteitsschennis vergeven naarmate hij onbesuisder was opgestoven: wat betreft de afpersingen heeft men zich gewend tot de speciale rechtbank hiervoor.

Caput LXXV

Hoofdstuk 75

1.75.1. Nec patrum cognitionibus satiatus iudiciis adsidebat in cornu tribunalis, ne praetorem curuli depelleret; multaque eo coram adversus ambitum et potentium preces constituta. Sed dum veritati consulitur, libertas corrumpebatur.
1.75.1. Maar niet tevredengesteld door de gerechtelijke onderzoeken woonde hij de zittingen bij in een hoek van de tribune om de praetor niet uit zijn ambtszetel te verdrijven; en er is veel in zijn tegenwoordigheid afgewikkeld tegen de machinaties en de voorspraak van invloedrijken in. Maar terwijl er in overeenstemming met de waarheid recht gesproken werd, werd de vrijheid (van de rechters) aangetast.
1.75.2. Inter quae Pius Aurelius senator questus mole publicae viae ductuque aquarum labefactas aedis suas, auxilium patrum invocabat. Resistentibus aerarii praetoribus subvenit Caesar pretiumque aedium Aurelio tribuit, erogandae per honesta pecuniae cupiens, quam virtutem diu retinuit, cum ceteras exueret.
1.75.2. Onder meer klaagde de senator Pius Aurelius dat door werkzaamheden aan de openbare weg en de waterleiding zijn huis bouwvallig geworden was en hij vroeg om hulp van de senatoren. Hoewel de praetoren die het toezicht op de schatkist uitoefenden tegenstribbelden schoot de keizer te hulp en kende Aurelius de geldsom voor zijn woning toe, verlangend als hij was om geld uit te geven voor eerzame doeleinden, een deugd die hij nog lang behouden heeft, toen hij de andere al aan de kant had gezet.
1.75.3. Propertio Celeri praetorio, veniam ordinis ob paupertatem petenti, decies sestertium largitus est, satis conperto paternas ei angustias esse.
1.75.3. Aan de oud-praetor Propertius Celer heeft hij, toen die om ontheffing uit de senatorenstand vroeg wegens zijn armoede, een millioen sestertiën geschonken omdat wel vaststond dat zijn geldzorgen aan zijn vader te wijten waren.
1.75.4. Temptantis eadem alios probare causam senatui iussit, cupidine severitatis in iis etiam quae rite faceret acerbus. Unde ceteri silentium et paupertatem confessioni et beneficio praeposuere.
1.75.4. Anderen die hetzelfde probeerden droeg hij op hun zaak voor de senaat aannemelijk te maken, zuur door zijn verlangen naar gestrengheid in ook die aangelegenheden welke hij naar behoren afwikkelde. Daardoor gaven de anderen de voorkeur aan stilzwijgen en armoede boven een bekentenis en liefdadigheid.

Caput LXXVI

Hoofdstuk 76

1.76.1. Eodem anno continuis imbribus auctus Tiberis plana urbis stagnaverat; relabentem secuta est aedificiorum et hominum strages. Igitur censuit Asinius Gallus ut libri Sibyllini adirentur. Renuit Tiberius, perinde divina humanaque obtegens; sed remedium coercendi fluminis Ateio Calpitoni et L. Arruntio mandatum.
1.76.1. In hetzelfde jaar had de Tiber, gezwollen door aanhoudende stortregens, de lage vlaktes van de stad overstroomd; bij het terugstromen sleepte hij een lawine van bouwwerken en mensen mee. Daarom oordeelde Asinius Gallus dat de Sibyllijnse boeken moesten worden geraadpleegd. Tiberius weigerde dit echter in zijn behoefte om het goddelijke evenals het menselijke in mist te hullen; maar de oplossing om de rivier binnen zijn oevers te houden werd opgedragen aan Ateius Calpito en Lucius Arruntius.
1.76.2. Achaiam ac Macedoniam onera deprecantis levari in praesens proconsulari imperio tradique Caesari placuit.
1.76.2. Besloten werd Achaia en Macedonië, die om lastenverlichting vroegen, voor het moment over te dragen van het proconsulaire stadhouderschap naar de keizer.
1.76.3. Edendis gladiatoribus, quos Germanici fratris ac suo nomine obtulerat, Drusus praesedit, quamquam vili sanguine nimis gaudens; quod in vulgus formidolosum et pater arguisse dicebatur.
1.76.3. Drusus had het toezicht op de organisatie van gladiatorenspelen die hij uit naam van zijn broer Germanicus en zichzelf had aangeboden maar schiep een te duidelijk genoegen in dit laagbijdegrondse bloedvergieten. Er werd gezegd dat dit een bedreigende indruk op het volk gemaakt heeft en dat zijn vader hem daarover de les gelezen heeft.
1.76.4. Cur abstinuerit spectaculo ipse, varie trahebant; alii taedio coetus, quidam tristitia ingenii et metu conparationis, quia Augustus comiter interfuisset. Non crediderim ad ostentandam saevitiam movendasque populi offensiones concessam filio materiem, quamquam id quoque dictum est.
1.76.4. Waarom hij zelf zich van spektakel afzijdig gehouden heeft, legde men op uiteenlopende wijze uit; sommigen als gevolg van zijn afkeer van mensenmassa's, anderen als gevolg van zijn sombere aard en de vrees voor een ongunstige vergelijking met Augustus, omdat die vrolijk gestemd aanwezig geweest was. Ik zou niet willen aannemen dat hij zijn zoon gelegenheid wilde geven om zijn wreedheid te tonen en aanstoot te geven aan het volk, hoewel ook dit gezegd werd.

Caput LXXVII

Hoofdstuk 77

1.77.1. At theatri licentia, proximo priore anno coepta, gravius tum erupit, occisis non modo e plebe set militibus et centurione, vulnerato tribuno praetoriae cohortis, dum probra in magistratus et dissensionem vulgi prohibent.
1.77.1. Maar de losbandigheid in het theater, het jaar tevoren al begonnen, is toen nog heviger losgebarsten waarbij niet alleen mensen uit het volk maar ook soldaten en een centurio gedood zijn, terwijl er een tribuun van de keizerlijke lijfwacht gewond geraakt is, toen zij schoffering van magistraten en ruzie onder het volk probeerden de kop in te drukken.
1.77.2. Actum de ea seditione apud patres dicebanturque sententiae, ut praetoribus ius virgarum in histriones esset.
1.77.2. Aan deze rellen is een senaatszitting besteed en als mening is naar voren gebracht dat de praetoren het recht van geseling mochten uitoefenen tegenover de artisten.
1.77.3. Intercessit Haterius Agrippa tribunus plebei increpitusque est Asinii Galli oratione, silente Tiberio, qui ea simulacra libertatis senatui praebebat. Valuit tamen intercessio, quia divus Augustus immunis verberum histriones quondam responderat, neque fas Tiberio infringere dicta eius.
1.77.3. Haterius Agrippa, een volkstribuun heeft hiertegen protest aangetekend en tijdens de redevoering van Asinius Gallus heeft hij honende kreten geslaakt, waarbij Tiberius zweeg en zo aan de senaat de indruk van vrijheid gaf. Toch is het protest geldig geacht omdat de goddelijke Augustus eens geantwoord had dat toneelspelers niet gegeseld mochten worden en het goddelijk recht Tiberius verbood om zijn woorden te bruskeren.
1.77.4. De modo lucaris et adversus lasciviam fautorum multa decernuntur; ex quis maxime insignia, ne domos pantomimorum senator introiret, ne egredientis in publicum equites Romani cingerent aut alibi quam in theatro spectarentur, et spectantium immodestiam exilio multandi potestas praetoribus fieret.
1.77.4. Over de hoogte van hun gage en tegen de losbandigheid van hun fans werden veel besluiten genomen; hiervan waren de meest opvallende dat geen senator huizen van pantomimenspelers mocht binnengaan, dat Romeinse ridders hen niet mochten begeleiden als zij uitgingen noch dat zij ergens anders dan in het theater hun kunsten mochten vertonen en dat de praetoren de bevoegdheid zouden krijgen om uitzinnig gedrag van toeschouwers te straffen met verbanning.

Caput LXXVIII

Hoofdstuk 78

1.78.1. Templum ut in colonia Tarraconensi strueretur Augusto petentibus Hispanis permissum, datumque in omnis provincias exemplum.
1.78.1. Aan de Spanjaarden die vroegen toe te staan dat er een tempel voor Augustus gebouwd zou worden in de kolonie Tarragona, is daartoe permissie gegeven; en zo werd voor alle provincies een voorbeeld gesteld.
1.78.2. Centesimam rerum venalium post bella civilia institutam deprecante populo edixit Tiberius militare aerarium eo subsidio niti; simul imparem oneri rem publicam, nisi vicesimo militiae anno veterani dimitterentur. Ita proximae seditionis male consulta, quibus sedecim stipendiorum finem expresserant, abolita in posterum.
1.78.2. Toen het volk dringend verzocht om de 1% omzetbelasting op handel af te schaffen kondigde Tiberius af dat de krijgskas op die inkomsten steunde; tevens dat de staat niet in staat was de lasten te dragen tenzij de oudgedienden pas in hun 20e dienstjaar zouden afzwaaien. Zo werden de overhaaste besluiten van de recente opstand, waarbij ze een einde van de krijgsdienst na 16 dienstjaren bedongen hadden, voor de toekomst weer afgeschaft.

Caput LXXIX

Hoofdstuk 79

1.79.1. Actum deinde in senatu ab Arruntio et Ateio an ob moderandas Tiberis exundationes verterentur flumina et lacus, per quos augescit; auditaeque municipiorum et coloniarum legationes, orantibus Florentinis ne Clanis solito alveo demotus in amnem Arnum transferretur idque ipsis perniciem adferret.
1.79.1. Vervolgens is in de senaat een uiteenzetting gehouden door Arruntius en Ateius over de vraag of, met het oog op het beperken van de overstromingen van de Tiber, de rivieren en meren waardoor zij gevoed werd van loop veranderd mochten worden; en in verband hiermee zijn gezantschappen van plattelandsgemeenten en boerennederzettingen gehoord waarbij de Florentijnen er met klem op aandrongen om niet de Clanis van loop te veranderen en over te brengen naar de loop van de Arno daar dit hen rampen zou brengen.
1.79.2. Congruentia his Interamnates disseruere: pessum ituros fecundissimos Italiae campos, si amnis Nar (id enim parabatur) in rivos diductus superstagnavisset.
1.79.2. De Interamnaten betuigden op soortgelijke wijze hun afkeuring: de vruchtbaarste landerijen van Italia zouden verloren gaan als de rivier de Nar vertakt zou worden tot beekjes [daartoe trof men namelijk voorbereidingen] en zo overal poelen zou vormen.
1.79.3. Nec Reatini silebant, Velinum lacum, qua in Narem effunditur, obstrui recusantes, quippe in adiacentia erupturum; optume rebus mortalium consuluisse naturam, quae sua ora fluminibus, suos cursus utque originem, ita fines dederit; spectandas etiam religiones sociorum, qui sacra et lucos et aras patriis amnibus dicaverint: quin ipsum Tiberim nolle prorsus accolis fluviis orbatum minore gloria fluere.
1.79.3. Ook de Reatini lieten zich niet onbetuigd: zij wilden niet dat het Velinusmeer, waar dat uitstroomt in de Nar, zou worden afgedamd omdat het zich dan een weg zou zoeken naar de aangrenzende gebieden; de natuur had het beste gezorgd voor de belangen van de stervelingen door aan de rivieren een passende monding, een passende loop en zoals hun bron zo ook een passend einde te geven. Bovendien moest men de godsdienstige gevoelens van de bondgenoten ontzien die immers offerdiensten, heilige plaatsen en altaren toegewijd hadden aan de waterlopen die zij van hun voorouders hadden overgedragen gekregen: ja zelfs de Tiber zelf wilde vast niet met mindere pracht voortstromen, eenmaal beroofd van de rivieren in de buurt.
1.79.4. Seu preces coloniarum seu difficultas operum sive superstitio valuit, ut in sententiam Pisonis concederetur, qui nil mutandum censuerat.
1.79.4. Ofwel de beden van de bondgenoten, ofwel de moeilijkheid van de onderneming, ofwel het bijgeloof heeft er voor gezorgd om maar toe te geven aan de opinie van Piso die als zijn mening ten beste gegeven had dat men niets moest veranderen.

Caput LXXX

Hoofdstuk 80

1.80.1. Prorogatur Poppaeo Sabino provincia Moesia, additis Achaia ac Macedonia. Id quoque morum Tiberii fuit, continuare imperia ac plerosque ad finem vitae in isdem exercitibus aut iurisdictionibus habere.
1.80.1. Het bevel over de provincie Moesia, waaraan Achaia en Macedonië waren toegevoegd, werd voor Poppaeus Sabinus verlengd. Ook dit was een typisch trekje van Tiberius: de bevelvoering te verlengen en zeer velen ook tot aan het einde van hun leven te handhaven bij dezelfde legers of in dezelfde bestuurspositie.
1.80.2. Causae variae traduntur: alii taedio novae curae semel placita pro aeternis servavisse, quidam invidia, ne plures fruerentur; sunt qui existiment, ut callidum eius ingenium, ita anxium iudicium; neque enim eminentis virtutes sectabatur, et rursum vitia oderat: ex optimis periculum sibi, a pessimis dedecus publicum metuebat.
1.80.2. Verschillende oorzaken worden hiervoor overgeleverd: sommigen houden het er op dat hij uit afkeer voor steeds weer nieuwe beslommeringen voor altijd vasthield aan eenmaal genomen besluiten, anderen wijten het aan afgunst om er voor te zorgen dat niet meerderen de vruchten ervan zouden plukken; sommigen zijn ook van oordeel dat hij wel een sluw karakter had maar een angstvallig oordeel; en hij zocht ook niet naar voorbeelden van uitstekende kwaliteit maar anderzijds haatte hij ook weer wanbestuur: van de besten vreesde hij gevaar voor zichzelf, van de slechtsten schande voor de staat.
1.80.3. Qua haesitatione postremo eo provectus est ut mandaverit quibusdam provincias, quos egredi urbe non erat passurus.
1.80.3. En als gevolg van deze wankelmoedigheid is hij tenslotte zo ver gekomen dat hij aan sommigen provincies heeft toegekend, die hij niet van plan was uit Rome te laten vertrekken.

Caput LXXXI

Hoofdstuk 81

1.81.1. De comitiis consularibus, quae tum primum illo principe ac deinceps fuere, vix quicquam firmare ausim: adeo diversa non modo apud auctores, sed in ipsius orationibus reperiuntur.
1.81.1. Over de consulverkiezingen, die toen voor het eerst en ook verder onder die vorst zijn gehouden, zou ik nauwelijks iets met stelligheid durven beweren: zo zeer verschilt de informatie die niet alleen bij de geschiedschrijvers maar ook in zijn eigen redevoeringen aangetroffen wordt.
1.81.2. Modo subtractis candidatorum nominibus originem cuiusque et vitam et stipendia descripsit ut qui forent intellegeretur;
1.81.2. Nu eens beschreef hij, met verzwijging van de namen van de candidaten, ieders herkomst en levensloop en militaire loopbaan, zodat men wel snapte om wie het ging.
1.81.3. Aliquando ea quoque significatione subtracta candidatos hortatus ne ambitu comitia turbarent, suam ad id curam pollicitus est.
1.81.3. Soms liet hij ook die toespelingen weg, vermaande de candidaten om niet de verkiezingen met achterbakse manipulaties te frustreren en beloofde hiervoor zelf zorg te dragen.
1.81.4. Plerumque eos tantum apud se professos disseruit, quorum nomina consulibus edidisset; posse et alios profiteri, si gratiae aut meritis confiderent: speciosa verbis, re inania aut subdola, quantoque maiore libertatis imagine tegebantur, tanto eruptura ad infensius servitium.
1.81.4. Meestal legde hij uit dat alleen diegenen een kans maakten die hij zelf voorgedragen had en wier namen hij aan de consuls bekend gemaakt had; natuurlijk konden ook anderen zich aandienen als zij konden vetrouwen op gunst of verdiensten: kortom veel vertoon in woorden, maar in werkelijkheid loos of dubbelhartig, en naarmate het met een grotere camouflage van vrijheid werd bedekt zou het in een des te verbetener slavernij losbarsten.



TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE Boek 1


NAAR INHOUDSOPGAVE Boek 2 en volgende

19/12/2008 + 11/07/2022