EPISTULA XIX



LIBER II,Ep.XIX

Boek 2, Brief 19

De Zegening van Afzondering

II.XIX.i. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM Exsulto quotiens epistulas tuas accipio; implent enim me bona spe, et iam non promittunt de te sed spondent. Ita fac, oro atque obsecro - quid enim habeo melius quod amicum rogem quam quod pro ipso rogaturus sum? Si potes, subduc te istis occupationibus; si minus, eripe. Satis multum temporis sparsimus: incipiamus vasa in senectute colligere. 2.19.1. SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS. Ik ben erg blij, telkens als ik jouw brieven ontvang: zij vervullen mij immers met goede hoop en ze geven niet alleen beloftes over jou maar ook garanties. Ga zo door, vraag en bezweer ik je - wat kan ik immers beter vragen aan een vriend dan wat ik voor hem zelf vraag ? Als je het kunt, maak je dan vrij van je bezigheden; zo niet, schud ze dan van je af. Wij hebben al genoeg tijd verkwist: laten we op onze oude dag beginnen onze bagage te pakken.
II.XIX.ii. Numquid invidiosum est? In freto viximus, moriamur in portu. Neque ego suaserim tibi nomen ex otio petere, quod nec iactare debes nec abscondere; numquam enim usque eo te abigam generis humani furore damnato ut latebram tibi aliquam parari et oblivionem velim: id age ut otium tuum non emineat sed appareat. 2.19.2. Is dat soms afkeurenswaardig ? Op de woelige zee hebben we geleefd, mogen we dan sterven in de haven. En ik zal je niet aanraden een reputatie na te streven op grond van teruggetrokkenheid omdat je je niet moet profileren noch moet verstoppen; nooit immers zal ik je zover wegvoeren, ondanks mijn veroordeling van de dwaasheid van het mensengeslacht, dat ik zou wensen dat je je een schuilplaats bereidt waar je vergeten kunt worden: zorg ervoor dat je rust wel bekend maar niet vermaard is.
II.XIX.iii. Deinde videbunt de isto quibus integra sunt et prima consilia an velint vitam per obscurum transmittere: tibi liberum non est. In medium te protulit ingenii vigor, scriptorum elegantia, clarae et nobiles amicitiae; iam notitia te invasit; ut in extrema mergaris ac penitus recondaris, tamen priora monstrabunt. 2.19.3. Daarna zullen daarop acht slaan diegenen die onafhankelijk zijn en zelf kunnen besluiten of zij hun leven in het duister zullen leiden: maar die vrijheid heb jij niet. Jouw geesteskracht, jouw schrijftalent, vermaarde en edele vriendschappen hebben jou in het middelpunt gezet; je bent bekend geworden; ook al trek je je naar de verste verte en diep weg terug, toch zal het verleden je bekendheid verschaffen.
II.XIX.iv. Tenebras habere non potes; sequetur quocumque fugeris multum pristinae lucis: quietem potes vindicare sine ullius odio, sine desiderio aut morsu animi tui. Quid enim relinques quod invitus relictum a te possis cogitare? Clientes? Quorum nemo te ipsum sequitur, sed aliquid ex te; amicitia olim petebatur, nunc praeda; mutabunt testamenta destituti senes, migrabit ad aliud limen salutator. Non potest parvo res magna constare: aestima utrum te relinquere an aliquid ex tuis malis. 2.19.4. Jij kunt niet in de schaduw blijven; waarheen je ook vlucht, veel van je vroegere licht zal je volgen: maar rust kun je je verwerven zonder je de haat van iemand op de hals te halen, zonder afgunst of wroeging. Wat zul je immers achterlaten wat je zou kunnen bedenken dat je het ongewild achterlaat ? Clienten ? Van hen volgt niemand jou persoonlijk, maar iets aan jou: je vriendschap werd vroeger gezocht, nu is dat het persoonlijk voordeel. Zullen bejaarden radeloos hun testament veranderen ? De brenger van de ochtendgroet zal dan naar een andere deur verhuizen. Iets kostbaars kan niet goedkoop zijn: beoordeel zelf of je liever jezelf wilt verlaten of iets van het jouwe.
II.XIX.v. Utinam quidem tibi senescere contigisset intra natalium tuorum modum, nec te in altum fortuna misisset! Tulit te longe a conspectu vitae salubris rapida felicitas, provincia et procuratio et quidquid ab istis promittitur; maiora deinde officia te excipient et ex aliis alia: quis exitus erit? 2.19.5. Moge het je ten deel vallen om oud te worden binnen de status waarin je geboren bent en moge het lot je niet hemelhoog verheffen! Je snelle voorspoed heeft je ver weg gevoerd van het inzicht in een heilzaam leven, je toezicht op een provincie, je functie als beheerder en alwat daaruit voortvloeit; je zult nog andere taken opgedragen krijgen en als gevolg daarvan weer andere: waar zal dat op uitlopen ?
II.XIX.vi. Quid exspectas donec desinas habere quod cupias? Numquam erit tempus. Qualem dicimus seriem esse causarum ex quibus nectitur fatum, talem et cupiditatum: altera ex fine alterius nascitur. In eam demissus es vitam quae numquam tibi terminum miseriarum ac servitutis ipsa factura sit: subduc cervicem iugo tritam; semel illam incidi quam semper premi satius est. 2.19.6. Wat verwacht je als eindpunt van je verlangen? Die tijd zal nooit komen. Zoals we zeggen dat er een aaneenschakeling van oorzaken is waaruit het noodlot gevlochten wordt, zo bestaat er ook een van verlangens: de een ontstaat uit de vervulling van de ander. Je bent in een zodanige stijl van leven afgedaald dat het nooit een einde zal maken aan je ellende en slavernij: trek je gekwelde hoofd onder het juk vandaan; het is beter dat het een maal sneuvelt dan altijd maar in het nauw gebracht te worden.
II.XIX.vii. Si te ad privata rettuleris, minora erunt omnia, sed affatim implebunt: at nunc plurima et undique ingesta non satiant. Utrum autem mavis ex inopia saturitatem an in copia famem? Et avida felicitas est et alienae aviditati exposita; quamdiu tibi satis nihil fuerit, ipse aliis non eris. 2.19.7. Als je weer privé-burger bent geworden zal alles wel minder worden maar het zal genoeg zijn: maar nu bevredigen je zelfs niet wat meer is en van alle kanten opeengehoopt. Wil je liever genoeg hebben in armoede of in overvloed nog honger ? Zelfs voorspoed is begerig en blootgesteld aan andermans afgunst; zolang je niet voldoende hebt voor jezelf, zul je het voor anderen niet zijn.
II.XIX.8. 'Quomodo' inquis 'exibo?' Utcumque. Cogita quam multa temere pro pecunia, quam multa laboriose pro honore temptaveris: aliquid et pro otio audendum est, aut in ista sollicitudine procurationum et deinde urbanorum officiorum senescendum, in tumultu ac semper novis fluctibus quos effugere nulla modestia, nulla vitae quiete contingit. Quid enim ad rem pertinet an tu quiescere velis? Fortuna tua non vult. Quid si illi etiam nunc permiseris crescere? Quantum ad successus accesserit accedet ad metus. 2.19.8. 'Hoe moet ik hieraan ontkomen', hoor ik je zeggen. Zoals je maar kunt. Denk aan hoe onbesuisd je je ingespannen hebt voor geld, hoe zeer je je ingespannen hebt voor ereambten: dan mag je ook wel iets ondernemen voor je rust, of anders moet je in al die bedrijvigheid van toezichthouderij en verdere openbare verplichtingen oud worden in hectische omstandigheden en altijd nieuwe drukte, waaraan geen enkele controle, geen enkele kalmte van leven je laten ontsnappen. Wat doet het er namelijk toe of je rust wilt hebben ? Je omstandigheden willen het niet. Wat als je die ook nu nog wilt verbeteren ? Zoveel als tot je succes bijdraagt, draagt ook bij tot je bezorgdheid.
II.XIX.ix. Volo tibi hoc loco referre dictum Maecenatis vera in ipso eculeo elocuti: 'ipsa enim altitudo attonat summa'. Si quaeris in quo libro dixerit, in eo qui Prometheus inscribitur. Hoc voluit dicere, attonita habet summa. Est ergo tanti ulla potentia ut sit tibi tam ebrius sermo? Ingeniosus ille vir fuit, magnum exemplum Romanae eloquentiae daturus nisi illum enervasset felicitas, immo castrasset. Hic te exitus manet nisi iam contrahes vela, nisi, quod ille sero voluit, terram leges. 2.19.9. Ik wil je op deze plaats herinneren aan het woord van Maecenas dat hij naar waarheid sprak tijdens het hoogtepunt van zijn kwelling: 'Juist de hoogste rijkdom laat donder horen'. Als je vraagt in welk boek hij dat gezegd heeft: in dat wat 'Prometheus' als titel heeft. Dit heeft hij willen zeggen: Rijkdom wordt door blikseminslag bedreigd. Is er dan enige macht zo groot dat hij een zo gezocht taalgebruik rechtvaardigt ? Die man was zeer getalenteerd en zou de Romeinse welsprekendheid een groot voorbeeld zijn geweest als zijn voorspoed hem niet verlamd, jazelfs ontmand had. Deze afloop staat jou te wachten als je de zeilen niet strijkt, als je niet aan land gaat, wat hij te laat nog gewild heeft.
II.XIX.x. Poteram tecum hac Maecenatis sententia parem facere rationem, sed movebis mihi controversiam, si novi te, nec voles quod debeo in aspero et probo accipere. Ut se res habet, ab Epicuro versura facienda est. 'Ante' inquit 'circumspiciendum est cum quibus edas et bibas quam quid edas et bibas; nam sine amico visceratio leonis ac lupi vita est.' 2.19.10. Ik zou met deze uitspraak van Maecenas mijn schuld aan jou kunnen inlossen, maar, als ik je goed ken, je zult tegensputteren en je zult het niet als de nieuwe en solide munt willen aannemen die ik je schuldig ben. Zoals dat dan gaat, zal ik me tot Epicurus wenden. 'Eerder moeten we bezien met wie we eten en drinken dan wat we eten en drinken; want zonder vriend is het leven een voedering van leeuw en wolf.'
II.XIX.xi. Hoc non continget tibi nisi secesseris: alioquin habebis convivas quos ex turba salutantium nomenclator digesserit; errat autem qui amicum in atrio quaerit, in convivio probat. Nullum habet maius malum occupatus homo et bonis suis obsessus quam quod amicos sibi putat quibus ipse non est, quod beneficia sua efficacia iudicat ad conciliandos animos, cum quidam quo plus debent magis oderint: leve aes alienum debitorem facit, grave inimicum. 2.19.11. Dit zal je niet ten deel vallen tenzij je je afzondert: anders zul je als tafelgenoten degenen hebben die je ceremoniemeester uit de menigte van je clienten zal kiezen. Wie zijn vriend echter in zijn voorhof zoekt en hem aan tafel nodigt, slaat de plank mis. Geen enkel groter kwaad kent een druk bezet man die zich druk maakt om zijn goederen dan dat hij zich diegenen als vrienden toedicht voor wie hij dat zelf niet is, omdat hij meent dat zijn weldaden in staat zijn vriendschap te genereren terwijl toch menigeen meer haat koestert naarmate hij meer in het krijt staat: een kleine schuld bezorgt je een schuldenaar, maar een grote een vijand.
II.XIX.xii. 'Quid ergo? Beneficia non parant amicitias?' Parant, si accepturos licuit eligere, si collocata, non sparsa sunt. Itaque dum incipis esse mentis tuae, interim hoc consilio sapientium utere, ut magis ad rem existimes pertinere quis quam quid acceperit. Vale. 2.19.12. 'Wat nu ? Bezorgen weldaden je geen vriendschappen ?' Ja, dat zullen ze wel doen, als je tenminste zorgt dat je uitkiest die ze zullen waarderen, als je ze met zorg bewijst en niet in het wilde weg. Dus, nu je je verstand gaat gebruiken, benut dan dit beleid van de wijzen dat je inziet dat belangrijker is wie je geschenk in ontvangst neemt dan wat dat is. Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca