Ὁμήρου Ἰλιὰς Τ

19,1 - 75: Thetis brengt Achilleus de wapens; hij legt zijn wrok af.

Ἠὼς μὲν κροκόπεπλος ἀπ᾽ Ὠκεανοῖο ῥοάων
ὄρνυθ᾽, ἵν᾽ ἀθανάτοισι φόως φέροι ἠδὲ βροτοῖσιν·
ἣ δ᾽ ἐς νῆας ἵκανε θεοῦ πάρα δῶρα φέρουσα.
εὗρε δὲ Πατρόκλῳ περικείμενον ὃν φίλον υἱὸν
κλαίοντα λιγέως· πολέες δ᾽ ἀμφ᾽ αὐτὸν ἑταῖροι




5
- Terwijl de rozevingerige Dageraad oprees uit de stromen van Okeanos
om de onsterfelijken en stervelingen het licht te brengen, kwam
Thetis naar de schepen de geschenken van Hefaistos dragen.
Zij trof haar geliefde zoon bij Patroklos liggend onder schril
gejammer; en veel vrienden rouwden rondom hem.
μύρονθ᾽· ἣ δ᾽ ἐν τοῖσι παρίστατο δῖα θεάων,
ἔν τ᾽ ἄρα οἱ φῦ χειρὶ ἔπος τ᾽ ἔφατ᾽ ἔκ τ᾽ ὀνόμαζε·
τέκνον ἐμὸν τοῦτον μὲν ἐάσομεν ἀχνύμενοί περ
κεῖσθαι, ἐπεὶ δὴ πρῶτα θεῶν ἰότητι δαμάσθη·
τύνη δ᾽ Ἡφαίστοιο πάρα κλυτὰ τεύχεα δέξο




10
Zij nu, de stralende godin, bleef staan in hun midden
en zij drukte zijn hand en sprak met nadruk de woorden:
'Mijn kind, laten wij, hoe bedroefd we ook zijn, hem nu met rust laten,
nu hij eenmaal door de wil van de goden gedood werd; maar jij,
neem jij de prachtige wapens in ontvangst van Hefaistos,
καλὰ μάλ᾽, οἷ᾽ οὔ πώ τις ἀνὴρ ὤμοισι φόρησεν.
ὡς ἄρα φωνήσασα θεὰ κατὰ τεύχε᾽ ἔθηκε
πρόσθεν Ἀχιλλῆος· τὰ δ᾽ ἀνέβραχε δαίδαλα πάντα.
Μυρμιδόνας δ᾽ ἄρα πάντας ἕλε τρόμος, οὐδέ τις ἔτλη
ἄντην εἰσιδέειν, ἀλλ᾽ ἔτρεσαν. αὐτὰρ Ἀχιλλεὺς




15
zo mooi als nog geen man ooit om zijn schouders heeft gedragen'.
Met deze woorden legde de godin de wapenrusting neer
voor Achilleus; en al het kunstwerk klonk op.
Een siddering voer door alle Myrmidonen en niemand durfde
de ogen op te slaan, nee, zij deinsden ontzet terug. Maar toen
ὡς εἶδ᾽, ὥς μιν μᾶλλον ἔδυ χόλος, ἐν δέ οἱ ὄσσε
δεινὸν ὑπὸ βλεφάρων ὡς εἰ σέλας ἐξεφάανθεν·
τέρπετο δ᾽ ἐν χείρεσσιν ἔχων θεοῦ ἀγλαὰ δῶρα.
αὐτὰρ ἐπεὶ φρεσὶν ᾗσι τετάρπετο δαίδαλα λεύσσων
αὐτίκα μητέρα ἣν ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·




20
Achilleus het zag, daalde intenser nog toorn over hem neer
en van onder zijn wenkbrauwen schitterden glanzend zijn ogen;
en verrukt hield hij het prachtige godengeschenk in zijn handen.
Maar toen hij zich tegoed had gedaan aan het schouwspel van de
wapens, sprak hij daarna tot zijn moeder de duidelijke taal:
μῆτερ ἐμὴ τὰ μὲν ὅπλα θεὸς πόρεν οἷ᾽ ἐπιεικὲς
ἔργ᾽ ἔμεν ἀθανάτων, μὴ δὲ βροτὸν ἄνδρα τελέσσαι.
νῦν δ᾽ ἤτοι μὲν ἐγὼ θωρήξομαι· ἀλλὰ μάλ᾽ αἰνῶς
δείδω μή μοι τόφρα Μενοιτίου ἄλκιμον υἱὸν
μυῖαι καδδῦσαι κατὰ χαλκοτύπους ὠτειλὰς




25
'Moeder, deze wapens die de god mij verschaft, zijn als het
onsterfelijke betaamt te vervaardigen, maar geen sterveling kan maken.
Nu zal ik mij wapenen; maar ik ben ernstig bezorgd dat intussen
vliegen de dappere zoon van Menoitios binnenkruipen
langs de wonden, door het brons toegebracht
εὐλὰς ἐγγείνωνται, ἀεικίσσωσι δὲ νεκρόν,
ἐκ δ᾽ αἰὼν πέφαται, κατὰ δὲ χρόα πάντα σαπήῃ.
τὸν δ᾽ ἠμείβετ᾽ ἔπειτα θεὰ Θέτις ἀργυρόπεζα·
τέκνον μή τοι ταῦτα μετὰ φρεσὶ σῇσι μελόντων.
τῷ μὲν ἐγὼ πειρήσω ἀλαλκεῖν ἄγρια φῦλα




30
en er maden in verwekken en het lichaam zo aantasten
en dat heel het lichaam verteerd wordt, nu alle leven er uit is'.
Hem antwoordde daarop de godin, de zilvervoetige Thetis:
'M'n kind, maak je daarover geen zorgen.
Ikzelf zal proberen de wilde zwermen vliegen bij hem vandaan
μυίας, αἵ ῥά τε φῶτας ἀρηϊφάτους κατέδουσιν·
ἤν περ γὰρ κεῖταί γε τελεσφόρον εἰς ἐνιαυτόν,
αἰεὶ τῷ γ᾽ ἔσται χρὼς ἔμπεδος, ἢ καὶ ἀρείων.
ἀλλὰ σύ γ᾽ εἰς ἀγορὴν καλέσας ἥρωας Ἀχαιοὺς
μῆνιν ἀποειπὼν Ἀγαμέμνονι ποιμένι λαῶν




35
te houden, de vliegen die de gesneuvelde helden verteren.
Zelfs als hij een vol jaar zo ligt, zal zijn huid
onaangetast blijven, ja zelfs er op vooruitgaan.
Maar jij, roep jij de Griekse leiders op ter vergadering, zweer je
wrok tegen de aanvoerder van het krijgsvolk Agamemnoon af
αἶψα μάλ᾽ ἐς πόλεμον θωρήσσεο, δύσεο δ᾽ ἀλκήν.
ὣς ἄρα φωνήσασα μένος πολυθαρσὲς ἐνῆκε,
Πατρόκλῳ δ᾽ αὖτ᾽ ἀμβροσίην καὶ νέκταρ ἐρυθρὸν
στάξε κατὰ ῥινῶν, ἵνα οἱ χρὼς ἔμπεδος εἴη.
αὐτὰρ ὃ βῆ παρὰ θῖνα θαλάσσης δῖος Ἀχιλλεὺς




40
en wapen je snel ten oorlog en omgeef je met kracht'.
Met deze uitspraak gaf ze hem moedige strijdlust;
en Patroklos druppelde zij ambrozijn en rode nektar in zijn neus
om zo zijn lijf onaangetast te laten blijven.
Maar hij, de stralende Achilleus, liep langs het strand van de zee
σμερδαλέα ἰάχων, ὦρσεν δ᾽ ἥρωας Ἀχαιούς.
καί ῥ᾽ οἵ περ τὸ πάρος γε νεῶν ἐν ἀγῶνι μένεσκον
οἵ τε κυβερνῆται καὶ ἔχον οἰήϊα νηῶν
καὶ ταμίαι παρὰ νηυσὶν ἔσαν σίτοιο δοτῆρες,
καὶ μὴν οἳ τότε γ᾽ εἰς ἀγορὴν ἴσαν, οὕνεκ᾽ Ἀχιλλεὺς




45
luid roepend en zo trommelde hij de Griekse helden op.
Ook zij die tevoren in het scheepskamp bleven,
de stuurlui die het scheepsroer bedienden
en de fourageurs, uitdelers van voedsel op de schepen,
ja, ook die kwamen toen naar de bijeenkomst, omdat Achilleus
ἐξεφάνη, δηρὸν δὲ μάχης ἐπέπαυτ᾽ ἀλεγεινῆς.
τὼ δὲ δύω σκάζοντε βάτην Ἄρεος θεράποντε
Τυδεΐδης τε μενεπτόλεμος καὶ δῖος Ὀδυσσεὺς
ἔγχει ἐρειδομένω· ἔτι γὰρ ἔχον ἕλκεα λυγρά·
κὰδ δὲ μετὰ πρώτῃ ἀγορῇ ἵζοντο κιόντες.




50
weer verscheen, terwijl hij zich lang buiten de strijd had gehouden.
Hinkend kwamen twee dienaars van Ares eraan,
de krijgshaftige zoon van Tydeus en de stralende Odysseus,
beiden steunend op een staf, want nog hadden zij pijnlijke wonden:
zij gingen vooraan in de vergadering zitten.
αὐτὰρ ὃ δεύτατος ἦλθεν ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγαμέμνων
ἕλκος ἔχων· καὶ γὰρ τὸν ἐνὶ κρατερῇ ὑσμίνῃ
οὖτα Κόων Ἀντηνορίδης χαλκήρεϊ δουρί.
αὐτὰρ ἐπεὶ δὴ πάντες ἀολλίσθησαν Ἀχαιοί,
τοῖσι δ᾽ ἀνιστάμενος μετέφη πόδας ὠκὺς Ἀχιλλεύς·




55
Als laatste kwam de opperbevelhebber Agamemnoon,
ook gewond; hem had in het heetst van de strijd immers
Koöon gewond, de zoon van Antenoor, met zijn koperen lanspunt.
Toen nu alle Grieken voltallig waren verzameld, stond
in hun midden de snelvoetige Achilleus op en nam het woord:
Ἀτρεΐδη ἦ ἄρ τι τόδ᾽ ἀμφοτέροισιν ἄρειον
ἔπλετο σοὶ καὶ ἐμοί, ὅ τε νῶΐ περ ἀχνυμένω κῆρ
θυμοβόρῳ ἔριδι μενεήναμεν εἵνεκα κούρης;
τὴν ὄφελ᾽ ἐν νήεσσι κατακτάμεν Ἄρτεμις ἰῷ
ἤματι τῷ ὅτ᾽ ἐγὼν ἑλόμην Λυρνησσὸν ὀλέσσας·




60
'Zoon van Atreus, was dit nu per saldo voor ons beiden beter,
voor jou en voor mij, dat wij beiden gegriefd
in een verterende twist tegen elkaar raasden om een meisje?
Had Artemis haar maar gedood met een pijl bij de schepen
op die dag toen ik haar na de verwoesting van Lyrnessos uitkoos,
τώ κ᾽ οὐ τόσσοι Ἀχαιοὶ ὀδὰξ ἕλον ἄσπετον οὖδας
δυσμενέων ὑπὸ χερσὶν ἐμεῦ ἀπομηνίσαντος.
Ἕκτορι μὲν καὶ Τρωσὶ τὸ κέρδιον· αὐτὰρ Ἀχαιοὺς
δηρὸν ἐμῆς καὶ σῆς ἔριδος μνήσεσθαι ὀΐω.
ἀλλὰ τὰ μὲν προτετύχθαι ἐάσομεν ἀχνύμενοί περ




65
dan hadden niet zoveel Grieken in de onmetelijke aarde gebeten
door de handen van de vijanden terwijl ik wrokte.
Voor Hektoor en de Trojanen, ja, was dit een voordeel maar ik denk
dat de Grieken zich mijn en jouw twist nog lang zullen heugen.
Maar laten we wat gebeurd is nu maar laten rusten en,
θυμὸν ἐνὶ στήθεσσι φίλον δαμάσαντες ἀνάγκῃ·
νῦν δ᾽ ἤτοι μὲν ἐγὼ παύω χόλον, οὐδέ τί με χρὴ
ἀσκελέως αἰεὶ μενεαινέμεν· ἀλλ᾽ ἄγε θᾶσσον
ὄτρυνον πόλεμον δὲ κάρη κομόωντας Ἀχαιούς,
ὄφρ᾽ ἔτι καὶ Τρώων πειρήσομαι ἀντίον ἐλθὼν




70
hoe gekwetst ook, onze emoties bedwingen uit noodzaak:
Ik voor mij maak tenminste een einde aan mijn woede want is onjuist
dat ik onverminderd doorga met wrokken. Maar kom,
roep de langhaardragende Grieken ten oorlog op
dan zal ik nog eens kijken of de Trojanen als ik hen tegemoet kom
αἴ κ᾽ ἐθέλωσ᾽ ἐπὶ νηυσὶν ἰαύειν· ἀλλά τιν᾽ οἴω
ἀσπασίως αὐτῶν γόνυ κάμψειν, ὅς κε φύγῃσι
δηΐου ἐκ πολέμοιο ὑπ᾽ ἔγχεος ἡμετέροιο.
ὣς ἔφαθ᾽, οἳ δ᾽ ἐχάρησαν ἐϋκνήμιδες Ἀχαιοὶ
μῆνιν ἀπειπόντος μεγαθύμου Πηλεΐωνος.




75
nog bij de schepen willen kamperen: nou ik denk
dat heel wat van hen hun knieën graag willen buigen voor onze lans
bij een poging om aan de moordende strijd te ontkomen'.
Dat zei hij, en de goedgescheenweerde Grieken begonnen
te juichen toen de groothartige zoon van Peleus zijn wrok afzwoer.

19,76 - 143: De reactie van Agamemnoon.

τοῖσι δὲ καὶ μετέειπεν ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγαμέμνων
αὐτόθεν ἐξ ἕδρης, οὐδ᾽ ἐν μέσσοισιν ἀναστάς·
ὦ φίλοι ἥρωες Δαναοὶ θεράποντες Ἄρηος
ἑσταότος μὲν καλὸν ἀκούειν, οὐδὲ ἔοικεν
ὑββάλλειν· χαλεπὸν γὰρ ἐπισταμένῳ περ ἐόντι.




80
- Onder hen sprak daarop de opperbevelhebber Agamemnoon
recht vanaf zijn zitplaats zonder in het midden te gaan staan:
'Beste Griekse helden, dienaars van Ares, het is passend te luisteren
als iemand opstaat en hem niet te onderbreken
want ook een ervaren spreker stoort dat.
ἀνδρῶν δ᾽ ἐν πολλῷ ὁμάδῳ πῶς κέν τις ἀκούσαι
ἢ εἴποι; βλάβεται δὲ λιγύς περ ἐὼν ἀγορητής.
Πηλεΐδῃ μὲν ἐγὼν ἐνδείξομαι· αὐτὰρ οἱ ἄλλοι
σύνθεσθ᾽ Ἀργεῖοι, μῦθόν τ᾽ εὖ γνῶτε ἕκαστος.
πολλάκι δή μοι τοῦτον Ἀχαιοὶ μῦθον ἔειπον




85
Hoe zal iemand spreken kunnen of luisteren in luid rumoer?
Zelfs de helderste spreker wordt daardoor geschaad.
Ik zal mij tegenover Peleus' zoon verantwoorden, maar jullie,
de rest van de Grieken: luister en knoop mijn woorden goed in je oren!
Dikwijls hebben de Grieken mij die woorden verweten
καί τέ με νεικείεσκον· ἐγὼ δ᾽ οὐκ αἴτιός εἰμι,
ἀλλὰ Ζεὺς καὶ Μοῖρα καὶ ἠεροφοῖτις Ἐρινύς,
οἵ τέ μοι εἰν ἀγορῇ φρεσὶν ἔμβαλον ἄγριον ἄτην,
ἤματι τῷ ὅτ᾽ Ἀχιλλῆος γέρας αὐτὸς ἀπηύρων.
ἀλλὰ τί κεν ῥέξαιμι; θεὸς διὰ πάντα τελευτᾷ.




90
en mij verwijten gemaakt. Maar niet ik ben de schuldige
maar Zeus en het Noodlot en de Wraak die in nevel rondwaart:
zij sloegen mij in de vergadering met een wilde verblinding
op die dag toen ik zelf het eergeschenk van Achilleus afnam.
Maar wat had ik moeten doen? Het is de godheid die alles stuurt,
πρέσβα Διὸς θυγάτηρ Ἄτη, ἣ πάντας ἀᾶται,
οὐλομένη· τῇ μέν θ᾽ ἁπαλοὶ πόδες· οὐ γὰρ ἐπ᾽ οὔδει
πίλναται, ἀλλ᾽ ἄρα ἥ γε κατ᾽ ἀνδρῶν κράατα βαίνει
βλάπτουσ᾽ ἀνθρώπους· κατὰ δ᾽ οὖν ἕτερόν γε πέδησε.
καὶ γὰρ δή νύ ποτε Ζεὺς ἄσατο, τόν περ ἄριστον




95
Ate, de indrukwekkende dochter van Zeus, die allen misleidt,
de verderfelijke; zij heeft zachte voeten en nadert niet over de grond
maar verplaatst zich via de hoofden der mensen en laat
een handicap bij ze achter; en dan gijzelt ze de ander.
Ook Zeus toch heeft ze ooit verblind, die toch de beste van mensen
ἀνδρῶν ἠδὲ θεῶν φασ᾽ ἔμμεναι· ἀλλ᾽ ἄρα καὶ τὸν
Ἥρη θῆλυς ἐοῦσα δολοφροσύνῃς ἀπάτησεν,
ἤματι τῷ ὅτ᾽ ἔμελλε βίην Ἡρακληείην
Ἀλκμήνη τέξεσθαι ἐϋστεφάνῳ ἐνὶ Θήβῃ.
ἤτοι ὅ γ᾽ εὐχόμενος μετέφη πάντεσσι θεοῖσι·




100
en goden geacht wordt te zijn: maar ook hem misleidde Hera,
een vrouw nog wel, met haar listen, op die dag dat Alkmene
op het punt stond de krachtige Herakles te baren
in het goed omwalde Thebe.
Zeus sprak toen toch, pralend temidden der goden:
κέκλυτέ μευ πάντές τε θεοὶ πᾶσαί τε θέαιναι,
ὄφρ᾽ εἴπω τά με θυμὸς ἐνὶ στήθεσσιν ἀνώγει.
σήμερον ἄνδρα φόως δὲ μογοστόκος Εἰλείθυια
ἐκφανεῖ, ὃς πάντεσσι περικτιόνεσσιν ἀνάξει,
τῶν ἀνδρῶν γενεῆς οἵ θ᾽ αἵματος ἐξ ἐμεῦ εἰσί.




