EPISTULA VII



VII

Boek 1, Brief 7

Mijd de massa.

1.7.1. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM
Quid tibi vitandum praecipue existimes quaeris? turbam. Nondum illi tuto committeris. Ego certe confitebor imbecillitatem meam: numquam mores quos extuli refero; aliquid ex eo quod composui turbatur, aliquid ex iis quae fugavi redit. Quod aegris evenit quos longa imbecillitas usque eo affecit ut nusquam sine offensa proferantur, hoc accidit nobis quorum animi ex longo morbo reficiuntur.
1.7.1. SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.
Wat je vindt dat je het meest moet mijden, vraag je ? De massa ! Daaraan kun je je nog niet veilig toevertrouwen. Ik voor mij zal zeker mijn zwakheid toegeven: nooit neem ik de gewoonten waarmee ik ben uitgegaan ook weer mee terug; iets van wat ik op orde had wordt weer overhoop gehaald, iets van datgene waaraan ik ontsnapt was komt weer terug. Wat zieken overkomt die een langdurige ziekte zozeer heeft aangetast dat ze zich nergens kunnen vertonen zonder schade op te lopen, dat overkomt ons van wie de karakters van een langdurige ziekte herstellende zijn.
1.7.2. Inimica est multorum conversatio: nemo non aliquod nobis vitium aut commendat aut imprimit aut nescientibus allinit. Utique quo maior est populus cui miscemur, hoc periculi plus est. Nihil vero tam damnosum bonis moribus quam in aliquo spectaculo desidere; tunc enim per voluptatem facilius vitia subrepunt. 1.7.2. Funest is de omgang met de massa: iedereen beveelt ons wel een fout aan of dringt die aan ons op of smeert hem ons aan zonder dat we het merken. In ieder geval is dit gevaar groter naarmate de menigte waaronder wij ons mengen groter is. Niets is echter zo verderfelijk voor goede gewoonten als aanwezig zijn bij een schouwspel; dan immers bekruipen ons de fouten maar al te gemakkelijk onder de dekmantel van genot.
1.7.3.Quid me existimas dicere? Avarior redeo, ambitiosior, luxuriosior, immo vero crudelior et inhumanior, quia inter homines fui. Casu in meridianum spectaculum incidi, lusus exspectans et sales et aliquid laxamenti quo hominum oculi ab humano cruore acquiescant. Contra est: quidquid ante pugnatum est misericordia fuit; nunc omissis nugis mera homicidia sunt. Nihil habent quo tegantur; ad ictum totis corporibus expositi numquam frustra manum mittunt. 1.7.3. Wat ik bedoel ? Nou, wat denk je ? Hebberiger kom ik terug, eerzuchtiger, verwender, ja zelfs wreder en minder menselijk, omdat ik onder de mensen ben geweest. Toevallig kwam ik bij een middagspektakel terecht in de verwachting van vermaak en grappen en wat ontspanning om de ogen van de mensen tot rust te laten komen van al dat mensenbloed. Het pakt averechts uit: wat er tevoren aan gevechten geleverd is was nog maar medelijden; nu vinden er, zonder omhaal, regelrechte slachtpartijen plaats. Men heeft niets om zich mee te beschermen; met heel het lichaam blootgesteld aan slagen raakt men nooit ongedeerd slaags.
1.7.4. Hoc plerique ordinariis paribus et postulaticiis praeferunt. Quidni praeferant? non galea, non scuto repellitur ferrum. Quo munimenta? quo artes? omnia ista mortis morae sunt. Mane leonibus et ursis homines, meridie spectatoribus suis obiciuntur. Interfectores interfecturis iubent obici et victorem in aliam detinent caedem; exitus pugnantium mors est. Ferro et igne res geritur. 1.7.4. Dit verkiezen de meesten boven de paren beroepsgladiatoren en de keizerlijke keurbende. Waarom zouden ze er ook niet de voorkeur aan geven ? Nu wordt het zwaard niet door helm of schild tegengehouden. Waartoe die beschermingen ? Waartoe die technieken ? Dat zijn toch alleen maar vertragingen voor de dood. 's Morgens worden mensen voor de leeuwen en de beren gegooid, 's middags voor hun toeschouwers. Die bevelen dat de moordenaars voor hun toekomstige moordenaars gegooid worden en de overwinnaar bewaren ze weer voor een volgende afslachting; de afloop voor de vechters is altijd de dood. Met ijzer en vuur worden ze opgedreven.
1.7.5. Haec fiunt dum vacat harena. 'Sed latrocinium fecit aliquis, occidit hominem.' Quid ergo? quia occidit, ille meruit ut hoc pateretur: tu quid meruisti miser ut hoc spectes? 'Occide, verbera, ure! Quare tam timide incurrit in ferrum? quare parum audacter occidit? quare parum libenter moritur? Plagis agatur in vulnera, mutuos ictus nudis et obviis pectoribus excipiant.' Intermissum est spectaculum: 'interim iugulentur homines, ne nihil agatur'. Age, ne hoc quidem intellegitis, mala exempla in eos redundare qui faciunt? Agite dis immortalibus gratias quod eum docetis esse crudelem qui non potest discere. 1.7.5. Dit gebeurt dan terwijl de arena niet eens druk bezocht wordt. 'Ja, maar die vent heeft een diefstal gepleegd, hij heeft iemand gedood.' Wat nu ? Omdat hij gedood heeft, heeft hij verdiend dit te moeten ondergaan: jij, wat heb jij verdiend om dit te bekijken ? 'Hak er op in, de zweep erover, de brand erin ! Waarom loopt hij zo schuchter op het zwaard in ? Waarom sterft hij zo weinig opgewekt ? Laat men hen met slagen tot verwondingen aanzetten, laten ze de wederzijdse slagen met tegenover elkaar ontblote borsten opvangen.' Het schouwspel is onderbroken: 'Laten intussen mensen gewurgd worden opdat er niet niets gebeurt'. Kom toch, begrijpen jullie zelfs dit niet dat slechte voorbeelden hun terugslag hebben op diegenen die ze stellen ? Breng de goden dank dat jullie hem proberen iets aan te leren die zich dat toch niet kan eigen maken.
1.7.6. Subducendus populo est tener animus et parum tenax recti: facile transitur ad plures. Socrati et Catoni et Laelio excutere morem suum dissimilis multitudo potuisset: adeo nemo nostrum, qui cum maxime concinnamus ingenium, ferre impetum vitiorum tam magno comitatu venientium potest. 1.7.6. Een karakter dat nog in zijn groei is en nog te weinig vat heeft op wat juist is moet buiten de invloed van de massa gevoerd worden: de overstap naar de massa is maar al te simpel. Zelfs een Socrates, een Cato en een Laelius zou een massa met haar afwijkende aard hun gedragswijze nog hebben kunnen ontroven: laat staan dat iemand van ons die juist nu proberen onze aard op orde te krijgen, in staat is de aanval van ondeugden die in zo grote eendracht op ons afkomen, op te vangen.
1.7.7. Unum exemplum luxuriae aut avaritiae multum mali facit: convictor delicatus paulatim enervat et mollit, vicinus dives cupiditatem irritat, malignus comes quamvis candido et simplici rubiginem suam affricuit: quid tu accidere his moribus credis in quos publice factus est impetus? 1.7.7. Eén voorbeeld van overdaad of gierigheid doet veel kwaad: een verwekelijkte huisgenoot verwekelijkt en verslapt je sluipenderwijs, een rijke buur prikkelt je begeerte, een slechte metgezel wrijft zelfs een eerzaam en oprecht iemand zijn roest aan: wat geloof je dat aan jouw karakter kan overkomen waarop openlijk een aanval plaats vindt ?
1.7.8 Necesse est aut imiteris aut oderis. Utrumque autem devitandum est: neve similis malis fias, quia multi sunt, neve inimicus multis, quia dissimiles sunt. Recede in te ipse quantum potes; cum his versare qui te meliorem facturi sunt, illos admitte quos tu potes facere meliores. Mutuo ista fiunt, et homines dum docent discunt. 1.7.8. Je ontkomt er niet aan ofwel dezelfde weg op te gaan ofwel afstand te nemen. Elk van beide moet je vermijden: word niet gelijk aan slechten omdat ze nu eenmaal met veel zijn, maar word ook geen vijand voor de massa omdat zij zo verschillen. Keer zoveel mogelijk tot jezelf in; ga met diegenen om die je een beter mens zullen maken, laat diegenen tot je toe die jij betere mensen kunt maken. Die processen spelen zich wederzijds af en men wordt, al onderrichtend, ook zelf wijzer.
1.7.9. Non est quod te gloria publicandi ingenii producat in medium, ut recitare istis velis aut disputare; quod facere te vellem, si haberes isti populo idoneam mercem: nemo est qui intellegere te possit. Aliquis fortasse, unus aut alter incidet, et hic ipse formandus tibi erit instituendusque ad intellectum tui. 'Cui ergo ista didici?' Non est quod timeas ne operam perdideris, si tibi didicisti. 1.7.9. Er is geen reden om jezelf voor het voetlicht te brengen om je vernuft aan de grote klok te hangen, om voor die lieden voordrachten of discussies te houden; iets wat ik zou willen dat je deed als je voor dat publiek geschikte koopwaar zou hebben: nu is er niemand die je kan begrijpen. Iemand misschien, een zeldzame vogel zal misschien opduiken en zelfs die zal nog door jou gevormd moeten worden en onderwezen om jou te kunnen begrijpen. 'Waarvoor heb heb ik dan mijn kennis opgedaan ?' Er is geen reden om bang te zijn dat je moeite verspild hebt als je het voor jezelf hebt aangeleerd.
1.7.10. Sed ne soli mihi hodie didicerim, communicabo tecum quae occurrunt mihi egregie dicta circa eundem fere sensum tria, ex quibus unum haec epistula in debitum solvet, duo in antecessum accipe. Democritus ait, 'unus mihi pro populo est, et populus pro uno'. 1.7.10. Maar om er voor te zorgen dat ik vandaag niet alleen voor mezelf heb geleerd zal ik je schrijven welke drie uitstekende uitspraken van ongeveer dezelfde strekking ik onder ogen heb gehad, waarvan er één deze brief haar schuld zal voldoen, twee krijg je er dus op voorhand.[vgl.Ep.1.2.5.] Democritus zegt, 'één iemand zal voor mij de functie van de massa bekleden, en de massa telt voor mij als eenling.
1.7.11. Bene et ille, quisquis fuit - ambigitur enim de auctore -, cum quaereretur ab illo quo tanta diligentia artis spectaret ad paucissimos perventurae, 'satis sunt' inquit 'mihi pauci, satis est unus, satis est nullus'. Egregie hoc tertium Epicurus, cum uni ex consortibus studiorum suorum scriberet: 'haec' inquit 'ego non multis, sed tibi; satis enim magnum alter alteri theatrum sumus'. 1.7.11. Goed gesproken heeft ook hij, wie het dan ook was - want over de zegsman verkeert men in onzekerheid -, toen aan hem gevraagd werd wat zijn wens was met zo grote toewijding aan een kunst die toch slechts zeer weinigen zou bereiken, 'voldoende zijn voor mij weinigen, voldoende is al één, voldoende is zelfs geen'. Uitstekend heeft ook deze derde Epicurus verwoord toen hij aan één van zijn studiegenoten schreef: 'dit is bestemd niet voor de massa, maar voor jou; wij zijn immers een voldoende groot publiek voor elkaar'.
1.7.12. Ista, mi Lucili, condenda in animum sunt, ut contemnas voluptatem ex plurium assensione venientem. Multi te laudant: ecquid habes cur placeas tibi, si is es quem intellegant multi ? introrsus bona tua spectent. Vale. 1.7.12. Die gedachten, mijn beste Lucilius, moet je in je geest opbergen zodat je het genot relativeert dat voortkomt uit de instemming van de massa. Velen prijzen je: heb je dan wel iets waarom je jezelf in de smaak valt, als je er een bent die velen begrijpen ? Laten zij het goeds binnen in je zien. Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca