EPISTULA C


Verdediging van Papirius Fabianus.

LIBER XVI,Ep.C

Boek 16, Brief 100

C,i.SENECA LUCILIO SUO SALUTEM [1] Fabiani Papiri libros qui inscribuntur civilium legisse te cupidissime scribis, et non respondisse expectationi tuae; deinde oblitus de philosopho agi compositionem eius accusas. Puta esse quod dicis et effundi verba, non figi. Primum habet ista res suam gratiam et est decor proprius orationis leniter lapsae; multum enim interesse existimo utrum exciderit an fluxerit. nunc quod in hoc quoque quod dicturus sum ingens differentia est: 100.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.
- Je schrijft dat je zo graag de boeken van Fabianus Papirius met de titel 'Politiek' wilde lezen maar dat ze niet aan je verwachting beantwoordden; voorts, vergetend dat het om een filosoof gaat, vaar je tegen zijn stijl uit. Stel dat het is zoals jij beweert en dat de woorden zomaar neergepoot worden en niet weloverwogen geschreven. Vooreerst heeft zoiets zijn eigen charme en gaat het eerder om een geëigende versiering van een uiteenzetting die kalm afgewikkeld wordt; ik denk dat er een groot verschil is of hij voor de vuist weg woorden uitkraamt of zich rijk uitdrukt. Voeg daar nu ook nog aan toe dat er een groot verschil bestaat met wat ik nu ga proberen uit te leggen.
C.ii - Fabianus mihi non effundere videtur orationem sed fundere; adeo larga est et sine perturbatione, non sine cursu tamen veniens. Illud plane fatetur et praefert, non esse tractatam nec diu tortam. Sed ita, ut vis, esse credamus: mores ille, non verba composuit et animis scripsit ista, non auribus. 100.2. - Ik heb niet de indruk dat Fabianus zijn woorden uitstort, maar dat hij ze laat stromen; zijn stijl is wel royaal maar zonder opwinding, terwijl ze toch in een duidelijke richting voortgaat. Hierin spreekt ze duidelijke taal en markeert dat zelfs, dat ze niet overmatig bewerkt en langdurig gewikt en gewogen is. Maar laten we eens aannemen dat het zo is als jij aangeeft: het zijn gedragingen, geen woorden waarin hij orde schept en zijn geschriften mikken op begrip, niet op het oor.
C.iii - Praeterea ipso dicente non vacasset tibi partes intueri, adeo te summa rapuisset; et fere quae impetu placent minus praestant ad manum relata; sed illud quoque multum est, primo aspectu oculos occupasse, etiam si contemplatio diligens inventura est quod arguat. 100.3. - Bovendien had je, als hij zelf het woord voerde, niet stil kunnen staan bij onderdelen, dan had juist het geheel jou meegesleept; en het gebeurt nogal eens dat wat ons door zijn vaart meesleept bij nadere beschouwing tegenvalt; maar het is al veel waard als het op het eerste gezicht onze aandacht getrokken heeft, zelfs als een nauwkeurige analyse aan het licht zal brengen wat er tegenin te brengen is.
C.iv - Si me interrogas, maior ille est qui iudicium abstulit quam qui meruit; et scio hunc tutiorem esse, scio audacius sibi de futuro promittere. Oratio sollicita philosophum non decet: ubi tandem erit fortis et constans, ubi periculum sui faciet qui timet verbis? 100.4. - Als je het mij vraagt, stelt diegene die kritiek heeft weten te corrigeren meer voor dan degene die bijval heeft weten te oogsten. Ik weet ook wel dat de laatstgenoemde er beter voor staat, dat hij met meer zelfvertrouwen zijn toekomst tegemoet kan zien. Maar een scrupuleus betoog past een filosoof niet: wanneer zal hij zich, als puntje bij paaltje komt, sterk en stabiel tonen, wanneer zal hij, die benauwd is om woorden een persoonlijk risico aangaan?
C.v - Fabianus non erat neglegens in oratione sed securus. Itaque nihil invenies sordidum: electa verba sunt, non captata, nec huius saeculi more contra naturam suam posita et inversa, splendida tamen quamvis sumantur e medio. Sensus honestos et magnificos habes, non coactos in sententiam sed latius dictos. Videbimus quid parum recisum sit, quid parum structum, quid non huius recentis politurae: cum circumspexeris omnia, nullas videbis angustias inanis. 100.5. - Fabianus was niet zorgeloos in zijn uiteenzetting maar onbevreesd. Je zult er dan ook niets triviaals in aantreffen: zijn woorden zijn met zorg gekozen, geen cliché's, en ook niet naar de tegenwoordige gewoonte onnatuurlijk geplaatst en verwisseld, maar schitterend ofschoon ze aan het normale gebruik ontleend zijn. Je krijgt er gedachten van achtenswaardig en prachtig kaliber, niet samengeperst in een 'quote' maar breder geformuleerd. We zien wel formuleringen die te kort gesnoeid zijn of te weinig uitgebouwd, te weinig bijgeschaafd volgens de eisen van de nieuwe stijl: als je alles goed bekeken hebt, zul je er geen loze bekrompenheid in zien.
C.vi - Desit sane varietas marmorum et concisura aquarum cubiculis interfluentium et pauperis cella et quidquid aliud luxuria non contenta decore simplici miscet: quod dici solet, domus recta est. Adice nunc quod de compositione non constat: quidam illam volunt esse ex horrido comptam, quidam usque eo aspera gaudent ut etiam quae mollius casus explicuit ex industria dissipent et clausulas abrumpant ne ad expectatum respondeant. 100.6. - Laat dan een bonte marmerbekleding ontbreken en een goot voor water dat tussen de vertrekken stroomt en een armencel en wat overdaad al niet met eenvoud mengt, niet met pracht tevreden: het is toch een keurige woning, zoals men pleegt te zeggen. Voeg daar nu nog aan toe wat over stijl betwist wordt: sommigen willen dat die door haar ruigheid gepolijst is, anderen hebben ruigheid zo hoog zitten dat zij met opzet ook wat een ingeving te gladjes geformuleerd heeft, wanordelijk maken en zinnen afbreken om niet aan de verwachting te beantwoorden.
C.vii - Lege Ciceronem: compositio eius una est, pedem curvat lenta et sine infamia mollis. At contra Pollionis Asinii salebrosa et exiliens et ubi minime expectes relictura. Denique omnia apud Ciceronem desinunt, apud Pollionem cadunt, exceptis paucissimis quae ad certum modum et ad unum exemplar adstricta sunt. 100.7. - Lees Cicero: zijn syntaxis is één geheel, lenig en soepel zonder slapte. Maar dan die van Asinius Pollio: hups en springerig en abrupt waar je dat het minst verwacht. Kortom, bij Cicero verloopt alles harmonieus, terwijl het bij Pollio afbreekt, afgezien van een paar gevallen die op een bepaald ritme en op een enkel voorbeeld afgestemd zijn.
C.viii - Humilia praeterea tibi videri dicis omnia et parum erecta: quo vitio carere eum iudico. Non sunt enim illa humilia sed placida et ad animi tenorem quietum compositumque formata, nec depressa sed plana. Deest illis oratorius vigor stimulique quos quaeris et subiti ictus sententiarum; sed totum corpus, videris quam sit comptum, honestum est. Non habet oratio eius sed dabit dignitatem. 100.8. - Verder zeg je dat alles jou gewoontjes voorkomt en te weinig verheven: ik ben van oordeel dat hij van dat gebrek verschoond blijft. Het gaat hierbij immers niet om 'gewoontjes' maar om een harmonie die gevormd is met een kalme en evenwichtige ontwikkelingsgang van de geest, niet laag maar toegankelijk. Het ontbreekt hem aan retorische krachtpatserij en de prikkels die jij zoekt en plotselinge nadruk; maar zijn werk als geheel is, los van wat je als inkleding beschouwt, prima. Zijn betoogtrant is niet verheven maar zal wel verheven stemmen.
C.ix - Adfer quem Fabiano possis praeponere. Dic Ciceronem, cuius libri ad philosophiam pertinentes paene totidem sunt quot Fabiani: cedam, sed non statim pusillum est si quid maximo minus est. Dic Asinium Pollionem: cedam, et respondeamus: in re tanta eminere est post duos esse. Nomina adhuc T. Livium; scripsit enim et dialogos, quos non magis philosophiae adnumerare possis quam historiae, et ex professo philosophiam continentis libros: huic quoque dabo locum. Vide tamen quam multos antecedat qui a tribus vincitur et tribus eloquentissimis. 100.9. - Geef eens iemand die je boven Fabianus kunt plaatsen. Noem Cicero, die ongeveer evenveel boeken over filosofische onderwerpen geschreven heeft als Fabianus: ik zal het je toegeven, maar wat onderdoet voor het grootste is niet meteen niets . Noem dan Asinius Pollio: ik zal het je toegeven, maar eraan toevoegen: de derde plaats innemen in zo'n belangrijke zaak is ook uitblinken. Noem dan ook nog Titus Livius; die heeft immers ook dialogen geschreven die je evenzeer tot de filosofie zou kunnen rekenen als tot de geschiedschrijving en bovendien nog boeken die uitgesproken filosofie bevatten: ook voor hem zal ik een plaats inruimen. Maar zie dan nog boven hoevelen hij uitsteekt die door slechts drie overtroffen wordt, en dan nog de meest welsprekenden.
C.x - Sed non praestat omnia: non est fortis oratio eius, quamvis elata sit; non est violenta nec torrens, quamvis effusa sit; non est perspicua sed pura. 'Desideres' inquis 'contra vitia aliquid aspere dici, contra pericula animose, contra fortunam superbe, contra ambitionem contumeliose. Volo luxuriam obiurgari, libidinem traduci, inpotentiam frangi. Sit aliquid oratorie acre, tragice grande, comice exile.' Vis illum adsidere pusillae rei, verbis: ille rerum se magnitudini addixit, eloquentiam velut umbram non hoc agens trahit. 100.10. - Maar hij blinkt niet in alles uit: zijn pleidooi is niet krachtig, ook al graaft het diep; het is niet straf of bruisend, ook al is het vloeiend; het is niet helder maar authentiek. "Je zou willen", hoor ik je al zeggen, "dat tegen gebreken kordaat gesproken werd, tegen gevaren prikkelend, tegen het noodlot arrogant, tegen dwingelandij verachtend. Ik wil dat verkwisting gehekeld, wellust aan de kaak gesteld, overmoed gebroken wordt. Laat het de pittigheid van een betoog hebben, het grootse van een tragedie, het droge van iets komisch". Je wilt dan dat hij zich wijdt aan iets onnozels, woorden: hij heeft zich uitgesproken voor de grootheid van daden, zijn welsprekendheid sleept hij als een schaduw mee terwijl hij met iets anders bezig is.
C.xi - Non erunt sine dubio singula circumspecta nec in se collecta nec omne verbum excitabit ac punget, fateor; exibunt multa nec ferient et interdum otiosa praeterlabetur oratio, sed multum erit in omnibus lucis, sed ingens sine taedio spatium. Denique illud praestabit, ut liqueat tibi illum sensisse quae scripsit. Intelleges hoc actum ut tu scires quid illi placeret, non ut ille placeret tibi. Ad profectum omnia tendunt, ad bonam mentem: non quaeritur plausus. 100.11. - Ongetwijfeld zullen niet alle details afgewogen zijn, kernachtige geformuleerd en niet elk woord zal je enthousiasmeren en bijblijven, accoord; veel zal langs je heengaan en je niet frapperen en soms zal zijn betoog langs je afglijden, toch is er op alle punten veel licht, toch wordt een geweldige omvang gepresenteerd zonder te vervelen. Uiteindelijk zal hij dit voor elkaar krijgen: dat het jou duidelijk wordt dat hij meende wat hij schreef. Je zult onderkennen dat hij hierop uit is: dat jij weet wat hem bezielt, niet dat hij jou bezielt. Op geestelijke vooruitgang is alles gericht, op de juiste instelling: applaus zoekt hij niet.
C.xii. - Talia esse scripta eius non dubito, etiam si magis reminiscor quam teneo haeretque mihi color eorum non ex recenti conversatione familiariter sed summatim, ut solet ex vetere notitia; cum audirem certe illum, talia mihi videbantur, non solida sed plena, quae adulescentem indolis bonae attollerent et ad imitationem sui evocarent sine desperatione vincendi, quae mihi adhortatio videtur efficacissima. Deterret enim qui imitandi cupiditatem fecit, spem abstulit. Ceterum verbis abundabat, sine commendatione partium singularum in universum magnificus.
Vale.
100.12. - Dat dát de signatuur van zijn geschriften is, staat voor mij vast, ook al steun ik meer op mijn herinnering dan actuele kennis en leeft voor mij de kleur ervan niet op grond van een recente grondige lezing ervan maar globaal, zoals dat gebeurt op grond van een kennis die wij in het verleden hebben opgedaan. In elk geval, toen ik zijn lessen nog volgde, schenen ze me zo toe, niet gepolijst maar rijk, zodat ze een jongeman met een goede aanleg enthousiasmeerden en uitdaagden tot navolging van hem zonder te wanhopen aan de overwinning, een aansporing die mij zeer effectief lijkt. Want wie het verlangen tot nabootsen opwekt maar het uitzicht op succes ontneemt schrikt alleen maar af. Maar hij is sterk in zijn woordkunst en in zijn werk als geheel voortreffelijk, zij het dan dat er kritiek mogelijk is op afzonderlijke onderdelen.
Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca
  • 6/2/2010