105
"Luister naar mij, al jullie goden en alle godinnen,
dan zal ik zeggen wat mijn hart mij ingeeft.
Vandaag nog zal de weeënopwekkende Eileithuia een held
naar het daglicht brengen die heersen zal over allen rondom hem
die geboren zijn uit mijn geslacht en bloed onder de mensen".
τὸν δὲ δολοφρονέουσα προσηύδα πότνια Ἥρη·
ψευστήσεις, οὐδ᾽ αὖτε τέλος μύθῳ ἐπιθήσεις.
εἰ δ᾽ ἄγε νῦν μοι ὄμοσσον Ὀλύμπιε καρτερὸν ὅρκον,
ἦ μὲν τὸν πάντεσσι περικτιόνεσσιν ἀνάξειν
ὅς κεν ἐπ᾽ ἤματι τῷδε πέσῃ μετὰ ποσσὶ γυναικὸς




110
Maar, zinnend op listen, sprak de eerbiedwaardige Hera tot hem:
"Jij zult gelogenstraft worden en je woord niet in vervulling zien gaan.
Kom, Olympiër, zweer mij nu een dure eed, dat werkelijk
hij over allen in zijn omgeving heersen zal
die op deze dag tussen de benen van een vrouw gelegd worden zal
τῶν ἀνδρῶν οἳ σῆς ἐξ αἵματός εἰσι γενέθλης.
ὣς ἔφατο· Ζεὺς δ᾽ οὔ τι δολοφροσύνην ἐνόησεν,
ἀλλ᾽ ὄμοσεν μέγαν ὅρκον, ἔπειτα δὲ πολλὸν ἀάσθη.
Ἥρη δ᾽ ἀΐξασα λίπεν ῥίον Οὐλύμποιο,
καρπαλίμως δ᾽ ἵκετ᾽ Ἄργος Ἀχαιικόν, ἔνθ᾽ ἄρα ᾔδη




115
van de mannen die uit jouw bloed en geslacht afstammen".
Dat zei ze en Zeus doorzag helemaal niet haar arglistigheid
maar zwoer prompt een dure eed, maar kwam toen ernstig bedrogen uit.
Want Hera stond op en verliet de top van de Olympos
en snelde naar het Griekse Argos: zij wist dat daar
ἰφθίμην ἄλοχον Σθενέλου Περσηϊάδαο.
ἣ δ᾽ ἐκύει φίλον υἱόν, ὃ δ᾽ ἕβδομος ἑστήκει μείς·
ἐκ δ᾽ ἄγαγε πρὸ φόως δὲ καὶ ἠλιτόμηνον ἐόντα,
Ἀλκμήνης δ᾽ ἀπέπαυσε τόκον, σχέθε δ᾽ Εἰλειθυίας.
αὐτὴ δ᾽ ἀγγελέουσα Δία Κρονίωνα προσηύδα·




120
de sterke vrouw van Sthenelos, Perseus' zoon, verbleef.
Die was in verwachting van haar zoon, maar pas in de zevende maand,
maar toch liet zij haar zoon voortijdig het daglicht aanschouwen en
van Alkmene hield zij de bevalling op en de Eileithuien hield ze tegen.
Zelf ging ze met dit bericht naar Kronos' zoon Zeus:
Ζεῦ πάτερ ἀργικέραυνε ἔπος τί τοι ἐν φρεσὶ θήσω·
ἤδη ἀνὴρ γέγον᾽ ἐσθλὸς ὃς Ἀργείοισιν ἀνάξει
Εὐρυσθεὺς Σθενέλοιο πάϊς Περσηϊάδαο
σὸν γένος· οὔ οἱ ἀεικὲς ἀνασσέμεν Ἀργείοισιν.
ὣς φάτο, τὸν δ᾽ ἄχος ὀξὺ κατὰ φρένα τύψε βαθεῖαν·




125
'Vader Zeus, heer van de witte bliksem: dit geef ik jou te verstaan:
de edelman is al geboren die over de Grieken zal heersen
Eurystheus, zoon van Perseus' zoon Sthenelos, jouw geslacht:
hij is niet onwaardig om over de Grieken te heersen'.
Dat zei ze maar zo trof een bijtende smart hem diep
αὐτίκα δ᾽ εἷλ᾽ Ἄτην κεφαλῆς λιπαροπλοκάμοιο
χωόμενος φρεσὶν ᾗσι, καὶ ὤμοσε καρτερὸν ὅρκον
μή ποτ᾽ ἐς Οὔλυμπόν τε καὶ οὐρανὸν ἀστερόεντα
αὖτις ἐλεύσεσθαι Ἄτην, ἣ πάντας ἀᾶται.
ὣς εἰπὼν ἔρριψεν ἀπ᾽ οὐρανοῦ ἀστερόεντος




130
en woedend greep hij Verblinding bij haar
glanzende vlechten en zwoer een dure eed
dat zij nooit meer op de Olympos en in de sterrenrijke hemel
terug mocht keren, zij die allen misleidt.
Met deze woorden slingerde hij haar weg uit de sterrenrijke hemel
χειρὶ περιστρέψας· τάχα δ᾽ ἵκετο ἔργ᾽ ἀνθρώπων.
τὴν αἰεὶ στενάχεσχ᾽ ὅθ᾽ ἑὸν φίλον υἱὸν ὁρῷτο
ἔργον ἀεικὲς ἔχοντα ὑπ᾽ Εὐρυσθῆος ἀέθλων.
ὣς καὶ ἐγών, ὅτε δ᾽ αὖτε μέγας κορυθαίολος Ἕκτωρ
Ἀργείους ὀλέκεσκεν ἐπὶ πρυμνῇσι νέεσσιν,




135
met een zwaai van zijn arm en snel kwam zij neer in mensenland.
Om haar zuchtte Zeus steeds wanneer hij zijn zoon
zich afbeulen zag in opdracht van Eurystheus.
Zo kan ook ik, nu ik de grote bronsgehelmde Hektoor
Griek na Griek de dood in zie jagen bij de achtersteven der schepen
οὐ δυνάμην λελαθέσθ᾽ Ἄτης ᾗ πρῶτον ἀάσθην.
ἀλλ᾽ ἐπεὶ ἀασάμην καί μευ φρένας ἐξέλετο Ζεύς,
ἂψ ἐθέλω ἀρέσαι, δόμεναί τ᾽ ἀπερείσι᾽ ἄποινα·
ἀλλ᾽ ὄρσευ πόλεμον δὲ καὶ ἄλλους ὄρνυθι λαούς.
δῶρα δ᾽ ἐγὼν ὅδε πάντα παρασχέμεν ὅσσά τοι ἐλθὼν




140
de Verblinding niet uit mijn gedachten wissen waardoor ik getroffen werd.
Maar daar ik verblind werd en Zeus mij het verstand afnam,
ben ik bereid te schikken en onmetelijke compensatie te geven:
rust je dus ten oorlog en roep ook het andere krijgsvolk op.
Ik voor mij schenk je alles wat de edele Odysseus je
χθιζὸς ἐνὶ κλισίῃσιν ὑπέσχετο δῖος Ὀδυσσεύς.
εἰ δ᾽ ἐθέλεις, ἐπίμεινον ἐπειγόμενός περ Ἄρηος,
δῶρα δέ τοι θεράποντες ἐμῆς παρὰ νηὸς ἑλόντες
οἴσουσ᾽, ὄφρα ἴδηαι ὅ τοι μενοεικέα δώσω.



gisteren in je tent kwam beloven!
Als je dat liever wilt, wacht dan hier, ook al dringt de oorlog,
dan zullen mijn dienaren de gaven van mijn schip gaan halen,
dan kun je zien dat ik rijkelijk zal schenken.

19,144 - 213: Odysseus en Agamemnoon houden Achilleus op.

τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη πόδας ὠκὺς Ἀχιλλεύς·
Ἀτρεΐδη κύδιστε ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγάμεμνον
δῶρα μὲν αἴ κ᾽ ἐθέλῃσθα παρασχέμεν, ὡς ἐπιεικές,
ἤ τ᾽ ἐχέμεν παρὰ σοί· νῦν δὲ μνησώμεθα χάρμης
αἶψα μάλ᾽· οὐ γὰρ χρὴ κλοτοπεύειν ἐνθάδ᾽ ἐόντας
οὐδὲ διατρίβειν· ἔτι γὰρ μέγα ἔργον ἄρεκτον·





150
Tot hem sprak ten antwoord de snelvoetige Achilleus:
'Roemvolle zoon van Atreus en heerser der mannen Agamemnoon,
als jij geschenken wilt geven, zoals passend is,
of ze voor jezelf wilt houden, is aan jou: laten we nu terstond
aan strijd denken want we mogen niet hier blijven oreren
of talmen want een grote taak wacht ons.
ὥς κέ τις αὖτ᾽ Ἀχιλῆα μετὰ πρώτοισιν ἴδηται
ἔγχεϊ χαλκείῳ Τρώων ὀλέκοντα φάλαγγας.
ὧδέ τις ὑμείων μεμνημένος ἀνδρὶ μαχέσθω.
τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη πολύμητις Ὀδυσσεύς·
μὴ δ᾽ οὕτως, ἀγαθός περ ἐών, θεοείκελ᾽ Ἀχιλλεῦ




155
Zoals iedereen nu Achilleus onder de voorstrijders met zijn
bronzen lanspunt de linies der Trojanen zal zien uitroeien,
zo moet ieder van jullie zelfbewust zijn mannetje staan'.
Maar tot hem sprak ten antwoord de slimme Odysseus:
Stuur niet zo de zonen der Grieken, hoe dapper je ook bent,
νήστιας ὄτρυνε προτὶ Ἴλιον υἷας Ἀχαιῶν
Τρωσὶ μαχησομένους, ἐπεὶ οὐκ ὀλίγον χρόνον ἔσται
φύλοπις, εὖτ᾽ ἂν πρῶτον ὁμιλήσωσι φάλαγγες
ἀνδρῶν, ἐν δὲ θεὸς πνεύσῃ μένος ἀμφοτέροισιν.
ἀλλὰ πάσασθαι ἄνωχθι θοῇς ἐπὶ νηυσὶν Ἀχαιοὺς




160
godgelijke Achilleus, zonder te eten af op Troje om
tegen de Trojanen strijd te voeren, immers het gevecht
zal lang duren wanneer eenmaal de linies der strijders slaags
zullen raken en de godheid beide partijen bezielen.
Nee, roep de Grieken op bij de snelle schepen eerst zich
σίτου καὶ οἴνοιο· τὸ γὰρ μένος ἐστὶ καὶ ἀλκή.
οὐ γὰρ ἀνὴρ πρόπαν ἦμαρ ἐς ἠέλιον καταδύντα
ἄκμηνος σίτοιο δυνήσεται ἄντα μάχεσθαι·
εἴ περ γὰρ θυμῷ γε μενοινάᾳ πολεμίζειν,
ἀλλά τε λάθρῃ γυῖα βαρύνεται, ἠδὲ κιχάνει




165
te verzadigen aan brood en wijn: daarin schuilt toch moed en kracht.
Geen man toch zal in staat zijn de hele dag tot zonsondergang
met een lege maag strijd te leveren.
Want ook al verlangt hij nog zo te vechten,
ongemerkt worden zijn leden zwaar en dorst en honger
δίψά τε καὶ λιμός, βλάβεται δέ τε γούνατ᾽ ἰόντι.
ὃς δέ κ᾽ ἀνὴρ οἴνοιο κορεσσάμενος καὶ ἐδωδῆς
ἀνδράσι δυσμενέεσσι πανημέριος πολεμίζῃ,
θαρσαλέον νύ οἱ ἦτορ ἐνὶ φρεσίν, οὐδέ τι γυῖα
πρὶν κάμνει πρὶν πάντας ἐρωῆσαι πολέμοιο.




170
bekruipen hem en zijn knieën knikken onder het lopen.
Maar wie verzadigd met wijn en voedsel
de hele dag tegen vijanden oorlog voert
diens hart is stoutmoedig en zijn ledematen
worden niet moe voordat allen uitrusten van de oorlog.
ἀλλ᾽ ἄγε λαὸν μὲν σκέδασον καὶ δεῖπνον ἄνωχθι
ὅπλεσθαι· τὰ δὲ δῶρα ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγαμέμνων
οἰσέτω ἐς μέσσην ἀγορήν, ἵνα πάντες Ἀχαιοὶ
ὀφθαλμοῖσιν ἴδωσι, σὺ δὲ φρεσὶ σῇσιν ἰανθῇς.
ὀμνυέτω δέ τοι ὅρκον ἐν Ἀργείοισιν ἀναστὰς




175
Dus, vooruit, laat het krijgsvolk uiteengaan en laat ze
een maaltijd bereiden; laat verder opperbevelhebber Agamemnoon
zijn geschenken hier naar het midden van de bijeenkomst brengen
opdat alle Grieken ze met eigen ogen zien en jij je erin verheugt.
Laat hij voorts opstaan en een eed zweren voor de Grieken
μή ποτε τῆς εὐνῆς ἐπιβήμεναι ἠδὲ μιγῆναι·
ἣ θέμις ἐστὶν ἄναξ ἤ τ᾽ ἀνδρῶν ἤ τε γυναικῶν·
καὶ δὲ σοὶ αὐτῷ θυμὸς ἐνὶ φρεσὶν ἵλαος ἔστω.
αὐτὰρ ἔπειτά σε δαιτὶ ἐνὶ κλισίῃς ἀρεσάσθω
πιείρῃ, ἵνα μή τι δίκης ἐπιδευὲς ἔχῃσθα.




180
dat hij nooit het bed met haar heeft gedeeld en gevreeën:
dat is immers het recht van de vorst bij mannen en vrouwen.
Laat jouw eigen hart ook vergeeflijk gezind zijn.
Maar laat hij daarna in zijn tent jou een maaltijd aanbieden,
rijkelijk, opdat je niets in rechte te kort komt.
Ἀτρεΐδη σὺ δ᾽ ἔπειτα δικαιότερος καὶ ἐπ᾽ ἄλλῳ
ἔσσεαι. οὐ μὲν γάρ τι νεμεσσητὸν βασιλῆα
ἄνδρ᾽ ἀπαρέσσασθαι ὅτε τις πρότερος χαλεπήνῃ.
τὸν δ᾽ αὖτε προσέειπεν ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγαμέμνων·
χαίρω σεῦ Λαερτιάδη τὸν μῦθον ἀκούσας·




185
En jij, zoon van Atreus, zult voortaan ook jegens een ander
rechtvaardiger zijn want het is niet verachtelijk als een koning
iemand genoegdoening geeft wanneer er eerder sprake was van ruzie'.
Tot hem sprak daarop de leider der mannen Agamemnoon:
'Met instemming heb ik, zoon van Laertes naar je woorden geluisterd:
ἐν μοίρῃ γὰρ πάντα διίκεο καὶ κατέλεξας.
ταῦτα δ᾽ ἐγὼν ἐθέλω ὀμόσαι, κέλεται δέ με θυμός,
οὐδ᾽ ἐπιορκήσω πρὸς δαίμονος. αὐτὰρ Ἀχιλλεὺς
μιμνέτω αὐτόθι τεῖος ἐπειγόμενός περ Ἄρηος·
μίμνετε δ᾽ ἄλλοι πάντες ἀολλέες, ὄφρά κε δῶρα




190
want alles heb je naar behoren behandeld en besproken.
Daarop ben ik bereid een eed af te leggen, graag zelfs,
en geen meineed bij de god mijnerzijds. Maar Achilleus
moet hier even wachten, hoe strijdlustig hij ook is,
en ook jullie, alle anderen, blijf hier totdat de geschenken uit
ἐκ κλισίης ἔλθῃσι καὶ ὅρκια πιστὰ τάμωμεν.
σοὶ δ᾽ αὐτῷ τόδ᾽ ἐγὼν ἐπιτέλλομαι ἠδὲ κελεύω·
κρινάμενος κούρητας ἀριστῆας Παναχαιῶν
δῶρα ἐμῆς παρὰ νηὸς ἐνεικέμεν, ὅσσ᾽ Ἀχιλῆϊ
χθιζὸν ὑπέστημεν δώσειν, ἀγέμεν τε γυναῖκας.




195
mijn tent aangekomen zijn en wij wij onze eden hebben bekrachtigd.
Jou zelf draag ik op en beveel ik het volgende:
kies de beste zonen van alle Grieken uit om alle geschenken
uit mijn schip op te halen die wij gisteren beloofden
te geven en de vrouwen hierheen te leiden.
Ταλθύβιος δέ μοι ὦκα κατὰ στρατὸν εὐρὺν Ἀχαιῶν
κάπρον ἑτοιμασάτω ταμέειν Διί τ᾽ Ἠελίῳ τε.
τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη πόδας ὠκὺς Ἀχιλλεύς·
Ἀτρεΐδη κύδιστε ἄναξ ἀνδρῶν Ἀγάμεμνον
ἄλλοτέ περ καὶ μᾶλλον ὀφέλλετε ταῦτα πένεσθαι,




200
Maar Talthybios me snel een everzwijn brengen naar het weidse
kamp van de Grieken om te slachten voor Zeus en de Zon'.
Maar in antwoord daarop sprak de snelvoetige Achilleus tot hem:
'Zoon van Atreus, roemvolle heerser der mannen Agamemnoon,
Beter is het dat jullie op een ander tijdstip die dingen regelen
ὁππότε τις μεταπαυσωλὴ πολέμοιο γένηται
καὶ μένος οὐ τόσον ᾖσιν ἐνὶ στήθεσσιν ἐμοῖσι.
νῦν δ᾽ οἳ μὲν κέαται δεδαϊγμένοι, οὓς ἐδάμασσεν
Ἕκτωρ Πριαμίδης, ὅτε οἱ Ζεὺς κῦδος ἔδωκεν,
ὑμεῖς δ᾽ ἐς βρωτὺν ὀτρύνετον· ἦ τ᾽ ἂν ἔγωγε




205
wanneer er een pauze komt in de oorlog
en er niet zo'n grote krijgszucht huist in mijn binnenste.
Maar nu liggen de mannen verscheurd, die Priamos' zoon
Hektoor velde, toen Zeus hem die eer schonk,
- en jullie roepen op te gaan eten! Werkelijk, ik voor mij
νῦν μὲν ἀνώγοιμι πτολεμίζειν υἷας Ἀχαιῶν
νήστιας ἀκμήνους, ἅμα δ᾽ ἠελίῳ καταδύντι
τεύξεσθαι μέγα δόρπον, ἐπὴν τεισαίμεθα λώβην.
πρὶν δ᾽ οὔ πως ἂν ἔμοιγε φίλον κατὰ λαιμὸν ἰείη
οὐ πόσις οὐδὲ βρῶσις ἑταίρου τεθνηῶτος




210
zou nu toch de zonen der Grieken aansporen tot vechten,
nuchter en hongerig, en dan bij zonsondergang een uitgebreide
maaltijd bereiden, wanneer wij de smaad hebben gewroken.
Eerder is het mij althans niet mogelijk drank of voedsel
door mijn keel te krijgen nu mijn vriend gedood
ὅς μοι ἐνὶ κλισίῃ δεδαϊγμένος ὀξέϊ χαλκῷ
κεῖται ἀνὰ πρόθυρον τετραμμένος, ἀμφὶ δ᾽ ἑταῖροι
μύρονται· τό μοι οὔ τι μετὰ φρεσὶ ταῦτα μέμηλεν,
ἀλλὰ φόνος τε καὶ αἷμα καὶ ἀργαλέος στόνος ἀνδρῶν.



door het scherpe brons in mijn tent ligt,
gekeerd naar de uitgang en maats om hem heen in rouw.
Om andere zaken kan ik me niet druk maken, nee, alleen
om moord, bloed en huiveringwekkend gekreun van mannen'.

19,214 - 302: Odysseus en Agamemnoon krijgen hun zin; Briseïs rouwt om Patroklos.

τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη πολύμητις Ὀδυσσεύς·
ὦ Ἀχιλεῦ Πηλῆος υἱὲ μέγα φέρτατ᾽ Ἀχαιῶν,
κρείσσων εἰς ἐμέθεν καὶ φέρτερος οὐκ ὀλίγον περ
ἔγχει, ἐγὼ δέ κε σεῖο νοήματί γε προβαλοίμην
πολλόν, ἐπεὶ πρότερος γενόμην καὶ πλείονα οἶδα.
τώ τοι ἐπιτλήτω κραδίη μύθοισιν ἐμοῖσιν.





220
Maar Achilleus kreeg antwoord van de slimme Odysseus:
'Achilleus, zoon van Peleus, verreweg beste der Grieken,
sterker ben je dan ik en niet weinig ook beter met de lans,
maar ik zou je wel eens in wijsheid verreweg kunnen overtreffen
omdat ik ouder ben dan jij en meer ervaring opgedaan heb.
Laat daarom jouw hart luisteren naar mijn advies.
αἶψά τε φυλόπιδος πέλεται κόρος ἀνθρώποισιν,
ἧς τε πλείστην μὲν καλάμην χθονὶ χαλκὸς ἔχευεν,
ἄμητος δ᾽ ὀλίγιστος, ἐπὴν κλίνῃσι τάλαντα
Ζεύς, ὅς τ᾽ ἀνθρώπων ταμίης πολέμοιο τέτυκται.
γαστέρι δ᾽ οὔ πως ἔστι νέκυν πενθῆσαι Ἀχαιούς·




225
Snel treedt er verzadiging van de strijd op bij de mensen,
waarin het brons wel de meeste halmen uitstrooit over de aarde
maar de oogst heel gering is, wanneer Zeus, die scheidsrechter is
over de oorlog der mensen, de weegschaal hanteert .
Met honger kunnen de Grieken niet rouwen om hun doden;
λίην γὰρ πολλοὶ καὶ ἐπήτριμοι ἤματα πάντα
πίπτουσιν· πότε κέν τις ἀναπνεύσειε πόνοιο;
ἀλλὰ χρὴ τὸν μὲν καταθάπτειν ὅς κε θάνῃσι
νηλέα θυμὸν ἔχοντας ἐπ᾽ ἤματι δακρύσαντας·
ὅσσοι δ᾽ ἂν πολέμοιο περὶ στυγεροῖο λίπωνται




230
al te veel sneuvelen in dichte drom elke dag weer;
wanneer zal er een pauze komen van de inspanning?
Maar het is nodig hem te begraven die is omgekomen,
koelbloedig, na slechts één dag van rouw.
Maar al wie nog over zijn uit de jammerlijke oorlog
μεμνῆσθαι πόσιος καὶ ἐδητύος, ὄφρ᾽ ἔτι μᾶλλον
ἀνδράσι δυσμενέεσσι μαχώμεθα νωλεμὲς αἰεὶ
ἑσσάμενοι χροῒ χαλκὸν ἀτειρέα. μηδέ τις ἄλλην
λαῶν ὀτρυντὺν ποτιδέγμενος ἰσχαναάσθω·
ἥδε γὰρ ὀτρυντὺς κακὸν ἔσσεται ὅς κε λίπηται




235
moeten bedacht zijn op drinken en eten opdat wij zo des te beter
slag kunnen leveren met de vijand, genadeloos, altijd maar door,
ons lichaam gehuld in onbuigzaam brons. Maar laat niemand van
het krijgsvolk nog talmen en een volgende aansporing afwachten:
want zo luidt die vermaning: wie maar achterblijft bij de schepen
νηυσὶν ἐπ᾽ Ἀργείων· ἀλλ᾽ ἀθρόοι ὁρμηθέντες
Τρωσὶν ἐφ᾽ ἱπποδάμοισιν ἐγείρομεν ὀξὺν Ἄρηα.
ἦ, καὶ Νέστορος υἷας ὀπάσσατο κυδαλίμοιο
Φυλεΐδην τε Μέγητα Θόαντά τε Μηριόνην τε
καὶ Κρειοντιάδην Λυκομήδεα καὶ Μελάνιππον·




240
der Grieken, zal het slecht vergaan: nee, laten wij man aan man
met de paardenfokkende Trojanen een felle strijd aangaan'.
Dat zei hij en hij liet zich vergezellen door de zonen van de edele
Nestoor en Fyleus' zoon Meges en Thoas en Meriones
en Kreioons zoon Lykomedes en Melanippos;
βὰν δ᾽ ἴμεν ἐς κλισίην Ἀγαμέμνονος Ἀτρεΐδαο.
αὐτίκ᾽ ἔπειθ᾽ ἅμα μῦθος ἔην, τετέλεστο δὲ ἔργον·
ἑπτὰ μὲν ἐκ κλισίης τρίποδας φέρον, οὕς οἱ ὑπέστη,
αἴθωνας δὲ λέβητας ἐείκοσι, δώδεκα δ᾽ ἵππους·
ἐκ δ᾽ ἄγον αἶψα γυναῖκας ἀμύμονα ἔργα ἰδυίας




245
zij gingen op weg naar de tent van Agamemnoon, zoon van Atreus.
Terstond toen het woord was gegeven werd het werk volbracht:
zeven drievoeten brachten zij uit de tent, zoals hij beloofd had
en twintig fonkelende bekkens en twaalf paarden; en zeven
vrouwen leidden zij direct mee, bedreven in kunstig handwerk
ἕπτ᾽, ἀτὰρ ὀγδοάτην Βρισηΐδα καλλιπάρῃον.
χρυσοῦ δὲ στήσας Ὀδυσεὺς δέκα πάντα τάλαντα
ἦρχ᾽, ἅμα δ᾽ ἄλλοι δῶρα φέρον κούρητες Ἀχαιῶν.
καὶ τὰ μὲν ἐν μέσσῃ ἀγορῇ θέσαν, ἂν δ᾽ Ἀγαμέμνων
ἵστατο· Ταλθύβιος δὲ θεῷ ἐναλίγκιος αὐδὴν




250
en als achtste Briseïs met de mooie wangen.
Nadat Odysseus tien talenten goud afgewogen had, ging hij voorop
en de andere jeugdige Grieken brachten de geschenken mee.
Die plaatsten zij midden in de vergadering en Agamemnoon
stond op en Talthybios met zijn godgelijke stem
κάπρον ἔχων ἐν χερσὶ παρίστατο ποιμένι λαῶν.
Ἀτρεΐδης δὲ ἐρυσσάμενος χείρεσσι μάχαιραν,
ἥ οἱ πὰρ ξίφεος μέγα κουλεὸν αἰὲν ἄωρτο,
κάπρου ἀπὸ τρίχας ἀρξάμενος Διὶ χεῖρας ἀνασχὼν
εὔχετο· τοὶ δ᾽ ἄρα πάντες ἐπ᾽ αὐτόφιν εἵατο σιγῇ




255
ging naast de leider van de manschappen staan met een everzwijn.
Atreus' zoon trok het mes, dat altijd naast zijn grote zwaardschede hing
en na eerst wat haren afgesneden te hebben van het zwijn
hief hij zijn handen omhoog en bad tot Zeus;
en alle andere Grieken zaten zwijgend op hun plaats naar gebruik
Ἀργεῖοι κατὰ μοῖραν ἀκούοντες βασιλῆος.
εὐξάμενος δ᾽ ἄρα εἶπεν ἰδὼν εἰς οὐρανὸν εὐρύν·
ἴστω νῦν Ζεὺς πρῶτα θεῶν ὕπατος καὶ ἄριστος
Γῆ τε καὶ Ἠέλιος καὶ Ἐρινύες, αἵ θ᾽ ὑπὸ γαῖαν
ἀνθρώπους τίνυνται, ὅτις κ᾽ ἐπίορκον ὀμόσσῃ,




260
en luisterden naar hun koning.
In gebed sprak die met zijn blik naar de weidse hemel:
'Moge Zeus vooral weten, de hoogste en beste der goden,
maar ook Aarde en Zon en de Wraakgodinnen die onder de aarde
de mensen straffen die een meineed afleggen,
μὴ μὲν ἐγὼ κούρῃ Βρισηΐδι χεῖρ᾽ ἐπένεικα,
οὔτ᾽ εὐνῆς πρόφασιν κεχρημένος οὔτέ τευ ἄλλου.
ἀλλ᾽ ἔμεν᾽ ἀπροτίμαστος ἐνὶ κλισίῃσιν ἐμῇσιν.
εἰ δέ τι τῶνδ᾽ ἐπίορκον ἐμοὶ θεοὶ ἄλγεα δοῖεν
πολλὰ μάλ᾽, ὅσσα διδοῦσιν ὅτίς σφ᾽ ἀλίτηται ὀμόσσας.




265
dat op geen enkele manier ik de hand geslagen heb aan Briseïs,
noch om haar tot gemeenschap te dwingen noch om wat dan ook,
maar dat zij ongerept is gebleven in mijn tent,
en als iets hiervan meineed is, mogen de goden mij alle ellende
geven waarmee zij een meineedpleger overladen!'
ἦ, καὶ ἀπὸ στόμαχον κάπρου τάμε νηλέϊ χαλκῷ.
τὸν μὲν Ταλθύβιος πολιῆς ἁλὸς ἐς μέγα λαῖτμα
ῥῖψ᾽ ἐπιδινήσας βόσιν ἰχθύσιν· αὐτὰρ Ἀχιλλεὺς
ἀνστὰς Ἀργείοισι φιλοπτολέμοισι μετηύδα·
Ζεῦ πάτερ ἦ μεγάλας ἄτας ἄνδρεσσι διδοῖσθα·




270
Dat zei hij en met het meedogenloos brons sneed hij de hals van
het zwijn door. Talthybios wierp die met een zwaai in de grote diepte
van de grauwe zee tot voedsel voor de vissen.
Nu stond Achilleus op en sprak onder de krijgszuchtige Grieken:
'Vader Zeus, ach, met welke grove verblinding sla jij de mensen!
οὐκ ἂν δή ποτε θυμὸν ἐνὶ στήθεσσιν ἐμοῖσιν
Ἀτρεΐδης ὤρινε διαμπερές, οὐδέ κε κούρην
ἦγεν ἐμεῦ ἀέκοντος ἀμήχανος· ἀλλά ποθι Ζεὺς
ἤθελ᾽ Ἀχαιοῖσιν θάνατον πολέεσσι γενέσθαι.
νῦν δ᾽ ἔρχεσθ᾽ ἐπὶ δεῖπνον, ἵνα ξυνάγωμεν Ἄρηα.




275
Anders zou toch nooit Atreus' zoon mijn woede zo grondig hebben
gewekt en had hij het meisje niet halstarrig
tegen mijn zin weggehaald. Maar, dunkt me,
Zeus wilde dat de dood veel Grieken overkwam.
Maar ga nu eten, opdat we daarna de strijd aanbinden'.
ὣς ἄρ᾽ ἐφώνησεν, λῦσεν δ᾽ ἀγορὴν αἰψηρήν.
οἳ μὲν ἄρ᾽ ἐσκίδναντο ἑὴν ἐπὶ νῆα ἕκαστος,
δῶρα δὲ Μυρμιδόνες μεγαλήτορες ἀμφεπένοντο,
βὰν δ᾽ ἐπὶ νῆα φέροντες Ἀχιλλῆος θείοιο.
καὶ τὰ μὲν ἐν κλισίῃσι θέσαν, κάθισαν δὲ γυναῖκας,




280
Zo riep hij zijn bevelen en ontbond daarna de bijeenkomst.
Zij nu verspreidden zich, ieder naar zijn eigen schip,
en de fiere Myrmidonen zorgden voor de geschenken,
en gingen die naar het schip van de goddelijke Achilleus brengen;
zij zetten die in zijn tent en lieten de vrouwen daar plaats nemen
ἵππους δ᾽ εἰς ἀγέλην ἔλασαν θεράποντες ἀγαυοί.
Βρισηῒς δ᾽ ἄρ᾽ ἔπειτ᾽ ἰκέλη χρυσέῃ Ἀφροδίτῃ
ὡς ἴδε Πάτροκλον δεδαϊγμένον ὀξέϊ χαλκῷ,
ἀμφ᾽ αὐτῷ χυμένη λίγ᾽ ἐκώκυε, χερσὶ δ᾽ ἄμυσσε
στήθεά τ᾽ ἠδ᾽ ἁπαλὴν δειρὴν ἰδὲ καλὰ πρόσωπα.




285
en flinke dienaren dreven de paarden naar de kudde.
- Maar Briseïs, gelijkend op de gouden Afrodite, stortte zich,
toen zij Patroklos in het oog kreeg, verminkt door het scherpe brons,
op hem en jammerde schril en met haar handen
reet zij haar borsten open en haar zachte hals en mooie gezicht;
εἶπε δ᾽ ἄρα κλαίουσα γυνὴ ἐϊκυῖα θεῇσι·
Πάτροκλέ μοι δειλῇ πλεῖστον κεχαρισμένε θυμῷ
ζωὸν μέν σε ἔλειπον ἐγὼ κλισίηθεν ἰοῦσα,
νῦν δέ σε τεθνηῶτα κιχάνομαι ὄρχαμε λαῶν
ἂψ ἀνιοῦσ᾽· ὥς μοι δέχεται κακὸν ἐκ κακοῦ αἰεί.




290
en huilend zei de vrouw, de godinnen gelijk:
'Patroklos, allergeliefdst aan mijn miserabele hart,
levend liet ik je achter bij het verlaten van de tent,
maar dood tref ik je aan, leider van de strijders,
nu ik weer terugkom; zo volgt voor mij de ene ramp op de andere.
ἄνδρα μὲν ᾧ ἔδοσάν με πατὴρ καὶ πότνια μήτηρ
εἶδον πρὸ πτόλιος δεδαϊγμένον ὀξέϊ χαλκῷ,
τρεῖς τε κασιγνήτους, τούς μοι μία γείνατο μήτηρ,
κηδείους, οἳ πάντες ὀλέθριον ἦμαρ ἐπέσπον.
οὐδὲ μὲν οὐδέ μ᾽ ἔασκες, ὅτ᾽ ἄνδρ᾽ ἐμὸν ὠκὺς Ἀχιλλεὺς




295
De man, aan wie mijn vader en eerbiedwaardige moeder mij schonken
zag ik vóór de stad verminkt door het scherpe brons,
en ook de drie broers, die dezelfde moeder me voortbracht,
dierbaar als ze waren: allemaal kwamen zij om.
Maar toen de snelle Achilleus mijn man had gedood
ἔκτεινεν, πέρσεν δὲ πόλιν θείοιο Μύνητος,
κλαίειν, ἀλλά μ᾽ ἔφασκες Ἀχιλλῆος θείοιο
κουριδίην ἄλοχον θήσειν, ἄξειν τ᾽ ἐνὶ νηυσὶν
ἐς Φθίην, δαίσειν δὲ γάμον μετὰ Μυρμιδόνεσσι.
τώ σ᾽ ἄμοτον κλαίω τεθνηότα μείλιχον αἰεί.




300
en de stad van koning Mynes had verwoest, liet jij mij zelfs niet
zitten met mijn verdriet maar jij beloofde mij de wettige echtgenote van
de goddelijke Achilleus te maken, me op de schepen mee te nemen
naar Fthia, de bruiloft te regelen bij de Myrmidonen.
Daarom ween ik onbedaarlijk om jou, altijd zo zachtaardig.'
ὣς ἔφατο κλαίουσ᾽, ἐπὶ δὲ στενάχοντο γυναῖκες
Πάτροκλον πρόφασιν, σφῶν δ᾽ αὐτῶν κήδε᾽ ἑκάστη.

Dat zei ze onder tranen, en de vrouwen vielen haar bij met gejammer,
omwille van Patroklos, maar ieder ook om haar eigen leed.

19,303 - 424: Achilleus blijft treuren, wordt door Athene gevoed en trekt ten strijde.

αὐτὸν δ᾽ ἀμφὶ γέροντες Ἀχαιῶν ἠγερέθοντο
λισσόμενοι δειπνῆσαι· ὃ δ᾽ ἠρνεῖτο στεναχίζων·
λίσσομαι, εἴ τις ἔμοιγε φίλων ἐπιπείθεθ᾽ ἑταίρων,


305
- Maar rondom Achilleus liepen de raadslieden van de Grieken te hoop
en drongen eropaan te eten; hij echter weigerde en klaagde:
'Als elk van mijn vrienden gehoor aan mij geeft, dan smeek ik:
μή με πρὶν σίτοιο κελεύετε μηδὲ ποτῆτος
ἄσασθαι φίλον ἦτορ, ἐπεί μ᾽ ἄχος αἰνὸν ἱκάνει·
δύντα δ᾽ ἐς ἠέλιον μενέω καὶ τλήσομαι ἔμπης.
ὣς εἰπὼν ἄλλους μὲν ἀπεσκέδασεν βασιλῆας,
δοιὼ δ᾽ Ἀτρεΐδα μενέτην καὶ δῖος Ὀδυσσεὺς




310
dring er niet bij mij op aan mij te goed te doen aan drank en
aan voedsel nu bijtende smart mij kwelt;
tot zonsondergang wil ik doorgaan en mijn honger verbijten'.
Met deze woorden stuurde hij de andere vorsten weg,
alleen de beide Atriden bleven en koning Odysseus
Νέστωρ Ἰδομενεύς τε γέρων θ᾽ ἱππηλάτα Φοῖνιξ
τέρποντες πυκινῶς ἀκαχήμενον· οὐδέ τι θυμῷ
τέρπετο, πρὶν πολέμου στόμα δύμεναι αἱματόεντος.
μνησάμενος δ᾽ ἁδινῶς ἀνενείκατο φώνησέν τε·
ἦ ῥά νύ μοί ποτε καὶ σὺ δυσάμμορε φίλταθ᾽ ἑταίρων




315
en Nestoor en Idomeneus en de oude wagenstrijder Phoinix
terwijl ze hem in zijn smart troostten; maar niet kwam er troost bij hem
binnen voordat hij zich in de muil van de bloedige oorlog gestort had.
Overmand door herinnering zuchtte hij zwaar en sprak:
'Ach, hoe zette ook jij ooit, ongelukkige, meest dierbare vriend,
αὐτὸς ἐνὶ κλισίῃ λαρὸν παρὰ δεῖπνον ἔθηκας
αἶψα καὶ ὀτραλέως, ὁπότε σπερχοίατ᾽ Ἀχαιοὶ
Τρωσὶν ἐφ᾽ ἱπποδάμοισι φέρειν πολύδακρυν Ἄρηα.
νῦν δὲ σὺ μὲν κεῖσαι δεδαϊγμένος, αὐτὰρ ἐμὸν κῆρ
ἄκμηνον πόσιος καὶ ἐδητύος ἔνδον ἐόντων




320
eigenhandig voor mij een heerlijke maaltijd neer in de tent,
vlug en vaardig, wanneer de Grieken zich haastten om
tegen de paardenfokkende Trojanen de smartelijke strijd aan te binden.
En nu lig je hier verminkt en ik kan mijn honger niet stillen met drank
of met voedsel uit de voorraad doordat ik jou mis;
σῇ ποθῇ· οὐ μὲν γάρ τι κακώτερον ἄλλο πάθοιμι,
οὐδ᾽ εἴ κεν τοῦ πατρὸς ἀποφθιμένοιο πυθοίμην,
ὅς που νῦν Φθίηφι τέρεν κατὰ δάκρυον εἴβει
χήτεϊ τοιοῦδ᾽ υἷος· ὃ δ᾽ ἀλλοδαπῷ ἐνὶ δήμῳ
εἵνεκα ῥιγεδανῆς Ἑλένης Τρωσὶν πολεμίζω·




325
want geen groter ramp had mij kunnen treffen;
zelfs niet als ik de dood van mijn vader vernomen had,
die nu wel in Fthia hete tranen vergiet uit verlangen naar mij,
zijn zoon, die in een ver land in een oorlog verwikkeld ben
omwille van die ijselijke Helena;
ἠὲ τὸν ὃς Σκύρῳ μοι ἔνι τρέφεται φίλος υἱός,
εἴ που ἔτι ζώει γε Νεοπτόλεμος θεοειδής.
πρὶν μὲν γάρ μοι θυμὸς ἐνὶ στήθεσσιν ἐώλπει
οἶον ἐμὲ φθίσεσθαι ἀπ᾽ Ἄργεος ἱπποβότοιο
αὐτοῦ ἐνὶ Τροίῃ, σὲ δέ τε Φθίην δὲ νέεσθαι,




330
of die van mijn zoon die opgroeit op Skyros,
de godgelijke Neoptolemos,als hij tenminste nog in leven is.
Voorheen hoopte ik nog van harte dat ik alleen
om zou komen, ver van het paardenvoedende Argos
hier in Troje, maar dat jij naar Fthia terugkeren zou
ὡς ἄν μοι τὸν παῖδα θοῇ ἐνὶ νηῒ μελαίνῃ
Σκυρόθεν ἐξαγάγοις καί οἱ δείξειας ἕκαστα
κτῆσιν ἐμὴν δμῶάς τε καὶ ὑψερεφὲς μέγα δῶμα.
ἤδη γὰρ Πηλῆά γ᾽ ὀΐομαι ἢ κατὰ πάμπαν
τεθνάμεν, ἤ που τυτθὸν ἔτι ζώοντ᾽ ἀκάχησθαι




335
en mijn zoon op je donkere, snelle schip
van Skyros op zou halen en hem alles toe zou wijzen
mijn bezit en slaven en mijn groot, hooggedakt huis.
Want ik denk dat Peleus ofwel al gestorven is,
ofwel misschien zieltogend treurt
γήραΐ τε στυγερῷ καὶ ἐμὴν ποτιδέγμενον αἰεὶ
λυγρὴν ἀγγελίην, ὅτ᾽ ἀποφθιμένοιο πύθηται.
ὣς ἔφατο κλαίων, ἐπὶ δὲ στενάχοντο γέροντες,
μνησάμενοι τὰ ἕκαστος ἐνὶ μεγάροισιν ἔλειπον·
μυρομένους δ᾽ ἄρα τούς γε ἰδὼν ἐλέησε Κρονίων,




340
in rampzalige ouderdom en altijd over mij
de smartelijke boodschap verwacht dat ik hier ben gevallen'.
Dat zei hij jammerend en de vorsten klaagden met hem,
indachtig wat ieder in zijn paleis achter had gelaten.
Maar toen Kronos' zoon hen zag rouwen kreeg hij medelijden
αἶψα δ᾽ Ἀθηναίην ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
τέκνον ἐμόν, δὴ πάμπαν ἀποίχεαι ἀνδρὸς ἑῆος.
ἦ νύ τοι οὐκέτι πάγχυ μετὰ φρεσὶ μέμβλετ᾽ Ἀχιλλεύς;
κεῖνος ὅ γε προπάροιθε νεῶν ὀρθοκραιράων
ἧσται ὀδυρόμενος ἕταρον φίλον· οἳ δὲ δὴ ἄλλοι




345
en al gauw sprak hij tegen Athene de duidelijke woorden:
'Mijn kind, heb je je helemaal teruggetrokken van je edele held?
Gaat dan Achilleus jou helemaal niet meer ter harte?
Hij zit daar voor de schepen met hoge plechten te treuren
om zijn vriend; en terwijl de anderen
οἴχονται μετὰ δεῖπνον, ὃ δ᾽ ἄκμηνος καὶ ἄπαστος.
ἀλλ᾽ ἴθι οἱ νέκτάρ τε καὶ ἀμβροσίην ἐρατεινὴν
στάξον ἐνὶ στήθεσσ᾽, ἵνα μή μιν λιμὸς ἵκηται.
ὣς εἰπὼν ὄτρυνε πάρος μεμαυῖαν Ἀθήνην·
ἣ δ᾽ ἅρπῃ ἐϊκυῖα τανυπτέρυγι λιγυφώνῳ




350
zijn gaan eten, blijft hij nuchter en ongevoed.
Maar kom, druppel hem nektar en ambrozijn in,
opdat hij geen honger lijdt'. Met deze woorden
spoorde hij Athene aan, die toch al zat te popelen;
En in de gedaante van een vleugelstrekkende, schril krijsende valk
οὐρανοῦ ἐκκατεπᾶλτο δι᾽ αἰθέρος. αὐτὰρ Ἀχαιοὶ
αὐτίκα θωρήσσοντο κατὰ στρατόν· ἣ δ᾽ Ἀχιλῆϊ
νέκταρ ἐνὶ στήθεσσι καὶ ἀμβροσίην ἐρατεινὴν
στάξ᾽, ἵνα μή μιν λιμὸς ἀτερπὴς γούναθ᾽ ἵκοιτο·
αὐτὴ δὲ πρὸς πατρὸς ἐρισθενέος πυκινὸν δῶ




355
schoot zij uit de hemel door het zwerk; en terwijl de Grieken
hun wapens oppakten in heel het legerkamp, drupte zij
nektar in bij Achilleus en geurige ambrozijn, opdat
geen knagende honger zijn knieën zou aantasten.
Toen ging zij heen naar de stevige woning van haar machtige vader,
ᾤχετο, τοὶ δ᾽ ἀπάνευθε νεῶν ἐχέοντο θοάων.
ὡς δ᾽ ὅτε ταρφειαὶ νιφάδες Διὸς ἐκποτέονται
ψυχραὶ ὑπὸ ῥιπῆς αἰθρηγενέος Βορέαο,
ὣς τότε ταρφειαὶ κόρυθες λαμπρὸν γανόωσαι
νηῶν ἐκφορέοντο καὶ ἀσπίδες ὀμφαλόεσσαι




360
maar zij stroomden weg van de snelle schepen.
Zoals wanneer dicht opeen de sneeuwvlokken van Zeus dwarrelen,
koud door de drift van de hoog ontstane Boreas,
zó gingen toen blinkende helmen op weg van de schepen
en schilden met knop in het midden,
θώρηκές τε κραταιγύαλοι καὶ μείλινα δοῦρα.
αἴγλη δ᾽ οὐρανὸν ἷκε, γέλασσε δὲ πᾶσα περὶ χθὼν
χαλκοῦ ὑπὸ στεροπῆς· ὑπὸ δὲ κτύπος ὄρνυτο ποσσὶν
ἀνδρῶν· ἐν δὲ μέσοισι κορύσσετο δῖος Ἀχιλλεύς.
τοῦ καὶ ὀδόντων μὲν καναχὴ πέλε, τὼ δέ οἱ ὄσσε




365
welvende pantsers en essenhouten lansen.
De glans steeg ten hemel en heel de aarde lachte rondom
door de glinstering van het koper; en onder de voeten van de mannen
was gedreun: in hun midden wapende de stralende Achilleus zich.
Er klonk geknars van zijn tanden en beide zijn ogen flikkerden
λαμπέσθην ὡς εἴ τε πυρὸς σέλας, ἐν δέ οἱ ἦτορ
δῦν᾽ ἄχος ἄτλητον· ὃ δ᾽ ἄρα Τρωσὶν μενεαίνων
δύσετο δῶρα θεοῦ, τά οἱ Ἥφαιστος κάμε τεύχων.
κνημῖδας μὲν πρῶτα περὶ κνήμῃσιν ἔθηκε
καλὰς ἀργυρέοισιν ἐπισφυρίοις ἀραρυίας·




370
als het geflakker van vuur en onduldbare pijn daalde in hem af
en van toorn vervuld tegen de Trojanen bekleedde hij zich met
de geschenken van de godheid, die Hefaistos zorgvuldig gemaakt had.
Eerst legde hij de mooie scheenplaten om zijn schenen,
goed sluitend met zilveren enkelbanden,
δεύτερον αὖ θώρηκα περὶ στήθεσσιν ἔδυνεν.
ἀμφὶ δ᾽ ἄρ᾽ ὤμοισιν βάλετο ξίφος ἀργυρόηλον
χάλκεον· αὐτὰρ ἔπειτα σάκος μέγα τε στιβαρόν τε
εἵλετο, τοῦ δ᾽ ἀπάνευθε σέλας γένετ᾽ ἠΰτε μήνης.
ὡς δ᾽ ὅτ᾽ ἂν ἐκ πόντοιο σέλας ναύτῃσι φανήῃ




375
daarna trok hij het pantser om zijn borst en over zijn schouders
legde hij het bronzen zwaard met zilveren knoppen;
dan pakte hij het grote, stevige schild op,
waarvan een schijnsel kwam als van maanlicht.
En zoals op zee van ver aan schepelingen zich het schijnsel
καιομένοιο πυρός, τό τε καίεται ὑψόθ᾽ ὄρεσφι
σταθμῷ ἐν οἰοπόλῳ· τοὺς δ᾽ οὐκ ἐθέλοντας ἄελλαι
πόντον ἐπ᾽ ἰχθυόεντα φίλων ἀπάνευθε φέρουσιν·
ὣς ἀπ᾽ Ἀχιλλῆος σάκεος σέλας αἰθέρ᾽ ἵκανε
καλοῦ δαιδαλέου· περὶ δὲ τρυφάλειαν ἀείρας




380
toont van een brandend vuur, dat hoog op een berg brandt
bij een eenzame hoeve: maar tegen hun zin drijven stormen
hen weer de visrijke zee op ver van hun dierbaren,
zó glansde het schijnsel van het mooi versierde schild
van Achilleus; en hij nam de geweldige helm op
κρατὶ θέτο βριαρήν· ἣ δ᾽ ἀστὴρ ὣς ἀπέλαμπεν
ἵππουρις τρυφάλεια, περισσείοντο δ᾽ ἔθειραι
χρύσεαι, ἃς Ἥφαιστος ἵει λόφον ἀμφὶ θαμειάς.
πειρήθη δ᾽ ἕο αὐτοῦ ἐν ἔντεσι δῖος Ἀχιλλεύς,
εἰ οἷ ἐφαρμόσσειε καὶ ἐντρέχοι ἀγλαὰ γυῖα·




385
en zette die op zijn hoofd: hij straalde als een ster,
die helm met paardenstaart en rondom wapperden de gouden
manen die Hefaistos er in een dichte bos op had bevestigd.
Toen onderzocht de stralende Achilleus hoe hij zich voelde in
de wapens, of ze goed zaten en zijn prachtige leden erin weg wisten;
τῷ δ᾽ εὖτε πτερὰ γίγνετ᾽, ἄειρε δὲ ποιμένα λαῶν.
ἐκ δ᾽ ἄρα σύριγγος πατρώϊον ἐσπάσατ᾽ ἔγχος
βριθὺ μέγα στιβαρόν· τὸ μὲν οὐ δύνατ᾽ ἄλλος Ἀχαιῶν
πάλλειν, ἀλλά μιν οἶος ἐπίστατο πῆλαι Ἀχιλλεύς·
Πηλιάδα μελίην, τὴν πατρὶ φίλῳ πόρε Χείρων




390
en zij voelden als vleugels en hieven de leider van het krijgsvolk op.
Uit de ring trok hij de lans van zijn vader, zwaar, groot en stevig;
geen enkele andere Griek was in staat die te drillen,
nee, alleen Achilleus kon dat met de essenhouten speer
van Peleus, die Cheiroon zijn vader geschonken had
Πηλίου ἐκ κορυφῆς φόνον ἔμμεναι ἡρώεσσιν·
ἵππους δ᾽ Αὐτομέδων τε καὶ Ἄλκιμος ἀμφιέποντες
ζεύγνυον· ἀμφὶ δὲ καλὰ λέπαδν᾽ ἕσαν, ἐν δὲ χαλινοὺς
γαμφηλῇς ἔβαλον, κατὰ δ᾽ ἡνία τεῖναν ὀπίσσω
κολλητὸν ποτὶ δίφρον. ὃ δὲ μάστιγα φαεινὴν




395
afkomstig van de top van de Pelioon tot de dood van helden.
Automedoon en Alkimos spanden met zorg de paarden in:
rondom hingen zij het mooie gareel en staken het bit
tussen de kaken en de teugels spanden zij strak naar achteren
naar de stevige wagen. Automedoon nam de handzame,
χειρὶ λαβὼν ἀραρυῖαν ἐφ᾽ ἵπποιιν ἀνόρουσεν
Αὐτομέδων· ὄπιθεν δὲ κορυσσάμενος βῆ Ἀχιλλεὺς
τεύχεσι παμφαίνων ὥς τ᾽ ἠλέκτωρ Ὑπερίων,
σμερδαλέον δ᾽ ἵπποισιν ἐκέκλετο πατρὸς ἑοῖο·
Ξάνθέ τε καὶ Βαλίε τηλεκλυτὰ τέκνα Ποδάργης




400
glanzende zweep ter hand en sprong in de wagenbak
en achter hem stapte Achilleus op in zijn wapenrusting,
naar alle kanten stralend als de schitterende zonnegod,
en met een brul spoorde hij de paarden aan van zijn vader:
'Xanthos en Balios, wijdvermaarde telgen van Podarge,
ἄλλως δὴ φράζεσθε σαωσέμεν ἡνιοχῆα
ἂψ Δαναῶν ἐς ὅμιλον ἐπεί χ᾽ ἕωμεν πολέμοιο,
μηδ᾽ ὡς Πάτροκλον λίπετ᾽ αὐτόθι τεθνηῶτα.
τὸν δ᾽ ἄρ᾽ ὑπὸ ζυγόφι προσέφη πόδας αἰόλος ἵππος
Ξάνθος, ἄφαρ δ᾽ ἤμυσε καρήατι· πᾶσα δὲ χαίτη




405
denk eraan jullie wagenstrijder veilig terug te brengen
naar het kamp van de Grieken, wanneer we uitgestreden zijn,
en ons niet als Patroklos daar dood achter te laten'.
En tot hem sprak daarop de snelle Xanthos onder het juk
en daarbij boog hij zijn hoofd - zijn manen gleden helemaal
ζεύγλης ἐξεριποῦσα παρὰ ζυγὸν οὖδας ἵκανεν·
αὐδήεντα δ᾽ ἔθηκε θεὰ λευκώλενος Ἥρη·
καὶ λίην σ᾽ ἔτι νῦν γε σαώσομεν ὄβριμ᾽ Ἀχιλλεῦ·
ἀλλά τοι ἐγγύθεν ἦμαρ ὀλέθριον· οὐδέ τοι ἡμεῖς
αἴτιοι, ἀλλὰ θεός τε μέγας καὶ Μοῖρα κραταιή.




410
langs het gareel weg tot op de grond -
en de godin de blankarmige Hera gaf hem spraak:
'Wel zeker zullen wij jou nu nog in veiligheid brengen,
sterke Achilleus; maar voor jou is de doodsdag nabij; niet wij zijn
daaraan schuldig maar een machtige god en het krachtige Noodlot!
οὐδὲ γὰρ ἡμετέρῃ βραδυτῆτί τε νωχελίῃ τε
Τρῶες ἀπ᾽ ὤμοιιν Πατρόκλου τεύχε᾽ ἕλοντο·
ἀλλὰ θεῶν ὤριστος, ὃν ἠΰκομος τέκε Λητώ,
ἔκταν᾽ ἐνὶ προμάχοισι καὶ Ἕκτορι κῦδος ἔδωκε.
νῶϊ δὲ καί κεν ἅμα πνοιῇ Ζεφύροιο θέοιμεν,




415
Niet door onze traagheid en laksheid wisten de Trojanen de wapens
te roven van van de schouders van Patroklos, nee, de beste
der goden, zoon van de schoonharige Leto,was de oorzaak
van zijn dood tussen de voorstrijders en gunde Hektoor die roem.
Wij beiden zullen rennen als de adem van de Zefyros
ἥν περ ἐλαφροτάτην φάσ᾽ ἔμμεναι· ἀλλὰ σοὶ αὐτῷ
μόρσιμόν ἐστι θεῷ τε καὶ ἀνέρι ἶφι δαμῆναι.
ὣς ἄρα φωνήσαντος Ἐρινύες ἔσχεθον αὐδήν.
τὸν δὲ μέγ᾽ ὀχθήσας προσέφη πόδας ὠκὺς Ἀχιλλεύς·
Ξάνθε τί μοι θάνατον μαντεύεαι; οὐδέ τί σε χρή.




420
die men toch de snelste wind noemt, maar jou is het beschoren
te sneuvelen door de kracht van god en mens'.
Toen hij dit gezegd had beteugelden de wraakgodinnen zijn spraak.
Maar verontwaardigd zei de snelle Achilleus tot hem:
'Xanthos, wat voorspel je mij de dood? Onnodig!
εὖ νυ τὸ οἶδα καὶ αὐτὸς ὅ μοι μόρος ἐνθάδ᾽ ὀλέσθαι
νόσφι φίλου πατρὸς καὶ μητέρος· ἀλλὰ καὶ ἔμπης
οὐ λήξω πρὶν Τρῶας ἅδην ἐλάσαι πολέμοιο.
ἦ ῥα, καὶ ἐν πρώτοις ἰάχων ἔχε μώνυχας ἵππους.



Ik weet ook zelf best dat het mijn lot is hier te sterven,
ver van mijn vader en moeder; maar toch zal ik niet rusten
voordat ik de Trojanen hun bekomst van de strijd heb gegeven'.
Hiermee joeg hij schreeuwend zijn eenhoevers door de voorsten.



Terug naar inhoudsopgave llias
30/5/2013