EPISTULA X

Epistula I, x

Boek 1, Brief 10

De Heilzaamheid van Alleen zijn.

1.10.1. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM
Sic est, non muto sententiam: fuge multitudinem, fuge paucitatem, fuge etiam unum. Non habeo cum quo te communicatum velim. Et vide quod iudicium meum habeas: audeo te tibi credere. Crates, ut aiunt, huius ipsius Stilbonis auditor, cuius mentionem priore epistula feci, cum vidisset adulescentulum secreto ambulantem, interrogavit quid illic solus faceret. 'Mecum' inquit 'loquor.' Cui Crates 'cave' inquit 'rogo et diligenter attende ne cum homine malo loquaris'.
1.10.1. SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.
Zo is het, ik wijzig mijn opinie niet: ontvlucht de massa, ontvlucht de groep, ontvlucht zelfs de eenling. Ik ken niemand met wie ik zou willen dat je je onderhoudt. En let op wat je hebt aan mijn oordeel: ik durf je aan jezelf toe te vertrouwen. Crates, een leerling van juist die Stilbo van wie ik in een vroegere brief melding heb gemaakt, zag eens, naar men zegt, een knaap in afzondering wandelen en vroeg wat hij daar op zijn eentje uitspookte. 'Ik loop', zei hij, 'met mijzelf te praten'. Waarop Crates tot hem zei: 'Pas dan alsjeblieft op dat je niet met een slecht mens praat'.
1.10.2. Lugentem timentemque custodire solemus, ne solitudine male utatur. Nemo est ex imprudentibus qui relinqui sibi debeat; tunc mala consilia agitant, tunc aut aliis aut ipsis futura pericula struunt, tunc cupiditates improbas ordinant; tunc quidquid aut metu aut pudore celabat animus exponit, tunc audaciam acuit, libidinem irritat, iracundiam instigat. Denique quod unum solitudo habet commodum, nihil ulli committere, non timere indicem, perît stulto: ipse se prodit. Vide itaque quid de te sperem, immo quid spondeam mihi - spes enim incerti boni nomen est -: non invenio cum quo te malim esse quam tecum. 1.10.2. We hebben al gauw de neiging om iemand die rouwt of bang is onder curatele te stellen, uit angst dat hij een verkeerd gebruik zal maken van zijn eenzaamheid. En inderdaad mag men niemand aan zichzelf overlaten die niet weet wat hij doet. Dan maakt men immers verwerpelijke plannen, dan broedt men ofwel voor anderen ofwel voor zichzelf op een kwalijke toekomst; dan werkt men plannen uit om te voldoen aan kwalijke verlangens. Dan legt hun aard alles bloot wat zij uit vrees of schaamte verborgen hielden, dan geeft men toe aan overmoed, prikkelt wellust, vergroot woede. Tenslotte verliest de dwaas het enige comfort dat de eenzaamheid te bieden heeft: niets aan wie ook toe te hoeven vertrouwen, geen verrader te hoeven vrezen: hij verraadt zichzelf. Zie dus in wat ik van jou hoop, of liever wat ik van je verwacht - hoop is immers de aanduiding voor een onzeker goed - : ik vind niemand met wie ik liever zou willen dat je je bezig houdt dan met jezelf.
1.10.3. Repeto memoria quam magno animo quaedam verba proieceris, quanti roboris plena: gratulatus sum protinus mihi et dixi, 'non a summis labris ista venerunt, habent hae voces fundamentum; iste homo non est unus e populo, ad salutem spectat'. 1.10.3. Ik herinner me hoe groothartig je bepaalde woorden gesproken hebt, hoe krachtig van inhoud die waren: ik heb mezelf meteen geluk gewenst en gezegd, 'Die woorden zijn hem niet zo maar ontglipt, nee, die uitspraken hebben een stevig fundament: die man is niet zo maar iemand, hij heeft zijn heil op het oog'.
1.10.4. Sic loquere, sic vive; vide ne te ulla res deprimat. Votorum tuorum veterum licet deis gratiam facias, alia de integro suscipe: roga bonam mentem, bonam valetudinem animi, deinde tunc corporis. Quidni tu ista vota saepe facias? Audacter deum roga: nihil illum de alieno rogaturus es. 1.10.4. Blijf zo spreken, zo leven; hoed je ervoor je door iets terneer te laten drukken. Ook al kun je de goden dankbaar zijn dat ze je vroegere wensen vervuld hebben, je kunt toch nieuwe formuleren: vraag om een heldere geest, een goede gezondheid van karakter, pas daarna ook van lichaam. Waarom die zaken niet bij herhaling gewenst ? Vraag de godheid met verve: je vraagt hem niet iets voor een vreemde !
1.10.5. Sed ut more meo cum aliquo munusculo epistulam mittam, verum est quod apud Athenodorum inveni: 'tunc scito esse te omnibus cupiditatibus solutum, cum eo perveneris ut nihil deum roges nisi quod rogare possis palam'. Nunc enim quanta dementia est hominum! turpissima vota dis insusurrant; si quis admoverit aurem, conticiscent, et quod scire hominem nolunt deo narrant. Vide ergo ne hoc praecipi salubriter possit: sic vive cum hominibus tamquam deus videat, sic loquere cum deo tamquam homines audiant. Vale. 1.10.5. Maar, naar mijn gewoonte, zal ik mijn brief met een cadeautje verzenden: waar is wat ik bij Athenodorus aantrof: 'Weet dat je dan bevrijd bent van alle verlangens, als je het stadium bereikt hebt dat je niets aan god vraagt dan wat je openlijk aan hem kunt vragen'. Hoe groot is nu immers de dwaasheid van de mensen ! Ze fluisteren de schandelijkste wensen aan de goden toe; als iemand zijn oor naar hen toedraait, vallen ze stil en wat ze niet willen dat een mens weet vertellen ze aan de godheid. Let dus eens op of dit geen heilzaam voorschrift is: leef zo met de mensen alsof god je ziet, spreek zo met god alsof de mensen je horen.
Het beste.






Terug naar Inhoudsopgave Seneca