EPISTULA LII



LIBER V,Ep.LII

Boek 5, Brief 52

Helpers op de weg naar wijsheid.

V.LII.i. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM Quid est hoc, Lucili, quod nos alio tendentes alio trahit et eo unde recedere cupimus impellit? quid colluctatur cum animo nostro nec permittit nobis quicquam semel velle? Fluctuamur inter varia consilia; nihil libere volumus, nihil absolute, nihil semper. 5.52.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS. Wat is het toch, mijn beste Lucilius, dat, terwijl wij de ene kant op streven, ons naar een andere kant trekt en ons ertoe aanzet om daarheen terug te gaan vanwaar wij weg willen? Wat worstelt met onze wens en staat ons niet toe iets eens en voor altijd te willen? Wij aarzelen tussen uiteenlopende overwegingen. Niets willen we ongehinderd, onvoorwaardelijk, voor altijd.
V.LII.ii. 'Stultitia' inquis 'est cui nihil constat, nihil diu placet.' Sed quomodo nos aut quando ab illa revellemus? Nemo per se satis valet ut emergat; oportet manum aliquis porrigat, aliquis educat. 5.52.2. 'Dat is dwaasheid', zul je zeggen, 'waarvoor niets vaststaat en die nergens lange tijd tevreden mee is'. Maar hoe of wanneer zullen wij ons daaraan kunnen ontrukken? Niemand heeft uit zichzelf kracht genoeg om zich daaraan te ontworstelen; iemand moet ons de hand reiken, iemand moet ons hieruit halen.
V.LII.iii. Quosdam ait Epicurus ad veritatem sine ullius adiutorio exisse, fecisse sibi ipsos viam; hos maxime laudat quibus ex se impetus fuit, qui se ipsi protulerunt: quosdam indigere ope aliena, non ituros si nemo praecesserit, sed bene secuturos. Ex his Metrodorum ait esse; egregium hoc quoque, sed secundae sortis ingenium. Nos ex illa prima nota non sumus; bene nobiscum agitur, si in secundam recipimur. Ne hunc quidem contempseris hominem qui alieno beneficio esse salvus potest; et hoc multum est, velle servari. 5.52.3. Epicurus zegt dat sommigen bij de waarheid uitgekomen zijn zonder iemands hulp, dat zij zichzelf een weg gebaand hebben. Hen prijst hij het meest die de kracht daartoe bij zichzelf vonden, die zichzelf vooruit hebben geholpen. Van anderen zegt hij dat ze andermans hulp nodig hebben: zij zouden niet op weg komen als niemand hen voor zou gaan, maar ze volgen goed na. Van hen, zegt hij, was Metrodorus er één: ook hij was een buitengewoon karakter, maar van de tweede klasse. Wij horen niet onder die topklasse. Wij zijn goed af als we die tweede soort opgenomen kunnen worden. Stellig moet je iemand niet verachten die zich dank zij andermans hulp weet te redden. Ook gered willen worden is al heel wat.
V.LII.iv. Praeter haec adhuc invenies genus aliud hominum ne ipsum quidem fastidiendum eorum qui cogi ad rectum compellique possunt, quibus non duce tantum opus sit sed adiutore et, ut ita dicam, coactore; hic tertius color est. Si quaeris huius quoque exemplar, Hermarchum ait Epicurus talem fuisse. Itaque alteri magis gratulatur, alterum magis suspicit; quamvis enim ad eundem finem uterque pervenerit, tamen maior est laus idem effecisse in difficiliore materia. 5.52.4. Hiernaast kun je nog een ander, ook zeker niet te versmaden type mensen aantreffen, bestaande uit diegenen die gedrongen en geprest kunnen worden tot het juiste; die niet alleen een gids nodig hebben maar een hulp en, om het zo maar uit te drukken, een deurwaarder. Dit is een derde variant. Als je ook hiervan een voorbeeld wilt: Epicurus zegt dat Hermarchus zo iemand was. Hij wenst daarom de eersten geluk, maar heeft meer respect voor de tweeden. Ofschoon namelijk beiden hetzelfde doel bereiken, is het toch lofwaardiger dat zij hetzelfde bereikt hebben in moeilijker omstandigheden.
V.LII.v. Puta enim duo aedificia excitata esse, ambo paria, aeque excelsa atque magnifica. Alter puram aream accepit, illic protinus opus crevit; alterum fundamenta lassarunt in mollem et fluvidam humum missa multumque laboris exhaustum est dum pervenitur ad solidum: apparet in altero quidquid factum est; alterius magna pars et difficilior latet. 5.52.5. Stel je immers voor dat door twee mensen gebouwen opgetrokken zijn, allebei gelijk, even hoog en prachtig. Maar de ene bouwer heeft een bouwrijp en droge kavel bemachtigd: daar ging zijn werkstuk meteen de hoogte in. De ander heeft zich moeten uitsloven om in een zachte en drassige bodem fundamenten te leggen en zich veel moeite moeten getroosten voordat hij bij een stevige ondergrond kwam. Nu is het wel duidelijk dat bij de eerste heel wat gepresteerd is. Maar van de ander onttrekt zich het grootste en juist moeilijkste deel aan het oog.
V.LII.vi. Quaedam ingenia facilia, expedita, quaedam manu, quod aiunt, facienda sunt et in fundamentis suis occupata. Itaque illum ego feliciorem dixerim qui nihil negotii secum habuit, hunc quidem melius de se meruisse qui malignitatem naturae suae vicit et ad sapientiam se non perduxit sed extraxit.

5.52.6. Sommige karakters zijn flexibel, gemakkelijk, andere moeten, zoals dat heet, met de hand gekneed worden en worden in beslag genomen door hun fundamenten. Daarom zal ik diegene gelukkig prijzen die geen moeite met zichzelf heeft, maar mijn bewondering uitspreken over de ander die een grotere prestatie geleverd heeft omdat hij de weerstand van zijn eigen natuur overwonnen heeft en zich niet naar wijsheid heeft laten leiden maar zich er een weg heen gebaand heeft.
V.LII.vii. Hoc durum ac laboriosum ingenium nobis datum scias licet; imus per obstantia. Itaque pugnemus, aliquorum invocemus auxilium. 'Quem' inquis 'invocabo? Hunc aut illum?' Tu vero etiam ad priores revertere, qui vacant; adiuvare nos possunt non tantum qui sunt, sed qui fuerunt. 5.52.7. Je mag gerust erkennen dat ons dit moeilijke en bewerkelijke karakter gegeven is: wij gaan door een bar gebied. Laten wij dus boksen en de hulp van anderen inroepen. 'Wie', zeg je,'zal ik te hulp roepen? Hem of hem?' Maar wend je ook eens tot ouderen voorzover die beschikbaar zijn. Niet alleen zij die nog leven kunnen ons helpen, ook zij die geleefd hebben.
V.LII.viii. Ex his autem qui sunt eligamus non eos qui verba magna celeritate praecipitant et communes locos volvunt et in privato circulantur, sed eos qui vita docent, qui cum dixerunt quid faciendum sit probant faciendo, qui docent quid vitandum sit nec umquam in eo quod fugiendum dixerunt deprehenduntur; eum elige adiutorem quem magis admireris cum videris quam cum audieris. 5.52.8. Laten we uit hen die nog in leven zijn echter diegenen kiezen die niet over hun woorden struikelen door hun rappe tong en gemeenplaatsen ventileren en in een eng kringetje ronddraaien, maar diegenen die door hun levenswijze hun leer presenteren en die, wanneer zij zeggen wat je moet doen door hun daden daaraan een bekrachtiging toevoegen, die uitleggen wat je moet vermijden zonder ooit betrapt te worden op dat waarvan ze zeggen dat je je er verre van moet houden. Kies hem als helper die je meer bewondert wanneer je hem ziet dan wanneer je hem hoort.
V.LII.ix. Nec ideo te prohibuerim hos quoque audire quibus admittere populum ac disserere consuetudo est, si modo hoc proposito in turbam prodeunt, ut meliores fiant faciantque meliores, si non ambitionis hoc causa exercent. Quid enim turpius philosophia captante clamores? numquid aeger laudat medicum secantem? 5.52.9. Maar ik zal je er toch niet van proberen te weerhouden ook hen te aanhoren die de gewoonte hebben publiek toe te laten en daarvoor uiteenzettingen te geven, als ze tenminste optreden met de bedoeling dat ze zichzelf en hun toehoorders beter maken, als zij dit niet doen uit eerzucht. Wat is immers schandelijker dan filosofie die hengelt naar toejuichingen? Een zieke complimenteert toch ook geen arts die het mes in hem zet?
V.LII.x. Tacete, favete et praebete vos curationi; etiam si exclamaveritis, non aliter audiam quam si ad tactum vitiorum vestrorum ingemescatis. Testari vultis attendere vos moverique rerum magnitudine? sane liceat: ut quidem iudicetis et feratis de meliore suffragium, quidni non permittam? Apud Pythagoram discipulis quinque annis tacendum erat: numquid ergo existimas statim illis et loqui et laudare licuisse? 5.52.10. Jullie moeten zwijgen, stil zijn en je open stellen voor behandeling. Zelfs als jullie een uitroep slaken, zal ik dat niet anders verstaan dan als jullie kermen bij aanraking van jullie tekorten. Willen jullie laten blijken dat jullie erbij zijn en geraakt worden door de grootheid van de gebeurtenis? Natuurlijk mag dat: vooral om een kritisch oordeel te vormen en je stem uit te brengen op het beste, waarom zou ik dat niet toestaan? Bij Pythagoras moesten zijn leerlingen vijf jaar zwijgen: zou je dan oordelen dat het hun vrij stond meteen te spreken en te prijzen?
V.LII.xi. Quanta autem dementia eius est quem clamores imperitorum hilarem ex auditorio dimittunt! Quid laetaris quod ab hominibus his laudatus es quos non potes ipse laudare? Disserebat populo Fabianus, sed audiebatur modeste; erumpebat interdum magnus clamor laudantium, sed quem rerum magnitudo evocaverat, non sonus inoffense ac molliter orationis elapsae. 5.52.11. Hoe groot is echter de dwaasheid van hem die vrolijk gestemd door de toejuichingen van onbenullen het auditorium verlaat! Waarom ben je blij dat je door mensen opgehemeld bent die jij zelf niet serieus kunt nemen? Fabianus hield uiteenzettingen voor publiek, maar werd ingetogen aanhoord. Soms brak er wel eens een luid gejuich uit van enthousiaste toehoorders, maar dan had het belang van de zaak dat uitgelokt, niet de klank van een ongehinderd en vloeiend verlopen welsprekendheid.
V.LII.xii. Intersit aliquid inter clamorem theatri et scholae: est aliqua et laudandi elegantia. Omnia rerum omnium, si observentur, indicia sunt, et argumentum morum ex minimis quoque licet capere: impudicum et incessus ostendit et manus mota et unum interdum responsum et relatus ad caput digitus et flexus oculorum; improbum risus, insanum vultus habitusque demonstrat. Illa enim in apertum per notas exeunt: qualis quisque sit scies, si quemadmodum laudet, quemadmodum laudetur aspexeris. 5.52.12. Er moet wel wat onderscheid blijven tussen bijval in het theater en dat in een school: er bestaat ook bij het prijzen zoiets als goede smaak. Alles bevat aanwijzingen voor alles, als het goed in de gaten gehouden wordt, en ook uit de kleinste details kan men een aanwijzing putten voor iemands karakter: schaamteloosheid komt tot uiting in de manier van lopen en handbewegingen en soms in één antwoord en een vingerwijzing naar het hoofd en draaien met de ogen. Onfatsoen verraadt zich door lachen, dwaasheid door een gezichtsuitdrukking en lichaamshouding. Want die eigenschappen treden door bepaalde kenmerken aan het licht: maar hoe iemand is kun je te weten komen als je let op hoe hij prijst en lof incasseert.
V.LII.xiii. Hinc atque illinc philosopho manus auditor intentat et super ipsum caput mirantium turba consistit: non laudatur ille nunc, si intellegis, sed conclamatur. Relinquantur istae voces illis artibus quae propositum habent populo placere: philosophia adoretur. 5.52.13. Van alle kanten strekt de toehoorder zijn handen uit naar de filosoof en boven zijn hoofd dromt een menigte bewonderaars samen: hij wordt dan niet geprezen, als je het goed begrijpt, maar ingepalmd. Laten die uitingen maar voorbehouden blijven aan die kunsten die tot doel hebben bij het volk in de smaak te vallen: filosofie vraagt om respect.
V.LII.xiv. Permittendum erit aliquando iuvenibus sequi impetum animi, tunc autem cum hoc ex impetu facient, cum silentium sibi imperare non poterunt; talis laudatio aliquid exhortationis affert ipsis audientibus et animos adulescentium exstimulat. Ad rem commoveantur, non ad verba composita; alioquin nocet illis eloquentia, si non rerum cupiditatem facit sed sui. 5.52.14. Jongelui mag het vrij staan hun geestdrift wel eens de vrije loop te laten, maar dan wanneer ze zo handelen uit een impuls, wanneer ze zich niet stil kunnen houden. Een dergelijke enthousiaste bijval brengt voor de toehoorders zelf een soort aansporing mee en zweept de gemoederen van de jongelui weer op. Laten ze zich laten meeslepen door de inhoud, niet door de vormgeving. Anders brengt de welsprekendheid hen schade toe: als die niet de aandacht richt op de inhoud, maar op zichzelf.
V.LII.xv. Differam hoc in praesentia; desiderat enim propriam et longam exsecutionem, quemadmodum populo disserendum, quid sibi apud populum permittendum sit, quid populo apud se. Damnum quidem fecisse philosophiam non erit dubium postquam prostituta est; sed potest in penetralibus suis ostendi, si modo non institorem sed antistitem nancta est.
Vale.
5.52.15. Dit onderwerp wil ik voor het moment laten rusten. Het vereist immers een specifieke en lange uiteenzetting: hoe men voor de grote massa moet spreken, wat men zich kan veroorloven tegenover het volk, wat het volk tegenover de spreker. Maar er mag geen twijfel over bestaan dat de filosofie zich schade berokkent heeft sedert ze zich met het het grote publiek heeft ingelaten. Maar binnen haar eigen heiligdom kan ze zich vrijelijk tonen, als ze tenminste niet in handen valt van een koopman maar van een ingewijde.
Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca