EPISTULA LXIV



LIBER VII,Ep.LXIV

Boek 7, Brief 64

Lof voor Quintus Sextius.

VII.LXIV.i. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM
Fuisti heri nobiscum. Potes queri, si heri tantum; ideo adieci 'nobiscum'; mecum enim semper es. Intervenerant quidam amici propter quos maior fumus fieret, non hic qui erumpere ex lautorum culinis et terrere vigiles solet, sed hic modicus qui hospites venisse significet.
7.64.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.
Gisteren ben je bij ons geweest. Je kunt je erover beklagen als dat alleen gisteren was; daarom zet ik er ook 'bij ons' bij, want bij mij ben je altijd. Er waren een paar vrienden op bezoek om wie er wat meer rook uit de schoorsteen kwam, niet die rook die uitgebraakt wordt uit de keukens van patsers en die de nachtwachten gewoonlijk de stuipen op het lijf jaagt, maar zo'n bescheiden rookpluim die op de komst van gasten duidt.
VII.LXIV.ii. Varius nobis fuit sermo, ut in convivio, nullam rem usque ad exitum adducens sed aliunde alio transiliens. Lectus est deinde liber Quinti Sextii patris, magni, si quid mihi credis, viri, et licet neget Stoici. 7.64.2. Varius voerde met ons een gesprek zonder ergens speciaal op af te stevenen, zoals dat gaat bij een maaltijd, maar overspringend van het ene op het andere onderwerp. Daarna werd het boek voorgelezen van zijn vader Quintus Sextius, een groot man, als je me wilt geloven, en [ook al ontkent hij dat] een Sto´cijn.
VII.LXIV.iii. Quantus in illo, di boni, vigor est, quantum animi! Hoc non in omnibus philosophis invenies: quorundam scripta clarum habentium nomen exanguia sunt. Instituunt, disputant, cavillantur, non faciunt animum quia non habent: cum legeris Sextium, dices, 'vivit, viget, liber est, supra hominem est, dimittit me plenum ingentis fiduciae'. 7.64.3. Goede goden, wat heeft die man een bezieling en een geest! Dat zal je niet bij alle filosofen aantreffen: de geschriften van sommigen met een vermaarde reputatie zijn bloedeloos. Zij schoolmeesteren maar, discussiŰren en vitten maar begeesteren niet omdat zij geen geest hebben: maar wanneer je Sextius leest, zul je zeggen,'Hij leeft, is sterk, is vrij, superieur, hij zend mij heen met een geweldig vertrouwen'.
VII.LXIV.iv. In qua positione mentis sim cum hunc lego fatebor tibi: libet omnis casus provocare, libet exclamare, 'Quid cessas, fortuna? congredere: paratum vides'. Illius animum induo qui quaerit ubi se experiatur, ubi virtutem suam ostendat,
- spumantemque dari pecora inter inertia votis
optat aprum aut fulvum descendere monte leonem.

7.64.4. Ik zal je zeggen in welke geestesgesteldheid ik ben wanneer ik hem lees: ik krijg zin om alle grillen van het lot te tarten en uit te roepen: 'Wat draal je nog, Lot? Kom maar op: je ziet, ik sta klaar'. Ik stap in de geest van de man die op zoek gaat naar waar hij zich kan bewijzen, waar hij zijn karakter kan tonen,
- en hij wenst vurig dat zich tussen de weerloze schapen een schuimbekkend everzwijn vertoont of een rossige leeuw afdaalt uit de bergen.
VII.LXIV.v. Libet aliquid habere quod vincam, cuius patientia exercear. Nam hoc quoque egregium Sextius habet, quod et ostendet tibi beatae vitae magnitudinem et desperationem eius non faciet: scies esse illam in excelso, sed volenti penetrabilem. 7.64.5. Ik wil dan iets hebben om de baas te worden, waarop ik mij kan oefenen door het te ondergaan. Want ook dit voortreffelijke trekje heeft Sextius dat hij je wel het geweldige van het gelukzalige leven toont maar je er niet aan laat wanhopen: je leert inzien dat de lat heel hoog ligt, maar toch bereikbaar voor wie echt wil.
VII.LXIV.vi. Hoc idem virtus tibi ipsa praestabit, ut illam admireris et tamen speres. Mihi certe multum auferre temporis solet contemplatio ipsa sapientiae; non aliter illam intueor obstupefactus quam ipsum interim mundum, quem saepe tamquam spectator novus video. 7.64.6. Ditzelfde zal jou je karakter verlenen: dat je het in bewondering beschouwt en er toch op blijft hopen. Bij mij in ieder geval slokt juist de beschouwing van de wijsheid veel tijd op; die bekijk ik in verbazing niet anders dan de wereld zelf onderhand , waar ik vaak tegenaan kijk alsof het de eerste keer is.
VII.LXIV.vii. Veneror itaque inventa sapientiae inventoresque; adire tamquam multorum hereditatem iuvat. Mihi ista acquisita, mihi laborata sunt. Sed agamus bonum patrem familiae, faciamus ampliora quae accepimus; maior ista hereditas a me ad posteros transeat. Multum adhuc restat operis multumque restabit, nec ulli nato post mille saecula praecludetur occasio aliquid adhuc adiciendi. 7.64.7. Daarom heb ik respect voor wat de wijsheid ontdekt heeft, maar ook voor de ontdekkers. Ik heb er plezier in kennis te maken met de erfenis van velen. Voor mij is die verworven, voor mij is daarop geploeterd. Maar laten we dan handelen als een goed gezinshoofd en haar die wij ontvangen hebben vergroten; laat die erfenis groter van mij overgaan op mijn nakomelingen. Er blijft nog veel werk te doen en er zal nog veel overblijven, en voor geen enkeling, ook al wordt hij duizend eeuwen na mij geboren, zal de gelegenheid afgesneden worden om er nog iets aan toe te voegen.
VII.LXIV.viii. Sed etiam si omnia a veteribus inventa sunt, hoc semper novum erit, usus et inventorum ab aliis scientia ac dispositio. Puta relicta nobis medicamenta quibus sanarentur oculi: non opus est mihi alia quaerere, sed haec tamen morbis et temporibus aptanda sunt. Hoc asperitas oculorum collevatur; hoc palpebrarum crassitudo tenuatur; hoc vis subita et umor avertitur; hoc acuetur visus: teras ista oportet et eligas tempus, adhibeas singulis modum. Animi remedia inventa sunt ab antiquis; quomodo autem admoveantur aut quando nostri operis est quaerere. 7.64.8. Maar ook als alles al door voorgangers ontdekt is, toch zal dit altijd nieuw zijn: de toepassing en het begrip en de ordening van de wetenschap van de ontdekkers door anderen. Neem nou eens aan dat aan ons geneesmiddelen overgeleverd zijn waarmee ogen behandeld kunnen worden: ik hoef geen andere meer te zoeken, maar toch moeten ze aangepast worden aan de kwalen en omstandigheden. Door de ÚÚn wordt de pijn aan de ogen verlicht; door de ander de zwelling van de oogleden verminderd, door weer een ander wordt een hevige vochtontwikkeling bestreden; door weer een ander het zicht verscherpt: je moet die middelen erop smeren maar ook afstemmen op het moment, voor elk geval de juiste dosering kiezen. Geneesmiddelen voor de ziel zijn al door de Ouden ontwikkeld; maar het is onze taak om uit te zoeken op welke wijze ze toegepast moeten worden of wanneer.
VII.LXIV.ix. Multum egerunt qui ante nos fuerunt, sed non peregerunt. Suspiciendi tamen sunt et ritu deorum colendi. Quidni ego magnorum virorum et imagines habeam incitamenta animi et natales celebrem? Quidni ego illos honoris causa semper appellem? Quam venerationem praeceptoribus meis debeo, eandem illis praeceptoribus generis humani, a quibus tanti boni initia fluxerunt. 7.64.9. Veel hebben onze voorgangers behandeld, maar niet ten einde toe. Toch moeten zij bewonderd worden en in ere gehouden worden als waren het goden. Waarom zou ik niet ook de beelden van grote mannen willen bezitten als prikkels voor mijn geest en ook hun verjaardagen vieren? Waarom zou ik hen niet als eerbetoon steeds bij name noemen? Dezelfde verering die ik verschuldigd ben aan mijn eigen leermeesters ben ik ook verschuldigd aan die leermeesters van het menselijk geslacht van wie de impulsen van iets zo belangrijks zijn uitgegaan.
VII.LXIV.x. Si consulem videro aut praetorem, omnia quibus honor haberi honori solet faciam: equo desiliam, caput adaperiam, semita cedam. Quid ergo? Marcum Catonem utrumque et Laelium Sapientem et Socraten cum Platone et Zenonem Cleanthenque in animum meum sine dignatione summa recipiam ? Ego vero illos veneror et tantis nominibus semper assurgo.
Vale.
7.64.10. Als ik een consul zie aankomen of een praetor, dan zal ik alles doen om eer te bewijzen waarmee dat pleegt te gebeuren aan hun ereambt: ik zal van mijn paard stappen, mijn hoofd ontbloten, opzij van de weg gaan staan. Nou, zal ik dan beide Marcussen Cato en de wijze Laelius, Socrates en Plato, Zeno en Cleanthes zonder de grootste eerbetuiging in mijn geest ontvangen? Nee, ik bewijs hen eer en trek mij altijd aan zo grote namen op.
Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca