EPISTULA LIX



LIBER VI,Ep.LIX

Boek 6, Brief 59

Het ware genot.

VI.LIX.i. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM Magnam ex epistula tua percepi voluptatem; permitte enim mihi uti verbis publicis nec illa ad significationem Stoicam revoca. Vitium esse voluptatem credimus. Sit sane; ponere tamen illam solemus ad demonstrandam animi hilarem affectionem. 6.59.1. Seneca groet zijn dierbare Lucilius.Veel genot heb ik uit jouw brief geput; sta me namelijk toe woorden te gebruiken in hun algemeen gangbare betekenis en herleid ze niet tot hun Stosche zin. Wij menen dat het genot een ondeugd is. Dat moge zo zijn; toch gebruiken we dat woord gewoonlijk om een prettige geestesaandoening aan te geven.
VI.LIX.ii. Scio, inquam, et voluptatem, si ad nostrum album verba derigimus, rem infamem esse et gaudium nisi sapienti non contingere; est enim animi elatio suis bonis verisque fidentis. Vulgo tamen sic loquimur ut dicamus magnum gaudium nos ex illius consulatu aut nuptiis aut ex partu uxoris percepisse, quae adeo non sunt gaudia ut saepe initia futurae tristitiae sint; gaudio autem iunctum est non desinere nec in contrarium verti. 6.59.2. Ik weet, zo verzeker ik je, dat ook genot, als we ons houden aan het boekje, iets laags is en dat vreugde alleen de wijze te beurt valt; want dat is een verheffing van de geest die vertrouwt op haar eigen goedheid en waarachtigheid. Maar in de wandeling gebruiken we het woord toch zo dat we ermee bedoelen dat we uit het consulaat van deze of gene of uit het huwelijk met of de bevalling van onze vrouw grote vreugde geput hebben, terwijl het hierbij toch om zaken gaat die zozeer geen vreugde zijn dat ze vaak de aanvang van komende droefheid betekenen; aan vreugde zit echter vast dat het geen einde neemt en niet in haar tegendeel verkeert.
VI.LIX.iii. Itaque cum dicit Vergilius noster:
....et mala mentis
gaudia,
.....
diserte quidem dicit, sed parum proprie; nullum enim malum gaudium est. Voluptatibus hoc nomen imposuit et quod voluit expressit; significavit enim homines malo suo laetos.
6.59.3. Wanneer dan ook onze Vergilius spreekt over:
....de slechte vreugden
van de geest...

zegt hij dat wel welsprekend, maar toch te weinig ter zake; er bestaat immers geen slechte vreugde. Hij heeft dit begrip opgehangen aan genietingen en daarmee verwoord wat hij eigenlijk wilde zeggen; hij heeft immers mensen gekarakteriseerd die een genoegen scheppen in hun eigen kwaad.
VI.LIX.iv. Tamen ego non immerito dixeram cepisse me magnam ex epistula tua voluptatem; quamvis enim ex honesta causa imperitus homo gaudeat, tamen affectum eius impotentem et in diversum statim inclinaturum voluptatem voco, opinione falsi boni motam, immoderatam et immodicam.
- Sed ut ad propositum revertar, audi quid me in epistula tua delectaverit: habes verba in potestate, non effert te oratio nec longius quam destinasti trahit.
6.59.4. Toch zei ik je niet ten onrechte dat ik veel genot heb geput uit jouw brief; hoewel immers een onervaren iemand vreugde beleeft aan iets eerzaams, noem ik toch zijn genot een krachteloze emotie die elk moment weer om kan slaan (want veroorzaakt door een bedriegelijke opvatting over goed), en onbeheerst en onmatig.

- Maar om op mijn onderwerp terug te komen, verneem wat me in jouw brief plezier heeft gedaan: je hebt je woorden onder controle, het betoog sleept je niet mee en sleurt je niet verder dan je van plan was.
VI.LIX.v. Multi sunt qui ad id quod non proposuerant scribere alicuius verbi placentis decore vocentur, quod tibi non evenit: pressa sunt omnia et rei aptata; loqueris quantum vis et plus significas quam loqueris. Hoc maioris rei indicium est: apparet animum quoque nihil habere supervacui, nihil tumidi. 6.59.5. Velen voelen zich door de charme van een of andere uitdrukking, gedrongen om iets te schrijven dat zij zich niet voorgenomen hadden. Dat overkomt jou niet: alles staat er compact en ter zake; je zegt precies zoveel als je wilt en duidt meer aan dan je zegt. Dit is een teken van iets belangrijkers: daaruit blijkt dat ook je geest geen overbodige ballast bevat, niets opgeblazens.
VI.LIX.vi. Invenio tamen translationes verborum ut non temerarias ita quae periculum sui fecerint; invenio imagines, quibus si quis nos uti vetat et poetis illas solis iudicat esse concessas, neminem mihi videtur ex antiquis legisse, apud quos nondum captabatur plausibilis oratio: illi, qui simpliciter et demonstrandae rei causa eloquebantur, parabolis referti sunt, quas existimo necessarias, non ex eadem causa qua poetis, sed ut imbecillitas nostrae adminicula sint, ut et dicentem et audientem in rem praesentem adducant. 6.59.6. Toch tref ik vormen van overdrachtelijk woordgebruik aan die niet zozeer roekeloos zijn als wel riskant; ik tref beelden aan die wel niemand ons verbiedt te gebruiken maar die men toch voorbehouden acht aan dichters, maar niemand schijnt de vroegere schrijvers gelezen te hebben, bij wie het nog niet ging om een stijl van redevoering die op bijval mikte: diegenen die eenvoudig spraken en alleen om iets duidelijk te maken, zaten vol vergelijkingen, die ik wel nodig vind maar niet om dezelfde reden als dichters, maar om hulpmiddelen te zijn voor onze zwakheid en om zowel de spreker als de luisteraar op de zaak in kwestie te focussen.
VI.LIX.vii. Sextium ecce cum maxime lego, virum acrem, Graecis verbis, Romanis moribus philosophantem. Movit me imago ab illo posita: ire quadrato agmine exercitum, ubi hostis ab omni parte suspectus est, pugnae paratum. 'Idem' inquit 'sapiens facere debet: omnis virtutes suas undique expandat, ut ubicumque infesti aliquid orietur, illic parata praesidia sint et ad nutum regentis sine tumultu respondeant.' Quod in exercitibus iis quos imperatores magni ordinant fieri videmus, ut imperium ducis simul omnes copiae sentiant, sic dispositae ut signum ab uno datum peditem simul equitemque percurrat, hoc aliquanto magis necessarium esse nobis ait. 6.59.7. Nu ben ik net Sextius aan het lezen, een scherpe vent die filosofeert in het Grieks maar in Romeinse trant. Ik word getroffen door het beeld dat hij geeft van een leger dat in carr optrekt, klaar voor de strijd, op plaatsen waar de vijand van alle kanten kan opduiken. 'Hetzelfde', zegt hij, 'moet een wijze doen: hij moet al zijn kwaliteiten naar alle kanten ontplooien om ervoor te zorgen dat, waar ook maar iets vijandigs de kop opsteekt, dr zijn krachten paraat staan en zonder verwarring reageren op een wenk van de leider'. Wat we bij die legers zien gebeuren die gecommandeerd worden door grote veldheren, namelijk dat alle troepen als n man een bevel van de aanvoerder aanvoelen, omdat ze z opgesteld zijn dat een teken, gegeven door n man, infanterie en cavalarie tegelijk bereikt, dt is, volgens hem, voor ons nog heel wat noodzakelijker.
VI.LIX.viii. Illi enim saepe hostem timuere sine causa, tutissimumque illis iter quod suspectissimum fuit: nihil stultitia pacatum habet; tam superne illi metus est quam infra; utrumque trepidat latus; sequuntur pericula et occurrunt; ad omnia pavet, imparata est et ipsis terretur auxiliis. Sapiens autem, ad omnem incursum munitus, intentus, non si paupertas, non si luctus, non si ignominia, non si dolor impetum faciat, pedem referet: interritus et contra illa ibit et inter illa. 6.59.8. Die soldaten immers hebben de vijand vaak zonder reden gevreesd en hun tocht, die zeer hachelijk scheen, bleek in werkelijkheid zeer veilig: onnozelheid kent geen enkele rust; zowel van boven als van beneden voelt zij zich bedreigd; van beide zijden voelt zij schrik; gevaren achtervolgen haar en komen haar tegemoet; ze is bang voor alles, onvoorbereid en ze wordt zelfs door haar eigen hulpmiddelen verschrikt. De wijze echter, gewapend als hij is tegen elke aanval en alert, zal geen duimbreed wijken als armoede, als rouw, als smaad, als pijn op hem afkomen: onbevreesd zal hij eropaf en er tussen gaan.
VI.LIX.ix. Nos multa alligant, multa debilitant. Diu in istis vitiis iacuimus, elui difficile est; non enim inquinati sumus sed infecti.
- Ne ab alia imagine ad aliam transeamus, hoc quaeram quod saepe mecum dispicio, quid ita nos stultitia tam pertinaciter teneat? Primo quia non fortiter illam repellimus nec toto ad salutem impetu nitimur, deinde quia illa quae a sapientibus viris reperta sunt non satis credimus nec apertis pectoribus haurimus leviterque tam magnae rei insistimus.
6.59.9. Ons daarentegen houdt veel gevangen, ons verzwakt veel. Lange tijd hebben we ons met die ondeugden van ons afgegeven, het is moeilijk ons schoon te wassen; wij zijn immers niet besmeurd maar aangetast.
- Maar om niet van de ene beeldspraak op de andere over te stappen, wil ik het probleem opwerpen dat ik al vaak bij mezelf overwogen heb, namelijk waarom de onnozelheid zo hardnekkig vat op ons heeft? Op de eerste plaats omdat we haar niet met kracht onderdrukken en niet uit alle macht naar ons heil streven. Vervolgens omdat we wat door wijze mannen al ontdekt is onvoldoende geloven en het niet met met open geest opnemen en we ons maar luchtigjes toeleggen op zo'n belangrijke aangelegenheid.
VI.LIX.x. Quemadmodum autem potest aliquis quantum satis sit adversus vitia discere, qui quantum a vitiis vacat discit? Nemo nostrum in altum descendit; summa tantum decerpsimus et exiguum temporis inpendisse philosophiae satis abundeque occupatis fuit. 6.59.10. Maar hoe kan iemand zijn tekorten voldoende afleren als hij slechts zo'n leerproces kan doormaken voorzover hij al vrij is van die tekorten? Niemand van ons daalt in de diepte af; wij glijden slechts over de oppervlakte en, in beslag genomen door andere besognes achten we het meer dan voldoende om ons korte tijd met filosofie bezig te houden.
VI.LIX.xi. Illud praecipue inpedit, quod cito nobis placemus; si invenimus qui nos bonos viros dicat, qui prudentes, qui sanctos, adgnoscimus. Non sumus modica laudatione contenti: quidquid in nos adulatio sine pudore congessit tamquam debitum prendimus. Optimos nos esse, sapientissimos adfirmantibus adsentimur, cum sciamus illos saepe multa mentiri; adeoque indulgemus nobis ut laudari velimus in id cui contraria cum maxime facimus. Mitissimum ille se in ipsis suppliciis audit, in rapinis liberalissimum et in ebrietatibus ac libidinibus temperantissimum; sequitur itaque ut ideo mutari nolimus quia nos optimos esse credidimus. 6.59.11. Dit vormt de grootste bedreiging, dat wij al gauw bij ons zelf in de smaak vallen. Als we iemand treffen die ons 'goed' noemt, verstandig, hoogstaand, dan slikken we dat als zoete koek. We zijn niet eens tevreden met bescheiden lof: alwat vleierij schaamteloos over ons uitstort incasseren we alsof we daar recht op hebben. Wij stemmen in met hen die ons verzekeren dat wij de besten zijn, de wijsten, hoewel wij weten dat zij vaak grof liegen. En zozeer zijn we met onszelf ingenomen dat wij liever geprezen willen worden in datgene waarvan wij ons verwoed op het tegendeel toeleggen. Men wil nog als zeer zachtaardig bekend staan bij het voltrekken van executies, als zeer vrijgevig bij plunderingen en als zeer gematigd bij dronkenschap en liederlijkheid. Het gevolg is dus dat we niet willen veranderen omdat we zijn gaan geloven dat we al zeer goed zijn.
VI.LIX.xii. Alexander cum iam in India vagaretur et gentes ne finitimis quidem satis notas bello vastaret, in obsidione cuiusdam urbis, dum circumit muros et inbecillissima moenium quaerit, sagitta ictus diu persedere et incepta agere perseveravit. Deinde cum represso sanguine sicci vulneris dolor cresceret et crus suspensum equo paulatim obtorpuisset, coactus absistere: 'Omnes' inquit 'iurant esse me Iovis filium, sed vulnus hoc hominem esse me clamat'. 6.59.12. Toen Alexander al in India rondzwierf en daar oorlog voerde tegen volken die amper bekend waren bij hun buurvolken, werd hij, toen hij bij de belegering van 'n stad rond de muren reed op zoek naar de zwakste plek in de ommuring, getroffen door een pijl maar bleef toch in het zadel en zette zijn onderneming door. Toen daarna de pijn van de droge wond [het bloed was gestelpt] toenam en zijn been, dat langs het paardenlijf bungelde, langzamerhand verlamd was moest hij er wel vanaf zien en zei toen: 'Iedereen bezweert me dat ik de zoon van Iuppiter ben, maar deze wond verkondigt luid dat ik slechts een mens ben'.
VI.LIX.xiii. Idem nos faciamus. Pro sua quemque portione adulatio infatuat: dicamus, 'vos quidem dicitis me prudentem esse, ego autem video quam multa inutilia concupiscam, nocitura optem. Ne hoc quidem intellego quod animalibus satietas monstrat, quis cibo debeat esse, quis potioni modus; quantum capiam adhuc nescio.' 6.59.13. Laten wij ook zo optreden. Iedereen wordt door de portie vleierij die bij hem past, tureluurs gemaakt; laten we dan zeggen: 'Jullie beweren wel dat ik verstandig ben, maar ik zie hoeveel loze zaken ik begeer, naar hoeveel dingen ik verlang die me alleen maar zullen schaden. Ik begrijp zelfs dit niet, iets wat de verzadiging toch aan alle levende wezens duidelijk maakt, welke maat ik moet aanhouden voor mijn voedsel en drank; ik weet niet eens hoeveel ik kan consumeren'.
VI.LIX.xiv. - Iam docebo quemadmodum intellegas te non esse sapientem. Sapiens ille plenus est gaudio, hilaris et placidus, inconcussus; cum dis ex pari vivit. Nunc ipse te consule: si numquam maestus es, si nulla spes animum tuum futuri exspectatione sollicitat, si per dies noctesque par et aequalis animi tenor erecti et placentis sibi est, pervenisti ad humani boni summam; sed si appetis voluptates et undique et omnes, scito tantum tibi ex sapientia quantum ex gaudio deesse. Ad hoc cupis pervenire, sed erras, qui inter divitias illuc venturum esse te speras, inter honores, id est gaudium inter sollicitudines quaeris: ista, quae sic petis tamquam datura laetitiam ac voluptatem, causae dolorum sunt. 6.59.14. - Nu zal ik je uitleggen hoe je kunt begrijpen dat je geen wijze bent. De wijze is vol vreugde, vrolijk en rustig, niet uit het veld te slaan; met de goden leeft hij op voet van gelijkheid. Ga nu bij jezelf te rade: als je nooit bedroefd bent, als geen enkele verwachting je geest verontrust met een bepaalde verwachting voor de toekomst, als dag en nacht de stemming van je geest, verheven en in harmonie met zichzelf, hetzelfde en gelijkmatig is, dan heb je het hoogtepunt van de menselijke volmaaktheid bereikt. Maar als je nog overal genietingen van allerlei aard najaagt, weet dan dat je even ver verwijderd bent van de wijsheid als het je aan ware vreugde ontbreekt. Daar wil je aan toe komen, maar je vergist je wanneer je verwacht dat je daar zult komen temidden van rijkdom en en hoge ambten, dat wil zeggen: wanneer je je vreugde in allerlei stress zoekt. Dat wat je zo zoekt in de hoop dat ze je vreugde en genot verschaft, is in werkelijkheid de oorzaak van allerlei ellende.
VI.LIX.xv. Omnes, inquam, illo tendunt: ad gaudium, sed unde stabile magnumque consequantur ignorant: ille ex conviviis et luxuria, ille ex ambitione et circumfusa clientium turba, ille ex amica, alius ex studiorum liberalium vana ostentatione et nihil sanantibus litteris - omnes istos oblectamenta fallacia et brevia decipiunt, sicut ebrietas, quae unius horae hilarem insaniam longi temporis taedio pensat, sicut plausus et acclamationis secundae favor, qui magna sollicitudine et partus est et expiandus. 6.59.15. Allen, dat zeg ik je, streven daarnaar, naar vreugde, maar zij weten niet waar ze die in grote en blijvende vorm kunnen vinden: de n zoekt haar in maaltijden en overdaad, de ander in streberei en de begeleiding van een gezelschap clinten, weer een ander in een vriendinnetje, nog weer een ander in een ijdel vertoon van geleerdheid en wetenschap waar je niets beter van wordt - al die lieden worden misleid door bedriegelijke en kortstondige genietingen, zoals dronkenschap, die een vrolijke dwaasheid van n uur afstraft met een langdurige kater, zoals applaus en de gunst van een voorspoedige bijval, die met grote inspanning zowel verkregen is alsook toch weer uitgeboet moet worden.
VI.LIX.xvi. Hoc ergo cogita, hunc esse sapientiae effectum, gaudii aequalitatem. Talis est sapientis animus qualis mundus super lunam: semper illic serenum est. Habes ergo et quare velis sapiens esse, si numquam sine gaudio est. Gaudium hoc non nascitur nisi ex virtutum conscientia: non potest gaudere nisi fortis, nisi iustus, nisi temperans. 6.59.16. Denk dus hieraan, dat dit het resultaat van de wijsheid is: gelijkmoedigheid in vreugde. De geest van de wijze is zodanig als de wereld boven de maan: daar heerst altijd rust. Je hebt dus ook altijd een reden om wijs te willen zijn als dat altijd gepaard gaat met vreugde. Deze vreugde komt slechts voort uit het bewustzijn van positieve eigenschappen: slechts een manhaftig, rechtmatig en gematigd iemand kan vreugde beleven.
VI.LIX.xvii. 'Quid ergo' inquis, 'stulti ac mali non gaudent?' Non magis quam praedam nancti leones: cum fatigaverunt se vino ac libidinibus, cum illos nox inter vitia defecit, cum voluptates angusto corpori ultra quam capiebat ingestae suppurare coeperunt, tunc exclamant miseri Vergilianum illum versum:
-namque ut supremam falsa inter gaudia noctem
egerimus nosti.

6.59.17. 'Wat nu', zul je zeggen, 'kennen dwazen en schurken dan geen vreugde?' Nee, evenmin als leeuwen die een prooi bemachtigd hebben: wanneer zij zich uitgeput hebben aan wijntje en Trijntje, wanneer de nacht te kort is geweest terwijl ze zich te buiten gingen, wanneer de genietingen waaraan ze zich meer overgaven dan hun armzalig lijf aankon, beginnen te etteren, dan roepen zij in hun ellende die bekende versregel van Vergilius uit:
-want jij weet hoe wij de laatste nacht in valse vreugde
doorgebracht hebben.
VI.LIX.xviii. Omnem luxuriosi noctem inter falsa gaudia et quidem tamquam supremam agunt: illud gaudium quod deos deorumque aemulos sequitur non interrumpitur, non desinit; desineret, si sumptum esset aliunde. Quia non est alieni muneris, ne arbitrii quidem alieni est: quod non dedit fortuna non eripit. Vale. 6.59.18. Losbollen brengen de hele nacht in valse vreugde door en wel alsof het hun laatste nacht is: maar die vreugde die de goden eigen is en hen die de goden evenaren kent geen pauze, geen einde; zij zou eindigen als ze van buiten kwam. Maar omdat ze geen geschenk van een ander is, is ze ook niet afhankelijk van de willekeur van een ander: wat het lot niet gegeven heeft, kan ze ook niet afnemen.
Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca