EPISTULA XXVIII



LIBER III,Ep.XXVIII

Boek 3, Brief 28

Je neemt jezelf overal mee.

III.XXVIII.i.SENECA LUCILIO SUO SALUTEM Hoc tibi soli putas accidisse et admiraris quasi rem novam quod peregrinatione tam longa et tot locorum varietatibus non discussisti tristitiam gravitatemque mentis? Animum debes mutare, non caelum. Licet vastum traieceris mare, licet, ut ait Vergilius noster,
terraeque urbesque recedant,
sequentur te quocumque perveneris vitia.
3.28.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS. Denk je dat dit jou alleen overkomen is en verwonder je je hierover als iets ongehoords dat je ondanks je zo lange reis en afwisseling van omgeving toch niet je treurnis en zwaarmoedigheid hebt kunnen afschudden? Je moet je geest veranderen, niet je omgeving. Ook al steek je een eindeloze zee over, ook al 'wijken', naar de woorden van Vergilius,'landen en steden terug', waar je ook komt, je fouten zullen je volgen.
III.XXVIII.ii. Hoc idem querenti cuidam Sokrates ait, 'quid miraris nihil tibi peregrinationes prodesse, cum te circumferas? premit te eadem causa quae expulit'. Quid terrarum iuvare novitas potest? Quid cognitio urbium aut locorum? In irritum cedit ista iactatio. Quaeris quare te fuga ista non adiuvet? Tecum fugis. Onus animi deponendum est: non ante tibi ullus placebit locus. 3.28.2. Socrates zei tegen iemand die over ditzelfde klaagde, 'Waarom verbaas je je erover dat reizen je niets opleveren, waar je toch jezelf meeneemt? Dezelfde oorzaak die je wegdreef bedrukt je nog steeds'. Wat kan een nieuwe omgeving helpen? Wat de kennismaking met steden of plaatsen? Tevergeefs pakt deze ongedurigheid uit. Je vraagt waarom die vlucht je niet helpt? Je neemt jezelf op die vlucht mee. Je moet je geest bevrijden van die last.
III.XXVIII.iii. Talem nunc esse habitum tuum cogita qualem Vergilius noster vatis inducit iam concitatae et instigatae multumque habentis se spiritus non sui:
bacchatur vates, magnum si pectore possit
excussisse deum.

Vadis huc illuc ut excutias insidens pondus quod ipsa iactatione incommodius fit, sicut in navi onera immota minus urgent, inaequaliter convoluta citius eam partem in quam incubuere demergunt. Quidquid facis, contra te facis et motu ipso noces tibi; aegrum enim concutis.
3.28.3. Je moet je voorstellen dat je geest in eenzelfde soort toestand verkeert als onze Vergilius die van de Sibylle beschrijft als ze al aangestoken en bezeten is en vol van een geestesgesteldheid die niet de hare is:
de zieneres loopt als een bacchante rond en probeert of ze uit haar borst
de grote god kan afschudden

Je gaat van hot naar haar om te proberen de last die je drukt af te schudden maar juist door die beweging wordt hij een nog grotere kwelling, zoals op een schip een stabiele lading minder zwaar is maar een ongelijkmatig gestouwde lading sneller die kant onder water drukt waarheen zij geschoven is. Alwat je doet, doe je jezelf aan en door de beweging zelf berokken je je schade; je schudt immers een zieke dooreen.
III.XXVIII.iv. At cum istuc exemeris malum, omnis mutatio loci iucunda fiet; in ultimas expellaris terras licebit, in quolibet barbariae angulo colloceris, hospitalis tibi illa qualiscumque sedes erit. Magis quis veneris quam quo interest, et ideo nulli loco addicere debemus animum. Cum hac persuasione vivendum est: 'non sum uni angulo natus, patria mea totus hic mundus est'. 3.28.4. Maar wanneer je dat euvel hersteld hebt, zal elke verandering van plaats aangenaam worden. Ook al zal je verbannen worden naar de verste landen, gedumpt in de uiterste hoek van 'Verwegistan', je zult er een of andere gastvrije verblijfplaats vinden. Het is belangrijker als wat voor iemand je komt dan waarheen en daarom moeten we ons hart niet verpanden aan welke plek dan ook. We moeten leven met deze overtuiging: 'Niet voor n stekkie ben ik geboren, mijn vaderland is deze hele wereld'.
III.XXVIII.v. Quod si liqueret tibi, non admirareris nil adiuvari te regionum varietatibus in quas subinde priorum taedio migras; prima enim quaeque placuisset si omnem tuam crederes. Nunc non peregrinaris sed erras et ageris ac locum ex loco mutas, cum illud quod quaeris, bene vivere, omni loco positum sit. 3.28.5. Als dat jou duidelijk is, zul je je er niet meer over verbazen dat je niet gebaat bent bij afwisseling van streken waarheen je achtereenvolgens verhuist uit afkeer van vroegere; de eerste de beste zou je bevallen hebben als je elke als de jouwe zou beschouwen. Nu reis je niet maar dool je en laat je je meeslepen en ruil je de ene plaats in voor de andere terwijl wat je zoekt, goed leven, overal thuis is.
III.XXVIII.vi. Num quid tam turbidum fieri potest quam forum? Ibi quoque licet quiete vivere, si necesse sit. Sed si liceat disponere se, conspectum quoque et viciniam fori procul fugiam; nam ut loca gravia etiam firmissimam valetudinem temptant, ita bonae quoque menti necdum adhuc perfectae et convalescenti sunt aliqua parum salubria. 3.28.6. Kan wel iets zo druk zijn als het forum? Toch kun je ook daar in rust leven, mocht dat nodig zijn. Maar als je over jezelf kunt beschikken, vlucht dan ver weg voor zelfs de aanblik en de nabijheid van het forum; want zoals besmette plaatsen zelfs de meest blakende gezondheid op de proef stellen, zo zijn zelfs voor een geest van goede wil maar nog niet volmaakt en krachtig sommige omstandigheden weinig heilzaam.
III.XXVIII.vii. Dissentio ab his qui in fluctus medios eunt et tumultuosam probantes vitam cotidie cum difficultatibus rerum magno animo colluctantur. Sapiens feret ista, non eliget, et malet in pace esse quam in pugna; non multum prodest vitia sua proiecisse, si cum alienis rixandum est. 3.28.7. Ik ben het niet eens met diegenen die tot midden in de stroom gaan en het roerige leven tarten en dagelijks fier met moeilijke omstandigheden worstelen. De wijze zal die verdragen, maar niet opzoeken, en hij zal er de voorkeur aan geven in vrede te leven in plaats van in strijd. Het helpt weinig je eigen fouten af te werpen als je vervolgens met die van anderen slag moet leveren.
III.XXVIII.viii. 'Triginta' inquit 'tyranni Socraten circumsteterunt nec potuerunt animum eius infringere.' Quid interest quot domini sint? Servitus una est; hanc qui contempsit in quanta libet turba dominantium liber est. 3.28.8. 'Dertig tyrannen', zegt de overlevering, 'hebben Sokrates in het nauw gedreven maar zijn geest niet kunnen breken'. Wat doet het ertoe om hoeveel tyrannen het gaat? De slavernij is n en dezelfde: wie daar verachting voor weet op te brengen is vrij bij een hoe grote menigte tyrannen ook.
III.XXVIII.ix. Tempus est desinere, sed si prius portorium solvero. 'Initium est salutis notitia peccati.' Egregie mihi hoc dixisse videtur Epicurus; nam qui peccare se nescit corrigi non vult; deprehendas te oportet antequam emendes. 3.28.9. Het is tijd te stoppen, maar eerst wil ik mijn bezorgloon betalen. 'Het begin van beterschap is het onderkennen van zijn fouten'. Uitstekend lijkt Epicurus mij dit gezegd te hebben. Want wie niet weet dat hij fout zit, wil niet verbeteren; je moet jezelf ontmaskeren voordat je kunt repareren.
III.XXVIII.x. Quidam vitiis gloriantur: tu existimas aliquid de remedio cogitare qui mala sua virtutum loco numerant? Ideo quantum potes te ipse coargue, inquire in te; accusatoris primum partibus fungere, deinde iudicis, novissime deprecatoris; aliquando te offende. Vale. 3.28.10. Sommige lieden beroemen zich nog op hun fouten: denk je dat zij ook maar even nadenken over een verbetering die hun tekorten onder hun deugden tellen? Daarom: klaag jezelf zoveel mogelijk aan, stel een onderzoek in tegen jezelf. Speel eerst de rol van aanklager, vervolgens van rechter, tenslotte die van getuige decharge. Stoot jezelf af en toe voor het hoofd. Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca