Ὀδύσσεια ι

9,1 - 38: Odysseus maakt zich bekend.
τὸν δ᾽ ἀπαμειβόμενος προσέφη πολύμητις Ὀδυσσεύς·
"Ἀλκίνοε κρεῖον, πάντων ἀριδείκετε λαῶν,
ἦ τοι μὲν τόδε καλὸν ἀκουέμεν ἐστὶν ἀοιδοῦ
τοιοῦδ᾽ οἷος ὅδ᾽ ἐστί, θεοῖς ἐναλίγκιος αὐδήν.
οὐ γὰρ ἐγώ γέ τί φημι τέλος χαριέστερον εἶναι




5
- Tot hem nu sprak ten antwoord de listenrijke Odysseus:
"Machtige Alkinoös, uitblinkend onder alle mensen,
dit is toch werkelijk iets moois, luisteren naar zo'n verteller
als deze hier is, gelijkend op de goden in stemgeluid;
want ik denk dat er geen aangenamer vervulling is van verlangen
ἢ ὅτ᾽ ἐυφροσύνη μὲν ἔχῃ κάτα δῆμον ἅπαντα,
δαιτυμόνες δ᾽ ἀνὰ δώματ᾽ ἀκουάζωνται ἀοιδοῦ
ἥμενοι ἑξείης, παρὰ δὲ πλήθωσι τράπεζαι
σίτου καὶ κρειῶν, μέθυ δ᾽ ἐκ κρητῆρος ἀφύσσων
οἰνοχόος φορέῃσι καὶ ἐγχείῃ δεπάεσσι·




10
dan wanneer vreugde heerst overal onder het volk,
gasten door heel het paleis, overal gezeten, bij het luisteren
naar gezang, terwijl bovendien de tafels vol staan
met eten en drinken, en de schenker wijn schept
uit het mengvat, het ronddeelt en giet in de bekers;
τοῦτό τί μοι κάλλιστον ἐνὶ φρεσὶν εἴδεται εἶναι.
σοὶ δ᾽ ἐμὰ κήδεα θυμὸς ἐπετράπετο στονόεντα
εἴρεσθ᾽, ὄφρ᾽ ἔτι μᾶλλον ὀδυρόμενος στεναχίζω·
τί πρῶτόν τοι ἔπειτα, τί δ᾽ ὑστάτιον καταλέξω;
κήδε᾽ ἐπεί μοι πολλὰ δόσαν θεοὶ Οὐρανίωνες.




15
nee, ik kan werkelijk niets mooiers bedenken.
Maar jij voelde behoefte te vragen naar de zorgelijke smart
die mij kwelt, zodat ik meer nog zucht in gejammer:
wat zal ik je eerst vertellen, en wat pas daarna?
Leed immers gaven de hemelbewoners me in overvloed.
νῦν δ᾽ ὄνομα πρῶτον μυθήσομαι, ὄφρα καὶ ὑμεῖς
εἴδετ᾽, ἐγὼ δ᾽ ἂν ἔπειτα φυγὼν ὕπο νηλεὲς ἦμαρ
ὑμῖν ξεῖνος ἔω καὶ ἀπόπροθι δώματα ναίων.
εἴμ᾽ Ὀδυσεὺς Λαερτιάδης, ὃς πᾶσι δόλοισιν
ἀνθρώποισι μέλω, καί μευ κλέος οὐρανὸν ἵκει.




20
Maar nu zal ik eerst mijn naam noemen, opdat jullie die weten,
en ik later, ontsnapt aan de meedogenloze dag, een gastvriend kan zijn
voor jullie, ook al woon ik ver weg van hier.
Ik ben Odysseus, zoon van Laertes, die door zijn listen
bij alle mensen bekend ben: mijn faam reikt tot in de hemel.
ναιετάω δ᾽ Ἰθάκην ἐυδείελον· ἐν δ᾽ ὄρος αὐτῇ
Νήριτον εἰνοσίφυλλον, ἀριπρεπές· ἀμφὶ δὲ νῆσοι
πολλαὶ ναιετάουσι μάλα σχεδὸν ἀλλήλῃσι,
Δουλίχιόν τε Σάμη τε καὶ ὑλήεσσα Ζάκυνθος.
αὐτὴ δὲ χθαμαλὴ πανυπερτάτη εἰν ἁλὶ κεῖται




25
Mijn woonplaats is het van verre zichtbare Ithaka; daarop ligt een gebergte
de Neriton, hoog uitstekend, met bewegelijk gebladerte; en er omheen
liggen veel eilanden, heel dicht bij elkaar,
Doulichion en Same en het bosrijke Zakynthos;
maar zelf is het vlak en ligt als uiterste naar het Westen in zee;
πρὸς ζόφον, αἱ δέ τ᾽ ἄνευθε πρὸς ἠῶ τ᾽ ἠέλιόν τε,
τρηχεῖ᾽, ἀλλ᾽ ἀγαθὴ κουροτρόφος· οὔ τοι ἐγώ γε
ἧς γαίης δύναμαι γλυκερώτερον ἄλλο ἰδέσθαι.
ἦ μέν μ᾽ αὐτόθ᾽ ἔρυκε Καλυψώ, δῖα θεάων,
ἐν σπέσσι γλαφυροῖσι, λιλαιομένη πόσιν εἶναι·




30
- de anderen liggen op afstand naar het Oosten en zonsopgang -
het is rotsachtig maar vruchtbaar en voedster van jong volk;
ik zelf kan geen ander land als aangenamer beschouwen dan het eigen.
- Welnu, daarginds hield Kalypso mij gevangen, stralende onder de godinnen,
in een gewelfde grot, verlangend dat ik haar echtgenoot zou zijn
ὣς δ᾽ αὔτως Κίρκη κατερήτυεν ἐν μεγάροισιν
Αἰαίη δολόεσσα, λιλαιομένη πόσιν εἶναι·
ἀλλ᾽ ἐμὸν οὔ ποτε θυμὸν ἐνὶ στήθεσσιν ἔπειθον.
ὣς οὐδὲν γλύκιον ἧς πατρίδος οὐδὲ τοκήων
γίγνεται, εἴ περ καί τις ἀπόπροθι πίονα οἶκον




35
en evenzo probeerde Kirke me vast te houden in haar verblijf,
de sluwe bewoonster van Aia, hunkerend naar mij als haar echtgenoot;
Maar absoluut niet wisten zij mijn gemoed te vermurwen.
Zózeer is niets aantrekkelijker dan het eigen vaderland en voorouders,
ook al bewoont men een nog zo riant paleis maar ver van zijn huis.
γαίῃ ἐν ἀλλοδαπῇ ναίει ἀπάνευθε τοκήων.
εἰ δ᾽ ἄγε τοι καὶ νόστον ἐμὸν πολυκηδέ᾽ ἐνίσπω,
ὅν μοι Ζεὺς ἐφέηκεν ἀπὸ Τροίηθεν ἰόντι.


en verblijft hij in een vreemd land, ver van zijn voorouders.
- Maar kom, laat ik je ook vertellen van mijn rampzalige thuisreis,
die Zeus mij oplegde, op weg vanuit Troje.
sierstrik sierstrik
9,39 - 66: Bij de Kikonen.
"Ἰλιόθεν με φέρων ἄνεμος Κικόνεσσι πέλασσεν,
Ἰσμάρῳ. ἔνθα δ᾽ ἐγὼ πόλιν ἔπραθον, ὤλεσα δ᾽ αὐτούς·

40
- Vanuit Ilion voerde de wind me naar het land der Kikonen, naar Ismaros,
en daar verwoestte ik hun stad en doodde henzelf
ἐκ πόλιος δ᾽ ἀλόχους καὶ κτήματα πολλὰ λαβόντες
δασσάμεθ᾽, ὡς μή τίς μοι ἀτεμβόμενος κίοι ἴσης.
ἔνθ᾽ ἦ τοι μὲν ἐγὼ διερῷ ποδὶ φευγέμεν ἡμέας
ἠνώγεα, τοὶ δὲ μέγα νήπιοι οὐκ ἐπίθοντο.
ἔνθα δὲ πολλὸν μὲν μέθυ πίνετο, πολλὰ δὲ μῆλα




45
en uit die stad roofden wij vrouwen en veel buit en verdeelden die,
opdat niemand zonder een gelijk aandeel heenging.
Toen drong ik eropaan dat wij zouden maken dat we wegkwamen,
maar zij, erg onnozel, luisterden niet....
Er werd daar veel wijn gedronken en zij slachtten veel schapen
ἔσφαζον παρὰ θῖνα καὶ εἰλίποδας ἕλικας βοῦς·
τόφρα δ᾽ ἄρ᾽ οἰχόμενοι Κίκονες Κικόνεσσι γεγώνευν,
οἵ σφιν γείτονες ἦσαν, ἅμα πλέονες καὶ ἀρείους,
ἤπειρον ναίοντες, ἐπιστάμενοι μὲν ἀφ᾽ ἵππων
ἀνδράσι μάρνασθαι καὶ ὅθι χρὴ πεζὸν ἐόντα.




50
langs het strand en kromhoornige runderen met slingerende gang.
Intussen riepen natuurlijk Kikonen die ontsnapt waren naar anderen,
Kikonen bij hen uit de buurt, groter in aantal en dapperder,
uit het binnenland afkomstig, vaardig tegen strijders te vechten
vanaf de wagen en waar nodig te voet.
ἦλθον ἔπειθ᾽ ὅσα φύλλα καὶ ἄνθεα γίγνεται ὥρῃ,
ἠέριοι· τότε δή ῥα κακὴ Διὸς αἶσα παρέστη
ἡμῖν αἰνομόροισιν, ἵν᾽ ἄλγεα πολλὰ πάθοιμεν.
στησάμενοι δ᾽ ἐμάχοντο μάχην παρὰ νηυσὶ θοῇσι,
βάλλον δ᾽ ἀλλήλους χαλκήρεσιν ἐγχείῃσιν.




55
Zij kwamen dan zo talrijk in aantal als lover en bloesem op hun tijd,
als een nevel; toen dan trof de slechte beschikking van Zeus
ons rampzaligen, opdat wij veel ellende te lijden zouden krijgen.
Beide groepen gingen de strijd aan en vochten bij de snelle schepen,
en troffen elkaar met de bronsgepunte speren.
ὄφρα μὲν ἠὼς ἦν καὶ ἀέξετο ἱερὸν ἦμαρ,
τόφρα δ᾽ ἀλεξόμενοι μένομεν πλέονάς περ ἐόντας.
ἦμος δ᾽ ἠέλιος μετενίσσετο βουλυτόνδε,
καὶ τότε δὴ Κίκονες κλῖναν δαμάσαντες Ἀχαιούς.
ἓξ δ᾽ ἀφ᾽ ἑκάστης νηὸς ἐυκνήμιδες ἑταῖροι




60
Zolang het nu ochtend was en het verheven daglicht nog toenam,
zó lang wisten we hen af te slaan, ook al waren ze met meer.
Maar toen de zon overging naar het begin van de middag,
toen drongen de Kikonen de Achaiers terug in een bloedbad.
Van elk schip sneuvelden zes goedgescheenweerde mannen,
ὤλονθ᾽· οἱ δ᾽ ἄλλοι φύγομεν θάνατόν τε μόρον τε.
"ἔνθεν δὲ προτέρω πλέομεν ἀκαχήμενοι ἦτορ,
ἄσμενοι ἐκ θανάτοιο, φίλους ὀλέσαντες ἑταίρους.
οὐδ᾽ ἄρα μοι προτέρω νῆες κίον ἀμφιέλισσαι,
πρίν τινα τῶν δειλῶν ἑτάρων τρὶς ἕκαστον ἀῦσαι,




65
wij, de anderen, ontkwamen de dood en het noodlot.
- Vandaar nu voeren wij verder, somber gestemd,
wel verheugd over ons behoud, maar met verlies van dierbare mannen.
Natuurlijk voeren mijn gekromde schepen niet verder,
voordat iemand elk van onze ongelukkige mannen drie maal geroepen had
οἳ θάνον ἐν πεδίῳ Κικόνων ὕπο δῃωθέντες. die gevallen waren in de vlakte, gedood door de Kikonen.
sierstrik sierstrik
9,67 - 86: Storm.
νηυσὶ δ᾽ ἐπῶρσ᾽ ἄνεμον Βορέην νεφεληγερέτα Ζεὺς
λαίλαπι θεσπεσίῃ, σὺν δὲ νεφέεσσι κάλυψε
γαῖαν ὁμοῦ καὶ πόντον· ὀρώρει δ᾽ οὐρανόθεν νύξ.
αἱ μὲν ἔπειτ᾽ ἐφέροντ᾽ ἐπικάρσιαι, ἱστία δέ σφιν



70
- Maar wolkenverzamelaar Zeus stuurde een Noorderstorm af op de schepen
met ongelooflijke orkaankracht en met wolken dekte hij toe
èn land èn zee en uit de hemel was nacht neergedaald.
En ons konvooi werd voortgejaagd, voorstevens neergedrukt,
τριχθά τε καὶ τετραχθὰ διέσχισεν ἲς ἀνέμοιο.
καὶ τὰ μὲν ἐς νῆας κάθεμεν, δείσαντες ὄλεθρον,
αὐτὰς δ᾽ ἐσσυμένως προερέσσαμεν ἤπειρόνδε.
ἔνθα δύω νύκτας δύο τ᾽ ἤματα συνεχὲς αἰεὶ
κείμεθ᾽, ὁμοῦ καμάτῳ τε καὶ ἄλγεσι θυμὸν ἔδοντες.




75
en in drieën, ja vieren scheurde de windkracht de zeilen;
wij haalden ze neer op de schepen, uit angst voor een schipbreuk,
en we roeiden die haastig naar het land.
Daar lagen wij uitgeput neer, twee volle nachten en dagen,
evenzeer neerslachtig door uitputting als door onze ellende.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ τρίτον ἦμαρ ἐυπλόκαμος τέλεσ᾽ Ἠώς,
ἱστοὺς στησάμενοι ἀνά θ᾽ ἱστία λεύκ᾽ ἐρύσαντες
ἥμεθα, τὰς δ᾽ ἄνεμός τε κυβερνῆταί τ᾽ ἴθυνον.
καί νύ κεν ἀσκηθὴς ἱκόμην ἐς πατρίδα γαῖαν·
ἀλλά με κῦμα ῥόος τε περιγνάμπτοντα Μάλειαν




80
Maar toen de Dageraad met mooi vlecht de derde dag aankondigde
plaatsten wij de masten en trokken de witte zeilen omhoog,
we namen plaats en lieten de wind en de stuurlui koers zetten.
En nu zou ik behouden gekomen zijn naar mijn vaderland,
als mij niet bij het omvaren van kaap Maleia een verradelijke golfslag
καὶ Βορέης ἀπέωσε, παρέπλαγξεν δὲ Κυθήρων.
"ἔνθεν δ᾽ ἐννῆμαρ φερόμην ὀλοοῖς ἀνέμοισιν
πόντον ἐπ᾽ ἰχθυόεντα· ἀτὰρ δεκάτῃ ἐπέβημεν
γαίης Λωτοφάγων, οἵ τ᾽ ἄνθινον εἶδαρ ἔδουσιν.
ἔνθα δ᾽ ἐπ᾽ ἠπείρου βῆμεν καὶ ἀφυσσάμεθ᾽ ὕδωρ,




85
en Noordenwind uit de koers had geslagen en weg van Kythera.
Vandaar werd ik negen dagen lang meegesleurd door ongunstige winden
over de visrijke zee; maar op de tiende meerden wij aan
bij het land der Lotofagen, die bloemen als voedsel gebruiken,
daar gingen we aan land en wij putten er water,
αἶψα δὲ δεῖπνον ἕλοντο θοῇς παρὰ νηυσὶν ἑταῖροι. en snel namen mijn mannen hun eten bij de snelle schepen.
sierstrik sierstrik
9,87 - 104: Bij de Lotofagen
αὐτὰρ ἐπεὶ σίτοιό τ᾽ ἐπασσάμεθ᾽ ἠδὲ ποτῆτος,
δὴ τοτ᾽ ἐγὼν ἑτάρους προΐειν πεύθεσθαι ἰόντας,
οἵ τινες ἀνέρες εἶεν ἐπὶ χθονὶ σῖτον ἔδοντες
ἄνδρε δύω κρίνας, τρίτατον κήρυχ᾽ ἅμ᾽ ὀπάσσας.



90
- Maar toen we ons verzadigd hadden met eten en drinken,
toen zond ik mannen uit om te gaan uitzoeken,
wat voor voedsel etende mensen in dat land woonden,
twee had ik er uitgekozen en een derde gaf ik mee als bode.
οἱ δ᾽ αἶψ᾽ οἰχόμενοι μίγεν ἀνδράσι Λωτοφάγοισιν·
οὐδ᾽ ἄρα Λωτοφάγοι μήδονθ᾽ ἑτάροισιν ὄλεθρον
ἡμετέροις, ἀλλά σφι δόσαν λωτοῖο πάσασθαι.
τῶν δ᾽ ὅς τις λωτοῖο φάγοι μελιηδέα καρπόν,
οὐκέτ᾽ ἀπαγγεῖλαι πάλιν ἤθελεν οὐδὲ νέεσθαι,




95
Zij nu gingen snel op weg en begaven zich onder de Lotofagen;
en niet beraamden de Lotofagen de ondergang voor onze mannen,
maar zij gaven hen te eten van de lotos.
Maar al wie van hen de honingzoete vrucht van de lotos at,
had geen lust meer verslag uit te brengen en wilde niet terug,
ἀλλ᾽ αὐτοῦ βούλοντο μετ᾽ ἀνδράσι Λωτοφάγοισι
λωτὸν ἐρεπτόμενοι μενέμεν νόστου τε λαθέσθαι.
τοὺς μὲν ἐγὼν ἐπὶ νῆας ἄγον κλαίοντας ἀνάγκῃ,
νηυσὶ δ᾽ ἐνὶ γλαφυρῇσιν ὑπὸ ζυγὰ δῆσα ἐρύσσας.
αὐτὰρ τοὺς ἄλλους κελόμην ἐρίηρας ἑταίρους




100
nee, liever wilden zij blijven bij de Lotofagen
en door te eten van de Lotos afzien van de terugkeer.
Hen voerde ik onder dwang naar de schepen, ondanks hun gejammer,
op de gewelfde schepen trok ik ze onder de roeibanken en bond hen vast.
Maar de andere, trouwe mannen, beval ik
σπερχομένους νηῶν ἐπιβαινέμεν ὠκειάων,
μή πώς τις λωτοῖο φαγὼν νόστοιο λάθηται.
οἱ δ᾽ αἶψ᾽ εἴσβαινον καὶ ἐπὶ κληῖσι καθῖζον,
ἑξῆς δ᾽ ἑζόμενοι πολιὴν ἅλα τύπτον ἐρετμοῖς.



haastig aan boord van de snelle schepen te gaan,
opdat niemand nog, door lotos te eten af zou zien van de thuisvaart.
Zij nu scheepten snel in en zetten zich aan de riemen,
en zittend op rij sloegen zij de zee met hun riemen zodat hij grauw zag.
sierstrik sierstrik
9,105 - 169: Het geiteneiland.
"ἔνθεν δὲ προτέρω πλέομεν ἀκαχήμενοι ἦτορ·
Κυκλώπων δ᾽ ἐς γαῖαν ὑπερφιάλων ἀθεμίστων
ἱκόμεθ᾽, οἵ ῥα θεοῖσι πεποιθότες ἀθανάτοισιν
οὔτε φυτεύουσιν χερσὶν φυτὸν οὔτ᾽ ἀρόωσιν,
ἀλλὰ τά γ᾽ ἄσπαρτα καὶ ἀνήροτα πάντα φύονται,
πυροὶ καὶ κριθαὶ ἠδ᾽ ἄμπελοι, αἵ τε φέρουσιν





110
- Vandaar nu voeren wij verder, somber gestemd.
Wij kwamen in het land van de brutale, respectloze Kyklopen,
die alles maar overlaten aan de onsterfelijke goden
en geen gewas planten en niet ploegen,
maar alles groeit bij hen zonder zaaien en ploegen:
tarwe en gerst en de wijnstokken, die wijn dragen in grote druiven,
οἶνον ἐριστάφυλον, καί σφιν Διὸς ὄμβρος ἀέξει.
τοῖσιν δ᾽ οὔτ᾽ ἀγοραὶ βουληφόροι οὔτε θέμιστες,
ἀλλ᾽ οἵ γ᾽ ὑψηλῶν ὀρέων ναίουσι κάρηνα
ἐν σπέσσι γλαφυροῖσι, θεμιστεύει δὲ ἕκαστος
παίδων ἠδ᾽ ἀλόχων, οὐδ᾽ ἀλλήλων ἀλέγουσιν.




115
en de regen van Zeus doet het voor hen gedijen.
Raadgevende bijeenkomsten zijn er bij hen niet noch rechtbanken,
maar zij wonen op toppen van hoge bergen
in gewelfde grotten, en ieder speelt eigen rechter
over kinderen en vrouwen, zonder zich iets van elkaar aan te trekken.
"νῆσος ἔπειτα λάχεια παρὲκ λιμένος τετάνυσται,
γαίης Κυκλώπων οὔτε σχεδὸν οὔτ᾽ ἀποτηλοῦ,
ὑλήεσσ᾽· ἐν δ᾽ αἶγες ἀπειρέσιαι γεγάασιν
ἄγριαι· οὐ μὲν γὰρ πάτος ἀνθρώπων ἀπερύκει,
οὐδέ μιν εἰσοιχνεῦσι κυνηγέται, οἵ τε καθ᾽ ὕλην




120
Daar strekt zich een vlak eiland uit, schuin tegenover de haven,
noch vlak bij het land der Kyklopen, noch ver er vandaan,
het is bebost en er leven ontelbare geiten op,
in het wild; want geen mensenverkeer houdt hen weg,
en ook komen daar geen jagers ontberingen lijden
ἄλγεα πάσχουσιν κορυφὰς ὀρέων ἐφέποντες.
οὔτ᾽ ἄρα ποίμνῃσιν καταΐσχεται οὔτ᾽ ἀρότοισιν,
ἀλλ᾽ ἥ γ᾽ ἄσπαρτος καὶ ἀνήροτος ἤματα πάντα
ἀνδρῶν χηρεύει, βόσκει δέ τε μηκάδας αἶγας.
οὐ γὰρ Κυκλώπεσσι νέες πάρα μιλτοπάρῃοι,




125
zwervend over de toppen der bergen.
Ook wordt het niet door kudden begraasd, niet bebouwd,
onbeplant en onbeploegd ligt het erbij,
onbewoond voedt het slechts mekkerende geiten.
Want niet kennen de Kyklopen schepen met hun rode boeg,
οὐδ᾽ ἄνδρες νηῶν ἔνι τέκτονες, οἵ κε κάμοιεν
νῆας ἐυσσέλμους, αἵ κεν τελέοιεν ἕκαστα
ἄστε᾽ ἐπ᾽ ἀνθρώπων ἱκνεύμεναι, οἷά τε πολλὰ
ἄνδρες ἐπ᾽ ἀλλήλους νηυσὶν περόωσι θάλασσαν·
οἵ κέ σφιν καὶ νῆσον ἐυκτιμένην ἐκάμοντο.




130
en ook niet zijn er scheepsbouwers bij hen, die evenwichtige schepen
zouden kunnen bouwen, die van alles kunnen presteren:
steden van andere mensen bereiken, zoals zo vaak
mensen naar elkaar met schepen de zee oversteken:
zij hadden dat eiland wel goed bewoonbaar gemaakt voor hen.
οὐ μὲν γάρ τι κακή γε, φέροι δέ κεν ὥρια πάντα·
ἐν μὲν γὰρ λειμῶνες ἁλὸς πολιοῖο παρ᾽ ὄχθας
ὑδρηλοὶ μαλακοί· μάλα κ᾽ ἄφθιτοι ἄμπελοι εἶεν.
ἐν δ᾽ ἄροσις λείη· μάλα κεν βαθὺ λήιον αἰεὶ
εἰς ὥρας ἀμῷεν, ἐπεὶ μάλα πῖαρ ὑπ᾽ οὖδας.




135
Want het is niet onvruchtbaar, en kan alles leveren op zijn tijd;
en er zijn weiden langs de kust van de zee,
vochtig en mals; en de wingerd zou er heel goed gedijen.
En erop is vlak ploegland; en heel hoog graan zou men steeds
in de oogsttijd kunnen maaien, want er zit veel rijkdom onder de grond.
ἐν δὲ λιμὴν ἐύορμος, ἵν᾽ οὐ χρεὼ πείσματός ἐστιν,
οὔτ᾽ εὐνὰς βαλέειν οὔτε πρυμνήσι᾽ ἀνάψαι,
ἀλλ᾽ ἐπικέλσαντας μεῖναι χρόνον εἰς ὅ κε ναυτέων
θυμὸς ἐποτρύνῃ καὶ ἐπιπνεύσωσιν ἀῆται.
αὐτὰρ ἐπὶ κρατὸς λιμένος ῥέει ἀγλαὸν ὕδωρ,




140
En erop ligt een goed te beankeren haven, waar geen lijn nodig is,
of ankerstenen af te werpen of achterstevenstevenkabels vast te maken,
maar je hoeft het schip slechts op het strand te laten lopen om tewachten
tot het hart van de zeelui weer weg wil en de winden waaien.
Aan het uiteinde van de haven stroomt zelfs helder water,
κρήνη ὑπὸ σπείους· περὶ δ᾽ αἴγειροι πεφύασιν.
ἔνθα κατεπλέομεν, καί τις θεὸς ἡγεμόνευεν
νύκτα δι᾽ ὀρφναίην, οὐδὲ προυφαίνετ᾽ ἰδέσθαι·
ἀὴρ γὰρ περὶ νηυσὶ βαθεῖ᾽ ἦν, οὐδὲ σελήνη
οὐρανόθεν προύφαινε, κατείχετο δὲ νεφέεσσιν.




145
de bron zit onderin een grot; eromheen groeien zwarte populieren.
Daar voeren wij op af en een god leidde ons door een donkere nacht,
zodat niets zichtbaar werd om te onderscheiden,
want een dichte nevel hing om de schepen, geen maan
scheen aan de hemel want hij bleef gehuld in de wolken.
ἔνθ᾽ οὔ τις τὴν νῆσον ἐσέδρακεν ὀφθαλμοῖσιν,
οὔτ᾽ οὖν κύματα μακρὰ κυλινδόμενα προτὶ χέρσον
εἰσίδομεν, πρὶν νῆας ἐυσσέλμους ἐπικέλσαι.
κελσάσῃσι δὲ νηυσὶ καθείλομεν ἱστία πάντα,
ἐκ δὲ καὶ αὐτοὶ βῆμεν ἐπὶ ῥηγμῖνι θαλάσσης·




150
Dus kon niemand met eigen ogen het eiland zien,
en ook zagen we geen langgerekte golving afrollen op de kust,
voordat de schepen met stevige roeibanken het strand op schoven.
Toen de schepen waren geland lieten wij alle zeilen zakken
en zelf stapten we ook uit in de branding van de zee
ἔνθα δ᾽ ἀποβρίξαντες ἐμείναμεν Ἠῶ δῖαν.
"ἦμος δ᾽ ἠριγένεια φάνη ῥοδοδάκτυλος Ἠώς,
νῆσον θαυμάζοντες ἐδινεόμεσθα κατ᾽ αὐτήν.
ὦρσαν δὲ νύμφαι, κοῦραι Διὸς αἰγιόχοιο,
αἶγας ὀρεσκᾐους, ἵνα δειπνήσειαν ἑταῖροι.




155
Daar dan vielen we in slaap en wachtten de stralende Dageraad.
En toen dan de vroeggeboren, rozevingerige Dageraad verscheen,
liepen wij in verbazing rond over het eiland.
En op joegen de nymfen, dochters van de Aigisvoerende Zeus,
de geiten die woonden in de bergen, opdat mijn mannen te eten hadden.
αὐτίκα καμπύλα τόξα καὶ αἰγανέας δολιχαύλους
εἱλόμεθ᾽ ἐκ νηῶν, διὰ δὲ τρίχα κοσμηθέντες
βάλλομεν· αἶψα δ᾽ ἔδωκε θεὸς μενοεικέα θήρην.
νῆες μέν μοι ἕποντο δυώδεκα, ἐς δὲ ἑκάστην
ἐννέα λάγχανον αἶγες· ἐμοὶ δὲ δέκ᾽ ἔξελον οἴῳ.




160
Terstond haalden we de gekromde bogen en slingerspiesen met lange pijpen
uit de schepen, verdeelden ons in drieën en mikten;
en direct schonk een godheid ons rijke buit:
er voeren twaalf schepen met mij mee, en voor elk vielen ons negen geiten
ten deel; voor mij alleen zochten ze er tien uit.
"ὣς τότε μὲν πρόπαν ἦμαρ ἐς ἠέλιον καταδύντα
ἥμεθα δαινύμενοι κρέα τ᾽ ἄσπετα καὶ μέθυ ἡδύ·
οὐ γάρ πω νηῶν ἐξέφθιτο οἶνος ἐρυθρός,
ἀλλ᾽ ἐνέην· πολλὸν γὰρ ἐν ἀμφιφορεῦσιν ἕκαστοι
ἠφύσαμεν Κικόνων. ἱερὸν πτολίεθρον ἑλόντες.




165
Zo zaten wij toen de hele dag tot zonsondergang ontzaggelijk veel
vlees te eten en lekkere wijn te drinken,
want nog niet was de rode wijn uit de schepen op,
nee, er was nog aan boord, want allemaal hadden we veel in de kruiken
geschept na de inname van de stad der Kikonen.
Κυκλώπων δ᾽ ἐς γαῖαν ἐλεύσσομεν ἐγγὺς ἐόντων,
καπνόν τ᾽ αὐτῶν τε φθογγὴν ὀίων τε καὶ αἰγῶν.
ἦμος δ᾽ ἠέλιος κατέδυ καὶ ἐπὶ κνέφας ἦλθε,
δὴ τότε κοιμήθημεν ἐπὶ ῥηγμῖνι θαλάσσης.



169
En wij hadden uitzicht op het land der Kyklopen, die dichtbij wonen,
wij zagen rook en hoorden hun stemmen en geblaat van schapen en geiten.
Toen nu de zon onderging en de duisternis intrad,
legden wij ons te slapen bij de branding van de zee.
sierstrik sierstrik
9,170 - 230: Naar het hol van de Kykloop.
ἦμος δ᾽ ἠριγένεια φάνη ῥοδοδάκτυλος Ἠώς,
καὶ τότ᾽ ἐγὼν ἀγορὴν θέμενος μετὰ πᾶσιν ἔειπον·
"᾽ἄλλοι μὲν νῦν μίμνετ᾽, ἐμοὶ ἐρίηρες ἑταῖροι·
αὐτὰρ ἐγὼ σὺν νηί τ᾽ ἐμῇ καὶ ἐμοῖς ἑτάροισιν
ἐλθὼν τῶνδ᾽ ἀνδρῶν πειρήσομαι, οἵ τινές εἰσιν,
ἤ ῥ᾽ οἵ γ᾽ ὑβρισταί τε καὶ ἄγριοι οὐδὲ δίκαιοι,





175
- Toen nu de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak,
belegde ik een vergadering en sprak onder allen:
"Blijven jullie nu hier, mijn andere trouwe mannen,
dan ga ik met mijn schip en mijn mannen
op onderzoek uit naar de mensen hier, wat voor lieden het zijn,
of zij kwaadardig zijn en wild en onbeschaafd,
ἦε φιλόξεινοι, καί σφιν νόος ἐστὶ θεουδής.
"ὣς εἰπὼν ἀνὰ νηὸς ἔβην, ἐκέλευσα δ᾽ ἑταίρους
αὐτούς τ᾽ ἀμβαίνειν ἀνά τε πρυμνήσια λῦσαι.
οἱ δ᾽ αἶψ᾽ εἴσβαινον καὶ ἐπὶ κληῖσι καθῖζον,
ἑξῆς δ᾽ ἑζόμενοι πολιὴν ἅλα τύπτον ἐρετμοῖς.




180
ofwel gastvrij, en hun gezindheid godsvrezend".
Na deze woorden ging ik aan boord en beval mijn mannen
zelf aan boord te gaan en de achtertrossen in te nemen,
en zij scheepten snel in en zetten zich aan de roeiriemen,
en, gezeten op rij, sloegen zij de grauwgrijze zee met de riemen.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ τὸν χῶρον ἀφικόμεθ᾽ ἐγγὺς ἐόντα,
ἔνθα δ᾽ ἐπ᾽ ἐσχατιῇ σπέος εἴδομεν ἄγχι θαλάσσης,
ὑψηλόν, δάφνῃσι κατηρεφές. ἔνθα δὲ πολλὰ
μῆλ᾽, ὄιές τε καὶ αἶγες, ἰαύεσκον· περὶ δ᾽ αὐλὴ
ὑψηλὴ δέδμητο κατωρυχέεσσι λίθοισι




185
Maar toen we nu het land bereikten, dat dichtbij lag,
zagen we daar langs de uiterste rand een grot, dichtbij de zee,
een hoge, overdekt met laurierbomen; daar was de slaapplaats
van veel kleinvee, schapen en geiten; en er omheen stond een
hoge omheining van ingegraven stenen.
μακρῇσίν τε πίτυσσιν ἰδὲ δρυσὶν ὑψικόμοισιν.
ἔνθα δ᾽ ἀνὴρ ἐνίαυε πελώριος, ὅς ῥα τὰ μῆλα
οἶος ποιμαίνεσκεν ἀπόπροθεν· οὐδὲ μετ᾽ ἄλλους
πωλεῖτ᾽, ἀλλ᾽ ἀπάνευθεν ἐὼν ἀθεμίστια ᾔδη.
καὶ γὰρ θαῦμ᾽ ἐτέτυκτο πελώριον, οὐδὲ ἐῴκει




190
en grote pijnbomen en eiken met hoge kruinen
Daar had een kolos van een man zijn verblijfplaats, die zijn vee
alleen placht te weiden,ver weg; want niet liet hij zich in
met anderen, maar, eenzelvig, was hij van onrecht vervuld.
Want hij was een geweldig gedrocht, en hij leek niet
ἀνδρί γε σιτοφάγῳ, ἀλλὰ ῥίῳ ὑλήεντι
ὑψηλῶν ὀρέων, ὅ τε φαίνεται οἶον ἀπ᾽ ἄλλων.
"δὴ τότε τοὺς ἄλλους κελόμην ἐρίηρας ἑταίρους
αὐτοῦ πὰρ νηί τε μένειν καὶ νῆα ἔρυσθαι,
αὐτὰρ ἐγὼ κρίνας ἑτάρων δυοκαίδεκ᾽ ἀρίστους




195
op een graanetend mens, maar eerder een met bos begroeide top,
hoog in het gebergte, zoals die daar eenzaam staat, weg van de anderen.
- Toen nu beval ik mijn andere trouwe mannen
daar bij het schip te blijven en het te bewaken,
maar ik koos de twaalf besten van mijn mannen uit
βῆν· ἀτὰρ αἴγεον ἀσκὸν ἔχον μέλανος οἴνοιο
ἡδέος, ὅν μοι ἔδωκε Μάρων, Εὐάνθεος υἱός,
ἱρεὺς Ἀπόλλωνος, ὃς Ἴσμαρον ἀμφιβεβήκει,
οὕνεκά μιν σὺν παιδὶ περισχόμεθ᾽ ἠδὲ γυναικὶ
ἁζόμενοι· ᾤκει γὰρ ἐν ἄλσεϊ δενδρήεντι




200
en ging op weg; en ik had een zak van geitenleer met wijn,
lekkere, donkerrode, die Maroon, de zoon van Euanthes, mij gaf,
de priester van Apolloon, patroon van Ismaron,
omdat wij hem met zijn zoon en zijn vrouw spaarden
uit respect; hij woonde namelijk in een boomrijk heilig woud
Φοίβου Ἀπόλλωνος. ὁ δέ μοι πόρεν ἀγλαὰ δῶρα·
χρυσοῦ μέν μοι ἔδωκ᾽ ἐυεργέος ἑπτὰ τάλαντα,
δῶκε δέ μοι κρητῆρα πανάργυρον, αὐτὰρ ἔπειτα
οἶνον ἐν ἀμφιφορεῦσι δυώδεκα πᾶσιν ἀφύσσας
ἡδὺν ἀκηράσιον, θεῖον ποτόν· οὐδέ τις αὐτὸν




205
gewijd aan Phoibos Apolloon. En hij bood mij schitterende cadeaus
en gaf mij zeven talenten mooi bewerkt goud,
bovendien gaf hij me een massief zilveren mengvat, en voorts
had hij in twaalf kruiken in totaal wij heerljke, onversneden wijn
geschept, een goddelijke drank; niemand van de slaven
ἠείδη δμώων οὐδ᾽ ἀμφιπόλων ἐνὶ οἴκῳ,
ἀλλ᾽ αὐτὸς ἄλοχός τε φίλη ταμίη τε μί᾽ οἴη.
τὸν δ᾽ ὅτε πίνοιεν μελιηδέα οἶνον ἐρυθρόν,
ἓν δέπας ἐμπλήσας ὕδατος ἀνὰ εἴκοσι μέτρα
χεῦ᾽, ὀδμὴ δ᾽ ἡδεῖα ἀπὸ κρητῆρος ὀδώδει




210
of dienaren in huis wist van zijn bestaan,
afgezien van hijzelf en zijn vrouw en maar één huishoudster;
wanneer men die rode wijn dronk,
goot hij één beker uit over twintig delen water,
en een zoete geur steeg op uit het mengvat,
θεσπεσίη· τότ᾽ ἂν οὔ τοι ἀποσχέσθαι φίλον ἦεν.
τοῦ φέρον ἐμπλήσας ἀσκὸν μέγαν, ἐν δὲ καὶ ᾖα
κωρύκῳ· αὐτίκα γάρ μοι ὀίσατο θυμὸς ἀγήνωρ
ἄνδρ᾽ ἐπελεύσεσθαι μεγάλην ἐπιειμένον ἀλκήν,
ἄγριον, οὔτε δίκας ἐὺ εἰδότα οὔτε θέμιστας.




215
een goddelijke; dan zou het niet prettig zijn er vanaf te blijven.
Daarmee had ik een grote geitenleren zak gevuld en droeg die mee,
bovendien proviand in een leren rugzak, want meteen al had ik
het vermoeden bij een man terecht te komen van enorm geweld,
een woesteling, zonder weet van wet of recht.
"καρπαλίμως δ᾽ εἰς ἄντρον ἀφικόμεθ᾽, οὐδέ μιν ἔνδον
εὕρομεν, ἀλλ᾽ ἐνόμευε νομὸν κάτα πίονα μῆλα.
ἐλθόντες δ᾽ εἰς ἄντρον ἐθηεύμεσθα ἕκαστα.
ταρσοὶ μὲν τυρῶν βρῖθον, στείνοντο δὲ σηκοὶ
ἀρνῶν ἠδ᾽ ἐρίφων· διακεκριμέναι δὲ ἕκασται




220
- Snel kwamen we in de grot maar we troffen hem niet thuis,
nee, hij was zijn vette schapen nog op het veld aan het hoeden.
Wij gingen nu de grot in en stonden perplex over wat we er zagen.
Droogmanden stonden vol kazen, en kooien
waren gevuld met lammetjes en geitjes, elke soort apart opgesloten:
ἔρχατο, χωρὶς μὲν πρόγονοι, χωρὶς δὲ μέτασσαι,
χωρὶς δ᾽ αὖθ᾽ ἕρσαι. ναῖον δ᾽ ὀρῷ ἄγγεα πάντα,
γαυλοί τε σκαφίδες τε, τετυγμένα, τοῖς ἐνάμελγεν.
ἔνθ᾽ ἐμὲ μὲν πρώτισθ᾽ ἕταροι λίσσοντ᾽ ἐπέεσσιν
τυρῶν αἰνυμένους ἰέναι πάλιν, αὐτὰρ ἔπειτα




225
de oudere apart, apart weer later geborenen,
en ook weer apart de nakomers. En alle vaten stonden vol wei,
en ook melkemmers en putsen, goed gemaakt, waarin hij melkte.
Toen dan smeekten mijn mannen dringend eerst
van de kazen wat mee te nemen en terug te gaan, maar later
καρπαλίμως ἐπὶ νῆα θοὴν ἐρίφους τε καὶ ἄρνας
σηκῶν ἐξελάσαντας ἐπιπλεῖν ἁλμυρὸν ὕδωρ·.
ἀλλ᾽ ἐγὼ οὐ πιθόμην, ἦ τ᾽ ἂν πολὺ κέρδιον ἦεν,
ὄφρ᾽ αὐτόν τε ἴδοιμι, καὶ εἴ μοι ξείνια δοίη.
οὐδ᾽ ἄρ᾽ ἔμελλ᾽ ἑτάροισι φανεὶς ἐρατεινὸς ἔσεσθαι.




230
snel naar het snelle schip wat geitjes en lammetjes te drijven
na ze uit hun hokken gehaald te hebben en daarmee de zee op te varen;
Maar ik, ik luisterde niet, ach, dat zou wel beter geweest zijn!
in de hoop hemzelf te zien en te kijken of hij gastgeschenken zou geven.
Maar niet zou hij zo'n lieverdje blijken voor mijn mannen......
sierstrik sierstrik
9,231 - 306: Polyfemos houdt huis.
ἔνθα δὲ πῦρ κήαντες ἐθύσαμεν ἠδὲ καὶ αὐτοὶ
τυρῶν αἰνύμενοι φάγομεν, μένομέν τέ μιν ἔνδον
ἥμενοι, ἧος ἐπῆλθε νέμων. φέρε δ᾽ ὄβριμον ἄχθος
ὕλης ἀζαλέης, ἵνα οἱ ποτιδόρπιον εἴη,
ἔντοσθεν δ᾽ ἄντροιο βαλὼν ὀρυμαγδὸν ἔθηκεν·




235
- Toen ontstaken wij een vuur, brachten een brandoffer en deden ook zelf
ons te goed aan de kazen, en wij wachtten hem, binnen gezeten, op
totdat hij eraan kwam met zijn kudde. En hij droeg een geweldige vracht
droog hout om bij zijn maaltijd licht en warmte te hebben,
en hij smeet het met een donderend gedreun neer in de grot;
ἡμεῖς δὲ δείσαντες ἀπεσσύμεθ᾽ ἐς μυχὸν ἄντρου.
αὐτὰρ ὅ γ᾽ εἰς εὐρὺ σπέος ἤλασε πίονα μῆλα
πάντα μάλ᾽ ὅσσ᾽ ἤμελγε, τὰ δ᾽ ἄρσενα λεῖπε θύρηφιν,
ἀρνειούς τε τράγους τε, βαθείης ἔκτοθεν αὐλῆς.
αὐτὰρ ἔπειτ᾽ ἐπέθηκε θυρεὸν μέγαν ὑψόσ᾽ ἀείρας,




240
Wij doken angstig weg in de achterste hoek van de grot,
terwijl hij zijn vette vee de brede grot binnendreef
voorzover hij die placht te melken, want de mannetjes liet hij buiten,
de rammen en bokken, buiten in de omheinde hof.
Maar daarna tilde hij een grote deursteen omhoog en zette die op zijn plaats,
ὄβριμον· οὐκ ἂν τόν γε δύω καὶ εἴκοσ᾽ ἄμαξαι
ἐσθλαὶ τετράκυκλοι ἀπ᾽ οὔδεος ὀχλίσσειαν·
τόσσην ἠλίβατον πέτρην ἐπέθηκε θύρῃσιν.
ἑζόμενος δ᾽ ἤμελγεν ὄις καὶ μηκάδας αἶγας,
πάντα κατὰ μοῖραν, καὶ ὑπ᾽ ἔμβρυον ἧκεν ἑκάστῃ.




245
een enorm gevaarte: geen tweeëntwintig stevige karren
met vier fikse wielen zouden hem van de drempel weg kunnen krijgen,
zo'n geweldig hoog blok zette hij tegen de toegang.
Dan ging hij zitten en melkte de schapen en mekkerende geiten,
alles volgens de regels, en elk jong liet hij bij zijn moeder.
αὐτίκα δ᾽ ἥμισυ μὲν θρέψας λευκοῖο γάλακτος
πλεκτοῖς ἐν ταλάροισιν ἀμησάμενος κατέθηκεν,
ἥμισυ δ᾽ αὖτ᾽ ἔστησεν ἐν ἄγγεσιν, ὄφρα οἱ εἴη
πίνειν αἰνυμένῳ καί οἱ ποτιδόρπιον εἴη.
αὐτὰρ ἐπεὶ δὴ σπεῦσε πονησάμενος τὰ ἃ ἔργα,




250
En meteen stremde hij de helft van de witte melk
en zette die weg, samengepakt tot kazen in gevlochten manden,
de andere helft goot hij in vaten, om bij de hand te hebben
als hij er van wilde nemen en voor bij zijn eten.
Maar toen hij dan gejaagd dat werk van hem gedaan had,
καὶ τότε πῦρ ἀνέκαιε καὶ εἴσιδεν, εἴρετο δ᾽ ἡμέας·
" ὦ ξεῖνοι, τίνες ἐστέ; πόθεν πλεῖθ᾽ ὑγρὰ κέλευθα;
ἦ τι κατὰ πρῆξιν ἦ μαψιδίως ἀλάλησθε,
οἷά τε ληιστῆρες, ὑπεὶρ ἅλα, τοί τ᾽ ἀλόωνται
ψυχὰς παρθέμενοι κακὸν ἀλλοδαποῖσι φέροντες;"




255
toen ontstak hij een vuur en kreeg ons in de gaten en hij vroeg:
"Hé, vreemdelingen, wie zijn julle? Waarvoor bevaren jullie
de waterwegen? Voor iets bepaalds of zwerven jullie zomaar wat rond,
als piraten, die rondzwalken op zee
en hun leven riskeren tot onheil voor anderen?
ὣς ἔφαθ᾽, ἡμῖν δ᾽ αὖτε κατεκλάσθη φίλον ἦτορ,
δεισάντων φθόγγον τε βαρὺν αὐτόν τε πέλωρον.
ἀλλὰ καὶ ὥς μιν ἔπεσσιν ἀμειβόμενος προσέειπον·
" ἡμεῖς τοι Τροίηθεν ἀποπλαγχθέντες Ἀχαιοὶ
παντοίοις ἀνέμοισιν ὑπὲρ μέγα λαῖτμα θαλάσσης,




260
Dat zei hij, maar bij ons zonk het hart in de knieën,
geschrokken van zijn zware stem en die reuzegestalte.
Maar toch sprak ik hem weer ten antwoord:
"Wij zijn Grieken, op weg vanuit Troje uit de koers geslagen
door allerlei tegenwind kwamen wij over de grote diepte der zee,
οἴκαδε ἱέμενοι, ἄλλην ὁδὸν ἄλλα κέλευθα
ἤλθομεν· οὕτω που Ζεὺς ἤθελε μητίσασθαι.
λαοὶ δ᾽ Ἀτρεΐδεω Ἀγαμέμνονος εὐχόμεθ᾽ εἶναι,
τοῦ δὴ νῦν γε μέγιστον ὑπουράνιον κλέος ἐστί·
τόσσην γὰρ διέπερσε πόλιν καὶ ἀπώλεσε λαοὺς




265
hoewel verlangend naar huis, via een verkeerde route van foute koersen
hier terecht: zo wilde het kennelijk Zeus' besluit.
Wij beroemen ons erop krijgsvolk te zijn van Atreus'zoon Agamemnoon,
wiens roem toch wel het grootst is op aarde
nu hij zo'n grote stad vernietigd heeft en veel krijgsvolk doodde.
πολλούς. ἡμεῖς δ᾽ αὖτε κιχανόμενοι τὰ σὰ γοῦνα
ἱκόμεθ᾽, εἴ τι πόροις ξεινήιον ἠὲ καὶ ἄλλως
δοίης δωτίνην, ἥ τε ξείνων θέμις ἐστίν.
ἀλλ᾽ αἰδεῖο, φέριστε, θεούς· ἱκέται δέ τοί εἰμεν,
Ζεὺς δ᾽ ἐπιτιμήτωρ ἱκετάων τε ξείνων τε,




270
Maar wij, hier gekomen, smeken u deemoedig
om ons gastvrij te ontvangen of anders ter wille te zijn,
zoals dat het recht van vreemdelingen is.
Heb dus respect voor de goden, beste man, wij zijn toch smekelingen,
en Zeus, die gastvrijheid wenst, beschermt smekende vreemdelingen,
ξείνιος, ὃς ξείνοισιν ἅμ᾽ αἰδοίοισιν ὀπηδεῖ."
ὣς ἐφάμην, ὁ δέ μ᾽ αὐτίκ᾽ ἀμείβετο νηλέι θυμῷ:·
"νήπιός εἰς, ὦ ξεῖν᾽, ἢ τηλόθεν εἰλήλουθας,
ὅς με θεοὺς κέλεαι ἢ δειδίμεν ἢ ἀλέασθαι·
οὐ γὰρ Κύκλωπες Διὸς αἰγιόχου ἀλέγουσιν




275
en staat respectvolle vreemden bij".
Zo sprak ik, maar hij antwoordde terstond met meedogenloos hart:
"Jij bent een sufferd, vreemde, ofwel van heel ver gekomen,
dat je me beveeltde goden te vrezen of voor ze op te passen,
want Kyklopen hebben maling aan een aegisvoerende Zeus
οὐδὲ θεῶν μακάρων, ἐπεὶ ἦ πολὺ φέρτεροί εἰμεν·
οὐδ᾽ ἂν ἐγὼ Διὸς ἔχθος ἀλευάμενος πεφιδοίμην
οὔτε σεῦ οὔθ᾽ ἑτάρων, εἰ μὴ θυμός με κελεύοι.
ἀλλά μοι εἴφ᾽ ὅπῃ ἔσχες ἰὼν ἐυεργέα νῆα,
ἤ που ἐπ᾽ ἐσχατιῆς, ἦ καὶ σχεδόν, ὄφρα δαείω."




280
of gelukzalige goden; wij zijn immers veel machtiger,
en ik zeker niet zal uit vrees voor de gramdschap van Zeus jou
of je mannen genadig zijn, tenzij mijn eigen gemoed me dat ingeeft.
Maar zeg eens waar je je mooie schip ankerde bij aankomst,
soms op de landtong of hier vlakbij, dat wil ik graag weten.
ὣς φάτο πειράζων, ἐμὲ δ᾽ οὐ λάθεν εἰδότα πολλά,
ἀλλά μιν ἄψορρον προσέφην δολίοις ἐπέεσσι·
" ᾽Νέα μέν μοι κατέαξε Ποσειδάων ἐνοσίχθων
πρὸς πέτρῃσι βαλὼν ὑμῆς ἐπὶ πείρασι γαίης,
ἄκρῃ προσπελάσας· ἄνεμος δ᾽ ἐκ πόντου ἔνεικεν·




285
Zo sprak hij vorsend, maar ik had alles wel door,
dus ik zei weer tegen hem met listige inkleding:
"Ons schip sloeg me de aardschudder Poseidoon te pletter
tegen de rotsen aan de grens van jullie land,
door het op een kaap te werpen; want de wind vanuit zee dreef het voort;
αὐτὰρ ἐγὼ σὺν τοῖσδε ὑπέκφυγον αἰπὺν ὄλεθρον."
ὣς ἐφάμην, ὁ δέ μ᾽ οὐδὲν ἀμείβετο νηλέι θυμῷ,
ἀλλ᾽ ὅ γ᾽ ἀναΐξας ἑτάροις ἐπὶ χεῖρας ἴαλλε,
σὺν δὲ δύω μάρψας ὥς τε σκύλακας ποτὶ γαίῃ
κόπτ᾽· ἐκ δ᾽ ἐγκέφαλος χαμάδις ῥέε, δεῦε δὲ γαῖαν.




290
maar ik wist met hen hier het steile verderf te ontkomen".
Dat hield ik hem voor, maar de bruut antwoordde mij niet eens,
nee, hij sprong op en klauwde naar mijn mannen,
greep er twee tegelijk en sloeg ze als puppies tegen de grond;
en hun hersens dropen neer op de bodem en lekten op de aarde.
τοὺς δὲ διὰ μελεϊστὶ ταμὼν ὡπλίσσατο δόρπον·
ἤσθιε δ᾽ ὥς τε λέων ὀρεσίτροφος, οὐδ᾽ ἀπέλειπεν,
ἔγκατά τε σάρκας τε καὶ ὀστέα μυελόεντα.
ἡμεῖς δὲ κλαίοντες ἀνεσχέθομεν Διὶ χεῖρας,
σχέτλια ἔργ᾽ ὁρόωντες, ἀμηχανίη δ᾽ ἔχε θυμόν.




295
Hij sneed hen in stukken en maakte van hen zijn avondeten,
hij vrat als een leeuw, opgegroeid in het gebergte, zonder iets over te laten:
ingewanden en vlees en botten vol merg.
Wij echter hieven huilend onze handen op naar Zeus,
bij het zien van dit schandelijk gedrag, en radeloosheid verlamde ons.
αὐτὰρ ἐπεὶ Κύκλωψ μεγάλην ἐμπλήσατο νηδὺν
ἀνδρόμεα κρέ᾽ ἔδων καὶ ἐπ᾽ ἄκρητον γάλα πίνων,
κεῖτ᾽ ἔντοσθ᾽ ἄντροιο τανυσσάμενος διὰ μήλων.
τὸν μὲν ἐγὼ βούλευσα κατὰ μεγαλήτορα θυμὸν
ἆσσον ἰών, ξίφος ὀξὺ ἐρυσσάμενος παρὰ μηροῦ,




300
Toen de Kykloop zijn grote pens gevuld had
met het eten van mensenvlees en het drinken van onvermengde melk,
strekte hij zich uit in de grot tussen zijn vee.
En ik vatte al het stooutmoedige plan op
om snel op hem af te gaan met mij scherpe zwaard in de aanslag,
οὐτάμεναι πρὸς στῆθος, ὅθι φρένες ἧπαρ ἔχουσι,
χείρ᾽ ἐπιμασσάμενος· ἕτερος δέ με θυμὸς ἔρυκεν.
αὐτοῦ γάρ κε καὶ ἄμμες ἀπωλόμεθ᾽ αἰπὺν ὄλεθρον·
οὐ γάρ κεν δυνάμεσθα θυράων ὑψηλάων
χερσὶν ἀπώσασθαι λίθον ὄβριμον, ὃν προσέθηκεν.




305
en hem recht in de borst te treffen, waar het middenrif de lever omsluit,
op de tast; maar een andere gedachte weerhield mij.
Want daar zouden wij ter plekke een afschuwelijke dood gestorven zijn,
want we zouden niet in staat zijn van de hoge uitgang
met onze handen de geweldige steen weg te krijgen die hij ervoor gezet had.
ὣς τότε μὲν στενάχοντες ἐμείναμεν Ἠῶ δῖαν. In die toestand wachtten wij jammerend de stralende Dageraad af.
sierstrik sierstrik
9,307 - 414: Wat nu?
ἦμος δ᾽ ἠριγένεια φάνη ῥοδοδάκτυλος Ἠώς,
καὶ τότε πῦρ ἀνέκαιε καὶ ἤμελγε κλυτὰ μῆλα,
πάντα κατὰ μοῖραν, καὶ ὑπ᾽ ἔμβρυον ἧκεν ἑκάστῃ.
αὐτὰρ ἐπεὶ δὴ σπεῦσε πονησάμενος τὰ ἃ ἔργα,



310
- Toen nu de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak
stak hij het vuur aan en melkte zijn prachtige vee,
alles naar behoren, en elk jong zette hij weer onder zijn moeder.
En toen hij zijn klussen vlug had geklaard,
σὺν δ᾽ ὅ γε δὴ αὖτε δύω μάρψας ὡπλίσσατο δεῖπνον.
δειπνήσας δ᾽ ἄντρου ἐξήλασε πίονα μῆλα,
ῥηιδίως ἀφελὼν θυρεὸν μέγαν· αὐτὰρ ἔπειτα
ἂψ ἐπέθηχ᾽, ὡς εἴ τε φαρέτρῃ πῶμ᾽ ἐπιθείη.
πολλῇ δὲ ῥοίζῳ πρὸς ὄρος τρέπε πίονα μῆλα




315
greep hij er weer twee en maakte daar zijn brunch van.
En na deze maaltijd dreef hij zijn vette vee weer naar buiten,
na met gemak de grote deursteen weggenomen te hebben;
maar hij zette hem daarna ook weer terug, alsof hij een deksel dichtdeed
op een pijlkoker. En luid fluitend dreef de kykloop zijn vette vee
Κύκλωψ· αὐτὰρ ἐγὼ λιπόμην κακὰ βυσσοδομεύων,
εἴ πως τισαίμην, δοίη δέ μοι εὖχος Ἀθήνη.
ἥδε δέ μοι κατὰ θυμὸν ἀρίστη φαίνετο βουλή.
Κύκλωπος γὰρ ἔκειτο μέγα ῥόπαλον παρὰ σηκῷ,
χλωρὸν ἐλαΐνεον· τὸ μὲν ἔκταμεν, ὄφρα φοροίη




320
naar het gebergte. Maar ik bleef achter, op kwaad broedend,
in de hoop dat ik wraak kon nemen en Athene mij roem zou schenken.
- En het volgende plan scheen mij, bij overweging, het beste:
Er lag namelijk een grote stok van de Kykloop bij 'n kooi,
'n groene, van olijfhout; die had hij afgesneden om te dragen
αὐανθέν. τὸ μὲν ἄμμες ἐίσκομεν εἰσορόωντες
ὅσσον θ᾽ ἱστὸν νηὸς ἐεικοσόροιο μελαίνης,
φορτίδος εὐρείης, ἥ τ᾽ ἐκπεράᾳ μέγα λαῖτμα·
τόσσον ἔην μῆκος, τόσσον πάχος εἰσοράασθαι.
τοῦ μὲν ὅσον τ᾽ ὄργυιαν ἐγὼν ἀπέκοψα παραστὰς




325
als hij gedroogd was. Wij schatten hem op het oog zo groot
als de mast van een donker vrachtschip met twintig roeiers,
een breed schip, dat de grote afgrond oversteekt,
zo groot was zijn lengte, en zo groot zijn dikte, zo te zien.
Daar liep ik heen en hakte er een stuk af van omgeveer een vadem
καὶ παρέθηχ᾽ ἑτάροισιν, ἀποξῦναι δ᾽ ἐκέλευσα·
οἱ δ᾽ ὁμαλὸν ποίησαν· ἐγὼ δ᾽ ἐθόωσα παραστὰς
ἄκρον, ἄφαρ δὲ λαβὼν ἐπυράκτεον ἐν πυρὶ κηλέῳ.
καὶ τὸ μὲν εὖ κατέθηκα κατακρύψας ὑπὸ κόπρῳ,
ἥ ῥα κατὰ σπείους κέχυτο μεγάλ᾽ ἤλιθα πολλή·




330
en legde hem neer voor mijn mannen met de opdracht hem te scherpen.
En zij maakten hem glad en ik kwam erbij en maakte er
een scherpe punt aan, en ik draaide hem in het vlammende vuur.
Daarna verborg ik hem zorgvuldig onder de mest,
die daar namelijk wijd en zijd, overal in de grot gedeponeerd lag
αὐτὰρ τοὺς ἄλλους κλήρῳ πεπαλάσθαι ἄνωγον,
ὅς τις τολμήσειεν ἐμοὶ σὺν μοχλὸν ἀείρας
τρῖψαι ἐν ὀφθαλμῷ, ὅτε τὸν γλυκὺς ὕπνος ἱκάνοι.
οἱ δ᾽ ἔλαχον τοὺς ἄν κε καὶ ἤθελον αὐτὸς ἑλέσθαι,
τέσσαρες, αὐτὰρ ἐγὼ πέμπτος μετὰ τοῖσιν ἐλέγμην.




335
Maar de anderen liet ik loten,
wie, samen met mij, moest wagen de paal in zijn oog te drukken,
wanneer hij een zoete slaap zou slapen.
En het lot viel op hen die ik ook zelf had willen kiezen,
vier man, waarbij ik me als vijfde voegde.
ἑσπέριος δ᾽ ἦλθεν καλλίτριχα μῆλα νομεύων.
αὐτίκα δ᾽ εἰς εὐρὺ σπέος ἤλασε πίονα μῆλα
πάντα μάλ᾽, οὐδέ τι λεῖπε βαθείης ἔκτοθεν αὐλῆς,
ἤ τι ὀισάμενος, ἢ καὶ θεὸς ὣς ἐκέλευσεν.
αὐτὰρ ἔπειτ᾽ ἐπέθηκε θυρεὸν μέγαν ὑψόσ᾽ ἀείρας,




340
- En 's avonds kwam hij als herder met zijn mooiharige vee weer terug.
En meteen dreef hij zijn vette vee de brede grot in,
allemaal, en hij liet geen dier buiten in de omheining,
ofwel omdat hij iets vermoedde, ofwel omdat een god het zo wilde.
Maar vervolgens tilde hij wel weer de grote deursteen voor de uitgang,
ἑζόμενος δ᾽ ἤμελγεν ὄις καὶ μηκάδας αἶγας,
πάντα κατὰ μοῖραν, καὶ ὑπ᾽ ἔμβρυον ἧκεν ἑκάστῃ.
αὐτὰρ ἐπεὶ δὴ σπεῦσε πονησάμενος τὰ ἃ ἔργα,
σὺν δ᾽ ὅ γε δὴ αὖτε δύω μάρψας ὡπλίσσατο δόρπον.
καὶ τότ᾽ ἐγὼ Κύκλωπα προσηύδων ἄγχι παραστάς,




345
en hij ging zitten en melkte zijn schapen en mekkerende geiten,
alles naar behoren, en elk jong zette hij onder zijn moeder.
En toen hij rap zijn klussen geklaard had,
greep hij er weer twee en maakte daar zijn avondeten van.
Toen dan ging ik naar de kykloop toe en zei tegen hem,
κισσύβιον μετὰ χερσὶν ἔχων μέλανος οἴνοιο·
"Κύκλωψ, τῆ, πίε οἶνον, ἐπεὶ φάγες ἀνδρόμεα κρέα,
ὄφρ᾽ εἰδῇς οἷόν τι ποτὸν τόδε νηῦς ἐκεκεύθει
ἡμετέρη. σοὶ δ᾽ αὖ λοιβὴν φέρον, εἴ μ᾽ ἐλεήσας
οἴκαδε πέμψειας· σὺ δὲ μαίνεαι οὐκέτ᾽ ἀνεκτῶς.




350
met een nap in mijn handen vol donkere wijn:
"Kykloop, hier, drink wijn, nu je mensenvlees hebt gegeten,
opdat je ziet wat voor heerlijke drank ons schip aan boord had.
Voor u bracht ik die als plengoffer mee, in de hoop dat u me zou helpen
aan een geleide naar huis; maar gij gaat tekeer, 't is niet mooi meer.
σχέτλιε, πῶς κέν τίς σε καὶ ὕστερον ἄλλος ἵκοιτο
ἀνθρώπων πολέων, ἐπεὶ οὐ κατὰ μοῖραν ἔρεξας;"
ὣς ἐφάμην, ὁ δ᾽ ἔδεκτο καὶ ἔκπιεν· ἥσατο δ᾽ αἰνῶς
ἡδὺ ποτὸν πίνων καὶ μ᾽ ᾔτεε δεύτερον αὖτις·
"δός μοι ἔτι πρόφρων, καί μοι τεὸν οὔνομα εἰπὲ




355
Onmens, hoe zal nog ooit 'n ander mens, hoe veel er ook zijn,
voortaan naar jou toekomen, na wat je aan ergerlijks deed?"
- Dat zei ik, en hij nam hem aan en dronk tot de bodem; en hij vond
het vreselijk lekker, dat drinken van die lekkere wijn en vroeg me een tweede:
"Geef me er alsjeblieft nog een, en zeg me je naam
αὐτίκα νῦν, ἵνα τοι δῶ ξείνιον, ᾧ κε σὺ χαίρῃς·
καὶ γὰρ Κυκλώπεσσι φέρει ζείδωρος ἄρουρα
οἶνον ἐριστάφυλον, καί σφιν Διὸς ὄμβρος ἀέξει·
ἀλλὰ τόδ᾽ ἀμβροσίης καὶ νέκταρός ἐστιν ἀπορρώξ."
ὣς φάτ᾽, ἀτάρ οἱ αὖτις ἐγὼ πόρον αἴθοπα οἶνον.




360
nu meteen opdat ik je een gastgeschenk geef waar je plezier aan beleeft,
want ook bij de kyklopen brengt de vruchtbare grond wijn voort
uit dikke trossen, en de regen van Zeus doet die gedijen,
maar dit hier is iets van ambrozijn en nektar".
Dat zei hij, en ik gaf hem nog eens fonkelende wijn.
τρὶς μὲν ἔδωκα φέρων, τρὶς δ᾽ ἔκπιεν ἀφραδίῃσιν.
αὐτὰρ ἐπεὶ Κύκλωπα περὶ φρένας ἤλυθεν οἶνος,
καὶ τότε δή μιν ἔπεσσι προσηύδων μειλιχίοισι·
"Κύκλωψ, εἰρωτᾷς μ᾽ ὄνομα κλυτόν, αὐτὰρ ἐγώ τοι
ἐξερέω· σὺ δέ μοι δὸς ξείνιον, ὥς περ ὑπέστης.




365
Driemaal ging ik er een voor hem halen, en driemaal goot hij ze naar binnen,
niets vermoedend; maar toen de wijn de kykloop naar het hoofd steeg,
toen zei ik tot hem met honingzoete woorden:
"Kykloop, u vraagt me mijn roemvolle naam, ik zal u die zeggen,
maar geeft u mij dan uw gastgeschenk, zoals u beloofde.
Οὖτις ἐμοί γ᾽ ὄνομα· Οὖτιν δέ με κικλήσκουσι
μήτηρ ἠδὲ πατὴρ ἠδ᾽ ἄλλοι πάντες ἑταῖροι."
ὣς ἐφάμην, ὁ δέ μ᾽ αὐτίκ᾽ ἀμείβετο νηλέι θυμῷ·
"Οὖτιν ἐγὼ πύματον ἔδομαι μετὰ οἷς ἑτάροισιν,
τοὺς δ᾽ ἄλλους πρόσθεν· τὸ δέ τοι ξεινήιον ἔσται".




370
Niemand is mijn naam: Niemand noemen mij mijn moeder
en vader en alle anderen, mijn mannen".
Dat zei ik, en hij antwoordde meteen, meedogenloos:
"Niemand zal ik het ik het laatst van allemaal opeten,
de anderen eerst: dat zal je gastgeschenk zijn".
ἦ καὶ ἀνακλινθεὶς πέσεν ὕπτιος, αὐτὰρ ἔπειτα
κεῖτ᾽ ἀποδοχμώσας παχὺν αὐχένα, κὰδ δέ μιν ὕπνος
ᾕρει πανδαμάτωρ· φάρυγος δ᾽ ἐξέσσυτο οἶνος
ψωμοί τ᾽ ἀνδρόμεοι· ὁ δ᾽ ἐρεύγετο οἰνοβαρείων.
καὶ τότ᾽ ἐγὼ τὸν μοχλὸν ὑπὸ σποδοῦ ἤλασα πολλῆς,




375
Met deze woorden zeeg hij achterover op zijn rug.
Daar lag hij, zijn brede nek opzijgebogen, en de albedwingende slaap
kreeg hem in zijn greep; en uit zijn strot gulpte wijn
en brokstukken mensenvlees; want hij braakte het uit, zat van de wijn.
En toen duwde ik die houtstam onder de grote berg as,
ἧος θερμαίνοιτο· ἔπεσσι δὲ πάντας ἑταίρους
θάρσυνον, μή τίς μοι ὑποδείσας ἀναδύη.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ τάχ᾽ ὁ μοχλὸς ἐλάινος ἐν πυρὶ μέλλεν
ἅψεσθαι, χλωρός περ ἐών, διεφαίνετο δ᾽ αἰνῶς,
καὶ τότ᾽ ἐγὼν ἆσσον φέρον ἐκ πυρός, ἀμφὶ δ᾽ ἑταῖροι




380
om hem te verhitten; en al mijn mannen sprak ik
bemoedigend toe, dat niemand zich zou drukken uit angst.
Maar zodra de olijfhouten stomp op het punt stond in het vuur
vlam te vatten, - ook al was hij nog groen, hij gloeide vervaarlijk -
toen haalde ik hem snel uit het vuur, en mijn mannen
ἵσταντ᾽· αὐτὰρ θάρσος ἐνέπνευσεν μέγα δαίμων.
οἱ μὲν μοχλὸν ἑλόντες ἐλάινον, ὀξὺν ἐπ᾽ ἄκρῳ,
ὀφθαλμῷ ἐνέρεισαν· ἐγὼ δ᾽ ἐφύπερθεν ἐρεισθεὶς
δίνεον, ὡς ὅτε τις τρυπῷ δόρυ νήιον ἀνὴρ
τρυπάνῳ, οἱ δέ τ᾽ ἔνερθεν ὑποσσείουσιν ἱμάντι




385
kwamen erbij staan en een god blies hen onverschrokkenheid in.
Zij nu pakten de olijfhouten stomp vast met zijn scherpe punt,
en stootten hem pal in zijn oog; en ik, van bovenop duwend,
draaide hem rond, zoals wanneer een man scheepshout doorboort
met een drilboor, en anderen trekken vanonder aan een riem,
ἁψάμενοι ἑκάτερθε, τὸ δὲ τρέχει ἐμμενὲς αἰεί.
ὣς τοῦ ἐν ὀφθαλμῷ πυριήκεα μοχλὸν ἑλόντες
δινέομεν, τὸν δ᾽ αἷμα περίρρεε θερμὸν ἐόντα.
πάντα δέ οἱ βλέφαρ᾽ ἀμφὶ καὶ ὀφρύας εὗσεν ἀυτμὴ
γλήνης καιομένης, σφαραγεῦντο δέ οἱ πυρὶ ῥίζαι.




390
aan weerszijden die vastgrijpend, en die boor blijft maar draaien,
zo hielden wij de roodgloeiende stomp in zijn oog en
draaiden hem rond, en het bloed borrelde om de hete stomp heen.
En de gloed verzengde heel zijn ooglid en oogharen
en zijn oogappel verbrandde, en zijn oogwortels sisten van de hitte.
ὡς δ᾽ ὅτ᾽ ἀνὴρ χαλκεὺς πέλεκυν μέγαν ἠὲ σκέπαρνον
εἰν ὕδατι ψυχρῷ βάπτῃ μεγάλα ἰάχοντα
φαρμάσσων· τὸ γὰρ αὖτε σιδήρου γε κράτος ἐστίν
ὣς τοῦ σίζ᾽ ὀφθαλμὸς ἐλαϊνέῳ περὶ μοχλῷ.
σμερδαλέον δὲ μέγ᾽ ᾤμωξεν, περὶ δ᾽ ἴαχε πέτρη,




395
En zoals wanneer een smid een grote bijl of een dissel
in koud water doopt zodat het luid sist
om het te harden - want dat is de kracht van het ijzer -
zo siste zijn oog om de olijfhouten stomp.
Een afgrijselijk gejammer sloeg hij uit en rondom weergalmde het gesteente,
ἡμεῖς δὲ δείσαντες ἀπεσσύμεθ᾽· αὐτὰρ ὁ μοχλὸν
ἐξέρυσ᾽ ὀφθαλμοῖο πεφυρμένον αἵματι πολλῷ.
τὸν μὲν ἔπειτ᾽ ἔρριψεν ἀπὸ ἕο χερσὶν ἀλύων,
αὐτὰρ ὁ Κύκλωπας μεγάλ᾽ ἤπυεν, οἵ ῥά μιν ἀμφὶς
ᾤκεον ἐν σπήεσσι δι᾽ ἄκριας ἠνεμοέσσας.




400
en wij renden, verschrikt, uit de buurt en hij rukte de paal,
nat van al dat bloed, uit zijn oog
en slingerde hem van zich af, als een dolle om zich heen slaand,
maar, erger, hij brulde luid om de andere kyklopen die in zijn buurt
huisden in grotten, verspreid over de winderige bergtoppen.
οἱ δὲ βοῆς ἀίοντες ἐφοίτων ἄλλοθεν ἄλλος,
ἱστάμενοι δ᾽ εἴροντο περὶ σπέος ὅττι ἑ κήδοι·
"᾽τίπτε τόσον, Πολύφημ᾽, ἀρημένος ὧδ᾽ ἐβόησας
νύκτα δι᾽ ἀμβροσίην καὶ ἀύπνους ἄμμε τίθησθα;
ἦ μή τίς σευ μῆλα βροτῶν ἀέκοντος ἐλαύνει;




405
Die nu kwamen, toen ze hem hoorden, van alle kanten aanlopen,
bleven staan rond de grot en vroegen wat hij mankeerde:
"Waardoor toch gekweld, Polyfemos, begon je opeens zo te schreeuwen
door de goddelijke nacht en maak je ons slapeloos?
Toch niet drijft 'n sterveling je vee weg tegen je wil?
ἦ μή τίς σ᾽ αὐτὸν κτείνει δόλῳ ἠὲ βίηφιν;"
τοὺς δ᾽ αὖτ᾽ ἐξ ἄντρου προσέφη κρατερὸς Πολύφημος·
"ὦ φίλοι, Οὖτίς με κτείνει δόλῳ οὐδὲ βίηφιν".
οἱ δ᾽ ἀπαμειβόμενοι ἔπεα πτερόεντ᾽ ἀγόρευον·
"εἰ μὲν δὴ μή τίς σε βιάζεται οἶον ἐόντα,




410
Toch niet probeert iemand jou te doden met list of geweld?"
En tegen hen brulde de sterke Polyfemos vanuit zijn grot:
"Vrienden, Niemand probeert me te doden met list, niet met geweld".
Waarop zij weer de gevleugelde woorden ten antwoord gaven:
"Als dan niemand je te na komt en je alleen bent,
νοῦσον γ᾽ οὔ πως ἔστι Διὸς μεγάλου ἀλέασθαι,
ἀλλὰ σύ γ᾽ εὔχεο πατρὶ Ποσειδάωνι ἄνακτι".
ὣς ἄρ᾽ ἔφαν ἀπιόντες, ἐμὸν δ᾽ ἐγέλασσε φίλον κῆρ,
ὡς ὄνομ᾽ ἐξαπάτησεν ἐμὸν καὶ μῆτις ἀμύμων.



een ziekte, gestuurd door de grote Zeus is niet af te weren,
maar bid dan tot je vader, de heerser Poseidoon".
Met deze woorden trokken ze weer weg, maar ik lachte in mijn vuistje,
omdat mijn naam en die prachtige list hem misleid had.
sierstrik sierstrik
9,415 - 463: De grot uit !
Κύκλωψ δὲ στενάχων τε καὶ ὠδίνων ὀδύνῃσι
415 - De Kykloop, zuchtend en krimpend van pijn,
χερσὶ ψηλαφόων ἀπὸ μὲν λίθον εἷλε θυράων,
αὐτὸς δ᾽ εἰνὶ θύρῃσι καθέζετο χεῖρε πετάσσας,
εἴ τινά που μετ᾽ ὄεσσι λάβοι στείχοντα θύραζε·
οὕτω γάρ πού μ᾽ ἤλπετ᾽ ἐνὶ φρεσὶ νήπιον εἶναι.
αὐτὰρ ἐγὼ βούλευον, ὅπως ὄχ᾽ ἄριστα γένοιτο,




420
nam op de tast de steen met zijn handen weg voor de uitgang,
en zelf ging hij met uitgestrekte handen in de opening zitten,
in de hoop iemand te pakken te krijgen als die tussen de schapen
naar buiten zou willen, want zo naïef dacht hij dat ik zou zijn.
Maar ik overwoog hoe het verreweg het beste zou kunnen,
εἴ τιν᾽ ἑταίροισιν θανάτου λύσιν ἠδ᾽ ἐμοὶ αὐτῷ
εὑροίμην· πάντας δὲ δόλους καὶ μῆτιν ὕφαινον
ὥς τε περὶ ψυχῆς· μέγα γὰρ κακὸν ἐγγύθεν ἦεν.
ἥδε δέ μοι κατὰ θυμὸν ἀρίστη φαίνετο βουλή.
ἄρσενες ὄιες ἦσαν ἐυτρεφέες, δασύμαλλοι,




425
of ik een ontsnapping aan de dood kon vinden voor mijn mannen
en mijzelf: ik breidde aan allerlei listen en lagen
daar ons leven op het spel stond en een groot onheil nabij was.
En het volgende plan leek mij het beste te zijn:
er waren goedgevoede rammen voorhanden, met dichte vacht,
καλοί τε μεγάλοι τε, ἰοδνεφὲς εἶρος ἔχοντες·
τοὺς ἀκέων συνέεργον ἐυστρεφέεσσι λύγοισιν,
τῇς ἔπι Κύκλωψ εὗδε πέλωρ, ἀθεμίστια εἰδώς,
σύντρεις αἰνύμενος· ὁ μὲν ἐν μέσῳ ἄνδρα φέρεσκε,
τὼ δ᾽ ἑτέρω ἑκάτερθεν ἴτην σώοντες ἑταίρους.




430
mooi en groot, met donkerviolette wol;
die bond ik doodstil met drie aan elkaar met behulp van
stevig in elkaar gedraaide twijgen, waarop de misdadige,
reusachtige Kykloop placht te slapen; de middelste droeg steeds
een man, en de andere twee liepen m'n mannen af te dekken.
τρεῖς δὲ ἕκαστον φῶτ᾽ ὄιες φέρον· αὐτὰρ ἐγώ γε--
ἀρνειὸς γὰρ ἔην μήλων ὄχ᾽ ἄριστος ἁπάντων,
τοῦ κατὰ νῶτα λαβών, λασίην ὑπὸ γαστέρ᾽ ἐλυσθεὶς
κείμην· αὐτὰρ χερσὶν ἀώτου θεσπεσίοιο
νωλεμέως στρεφθεὶς ἐχόμην τετληότι θυμῷ.




435
zo werd iedere man door drie rammen vervoerd; maar wat mij betreft:
er was één ram bij, verreweg de grootste van allemaal,
die greep ik bij zijn rug, draaide me onder zijn wollige buik
en bleef zo hangen; met mijn handen gewikkeld in zijn prachtige
wol hield ik mij stevig vast, met grote vasthoudendheid.
ὣς τότε μὲν στενάχοντες ἐμείναμεν Ἠῶ δῖαν.
ἦμος δ᾽ ἠριγένεια φάνη ῥοδοδάκτυλος Ἠώς,
καὶ τότ᾽ ἔπειτα νομόνδ᾽ ἐξέσσυτο ἄρσενα μῆλα,
θήλειαι δὲ μέμηκον ἀνήμελκτοι περὶ σηκούς·
οὔθατα γὰρ σφαραγεῦντο. ἄναξ δ᾽ ὀδύνῃσι κακῇσι




440
Zo wachtten wij toen, onder gezucht, de heldere dageraad af.
- Maar toen de vroeggeboren, rozevingerige dageraad verscheen,
toen renden de bokken weg naar de wei,
maar de ooien mekkerden in de hokken, want zij waren niet gemolken,
en hun uiers stonden sissend strak. Maar hun baas, door hevige pijnen
τειρόμενος πάντων ὀίων ἐπεμαίετο νῶτα
ὀρθῶν ἑσταότων· τὸ δὲ νήπιος οὐκ ἐνόησεν,
ὥς οἱ ὑπ᾽ εἰροπόκων ὀίων στέρνοισι δέδεντο.
ὕστατος ἀρνειὸς μήλων ἔστειχε θύραζε
λάχνῳ στεινόμενος καὶ ἐμοὶ πυκινὰ φρονέοντι.




445
gekweld, betastte de rug van alle dieren,
terwijl ze gereed stonden; maar dit had de onnozele niet door,
dat zij onder de borst van de wollige schapen vastgebonden zaten.
Als laatste kwam de ram naar buiten
zwoegend onder zijn vacht en.... mij met mijn sluwheid!
τὸν δ᾽ ἐπιμασσάμενος προσέφη κρατερὸς Πολύφημος·
"κριὲ πέπον, τί μοι ὧδε διὰ σπέος ἔσσυο μήλων
ὕστατος; οὔ τι πάρος γε λελειμμένος ἔρχεαι οἰῶν,
ἀλλὰ πολὺ πρῶτος νέμεαι τέρεν᾽ ἄνθεα ποίης
μακρὰ βιβάς, πρῶτος δὲ ῥοὰς ποταμῶν ἀφικάνεις,




450
En hem aaiend sprak de sterke Polyfemos:
"M'n rammetje, hoe komt het dat je me zo als laatste
door de grot loopt? Anders kom je nooit achter de andere schapen aan,
maar met grote stappen vooruitgelopen graas je het allereerst
het sappige gras af en als eerste kom je bij de waterstromen,
πρῶτος δὲ σταθμόνδε λιλαίεαι ἀπονέεσθαι
ἑσπέριος· νῦν αὖτε πανύστατος. ἦ σύ γ᾽ ἄνακτος
ὀφθαλμὸν ποθέεις, τὸν ἀνὴρ κακὸς ἐξαλάωσε
σὺν λυγροῖς ἑτάροισι δαμασσάμενος φρένας οἴνῳ,
Οὖτις, ὃν οὔ πώ φημι πεφυγμένον εἶναι ὄλεθρον.




455
en ook weer het eerst verlang je er 's avonds naar om
terug te gaan naar de stal; maar nu het allerlaatst! Mis jij het oog
van je baas, dat een lafbek heeft uitgestoken
met zijn ellendige vrienden, na mijn geest met wijn beneveld te hebben,
Niemand, die, dat verzeker ik je, nog niet zijn onheil ontsnapt is!
εἰ δὴ ὁμοφρονέοις ποτιφωνήεις τε γένοιο
εἰπεῖν ὅππῃ κεῖνος ἐμὸν μένος ἠλασκάζει·
τῷ κέ οἱ ἐγκέφαλός γε διὰ σπέος ἄλλυδις ἄλλῃ
θεινομένου ῥαίοιτο πρὸς οὔδεϊ, κὰδ δέ κ᾽ ἐμὸν κῆρ
λωφήσειε κακῶν, τά μοι οὐτιδανὸς πόρεν Οὖτις."




460
Ach, had je ook maar verstand en een stem om te vertellen
waar die vent naartoe is gevlucht voor mijn woede,
dan zouden zijn hersens wel overal door de grot spatten
als hij tegen de grond werd geslagen, en mijn hart zou bekomen
van de ellende die die nietswaardige Niemand mij aandeed".
ὣς εἰπὼν τὸν κριὸν ἀπὸ ἕο πέμπε θύραζε.
ἐλθόντες δ᾽ ἠβαιὸν ἀπὸ σπείους τε καὶ αὐλῆς
πρῶτος ὑπ᾽ ἀρνειοῦ λυόμην, ὑπέλυσα δ᾽ ἑταίρους.


Met deze woorden stuurde hij de ram weg naar buiten.
En toen wij een eindje weg waren gekomen van grot en hof,
liet ik eerst zelf de ram los, bevrijdde toen ook mijn mannen.
sierstrik sierstrik
9,464 - 566: Wegwezen !
καρπαλίμως δὲ τὰ μῆλα ταναύποδα, πίονα δημῷ,
πολλὰ περιτροπέοντες ἐλαύνομεν, ὄφρ᾽ ἐπὶ νῆα

465
- Snel dreven wij het vee met trippelende poten maar goed in het vet
langs veel omwegen voort, totdat we het schip bereikten.
ἱκόμεθ᾽. ἀσπάσιοι δὲ φίλοις ἑτάροισι φάνημεν,
οἳ φύγομεν θάνατον, τοὺς δὲ στενάχοντο γοῶντες.
ἀλλ᾽ ἐγὼ οὐκ εἴων, ἀνὰ δ᾽ ὀφρύσι νεῦον ἑκάστῳ,
κλαίειν, ἀλλ᾽ ἐκέλευσα θοῶς καλλίτριχα μῆλα
πόλλ᾽ ἐν νηὶ βαλόντας ἐπιπλεῖν ἁλμυρὸν ὕδωρ.




470
Tot grote vreugde van onze mannen kwamen we opdagen,
wij die de dood ontsnapt waren, om de anderen klaagden ze jammerend.
Maar ik liet dat huilen niet toe en fronste mijn wenkbrauwen tegen ieder
en beval ze de talrijke mooigewolde schapen snel aan boord te hijsen
en de zilte zee op te varen.
οἱ δ᾽ αἶψ᾽ εἴσβαινον καὶ ἐπὶ κληῖσι καθῖζον,
ἑξῆς δ᾽ ἑζόμενοι πολιὴν ἅλα τύπτον ἐρετμοῖς.
ἀλλ᾽ ὅτε τόσσον ἀπῆν, ὅσσον τε γέγωνε βοήσας,
καὶ τότ᾽ ἐγὼ Κύκλωπα προσηύδων κερτομίοισι·
"Κύκλωψ, οὐκ ἄρ᾽ ἔμελλες ἀνάλκιδος ἀνδρὸς ἑταίρους




475
Zij nu kwamen snel aan boord en zetten zich aan de riemen,
en op rij gezeten sloegen zij de grauwgrijze zee met hun riemen.
Maar toen ik zo ver verwijderd was als nog te beroepen is,
toen riep ik honend naar de Kykloop:
"Kykloop, niet van een weerloos man dus zou je de mannen
ἔδμεναι ἐν σπῆι γλαφυρῷ κρατερῆφι βίηφι.
καὶ λίην σέ γ᾽ ἔμελλε κιχήσεσθαι κακὰ ἔργα,
σχέτλι᾽, ἐπεὶ ξείνους οὐχ ἅζεο σῷ ἐνὶ οἴκῳ
ἐσθέμεναι· τῷ σε Ζεὺς τίσατο καὶ θεοὶ ἄλλοι."
ὣς ἐφάμην, ὁ δ᾽ ἔπειτα χολώσατο κηρόθι μᾶλλον,




480
met ruw geweld opeten in je gewelfde grot.
En zeer zeker zat het erin dat je wandaden jouzelf zouden treffen,
onmens, je deinsde er niet voor terug vreemdelingen in je woning
op te eten; daarom strafte Zeus jou en ook de andere goden".
Dat riep ik hem toe, maar hij werd nog woester,
ἧκε δ᾽ ἀπορρήξας κορυφὴν ὄρεος μεγάλοιο,
κὰδ δ᾽ ἔβαλε προπάροιθε νεὸς κυανοπρᾐροιο.
[τυτθόν, ἐδεύησεν δ᾽ οἰήιον ἄκρον ἱκέσθαι.540]
ἐκλύσθη δὲ θάλασσα κατερχομένης ὑπὸ πέτρης·
τὴν δ᾽ αἶψ᾽ ἤπειρόνδε παλιρρόθιον φέρε κῦμα,




485
en rukte de top van een grote berg af
en wierp die neer vóór het schip met donkere voorsteven.
[rakelings, en hij miste op een haar na de punt van het roer.540]
En de zee spatte hoog op onder het geweld van de neerkomende rots
en de deining voerde haar terug richting kust,
πλημυρὶς ἐκ πόντοιο, θέμωσε δὲ χέρσον ἱκέσθαι.
αὐτὰρ ἐγὼ χείρεσσι λαβὼν περιμήκεα κοντὸν
ὦσα παρέξ, ἑτάροισι δ᾽ ἐποτρύνας ἐκέλευσα
ἐμβαλέειν κώπῃς, ἵν᾽ ὑπὲκ κακότητα φύγοιμεν,
κρατὶ κατανεύων· οἱ δὲ προπεσόντες ἔρεσσον.




490
een vloedgolf uit zee, en drong haar bijna tegen het strand.
maar ik greep een buitengewoon grote boom
en stootte af en opzij, mijn mannen knikte ik met mijn hoofd toe
tot aansporing om zich op de riemen te werpen om toch aan het onheil
te ontkomen; en zij roeiden uit alle macht.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ δὶς τόσσον ἅλα πρήσσοντες ἀπῆμεν,
καὶ τότε δὴ Κύκλωπα προσηύδων· ἀμφὶ δ᾽ ἑταῖροι
μειλιχίοις ἐπέεσσιν ἐρήτυον ἄλλοθεν ἄλλος·
"σχέτλιε, τίπτ᾽ ἐθέλεις ἐρεθιζέμεν ἄγριον ἄνδρα;
ὃς καὶ νῦν πόντονδε βαλὼν βέλος ἤγαγε νῆα




495
Maar toen we dan twee maal zo ver weg waren de zee op,
toen wilde ik toch weer de Kykloop toeroepen; maar van alle kanten
probeerden mijn mannen met sussende woorden mij tegen te houden:
"Zeg man, wat wil je nou toch zo'n woesteling tergen?
Die ook zo al door een rotsblok de zee in te werpen het schip
αὖτις ἐς ἤπειρον, καὶ δὴ φάμεν αὐτόθ᾽ ὀλέσθαι.
εἰ δὲ φθεγξαμένου τευ ἢ αὐδήσαντος ἄκουσε,
σύν κεν ἄραξ᾽ ἡμέων κεφαλὰς καὶ νήια δοῦρα
μαρμάρῳ ὀκριόεντι βαλών· τόσσον γὰρ ἵησιν".
ὣς φάσαν, ἀλλ᾽ οὐ πεῖθον ἐμὸν μεγαλήτορα θυμόν,




500
weer terugdrong naar land: wij waanden ons daar al verloren!
Als iemand geluid gemaakt had of hij had horen praten,
dan had hij onze hoofden verbrijzeld en de scheepsbalken erbij
door een worp met een puntig rotsblok, zo ver kan hij gooien".
Zo sisten ze me toe, maar niet vermurwden ze mijn overmoed,
ἀλλά μιν ἄψορρον προσέφην κεκοτηότι θυμῷ·
"Κύκλωψ, αἴ κέν τίς σε καταθνητῶν ἀνθρώπων
ὀφθαλμοῦ εἴρηται ἀεικελίην ἀλαωτύν,
φάσθαι Ὀδυσσῆα πτολιπόρθιον ἐξαλαῶσαι,
υἱὸν Λαέρτεω, Ἰθάκῃ ἔνι οἰκί᾽ ἔχοντα".




505
maar, kokend van woede, slingerde ik hem naar zijn hoofd:
"Kykloop, als soms iemand van de sterfelijke mensen jou vraagt
naar de afschuwelijke verblinding van je oog,
zeg dan maar dat de stedenverwoester Odysseus je verblind heeft,
de zoon van Laërtes, woonachtig op Ithaka".
ὣς ἐφάμην, ὁ δέ μ᾽ οἰμώξας ἠμείβετο μύθῳ·
"ὢ πόποι, ἦ μάλα δή με παλαίφατα θέσφαθ᾽ ἱκάνει.
ἔσκε τις ἐνθάδε μάντις ἀνὴρ ἠύς τε μέγας τε,
Τήλεμος Εὐρυμίδης, ὃς μαντοσύνῃ ἐκέκαστο
καὶ μαντευόμενος κατεγήρα Κυκλώπεσσιν·




510
Dat riep ik,en hij barstte in gejammer uit en antwoordde nog:
" Oh wee, daarmee treft een oude voorspelling mij.
Er leefde hier een ziener, wijs en groot,
Telemos, zoon van Eurymos, die uitmuntte in zienerskunst
en tot op hoge leeftijd voorspellingen deed aan de Kyklopen;
ὅς μοι ἔφη τάδε πάντα τελευτήσεσθαι ὀπίσσω,
χειρῶν ἐξ Ὀδυσῆος ἁμαρτήσεσθαι ὀπωπῆς.
ἀλλ᾽ αἰεί τινα φῶτα μέγαν καὶ καλὸν ἐδέγμην
ἐνθάδ᾽ ἐλεύσεσθαι, μεγάλην ἐπιειμένον ἀλκήν·
νῦν δέ μ᾽ ἐὼν ὀλίγος τε καὶ οὐτιδανὸς καὶ ἄκικυς




515
die zei mij dat dit alles later zou gebeuren,
dat ik door toedoen van Odysseus het zicht zou gaan missen.
Altijd verwachtte ik dat een groot en mooi man
hierheen zou komen, toegerust met enorme kracht,
maar nu beroofde mij van mijn oog een klein, nietswaardig mormeltje,
ὀφθαλμοῦ ἀλάωσεν, ἐπεί μ᾽ ἐδαμάσσατο οἴνῳ.
ἀλλ᾽ ἄγε δεῦρ᾽, Ὀδυσεῦ, ἵνα τοι πὰρ ξείνια θείω
πομπήν τ᾽ ὀτρύνω δόμεναι κλυτὸν ἐννοσίγαιον·
τοῦ γὰρ ἐγὼ πάϊς εἰμί, πατὴρ δ᾽ ἐμὸς εὔχεται εἶναι.
αὐτὸς δ᾽, αἴ κ᾽ ἐθέλῃσ᾽, ἰήσεται, οὐδέ τις ἄλλος




520
nadat hij me met zijn wijn van de wijs gebracht had.
Maar kom eens hier, Odysseus, dan zal ik je gastgeschenken geven
en de befaamde aardschudder vragen je naar huis te begeleiden,
want van hem ben ik de zoon, en hij pocht mijn vader te zijn.
Die zal mij genezen, als hij dat wil, niemand anders
οὔτε θεῶν μακάρων οὔτε θνητῶν ἀνθρώπων".
ὣς ἔφατ᾽, αὐτὰρ ἐγώ μιν ἀμειβόμενος προσέειπον·
"αἲ γὰρ δὴ ψυχῆς τε καὶ αἰῶνός σε δυναίμην
εὖνιν ποιήσας πέμψαι δόμον Ἄϊδος εἴσω,
ὡς οὐκ ὀφθαλμόν γ᾽ ἰήσεται οὐδ᾽ ἐνοσίχθων".




525
van de gelukzalige goden noch van de sterfelijke mensen".
Dat zei hij nog, maar ik riep ten antwoord:
"Och kon ik je maar, van geest en leven beroofd,
het huis van de Hades insturen,
dan zal zelfs de aardschudder je oog niet meer repareren!"
ὣς ἐφάμην, ὁ δ᾽ ἔπειτα Ποσειδάωνι ἄνακτι
εὔχετο χεῖρ᾽ ὀρέγων εἰς οὐρανὸν ἀστερόεντα·
"κλῦθι, Ποσείδαον γαιήοχε κυανοχαῖτα,
εἰ ἐτεόν γε σός εἰμι, πατὴρ δ᾽ ἐμὸς εὔχεαι εἶναι,
δὸς μὴ Ὀδυσσῆα πτολιπόρθιον οἴκαδ᾽ ἱκέσθαι




530
Dat waren mijn woorden, en hij bad tot de heerser Poseidoon
met de handen uitgestrekt naar de sterrenrijke hemel:
"Luister, Poseidoon, aardesteunende met donkere haren,
als ik werkelijk uw zoon ben, en gij pocht mijn vader te zijn,
zorg dan dat de stedenverwoester Odysseus zijn thuis niet bereikt
υἱὸν Λαέρτεω, Ἰθάκῃ ἔνι οἰκί᾽ ἔχοντα.
ἀλλ᾽ εἴ οἱ μοῖρ᾽ ἐστὶ φίλους τ᾽ ἰδέειν καὶ ἱκέσθαι
οἶκον ἐυκτίμενον καὶ ἑὴν ἐς πατρίδα γαῖαν,
ὀψὲ κακῶς ἔλθοι, ὀλέσας ἄπο πάντας ἑταίρους,
νηὸς ἐπ᾽ ἀλλοτρίης, εὕροι δ᾽ ἐν πήματα οἴκῳ".




535
die zoon van Laërtes, woonachtig op Ithaka.
Maar als het zijn lot is zijn dierbaren terug te zien bij aankomst,
zijn stevig gebouwde huis en zijn vaderland,
moge hij dan laat en berooid komen, na verlies van al zijn mannen,
op het schip van een ander, en moge hij ellende aantreffen thuis".
ὣς ἔφατ᾽ εὐχόμενος, τοῦ δ᾽ ἔκλυε κυανοχαίτης.
αὐτὰρ ὅ γ᾽ ἐξαῦτις πολὺ μείζονα λᾶαν ἀείρας
ἧκ᾽ ἐπιδινήσας, ἐπέρεισε δὲ ἶν᾽ ἀπέλεθρον,
κὰδ᾽ δ᾽ ἔβαλεν μετόπισθε νεὸς κυανοπρᾐροιο
τυτθόν, ἐδεύησεν δ᾽ οἰήιον ἄκρον ἱκέσθαι.




540
Dat bad hij, en de donkerbehaarde verhoorde hem.
Maar hij tilde weer een nog grotere steen op
en slingerde die weg, en hij zette er een onmetelijke kracht achter,
en hij kwam terecht vlak achter het schip met donkere voorsteven,
vlakbij, en op een haar na miste hij de punt van het roer.
ἐκλύσθη δὲ θάλασσα κατερχομένης ὑπὸ πέτρης·
τὴν δὲ πρόσω φέρε κῦμα, θέμωσε δὲ χέρσον ἱκέσθαι.
ἀλλ᾽ ὅτε δὴ τὴν νῆσον ἀφικόμεθ᾽, ἔνθα περ ἄλλαι
νῆες ἐύσσελμοι μένον ἁθρόαι, ἀμφὶ δ᾽ ἑταῖροι
ἥατ᾽ ὀδυρόμενοι, ἡμέας ποτιδέγμενοι αἰεί,




545
De zee golfde op onder druk van de neerstortende rots,
maar de golfkam duwde haar verder en stuwde haar landwaarts.
En toen we dan het eiland bereikten, waar de andere schepen
met stevige roeibanken bijeen lagen en de andere mannen
in treurnis eromheen zaten, steeds maar in afwachting van ons,
νῆα μὲν ἔνθ᾽ ἐλθόντες ἐκέλσαμεν ἐν ψαμάθοισιν,
ἐκ δὲ καὶ αὐτοὶ βῆμεν ἐπὶ ῥηγμῖνι θαλάσσης.
μῆλα δὲ Κύκλωπος γλαφυρῆς ἐκ νηὸς ἑλόντες
δασσάμεθ᾽, ὡς μή τίς μοι ἀτεμβόμενος κίοι ἴσης.
ἀρνειὸν δ᾽ ἐμοὶ οἴῳ ἐυκνήμιδες ἑταῖροι




550
lieten we daar aangekomen ons schip het strand op lopen,
en wijzelf stapten er uit in de branding van de zee.
We haalden het vee van de Kykloop uit het gewelfde schip
en verdeelden dat, zodat ieder zijn rechtmatig deel kreeg.
Maar mijn goedgescheenweerde mannen gaven mij op mijn eentje
μήλων δαιομένων δόσαν ἔξοχα· τὸν δ᾽ ἐπὶ θινὶ
Ζηνὶ κελαινεφέι Κρονίδῃ, ὃς πᾶσιν ἀνάσσει,
ῥέξας μηρί᾽ ἔκαιον· ὁ δ᾽ οὐκ ἐμπάζετο ἱρῶν,
ἀλλ᾽ ὅ γε μερμήριξεν ὅπως ἀπολοίατο πᾶσαι
νῆες ἐύσσελμοι καὶ ἐμοὶ ἐρίηρες ἑταῖροι.




555
extra de ram bij de verdeling; die offerde ik aan Zeus,
de donkeromwolkte zoon van Kronos, die heerst over allen,
en brandde de schenkels; maar Zeus trok zich niets aan van mijn offers,
maar overwoog hoe alle schepen met goede roeibanken
zouden vergaan en daarbij mijn trouwe mannen.
ὣς τότε μὲν πρόπαν ἦμαρ ἐς ἠέλιον καταδύντα
ἥμεθα δαινύμενοι κρέα τ᾽ ἄσπετα καὶ μέθυ ἡδύ·
ἦμος δ᾽ ἠέλιος κατέδυ καὶ ἐπὶ κνέφας ἦλθε,
δὴ τότε κοιμήθημεν ἐπὶ ῥηγμῖνι θαλάσσης.
ἦμος δ᾽ ἠριγένεια φάνη ῥοδοδάκτυλος Ἠώς,




560
Zo zaten wij toen de hele dag tot zonsondergang
geweldige porties vlees soldaat te maken en zoete wijn
en toen de zon onderging en de duisternis intrad,
gingen wij slapen op het strand van de zee.
En toen de vroeggeboren, rozevingerige dageraad aanbrak,
δὴ τότ᾽ ἐγὼν ἑτάροισιν ἐποτρύνας ἐκέλευσα
αὐτούς τ᾽ ἀμβαίνειν ἀνά τε πρυμνήσια λῦσαι·
οἱ δ᾽ αἶψ᾽ εἴσβαινον καὶ ἐπὶ κληῖσι καθῖζον,
ἑξῆς δ᾽ ἑζόμενοι πολιὴν ἅλα τύπτον ἐρετμοῖς.
ἔνθεν δὲ προτέρω πλέομεν ἀκαχήμενοι ἦτορ,




565
toen wekte ik mijn mannen en beval hen aan boord te gaan
en de achtertrossen los te maken;
zij nu gingen aan boord en zetten zich aan de riemen,
en, gezeten op rij, sloegen zij de grauwgrijze zee met hun riemen.
- Vandaar voeren wij verder, bedroefd in ons hart, wel verheugd
ἄσμενοι ἐκ θανάτοιο, φίλους ὀλέσαντες ἑταίρους.

ontsnapt te zijn aan de dood, maar met verlies van onze vrienden.
sierstrik sierstrik

okt.2006; revisie 15 april 2007

Terug naar overzicht Odyssee