EPISTULA LVI



LIBER VI,Ep.LVI

Boek 6, Brief 56

Leven in Baiae.

VI.LVI.i. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM Peream si est tam necessarium quam videtur silentium in studia seposito. Ecce undique me varius clamor circumsonat: supra ipsum balneum habito. Propone nunc tibi omnia genera vocum quae in odium possunt aures adducere: cum fortiores exercentur et manus plumbo graves iactant, cum aut laborant aut laborantem imitantur, gemitus audio, quotiens retentum spiritum remiserunt, sibilos et acerbissimas respirationes; cum in aliptem inertem et hac plebeia unctione contentum incidi, audio crepitum illisae manus umeris, quae prout plana pervenit aut concava, ita sonum mutat. Si vero pilicrepus supervenit et numerare coepit pilas, actum est. 6.56.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS. Ik mag hangen als stilte zo noodzakelijk is als het wel lijkt voor degene die zich heeft teruggetrokken voor studie. Hoor toch eens aan: van alle kanten klinkt allerlei rumoer om me heen: ik bivakkeer pal boven een bad- en fittnesscentrum. Stel je nu alle soorten kreten voor die je tot spijt over het bezit van oren kunnen aanzetten: wanneer de krachtpatsers trainen en hun armen, zwaar van lood, rondzwaaien, wanneer ze ofwel kracht zetten ofwel doen alsof, hoor ik hun kreten, telkens als ze hun ingehouden adem uitblazen, hoor ik hun gesis en zware ademhaling; wanneer ik een masseur tref die lui is en al tevreden met ordinaire insmering, hoor ik het slaan van een hand die op schouders slaat, een geluid dat wisselt naargelang het met vlakke of holle hand wordt gemaakt. Maar als er dan nog een balspeler bijkomt die zijn treffers telt, dan is het circus compleet.
VI.LVI.ii. Adice nunc scordalum et furem deprensum et illum cui vox sua in balneo placet, adice nunc eos qui in piscinam cum ingenti impulsae aquae sono saliunt. Praeter istos quorum, si nihil aliud, rectae voces sunt, alipilum cogita tenuem et stridulam vocem quo sit notabilior subinde exprimentem nec umquam tacentem nisi dum vellit alas et alium pro se clamare cogit; iam libarii varias exclamationes et botularium et crustularium et omnes popinarum institores mercem sua quadam et insignita modulatione vendentis. 6.56.2. Voeg daar nog een ruziezoeker aan toe en een dief die in zijn kraag gegrepen wordt en zo'n type dat gek is op zijn stemgeluid in een badruimte, daarbovenop dan nog diegenen die luidruchtig met een 'bommetje' het bassin inspringen. Afgezien van deze lieden, van wie de stemgeluiden nog normaal zijn als er verder niets aan de hand is, moet je ook nog denken aan de epileur met zijn schrille en doordringende stemgeluid waarmee hij wil opvallen en er dan ook alles uitperst en nooit zijn mond houdt totdat hij iemands oksels plukt en zo een ander voor zich laat schreeuwen. En dan nog de verschillende uitroepen van de snack-verkoper en en de mannen van de worstjes en de koeken en alle aanprijzers van eetwaar die hun spulletjes aan de man brengen met ieder een eigen lokroep.
VI.LVI.iii. 'O te' inquis 'ferreum aut surdum, cui mens inter tot clamores tam varios, tam dissonos constat, cum Chrysippum nostrum assidua salutatio perducat ad mortem.' At mehercules ego istum fremitum non magis curo quam fluctum aut deiectum aquae, quamvis audiam cuidam genti hanc unam fuisse causam urbem suam transferendi, quod fragorem Nili cadentis ferre non potuit. 6.56.3. Ik hoor je al zeggen: 'Jouw geest is toch wel van ijzer of doof, dat hij zich onder zoveel uiteenlopend en vals geschreeuw staande weet te houden, terwijl intensief bezoek onze Crysippus al doodziek maakte'. Maar werkelijk ik maak me evenmin druk om dat rumoer als het gedruis en geplons van het water, ofschoon ik al eens gehoord heb dat voor een of ander volk dit de enige reden geweest is om hun stad te verplaatsen, dat ze het geraas van een Nijlwaterval niet konden verdragen.
VI.LVI.iv. Magis mihi videtur vox avocare quam crepitus; illa enim animum adducit, hic tantum aures implet ac verberat. In his quae me sine avocatione circumstrepunt essedas transcurrentes pono et fabrum inquilinum et ferrarium vicinum, aut hunc qui ad Metam Sudantem tubulas experitur et tibias, nec cantat sed exclamat. Etiam nunc molestior est mihi sonus qui intermittitur subinde quam qui continuatur. 6.56.4. Het ziet er naar uit dat stemgeluid mij meer afleidt dan lawaai; het eerste irriteert immers de geest, het tweede vult slechts de oren en geselt die. Onder datgene wat rumoer veroorzaakt in mijn omgeving zonder mij af leiden reken ik ook passerende wagens en een werkman in huis en een smid in de buurt, of iemand die bij de Meta Sudans zijn trompetje probeert en zijn fluit en daar niet bij zingt maar schreeuwt. Ook heb ik tegenwoordig meer last van geluid dat af en toe onderbroken wordt dan van aanhoudend.
VI.LVI.v. Sed iam me sic ad omnia ista duravi ut audire vel pausarium possim voce acerbissima remigibus modos dantem. Animum enim cogo sibi intentum esse nec avocari ad externa; omnia licet foris resonent, dum intus nihil tumultus sit, dum inter se non rixentur cupiditas et timor, dum avaritia luxuriaque non dissideant nec altera alteram vexet. Nam quid prodest totius regionis silentium, si affectus fremunt? 6.56.5. Maar ik heb me al zo gehard tegen al die dingen dat ik zelfs een roeimeester zou kunnen aanhoren als die met zeer schelle stem aan de roeiers de cadans aangeeft. Ik dwing immers mijn geest op zichzelf geconcentreerd te blijven en zich niet te laten afleiden naar zaken daarbuiten; alles buiten mag een pandemonium zijn, als er binnenin maar geen chaos heerst, als begeerte en vrees maar niet met elkaar overhoop liggen, als heb- en weeldezucht maar niet op gespannen voet staan en de een de ander voor de voeten loopt. Want wat heb je aan stilte in je hele regio, als je gemoed opspeelt?
VI.LVI.vi. 'Omnia noctis erant placida composta quiete'. Falsum est: nulla placida est quies nisi quam ratio composuit; nox exhibet molestiam, non tollit, et sollicitudines muta. Nam dormientium quoque insomnia tam turbulenta sunt quam dies: illa tranquillitas vera est in quam bona mens explicatur. 6.56.6. 'Alles was gedompeld in de vredige rust van de nacht'. Dat is bedriegelijk: geen enkele rust is vredig tenzij de rede haar gebracht heeft. De nacht brengt de onrust aan het licht maar neemt die niet weg, zij verandert onze zorgen slechts. Want ook de dromen van slapenden zijn even woelig als hun dagen: die rust is pas echt waartoe een goed geweten zich ontvouwt.
VI.LVI.vii. Aspice illum cui somnus laxae domus silentio quaeritur, cuius aures ne quis agitet sonus, omnis servorum turba conticuit et suspensum accedentium propius vestigium ponitur: huc nempe versatur atque illuc, somnum inter aegritudines levem captans; quae non audit audisse se queritur. 6.56.7. Let eens op die man die in de stilte van een groot huis probeert te slapen. De hele drom van slaven is het zwijgen opgelegd opdat zijn oren maar door geen geluid getroffen worden en de voetstap van hen die in zijn nabijheid komen wordt gedempt: hij draait zich namelijk om en om en probeert een uiltje te knappen tussen zijn kommer en kwel. Hij hoort niets maar klaagt toch wat gehoord te hebben.
VI.LVI.viii. Quid in causa putas esse? Animus illi obstrepit. Hic placandus est, huius compescenda seditio est, quem non est quod existimes placidum, si iacet corpus: interdum quies inquieta est; et ideo ad rerum actus excitandi ac tractatione bonarum artium occupandi sumus, quotiens nos male habet inertia sui impatiens. 6.56.8. Wat denk je dat de oorzaak hiervan is? Zijn gemoed zit hem dwars. Die moet tot kalmte gebracht worden, daarvan moet de opstandigheid gekalmeerd worden. En je moet niet denken dat die kalm is als het lichaam maar ligt: soms is een rust onrustig. Daarom moeten wij ons laten prikkelen tot handelen en ons bezig houden met hoogstaande werken, zo vaak als luiheid die zichzelf voor de voeten loopt, ons tot onze ellende in zijn greep heeft.
VI.LVI.ix. Magni imperatores, cum male parere militem vident, aliquo labore compescunt et expeditionibus detinent: numquam vacat lascivire districtis, nihilque tam certum est quam otii vitia negotio discuti. Saepe videmur taedio rerum civilium et infelicis atque ingratae stationis paenitentia secessisse; tamen in illa latebra in quam nos timor ac lassitudo coniecit interdum recrudescit ambitio. Non enim excisa desit, sed fatigata aut etiam obirata rebus parum sibi cedentibus. 6.56.9. Als grote legeraanvoerders zien dat hun soldaten dwarsliggen, zetten ze hen aan een of andere klus en houden hen bezig met lange marsen: als men druk bezig is, is er nooit gelegenheid uit de band te springen, en niets is zo zeker als dat de nadelen van niets doen door iets doen de kop ingedrukt worden . Dikwijls schijnen wij ons uit afkeer voor de politiek en uit rancune over onze ongelukkige en ondankbare positie teruggetrokken te hebben; toch duikt in die schuilplaats, waarin angst en frustratie ons gedrongen hebben, de eerzucht weer op. Ze is namelijk niet uitgeroeid en verdwenen, maar vermoeid of zelfs alleen kwaad omdat de zaken niet naar wens verliepen.
VI.LVI.x. Idem de luxuria dico, quae videtur aliquando cessisse, deinde frugalitatem professos sollicitat atque in media parsimonia voluptates non damnatas sed relictas petit, et quidem eo vehementius quo occultius. Omnia enim vitia in aperto leniora sunt; morbi quoque tunc ad sanitatem inclinant cum ex abdito erumpunt ac vim sui proferunt. Et avaritiam itaque et ambitionem et cetera mala mentis humanae tunc perniciosissima scias esse cum simulata sanitate subsidunt. 6.56.10. Hetzelfde zeg ik over weeldezucht, die soms de indruk maakt zich teruggetrokken te hebben, maar dan weer onrust zaait onder degenen die zich voor soberheid hebben uitgesproken en midden in een tijd van spaarzaamheid weer oproept tot genietingen die niet veroordeeld waren maar opzijgezet, en wel met des te groter hevigheid naarmate het zich heimelijker afspeelt. Want alle tekorten zijn milder als we ons ervan bewust zijn. Ook ziektes neigen dan tot genezing wanneer zij van 'onder de leden' aan het licht komen en hun kracht tonen. Houd er dus rekening mee dat ook hebzucht en ijdelheid en andere kwalen van de menselijke geest het verderfelijkste zijn wanneer zij zich achter een schijn van gezondheid verschuilen.
VI.LVI.xi. Otiosi videmur, et non sumus. Nam si bona fide sumus, si receptui cecinimus, si speciosa contempsimus, ut paulo ante dicebam, nulla res nos avocabit, nullus hominum aviumque concentus interrumpet cogitationes bonas, solidasque iam et certas. 6.56.11. Wij lijken vrij te zijn en toch zijn we het niet. Want als we te goeder trouw zijn, als we de aftocht geblazen hebben, als we verachting opgevat hebben voor schone schijn, dan zal, zoals ik kort geleden al zei, niets ons meer storen, geen enkel gezang van mensen en vogels onze goede, grondige en op zekerheid gerichte gedachten meer onderbreken.
VI.LVI.xii. Leve illud ingenium est nec sese adhuc reduxit introsus quod ad vocem et accidentia erigitur; habet intus aliquid sollicitudinis et habet aliquid concepti pavoris quod illum curiosum facit, ut ait Vergilius noster:
et me, quem dudum non ulla iniecta movebant
tela neque adverso glomerati e agmine Grai,
nunc omnes terrent aurae, sonus excitat omnis
suspensum et pariter comitique onerique timentem.
6.56.12. Kwetsbaar is die geest en hij heeft zich nog niet tot zichzelf ingekeerd, die zich van streek laat brengen door een woord of toevallige gebeurtenissen. Hij heeft nog iets van onrust in zich en nog een element van angt dat hem nieuwsgierig maakt, zoals onze Vergilius zegt:
ook mij, die allang niet meer maalde om afgeschoten speren
of drommen Grieken uit de vijandige linies,
jagen nu alle briesjes schrik aan, verontrust elk geluid,
gespannen als ik ben en bezorgd om mijn metgezezllen en mijn last.
VI.LVI.xiii. Prior ille sapiens est, quem non tela vibrantia, non arietata inter se arma agminis densi, non urbis impulsae fragor territat: hic alter imperitus est, rebus suis timet ad omnem crepitum expavescens, quem una quaelibet vox pro fremitu accepta deiecit, quem motus levissimi exanimant; timidum illum sarcinae faciunt. 6.56.13. Eerst gaat het hier om een wijze, die niet verschrikt wordt door gesnor van pijlen, noch door op elkaar rammende wapens van een dichte slaglinie, noch door het gekraak van een aanval op de stad; de ander is onervaren, bezorgd om het zijne en schrikt van elk geluid; elk willekeurig stemgeluid interpreteert hij als bedreigend en het frustreert hem, de minste bewegingen snijden hem de adem af; zijn eigen bagage maakt hem al schichtig.
VI.LVI.xiv. Quemcumque ex istis felicibus elegeris, multa trahentibus, multa portantibus, videbis illum 'comitique onerique timentem'. Tunc ergo te scito esse compositum cum ad te nullus clamor pertinebit, cum te nulla vox tibi excutiet, non si blandietur, non si minabitur, non si inani sono vana circumstrepet. 6.56.14. Wie je ook neemt van die succesrijke mensen, die veel moeten meeslepen, veel met zich meedragen, je zult hem 'bezorgd zien om zijn metgezezel en bagage'. Dan pas kun je weten dat je gerust bent, wanneer geen enkel geschreeuw je meer bereikt, wanneer geen enkel stemgeluid je meer van je stuk brengt, noch in vleierij, noch in dreigementen, noch wanneer het je onzin toeschreeuwt in onzinnig geluid.
VI.LVI.xv. 'Quid ergo? non aliquando commodius est et carere convicio?' Fateor; itaque ego ex hoc loco migrabo. Experiri et exercere me volui: quid necesse est diutius torqueri, cum tam facile remedium Ulixes sociis etiam adversus Sirenas invenerit.
Vale.
6.56.15. 'Wat nu? Is het dan niet aantrekkelijker om niet al dat lawaai om je heen te hebben?' Dat moet ik toegeven; daarom ga ik ook weer weg van hier. Ik heb me willen testen en willen trainen: waarom is het nodig zichzelf langer te kwellen, als Ulysses een zo eenvoudig middel voor zijn metgezellen wist te vinden tegen de Sirenen.
Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca