EPISTULA LI



LIBER V,Ep.LI

Boek 5, Brief 51

De wijze kiest de verblijfplaats die bij hem hoort.

V.LI.i. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM Quomodo quisque potest, mi Lucili: tu istic habes Aetnam, illum nobilissimum Siciliae montem - quem quare dixerit Messala unicum, sive Valgius, apud utrumque enim legi, non reperio, cum plurima loca evomant ignem, non tantum edita, quod crebrius evenit, videlicet quia ignis in altissimum effertur, sed etiam iacentia -, nos, utcumque possumus, contenti sumus Baiis; quas postero die quam attigeram reliqui, locum ob hoc devitandum, cum habeat quasdam naturales dotes, quia illum sibi celebrandum luxuria desumpsit. 5.51.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS. Ieder zijn mogelijkheden, mijn beste Lucilius: jij hebt daar de Etna, die zeer vermaarde berg van Sicilië - die (waarom, kan ik me niet meer herinneren) uniek genoemd wordt door Messala, of Valgius (ik ben het bij allebei tegengekomen), misschien omdat zo veel plaatsen vuur spuwen, niet alleen de hogergelegen, wat vaker voorkomt, natuurlijk omdat vuur omhoog stijgt, maar ook de lagergelegen. Wij stellen ons, zo goed en zo kwaad als we kunnen, tevreden met Baiae. Dat heb ik overigens weer verlaten daags nadat ik er aangekomen was. Het is een plaats die je, ondanks zijn natuurlijke gaven, moet mijden, omdat de overdaad hem heeft uitgekozen als attractief oord.
V.LI.ii. 'Quid ergo? ulli loco indicendum est odium?' Minime; sed quemadmodum aliqua vestis sapienti ac probo viro magis convenit quam aliqua, nec ullum colorem ille odit sed aliquem parum putat aptum esse frugalitatem professo, sic regio quoque est quam sapiens vir aut ad sapientiam tendens declinet tamquam alienam bonis moribus. 5.51.2. 'Wat nu? Zijn er plaatsen die we moeten haten?' Zeker niet; maar zoals het ene kledingstuk een wijs en degelijk man meer past dan het andere, en hij geen enkele kleur haat maar nu eenmaal de ene kleur minder geschikt vindt voor iemand die voor soberheid kiest, zo ook bestaan er landstreken die een wijze of een wijze in spe vermijdt omdat hij onverenigbaar is met een hoogstaande moraal.
V.LI.iii. Itaque de secessu cogitans numquam Canopum eliget, quamvis neminem Canopus esse frugi vetet, ne Baias quidem: deversorium vitiorum esse coeperunt. Illic sibi plurimum luxuria permittit, illic, tamquam aliqua licentia debeatur loco, magis solvitur. 5.51.3. Hij zal dan ook nooit, als hij erover denkt zich terug te trekken, Canopus uitkiezen, hoewel Canopus niemand verbiedt ingetogen te zijn, maar ook Baiae niet: het zijn verzamelplaatsen geworden van verderf. Daar permitteert de weeldezucht zich het meest, daar gaat zij zich het meeste te buiten, alsof de plaats om wat losbandigheid vraagt.
V.LI.iv. Non tantum corpori sed etiam moribus salubrem locum eligere debemus; quemadmodum inter tortores habitare nolim, sic ne inter popinas quidem. Videre ebrios per litora errantes et comessationes navigantium et symphoniarum cantibus strepentes lacus et alia quae velut soluta legibus luxuria non tantum peccat sed publicat, quid necesse est? 5.51.4. Want wij moeten een verblijfplaats niet alleen kiezen omdat hij heilzaam is voor het lichaam maar ook voor onze mentaliteit. Zoals ik niet tussen beulsknechten zou willen wonen, zo ook zeker niet tussen kroegen. Waarvoor is het nodig om zatladders langs de boulevards te zien zwerven en zuippartijen op bootjes en meren die weergalmen van hoempabandjes en andere zaken die de weeldezucht, als het ware bevrijd van banden, niet alleen misdoet maar ook etaleert?
V.LI.v. Id agere debemus ut irritamenta vitiorum quam longissime profugiamus; indurandus est animus et a blandimentis voluptatum procul abstrahendus. Una Hannibalem hiberna solverunt et indomitum illum nivibus atque Alpibus virum enervaverunt fomenta Campaniae: armis vicit, vitiis victus est. 5.51.5. Wij moeten ervoor zorgen dat wij zo ver mogelijk uit de buurt blijven van prikkels tot misdragingen. We moeten onze geest harden en ver verwijderd houden van de verlokkingen van genotzucht. Eén overwintering heeft Hannibal verslapt en de koestering van Campanië heeft die geweldenaar, ongetemd door de sneeuwjacht in de Alpen, zijn kracht ontnomen: met zijn wapens behaalde hij de overwinning, door zijn tekorten werd hij overwonnen.
V.LI.vi. Nobis quoque militandum est, et quidem genere militiae quo numquam quies, numquam otium datur: debellandae sunt in primis voluptates, quae, ut vides, saeva quoque ad se ingenia rapuerunt. Si quis sibi proposuerit quantum operis aggressus sit, sciet nihil delicate, nihil molliter esse faciendum. Quid mihi cum istis calentibus stagnis? quid cum sudatoriis, in quae siccus vapor corpora exhausurus includitur? omnis sudor per laborem exeat. 5.51.6. Ook wij moeten een krijgsdienst vervullen, en wel van een soort waarbij je nooit rust, nooit pauze gegund wordt. Verslagen moeten vooreerst genietingen worden, die, zoals je ziet, ook ijzervreters in de val gelokt hebben. Als iemand zich voorhoudt wat een klus hij op zich genomen heeft, dan zal hij begrijpen dat hij niet omzichtig, niet zachtzinnig mag opereren. Wat moet ik met die warmwaterpoelen? Wat met die sauna's, waarin een droge lucht wordt opgesloten om de lichamen uit te drogen? Laat alle zweet door inspanning ontstaan.
V.LI.vii. Si faceremus quod fecit Hannibal, ut interrupto cursu rerum omissoque bello fovendis corporibus operam daremus, nemo non intempestivam desidiam, victori quoque, nedum vincenti, periculosam, merito reprehenderet: minus nobis quam illis Punica signa sequentibus licet, plus periculi restat cedentibus, plus operis etiam perseverantibus. 5.51.7. Als wij te werk zouden gaan als Hannibal, namelijk onze wedloop in krijgsverrichtingen onderbreken, de oorlog op zijn beloop laten en onze energie steken in het in de watten leggen van ons lichaam, dan zou iedereen ons terecht inpeperen dat onze verkeerd gekozen laksheid zelfs voor een overwinnaar gevaarlijk is, laat staan voor iemand die nog aan zijn overwinning werkt. Maar wij kunnen ons nog minder permitteren dan zij die achter de Punische vaandels optrokken, een groter gevaar loert op ons als we verslappen, meer moeite rest ons zelfs als we volhouden.
V.LI.viii. Fortuna mecum bellum gerit: non sum imperata facturus; iugum non recipio, immo, quod maiore virtute faciendum est, excutio. Non est emolliendus animus: si voluptati cessero, cedendum est dolori, cedendum est labori, cedendum est paupertati; idem sibi in me iuris esse volet et ambitio et ira; inter tot affectus distrahar, immo discerpar. 5.51.8. Het lot voert oorlog met mij: ik ben niet van plan haar bevelen op te volgen; ik weiger haar juk, sterker nog, wat nog grotere moed vergt om te doen, ik schud het af. Mijn geest moet niet verwekelijkt worden: als ik wijk voor genot, moet ik ook wijken voor smart, voor stress, voor armoede. Eerzucht en afkeer zullen bij mij gelijkberechtigd willen zijn. Tussen zoveel aandoeningen zal ik uiteengetrokken, ja zelfs verscheurd worden.
V.LI.ix. Libertas proposita est; ad hoc praemium laboratur. Quae sit libertas quaeris? Nulli rei servire, nulli necessitati, nullis casibus, fortunam in aequum deducere. Quo die illam intellexero plus posse, nil poterit: ego illam feram, cum in manu mors sit? 5.51.9. Als doel stellen we ons vrijheid in het vooruitzicht: dat is de beloning voor ons geploeter. Je vraagt wat die vrijheid inhoudt? Nergens slaaf van zijn: noch van noodzaak, noch van toeval, het lot op voet van gelijkheid tegemoet kunnen treden. Zodra ik begrijp dat ik machtiger ben, zal zij machteloos zijn: moet ik haar verdragen, terwijl ik mijn eigen dood in mijn macht heb?
V.LI.x. His cogitationibus intentum loca seria sanctaque eligere oportet; effeminat animos amoenitas nimia, nec dubie aliquid ad corrumpendum vigorem potest regio. Quamlibet viam iumenta patiuntur quorum durata in aspero ungula est: in molli palustrique pascuo saginata cito subteruntur. Et fortior miles ex confragoso venit: segnis est urbanus et verna. Nullum laborem recusant manus quae ad arma ab aratro transferuntur: in primo deficit pulvere ille unctus et nitidus. 5.51.10. Wie zich met dergelijke overwegingen bezighoudt moet verblijfplaatsen kiezen die een ernstige en gewijde uitstraling hebben. Een al te grote lieflijkheid verwekelijkt het karakter, ongetwijfeld kan het decor een bijdrage leveren tot verzwakking. Lastdieren waarvan de hoeven gehard zijn op hobbelige rotspaden kunnen elke weg aan, maar van exemplaren die vetgemest zijn op een zachte en drassige weide slijten de hoeven al gauw. Zo komt de beste soldaat uit ontoegankelijk gebied: maar als een watje ontpopt zich de stads- en huisslaaf. Voor geen enkele inspanning deinzen handen terug die naar de krijgsdienst overgeheveld worden vanaf de ploeg: maar de eerder genoemde geparfumeerde en welverzorgde dandy laat het al bij de eerste stofwolk afweten.
V.LI.xi. Severior loci disciplina firmat ingenium aptumque magnis conatibus reddit. Literni honestius Scipio quam Bais exulabat: ruina eiusmodi non est tam molliter collocanda. Illi quoque ad quos primos fortuna populi Romani publicas opes transtulit, C. Marius et Cn. Pompeius et Caesar, exstruxerunt quidem villas in regione Baiana, sed illas imposuerunt summis iugis montium: videbatur hoc magis militare, ex edito speculari late longeque subiecta. Aspice quam positionem elegerint, quibus aedificia excitaverint locis et qualia: scies non villas esse sed castra. 5.51.11. Een flinke tucht qua plaats versterkt het karakter en maakt het geschikt voor grote ondernemingen. Scipio heeft eerzamer geleefd in Liternum dan in Baiae: een neergang van zo'n aard moet je niet in een zo verwijfde omgeving situeren. Ook diegenen aan wie het lot als eersten de absolute macht over het Romeinse volk overdroeg, Gaius Marius en Gnaeus Pompeius en Caesar, hebben wel landhuizen gebouwd in de streek rond Baiae maar zij hebben die op de hoogste bergkammen gezet. Dit scheen een soldaat waardiger te zijn om van bovenaf de wijde omgeving te overzien en wat ver weg beneden ligt. Kijk eens welke positie zij uitgekozen hebben, op welke plaatsen zij hun gebouwen hebben laten plaatsen en wat voor soort bouwwerken het zijn: je zult er achter komen dat het geen landhuizen zijn maar burchten.
V.LI.xii. Habitaturum tu putas umquam fuisse illic M. Catonem, ut praenavigantes adulteras dinumeraret et tot genera cumbarum variis coloribus picta et fluvitantem toto lacu rosam, ut audiret canentium nocturna convicia? nonne ille manere intra vallum maluisset, quod in unam noctem manu sua ipse duxisset? Quidni mallet, quisquis vir est, somnum suum classico quam symphonia rumpi? 5.51.12. Denk je dat Marcus Cato daar ooit zou zijn gaan wonen om dan voorbijvarende schuinsmarcheersters te turven en zo'n grote variëteit aan bootjes, beschilderd in schreeuwerige kleuren en rozen, drijvend over het hele meer, om in de nacht spotliederen te horen lallen? Zou hij niet liever binnen de omwalling gebleven zijn die hij voor één nacht eigenhandig opgeworpen had? Maar waarom zou dan een willekeurig ander, als hij een kerel is, er niet de voorkeur aan geven dat zijn nachtrust verstoord wordt door een hoornsignaal, liever dan door een groep toeteraars?
V.LI.xiii. Sed satis diu cum Bais litigavimus, numquam satis cum vitiis, quae, oro te, Lucili, persequere sine modo, sine fine; nam illis quoque nec finis est nec modus. Proice quaecumque cor tuum laniant, quae si aliter extrahi nequirent, cor ipsum cum illis reveliendum erat. Voluptates praecipue exturba et invisissimas habe: latronum more, quos 'philÍtas' Aegyptii vocant, in hoc nos amplectuntur, ut strangulent.
Vale.
5.51.13. Maar we hebben nu lang genoeg gevochten over Baiae maar nooit genoeg met onze tekorten, die je, zo vraag ik je, mijn beste Lucilius, onbeperkt moet opjagen, zonder te versagen; want ook zij kennen geen beperking en maat. Werp ze van je af voorzover ze jouw hart verscheuren, en als ze niet anders verwijderd kunnen worden, dan zou je je hart zelf maar mee uit moeten rukken. Verjaag vooral je genietingen en beschouw ze als je grootste vijanden. Als rovers, die de Egyptenaren 'klevers' noemen, omhelzen zij ons om ons te wurgen.
Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca