EPISTULA LVIII



LIBER VI,Ep.LVIII

Boek 6, Brief 58

De filosofie van Plato.

VI.LVIII.i. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM Quanta verborum nobis paupertas, immo egestas sit, numquam magis quam hodierno die intellexi. Mille res inciderunt, cum forte de Platone loqueremur, quae nomina desiderarent nec haberent, quaedam vero, cum habuissent, fastidio nostro perdidissent. Quis autem ferat in egestate fastidium? 6.58.1. Seneca groet zijn dierbare Lucilius. Wat een armoede, ja zelfs gebrek aan woorden ons eigen is, heb ik nooit meer begrepen dan op de dag van vandaag. Talloze zaken vielen ons in toen we over Plato kwamen te spreken, die we wilden benoemen zonder er het taalmateriaal voor te hebben, en van sommige dingen waarvan we, hoewel we dat materiaal wel gehad hadden, dat weer kwijtgeraakt zijn door onze verwaandheid. Wie zal echter verwaandheid verdragen in tijden van gebrek?
VI.LVIII.2. Hunc quem Graeci 'oestron' vocant, pecora peragentem et totis saltibus dissipantem, 'asilum' nostri vocabant. Hoc Vergilio licet credas:
est lucum Silari iuxta ilicibusque virentem
plurimus Alburnum volitans, cui nomen asilo
Romanum est, oestrum Grai vertere vocantes,
asper, acerba sonans, quo tota exterrita silvis
diffugiunt armenta.

6.58.2. Het insect dat de Grieken 'οιστροσ' noemen en dat met zijn gezoem kuddes dol maakt en door hele wouden voortjaagt, heette bij ons 'asilus'. Daar mag je Vergilius op geloven:
Dichtbij het woud van Silarus en op de Alburnus,
groen van eiken komt een massa vliegen voor, waarvan de Romeinse
naam 'asilus' is en die de Grieken in hun taal 'oistros' noemen,
fel, hevig zoemend, waardoor hele kudden verschrikt worden
en uiteenvluchten door de bossen.
VI.LVIII.3. Puto intellegi istud verbum interisse. Ne te longe differam, quaedam simplicia in usu erant, sicut 'cernere ferro inter se' dicebant. Idem Vergilius hoc probabit tibi:
ingentes, genitos diversis partibus orbis,
inter se coiisse viros et cernere ferro.

Quod nunc 'decernere' dicimus: simplicis illius verbi usus amissus est.
6.58.3. Ik neem aan dat je toegeeft dat dit woord verloren is gegaan. En om je niet te lang op een zijspoor te houden: er waren bepaalde enkelvoudige uitdrukkingen in gebruik zoals men zei 'een geschil met het zwaard slechten'. Ook dit bevestigt Vergilius:
geweldige kerels, geboren in allerlei werelddelen,
kwamen bijeen en slechtten hun geschillen met het zwaard.

waar wij nu van 'beslechten' spreken: het gebruik van dat niet-samengestelde werkwoord is verloren gegaan.
VI.LVIII.4. Dicebant antiqui 'si iusso', id est 'iussero'. Hoc nolo mihi credas, sed eidem Vergilio:
cetera, qua iusso, mecum manus inferat arma.
6.58.4. De ouden zeiden 'si iusso' in plaats van 'si iussero' voor 'als ik het bevel zal geven'. Dit hoef je niet van mij te geloven, maar wederom van Vergilius:
de rest moet daar, als ik het bevel zal geven, met mij aanvallen
VI.LVIII.5. Non id ago nunc hac diligentia ut ostendam quantum tempus apud grammaticum perdiderim, sed ut ex hoc intellegas quantum apud Ennium et Accium verborum situs occupaverit, cum apud hunc quoque, qui cotidie excutitur, aliqua nobis subducta sint. 6.58.5. Ik bespreek dit nu niet zo nauwkeurig om te laten zien hoeveel tijd ik bij de taalleraar zoek gebracht heb, maar in de hoop dat je hieruit begrijpt op hoeveel woorden bij Ennius en Accius al schimmel ligt, terwijl ook bij hem, die nog dagelijks wordt uitgeplozen, al veel ons vreemd geworden is.
VI.LVIII.6. 'Quid sibi' inquis 'ista praeparatio vult? quo spectat?' Non celabo te: cupio, si fieri potest, propitiis auribus tuis 'essentiam' dicere; si minus, dicam et iratis. Ciceronem auctorem huius verbi habeo, puto locupletem; si recentiorem quaeris, Fabianum, disertum et elegantem, orationis etiam ad nostrum fastidium nitidae. Quid enim fiet, mi Lucili? quomodo dicetur 'ousia', res necessaria, naturam continens fundamentum omnium? Rogo itaque permittas mihi hoc verbo uti. Nihilominus dabo operam ut ius a te datum parcissime exerceam; fortasse contentus ero mihi licere. 6.58.6. 'Wat wil je met die inleiding', zul je zeggen,'waar moet dat heen?'. Ik zal het je niet verbergen: ik wil dat je het woord 'essentia', 'wezen' met welwillend oor aanhoort, als het kan; als het niet kan, luister je maar met geprikkelde oren. Ik beschouw Cicero als de maker van dit woord, naar ik meen een belangrijke. Als je een meer recente bron zoekt, kom je bij Fabianus, een welsprekend en smaakvol redenaar, met een stijl die ook voor onze verwende oren prachtig klinkt. Wat is er nu aan de hand, mijn beste Lucilius? Hoe zullen we 'ουσια' vertalen, een onmisbaar begrip dat de aard van alles als grondslag omvat? Ik vraag je dus mij toe te staan dit woord te gebruiken. Niettemin zal ik er moeite voor doen om van jouw toestemming een spaarzaam gebruik te maken; misschien zal ik me er mee tevreden stellen dat ik die toestemming gekregen heb.
VI.LVIII.7. Quid proderit facilitas tua, cum ecce id nullo modo Latine exprimere possim propter quod linguae nostrae convicium feci? Magis damnabis angustias Romanas, si scieris unam syllabam esse quam mutare non possum. Quae sit haec quaeris? 'to on'. Duri tibi videor ingenii: in medio positum, posse sic transferri ut dicam 'quod est'. Sed multum interesse video: cogor verbum pro vocabulo ponere; sed si ita necesse est, ponam 'quod est'. 6.58.7. Maar wat zal ik aan jouw inschikkelijkheid hebben, als ik datgene op geen enkele manier in het Latijn kan uitdrukken op grond waarvan ik onze taal verwijten gemaakt heb? Je zult nog meer kritiek hebben op de beperkingen van het Latijn, als je er achter komt dat het om één lettergreep gaat die ik niet kan vertalen. Vraag je welke dat is? 'το ον'. Je zult vinden dat ik wat hardleers ben: dat iedereen toch weet dat ik het met 'wat is' kan vertalen. Maar ik vind dat er een groot verschil is: ik word gedwongen een werkwoord te gebruiken in plaats van een naamwoord. Maar als dat noodzakelijk is, zal ik 'wat is' gebruiken.
VI.LVIII.8. Sex modis hoc a Platone dici amicus noster, homo eruditissimus, hodierno die dicebat. Omnes tibi exponam, si ante indicavero esse aliquid genus, esse et speciem. Nunc autem primum illud genus quaerimus ex quo ceterae species suspensae sunt, a quo nascitur omnis divisio, quo universa comprensa sunt. Invenietur autem si coeperimus singula retro legere; sic enim perducemur ad primum. 6.58.8. Onze vriend, een zeer ontwikkeld man, zei vandaag dat dit woord op zes manieren door Plato gebruikt wordt. Ik zal ze je allemaal uiteenzetten maar ik moet er eerst op wijzen dat er onderscheid bestaat tussen geslacht en soort. Nu echter zoeken we eerst het geslacht waarvan het overige, de soorten, afhangen, waaruit elke verdeling voortkomt, waarin alles opgesloten ligt. Dat, nu, kan gevonden worden als we beginnen elk afzonderlijk ding te volgen naar het verleden. Zo worden we immers naar het allereerste gevoerd.
VI.LVIII.9. Homo species est, ut Aristoteles ait; equus species est; canis species est. Ergo commune aliquod quaerendum est his omnibus vinculum, quod illa complectatur et sub se habeat. Hoc quid est? animal. Ergo genus esse coepit horum omnium quae modo rettuli - hominis, equi, canis - animal. 6.58.9. De mens is een soort, zoals Aristoteles zegt; het paard is een soort, de hond is een soort. Dus moeten we op zoek gaan naar iets wat dit alles bindt, wat ze omvat en onder zich houdt. Wat is dit? Het dier. Dus is, om te beginnen, het geslacht van al die wezens die ik zojuist opsomde - van de mens, van het paard, van de hond - het dier.
VI.LVIII.10. Sed sunt quaedam quae animum habent nec sunt animalia; placet enim satis et arbustis animam inesse; itaque et vivere illa et mori dicimus. Ergo animantia superiorem tenebunt locum, quia et animalia in hac forma sunt et sata. Sed quaedam anima carent, ut saxa; itaque erit aliquid animantibus antiquius, corpus scilicet. Hoc sic dividam ut dicam corpora omnia aut animantia esse aut inanima. 6.58.10. Maar er zijn wezens die wel leven maar geen dieren zijn; want we kunnen toch aannemen dat ook in struiken behoorlijk wat leven schuilt; daarom zeggen we dat die leven en sterven. Dus bezetten de levende wezens weer een hogere plaats omdat daarin zowel de dieren thuis horen alsook planten. Maar sommige dingen missen leven, zoals stenen; dus zal er iets verder teruggaan dan de levende wezens: namelijk massa. Die kan ik zo onderverdelen dat ik zeg dat alle massa ofwel levend is of levenloos.
VI.LVIII.11. Etiam nunc est aliquid superius quam corpus; dicimus enim quaedam corporalia esse, quaedam incorporalia. Quid ergo erit ex quo haec deducantur? Illud cui nomen modo parum proprium imposuimus, 'quod est'. Sic enim in species secabitur ut dicamus: 'quod est' aut corporale est aut incorporale. 6.58.11. Ook nu is er weer iets hogers dan massa; we zeggen immers dat sommige dingen materieel zijn, andere immaterieel. Wat zal dan datgene zijn waartoe deze twee vormen te herleiden zijn? Dat is nu waaraan wij zojuist de ongelukkige naam 'wat is' gegeven hebben. Aldus immers kan het in soorten verdeeld worden dat wij zeggen: 'wat is' is ofwel stoffelijk of onstoffelijk.
VI.LVIII.12. Hoc ergo est genus primum et antiquissimum et, ut ita dicam, generale; cetera genera quidem sunt, sed specialia. Tamquam homo genus est; habet enim in se nationum species, Graecos, Romanos, Parthos; colorum, albos, nigros, flavos; habet singulos, Catonem, Ciceronem, Lucretium. Ita qua multa continet, in genus cadit; qua sub alio est, in speciem. Illud genus 'quod est' generale supra se nihil habet; initium rerum est; omnia sub illo sunt. 6.58.12. Dit is dus het eerste en verst-reikende en, om zo te zeggen, algemene geslacht. De rest zijn wel geslachten, maar bijzondere. Zo kunnen wij de mens een geslacht noemen omdat hij soorten naties omvat: Grieken, Romeinen, Parthen; en kleuren: blanken, zwarten, gelen; en hij omvat individuen: Cato, Cicero, Lucretius. Zo valt, wat veel omvat, in de categorie 'geslacht'; maar wat onder iets anders ressorteert, in de categorie 'soort'. Dat algemene geslacht 'wat is' heeft echter niets boven zich; het is het begin van alles; alles valt daaronder.
VI.LVIII.13. Stoici volunt superponere huic etiam nunc aliud genus magis principale; de quo statim dicam, si prius illud genus de quo locutus sum merito primum poni docuero, cum sit rerum omnium capax. 6.58.13. De Stoïci willen hierboven dan nog een ander geslacht plaatsen, nog fundamenteler. Daarover zal ik straks iets zeggen, als ik eerst uitgelegd zal hebben dat dat geslacht waarover ik het had terecht op de eerste plaats gesteld wordt, omdat het alles omvat.
VI.LVIII.14. 'Quod est' in has species divido, ut sint corporalia aut incorporalia; nihil tertium est. Corpus quomodo divido? ut dicam: aut animantia sunt aut inanima. Rursus animantia quemadmodum divido? ut dicam: quaedam animum habent, quaedam tantum animam, aut sic: quaedam impetum habent, incedunt, transeunt, quaedam solo affixa radicibus aluntur, crescunt. Rursus animalia in quas species seco? aut mortalia sunt aut immortalia. 6.58.1. 'Wat is' verdeel ik in deze soorten onder, dat zij stoffelijk zijn of onstoffelijk; een derde mogelijkheid is er niet. Hoe ik het stoffelijke onderverdeel? Ik stel: ze zijn levend of levenloos. Hoe ik dan weer het levende onderverdeel? Ik stel dat sommige een geest hebben, andere alleen maar een leven, ofwel zo: sommige zijn dynamisch, zij verplaatsen zich, gaan van hier naar daar, andere zitten aan de grond vast en voeden zich via hun wortels en groeien zo. In welke soorten ik dan weer de dieren verdeel? Zij zijn ofwel sterfelijk ofwel onsterfelijk.
VI.LVIII.15. Primum genus Stoicis quibusdam videtur 'quid'; quare videatur subiciam. 'In rerum' inquiunt 'natura quaedam sunt, quaedam non sunt, et haec autem quae non sunt rerum natura complectitur, quae animo succurrunt, tamquam Centauri, Gigantes et quidquid aliud falsa cogitatione formatum habere aliquam imaginem coepit, quamvis non habeat substantiam.' 6.58.15. Het fundamentele geslacht schijnt voor sommige Stoïci 'iets' te zijn. Ik zal onderbouwen waarom hen dat zo toeschijnt. 'In de natuur', zeggen zij,'bestaan sommige zaken wel echt, maar andere niet, maar de natuur omvat wel degelijk dat wat geen realiteit is, die in onze geest opkomen, zoals Centauren, Giganten en wat maar verder, door een bedriegelijke fantasie gevormd, een of andere vorm aanneemt, al heeft het dan geen reëel bestaan.'
VI.LVIII.16. Nunc ad id quod tibi promisi revertor, quomodo quaecumque sunt in sex modos Plato partiatur. Primum illud 'quod est' nec visu nec tactu nec ullo sensu comprenditur: cogitabile est. Quod generaliter est, tamquam homo generalis, sub oculos non venit; sed specialis venit, ut Cicero et Cato. Animal non videtur: cogitatur. Videtur autem species eius, equus et canis. 6.58.16. Nu kom ik terug bij dit wat ik je beloofde, hoe Plato alles wat er is, in zes verschillende wijzen indeelt. Het eerste 'wat is' is noch voor het zien toegankelijk noch voor het aanraken noch voor welk zintuig dan ook: het is slechts denkbaar. Wat in zijn algemeenheid bestaat, zoals de mens in het algemeen, komt ons niet onder ogen; wel een individueel geval, zoals Cicero en Cato. Het dier zien wij niet: wij denken het. Wel echter zien we een soort ervan, zoals paard en hond.
VI.LVIII.17. Secundum ex his quae sunt ponit Plato quod eminet et exsuperat omnia; hoc ait per excellentiam esse. Poeta communiter dicitur - omnibus enim versus facientibus hoc nomen est - sed iam apud Graecos in unius notam cessit: Homerum intellegas, cum audieris poetam. Quid ergo hoc est? deus scilicet, maior ac potentior cunctis. 6.58.17. Als tweede klasse van dat wat is poneert Plato dat wat uitsteekt boven alles en alles overtreft; dat, zegt hij, bestaat door zijn voortreffelijkheid. 'Dichter' is een algemene aanduiding - iedereen immers die dicht wordt zo genoemd - maar al bij de Grieken werd het de aanduiding van één man: men verstaat er Homerus onder, wanneer je 'de dichter' hoort. Wat houdt dit dus in? God natuurlijk, groter en machtiger dan alles.
VI.LVIII.18. Tertium genus est eorum quae proprie sunt; innumerabilia haec sunt, sed extra nostrum posita conspectum. Quae sint interrogas? Propria Platonis supellex est: 'ideas' vocat, ex quibus omnia quaecumque videmus fiunt et ad quas cuncta formantur. Hae immortales, immutabiles, inviolabiles sunt. 6.58.18. Het derde geslacht is dat van de dingen die in eigenlijke zin zijn; ze zijn ontelbaar maar liggen buiten onze gezichtskring. Je vraagt wat dat zijn? Ze zijn het eigenlijke gereedschap van Plato: hij noemt ze 'ideeën'; alles wat wij zien komt daaruit voort en alles wordt daarnaar gevormd. Ze zijn onsterfelijk, onveranderlijk en onkwetsbaar.
VI.LVIII.19. Quid sit idea, id est quid Platoni esse videatur, audi: 'idea est eorum quae natura fiunt exemplar aeternum'. Adiciam definitioni interpretationem, quo tibi res apertior fiat. Volo imaginem tuam facere. Exemplar picturae te habeo, ex quo capit aliquem habitum mens nostra quem operi suo imponat; ita illa quae me docet et instruit facies, a qua petitur imitatio, idea est. Talia ergo exemplaria infinita habet rerum natura, hominum, piscium, arborum, ad quae quodcumque fieri ab illa debet exprimitur. 6.58.19. Hoor nu, wat een idee is, dat wil zeggen wat zij volgens Plato is: 'De idee is het eeuwige voorbeeld van die dingen die van nature ontstaan'. Ik zal aan deze definitie een interpretatie toevoegen waardoor de zaak voor jou duidelijker kan worden. Ik wil een portret van je maken. Als model van het schilderij heb ik jou. Daaraan ontleent onze geest bepaalde trekken die hij aan zijn werk wil opleggen. Op die manier is dat gezicht, waarvan ik de afbeelding beoog en dat mij leidt en de weg wijst, de idee. De natuur heeft nu talloze dergelijke voorbeelden, van mensen, vissen, bomen, naar het voorbeeld waarvan alles wat door haar moet ontstaan, zijn uitdrukking krijgt.
VI.LVIII.20. Quartum locum habebit idos. Quid sit hoc idos attendas oportet, et Platoni imputes, non mihi, hanc rerum difficultatem; nulla est autem sine difficultate subtilitas. Paulo ante pictoris imagine utebar. Ille cum reddere Vergilium coloribus vellet, ipsum intuebatur. Idea erat Vergilii facies, futuri operis exemplar; ex hac quod artifex trahit et operi suo imposuit idos est. 6.58.20. De vierde plaats zal de 'eidos' of gestalte innemen. Het is goed oppassen geblazen wat deze gestalte is en je moet de moeilijkheid hiervan aan Plato toerekenen en niet aan mij; er bestaat trouwens geen exactheid zonder moeilijkheid. Daarnet gebruikte ik het beeld van de schilder. Wanneer die Vergilius in kleuren wilde weergeven, keek hij naar hemzelf. Het idee was de gestalte van Vergilius, het voorbeeld van het toekomstige werkstuk. Wat de kunstenaar hieruit haalt en opgelegd heeft aan zijn werk is de eidos of gestalte.
VI.LVIII.21. Quid intersit quaeris? Alterum exemplar est, alterum forma ab exemplari sumpta et operi imposita; alteram artifex imitatur, alteram facit. Habet aliquam faciem statua: haec est idos. Habet aliquam faciem exemplar ipsum quod intuens opifex statuam figuravit: haec idea est. Etiam nunc si aliam desideras distinctionem, idos in opere est, idea extra opus, nec tantum extra opus est, sed ante opus. 6.58.21. Je vraagt wat het verschil is? Het eerste is het model, het tweede een vorm die aan het model ontleend is en aan het werk is opgelegd. De kunstenaar bootst het eerste na maar maakt het tweede. Dat beeld heeft een bepaalde vorm: dat is de eidos of gestalte. En het voorbeeld heeft ook zelf een uiterlijk waarop de kunstenaar zijn blik gericht houdt als hij zijn gestalte ontwerpt: dat is de idee. En als je ook nu nog een onderscheid wenst: de eidos ligt in het werk, de idee buiten het werk en het ligt niet alleen buiten het werk, maar gaat er ook aan voraf.
VI.LVIII.22. Quintum genus est eorum quae communiter sunt; haec incipiunt ad nos pertinere; hic sunt omnia, homines, pecora, res. Sextum genus est eorum quae quasi sunt, tamquam inane, tamquam tempus. Quaecumque videmus aut tangimus Plato in illis non numerat quae esse proprie putat; fluunt enim et in assidua deminutione atque adiectione sunt. Nemo nostrum idem est in senectute qui fuit iuvenis; nemo nostrum est idem mane qui fuit pridie. Corpora nostra rapiuntur fluminum more. Quidquid vides currit cum tempore; nihil ex iis quae videmus manet; ego ipse, dum loquor mutari ista, mutatus sum. 6.58.22. Het vijfde geslacht omvat datgene wat normaal gesproken 'is'. Dit begint al dichter bij ons te komen. Hieronder valt alles: mensen, vee, dingen. Het zesde geslacht bestaat uit datgene wat 'als het ware' is, zoals ruimte en tijd. Al wat wij zien of aanraken rekent Plato niet tot datgene waarvan hij meent dat het in eigenlijke zin bestaat: het is immers op drift en verkeert in een voortdurende af- en toename. Niemand van ons is op hoge leeftijd dezelfde als hij als jonge man was. Niemand van ons is 's morgens dezelfde als hij daags tevoren was. Onze lichamen vervloeien als rivieren. Alwat je ziet gaat met de tijd heen. Niets van wat we zien, blijft. Ikzelf ben, terwijl ik zeg dat die dingen veranderen, veranderd.
VI.LVIII.23. Hoc est quod ait Heraclitus: 'in idem flumen bis descendimus et non descendimus'. Manet enim idem fluminis nomen, aqua transmissa est. Hoc in amne manifestius est quam in homine; sed nos quoque non minus velox cursus praetervehit, et ideo admiror dementiam nostram, quod tantopere amamus rem fugacissimam, corpus, timemusque ne quando moriamur, cum omne momentum mors prioris habitus sit: vis tu non timere ne semel fiat quod cotidie fit! 6.58.23. Dit is wat Heraclitus zegt: 'In dezelfde rivier dalen we twee keer af en dalen er niet in af'. Wat immers blijft is de aanduiding 'rivier', maar het water is voorbij gestroomd. Dit is bij een stroom duidelijker zichtbaar dan bij een mens. Maar ook ons voert een niet minder snelle vaart voorbij, en daarom verbaas ik mij over onze dwaasheid, dat wij zozeer gehecht zijn aan iets zeer vluchtigs, het lichaam en dat we vrezen ooit te zullen sterven, terwijl toch elk ogenblik de dood van een vorige situatie inhoudt: vrees toch niet dat één keer gebeurt wat al dagelijks plaats vindt!
VI.LVIII.24. De homine dixi, fluvida materia et caduca et omnibus obnoxia causis: mundus quoque, aeterna res et invicta, mutatur nec idem manet. Quamvis enim omnia in se habeat quae habuit, aliter habet quam habuit: ordinem mutat.

6.58.24. Ik sprak over de mens, een vergankelijke en broze stof die blootgesteld is aan allerlei invloeden. Ook de wereld, al is die eeuwig en onoverwinlijk, verandert en blijft niet dezelfde. Want al omvat hij alles wat hij ooit omvat heeft: hij omvat het toch op een andere manier dan hij eerder deed: hij wijzigt zijn ordening.
VI.LVIII.25. 'Quid ista' inquis 'mihi subtilitas proderit?' Si me interrogas, nihil; sed quemadmodum ille caelator oculos diu intentos ac fatigatos remittit atque avocat et, ut dici solet, pascit, sic nos animum aliquando debemus relaxare et quibusdam oblectamentis reficere. Sed ipsa oblectamenta opera sint; ex his quoque, si observaveris, sumes quod possit fieri salutare. 6.58.25. 'Wat', zul je zeggen,'heb ik aan die scherpzinnigheid?' Als je het mij vraagt, niets. Maar zoals een graveur zijn ogen, als die lange tijd ingespannen getuurd hebben en vermoeid zijn, rust gunt en afleidt en, zoals dat heet, laat weiden, zo moeten wij onze geest soms ontspannen en door bepaalde genoegens weer op verhaal laten komen. Maar ook die genoegens zijn inspanningen. Ook hieruit kun je, als je oplet, iets halen wat heilzaam kan zijn.
VI.LVIII.26. Hoc ego, Lucili, facere soleo: ex omni notione, etiam si a philosophia longissime aversa est, eruere aliquid conor et utile efficere. Quid istis quae modo tractavimus remotius a reformatione morum? quomodo meliorem me facere ideae Platonicae possunt? quid ex istis traham quod cupiditates meas comprimat? Vel hoc ipsum, quod omnia ista quae sensibus serviunt, quae nos accendunt et irritant, negat Plato ex iis esse quae vere sint. 6.58.26. Dit, mijn beste Lucilius, is mijn gewoonte: uit alles waarmee ik kennis maak, ook al is het nog zo ver van de filosofie verwijderd, probeer ik een graantje mee te pikken en ten nutte te maken. 'Maar wat staat nu verder af van de verbetering van ons karakter dan dat wat we zojuist besproken hebben? Hoe kunnen de ideeën van Plato mij nou een beter mens maken? Wat moet ik daaruit halen om er mijn aandriften mee te controleren?' Misschien juist deze visie, dat alles wat van de zintuigen afhankelijk is, wat ons overkomt en prikkelt, volgens Plato niet tot datgene behoort wat in werkelijkheid is.
VI.LVIII.27. Ergo ista imaginaria sunt et ad tempus aliquam faciem ferunt, nihil horum stabile nec solidum est; et nos tamen cupimus tamquam aut semper futura aut semper habituri. Imbecilli fluvidique inter vana constitimus: ad illa mittamus animum quae aeterna sunt. Miremur in sublimi volitantes rerum omnium formas deumque inter illa versantem et hoc providentem, quemadmodum quae immortalia facere non potuit, quia materia prohibebat, defendat a morte ac ratione vitium corporis vincat. 6.58.27. Dus zijn die dingen maar denkbeeldig en hebben maar tijdelijk een gestalte, niets ervan is blijvend en fundamenteel. En toch richten wij er ons verlangen op alsof ze er altijd zullen zijn ofwel wij ze voor altijd kunnen bezitten. Zwak en vergankelijk staan wij tussen ijdele zaken. Laten wij onze geest richten op wat eeuwig is. Laten wij opzien naar oerbeelden van alles die hoog boven ons zweven en naar de godheid die zich daartussen bevindt en hiervoor zorgt dat, omdat wat hij niet onsterfelijk kan maken omdat de stof dat tegenhoudt, hij dat tegen de dood verdedigt doordat hij met de rede het tekort van de stoffelijkheid overwint.
VI.LVIII.28. Manent enim cuncta, non quia aeterna sunt, sed quia defenduntur cura regentis: immortalia tutore non egerent. Haec conservat artifex fragilitatem materiae vi sua vincens. Contemnamus omnia quae adeo pretiosa non sunt ut an sint omnino dubium sit. 6.58.28. Want alles is blijvend, niet omdat het eeuwig is, maar omdat het beschermd wordt door de zorg van hem die alles bestuurt: als het onsterfelijk was, zou het geen beschermer nodig hebben. De maker houdt dit in stand en overwint met zijn kracht de zwakheid van de stof. Laten wij dus minachting koesteren voor alles wat zo weinig kostbaar is dat het twijfelachtig is of het überhaupt wel bestaat.
VI.LVIII.29. Illud simul cogitemus, si mundum ipsum, non minus mortalem quam nos sumus, providentia periculis eximit, posse aliquatenus nostra quoque providentia longiorem prorogari huic corpusculo moram, si voluptates, quibus pars maior perit, potuerimus regere et coercere. 6.58.29. Laten wij dit ook bedenken dat als de voorzienigheid deze wereld, die niet minder sterfelijk is dan wij, tegen gevaren beschermt, onze voorzienigheid ook tot op zekere hoogte het voortbestaan van dit lichaampje kan verlengen, als wij in staat zijn de genietingen, waardoor het grotendeels gesloopt wordt, kunnen controleren en beheersen.
VI.LVIII.30. Plato ipse ad senectutem se diligentia protulit. Erat quidem corpus validum ac forte sortitus et illi nomen latitudo pectoris fecerat, sed navigationes ac pericula multum detraxerant viribus; parsimonia tamen et eorum quae aviditatem evocant modus et diligens sui tutela perduxit illum ad senectutem multis prohibentibus causis. 6.58.30. Plato zelf heeft het door een strikte levenswijze tot hoge leeftijd gebracht. Nu had hij toevallig wel een sterk lichaam en de breedte van zijn borst had hem zijn naam bezorgd, maar zeereizen en gevaren hadden veel van zijn krachten aangetast. Maar soberheid, en maat in die dingen die de begeerte opwekken en zichzelf in acht nemen hebben hem tot een hoge leeftijd gebracht, ondanks veel belemmeringen.
VI.LVIII.31. Nam hoc scis, puto, Platoni diligentiae suae beneficio contigisse quod natali suo decessit et annum unum atque octogensimum implevit sine ulla deductione. Ideo magi, qui forte Athenis erant, immolaverunt defuncto, amplioris fuisse sortis quam humanae rati, quia consummasset perfectissimum numerum, quem novem novies multiplicata componunt. Non dubito quin paratus sis et paucos dies ex ista summa et sacrificium remittere. 6.58.31. Want dit weet je wel, denk ik, dat het Plato, dank zij zijn strikte levenswijze, ten deel viel dat hij op precies zijn één en tachtigste verjaardag stierf zonder een dag korting. Daarom brachten Oosterse wijzen, die toevallig in Athene waren, offers aan hem na zijn dood, in de mening dat zijn levenslot meer dan menselijk geweest was, omdat hij het meest volmaakte getal, dat negen maal negen vormt, had volgemaakt. Ik twijfel er niet aan of je bent bereid zowel van wat dagen van dat totaal af te zien alsook van het offer.
VI.LVIII.32. Potest frugalitas producere senectutem, quam ut non puto concupiscendam, ita ne recusandam quidem; iucundum est secum esse quam diutissime, cum quis se dignum quo frueretur effecit. Itaque de isto feremus sententiam, an oporteat fastidire senectutis extrema et finem non opperiri sed manu facere. Prope est a timente qui fatum segnis exspectat, sicut ille ultra modum deditus vino est qui amphoram exsiccat et faecem quoque exsorbet. 6.58.32. Soberheid kan een hoge leeftijd voortbrengen, en die vind ik, zo al niet begeerlijk, dan toch zeker niet verwerpelijk. Het is aangenaam om zo lang mogelijk bij zichzelf te zijn wanneer men zich waardig heeft betoond om ervan te genieten. Daarom moeten wij ons hierover een mening vormen, of we de laatste fase van de ouderdom moeten afwijzen en het einde niet moeten afwachten maar het eigenhandig moeten veroorzaken. Het lijkt erg op de houding van iemand die door angst verlamd zijn noodlot afwacht, zoals iemand uitzonderlijk verslaafd is aan wijn die de kruik tot op de bodem leegt en dan ook nog de droesem opslurpt.
VI.LVIII.33. De hoc tamen quaeremus, pars summa vitae utrum faex sit an liquidissimum ac purissimum quiddam, si modo mens sine iniuria est et integri sensus animum iuvant nec defectum et praemortuum corpus est; plurimum enim refert, vitam aliquis extendat an mortem. 6.58.33. Toch zullen we hiernaar een onderzoek moeten doen, of het laatste deel van ons leven droesem is of nu juist iets heel helders en zuivers, als tenminste het geweten onbelast is en de zintuigen ongedeerd de geest helpen en het lichaam niet gebrekkig en bijna dood is. Het maakt immers een groot verschil of iemand zijn leven rekt of zijn sterven.
VI.LVIII.34. At si inutile ministeriis corpus est, quidni oporteat educere animum laborantem? et fortasse paulo ante quam debet faciendum est, ne cum fieri debebit facere non possis; et cum maius periculum sit male vivendi quam cito moriendi, stultus est qui non exigua temporis mercede magnae rei aleam redimit. Paucos longissima senectus ad mortem sine iniuria pertulit, multis iners vita sine usu sui iacuit: quanto deinde crudelius iudicas aliquid ex vita perdidisse quam ius finiendae? 6.58.34. Maar als het lichaam onbruikbaar is voor zijn functies, waarom zou het dan niet passend zijn de geest uit zijn lijden te bevrijden? En misschien moet dat kort voordat het nodig is gebeuren, om te verhinderen dat je het niet meer kunt doen wanneer het moet. En wanneer het risico van een ellendig leven groter is dan van een snelle dood, dan is men wel dwaas als men niet voor een kleine prijs aan tijd het risico van die ellende afkoopt. Een zeer hoge ouderdom heeft maar weinigen de dood gebracht zonder afbreuk aan zijn integriteit, voor de grote massa bleef het leven zonder vrucht af te werpen. Hoeveel wreder acht je het dan iets van het leven prijs te geven in ruil voor het recht daar zelf een einde aan te maken?
VI.LVIII.35. Noli me invitus audire, tamquam ad te iam pertineat ista sententia, et quid dicam aestima: non relinquam senectutem, si me totum mihi reservabit, totum autem ab illa parte meliore; at si coeperit concutere mentem, si partes eius convellere, si mihi non vitam reliquerit sed animam, prosiliam ex aedificio putri ac ruenti. 6.58.35. Luister niet tegen je zin naar mij, alsof deze mening al op jou betrekking zou hebben en beoordeel kritisch wat ik zeg: ik wil niet van de ouderdom afzien, als zij mij helemaal voor mijzelf bewaart, helemaal dan als ze het beste deel intact laat. Maar als ze begint mijn geestelijke vermogens te verwarren, en daar delen van gaat slopen, als zij mij geen leven meer laat maar slechts wat levensadem, dan zal ik uit dat verworden en bouwvallige huis springen.
VI.LVIII.36. Morbum morte non fugiam, dumtaxat sanabilem nec officientem animo. Non afferam mihi manus propter dolorem: sic mori vinci est. Hunc tamen si sciero perpetuo mihi esse patiendum, exibo, non propter ipsum, sed quia impedimento mihi futurus est ad omne propter quod vivitur; imbecillus est et ignavus qui propter dolorem moritur, stultus qui doloris causa vivit. 6.58.36. Voor een ziekte zal ik niet vluchten door de dood, zolang zij maar geneeslijk is en mijn geest niet tot last is. Ik zal niet de hand aan mijzelf slaan wegens pijn: zo sterven betekent overwonnen worden. Maar als ik zal beseffen dat die pijn altijd door mij verdragen moet worden, dan zal ik er uit stappen, niet om de pijn zelf, maar omdat hij mij een obstakel zal zijn voor alles waarom men leeft. Zwak en laf is hij die voor de dood kiest vanwege pijn, maar dwaas is hij die in leven blijft voor pijn.
VI.LVIII.37. Sed in longum exeo; est praeterea materia quae ducere diem possit: et quomodo finem imponere vitae poterit qui epistulae non potest? Vale ergo: quod libentius quam mortes meras lecturus es.
Vale.
6.58.37. Maar ik weid te ver uit. Het is bovendien een onderwerp waarover je wel een dag bezig kunt zijn. En hoe zal iemand een einde aan zijn leven kunnen maken die dat niet eens aan een brief kan? Gegroet dus. Dat zul je liever lezen dan steeds maar dat doodsrefrein.
Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca