EPISTULA V



V

Boek 1, Brief 5

De Ware Filosoof.

1.5.1. SENECA LUCILIO SUO SALUTEM
Quod pertinaciter studes et omnibus omissis hoc unum agis, ut te meliorem cotidie facias, et probo et gaudeo, nec tantum hortor ut perseveres sed etiam rogo. Illud autem te admoneo, ne eorum more qui non proficere sed conspici cupiunt facias aliqua quae in habitu tuo aut genere vitae notabilia sint.
1.5.1. SENECA GROET ZIJN BESTE LUCILIUS
Dat je je onafgebroken en zonder je te verliezen in van alles op dit ene toelegt, dat je jezelf dagelijks verbetert, dat prijs ik in je en daarover ben ik blij en niet alleen spoor ik je ertoe aan maar ik vraag het je. Hiertoe roep ik je echter op, om niet te handelen volgens de gewoonte van diegenen die er niet op uit zijn vooruitgang te boeken maar die slechts in het oog willen vallen: sloof je dus niet uit met opvallende trekjes in je uiterlijk of levenswijze.
1.5.2. Asperum cultum et intonsum caput et neglegentiorem barbam et indictum argento odium et cubile humi positum et quidquid aliud ambitionem perversa via sequitur evita. Satis ipsum nomen philosophiae, etiam si modeste tractetur, invidiosum est: quid si nos hominum consuetudini coeperimus excerpere? Intus omnia dissimilia sint, frons populo nostra conveniat. 1.5.2. Vermijd een onverzorgd uiterlijk, ongeknipt hoofdhaar, een al te slordige baard, een oorlogverklaring aan het zilver, een rustbed op de grond en wat al niet anders beoogt om slinks jezelf op de voorgrond te dringen. De aanduiding 'filosofie' is op zich voldoende berucht, zelfs als ze omzichtig gehanteerd wordt: waar moet het heen als we ons zullen beginnen af te zetten tegen de omgangsvormen van de gewone mensen ? Laat ons innerlijk in alle opzichten verschillen maar onze presentatie zich richten naar de doorsnee man.
1.5.3. Non splendeat toga, ne sordeat quidem; non habeamus argentum in quod solidi auri caelatura descenderit, sed non putemus frugalitatis indicium auro argentoque caruisse. Id agamus ut meliorem vitam sequamur quam vulgus, non ut contrariam: alioquin quos emendari volumus fugamus a nobis et avertimus; illud quoque efficimus, ut nihil imitari velint nostri, dum timent ne imitanda sint omnia. 1.5.3. Laat je toga niet schitteren maar evenmin een dweil zijn; laten we geen zilver beheren waarin ciseleerwerk van massief goud gedreven is, maar laten we ook niet vinden dat het missen van goud en zilver een teken van soberheid is. Laten we hierop uit zijn om een beter leven te leiden dan het gewone volk, niet een tegengesteld: anders vervreemden we degenen die we willen verbeteren van ons en drijven ze van ons weg; dit ook bereiken we, dat zij niets van ons willen navolgen zolang zij vrezen dat ze zich in alles navolgers dienen te betonen.
1.5.4. Hoc primum philosophia promittit, sensum communem, humanitatem et congregationem; a qua professione dissimilitudo nos separabit. Videamus ne ista per quae admirationem parare volumus ridicula et odiosa sint. Nempe propositum nostrum est secundum naturam vivere: hoc contra naturam est, torquere corpus suum et faciles odisse munditias et squalorem appetere et cibis non tantum vilibus uti sed taetris et horridis. 1.5.4. Dit belooft de filosofie op de eerste plaats: gemeenschapszin, voorkomendheid en sociabiliteit; van de effectuering hiervan zal elke buitenissigheid ons uitsluiten. Laten we er op toezien dat niet datgene waardoor wij ons bewondering willen verschaffen belachelijk en stuitend is. Zeker, ons voornemen is om volgens de natuur te leven: maar dit is tegen de natuur gericht: zijn lichaam te kwellen en een afkeer te hebben van een eenvoudige hygiëne en te zwelgen in vuil en voedselsoorten te gebruiken die niet alleen grof zijn maar walgelijk en afstotend.
1.5.5. Quemadmodum desiderare delicatas res luxuriae est, ita usitatas et non magno parabiles fugere dementiae. Frugalitatem exigit philosophia, non poenam; potest autem esse non incompta frugalitas. Hic mihi modus placet: temperetur vita inter bonos mores et publicos; suspiciant omnes vitam nostram sed agnoscant. 1.5.5. Evenals het missen van verfijnde zaken eigen is aan decadentie, zo is het mijden van gebruikelijke en makkelijk te verwerven zaken eigen aan dwaasheid. Soberheid is wat de filosofie eist, geen afstraffing; maar soberheid kan wat opmaak velen. Voor de volgende modus kies ik: het leven te leiden met goede gewoonten en algemeen aanvaarde; laten allen naar onze leefwijze opzien maar het ook waarderen.
1.5.6. 'Quid ergo? eadem faciemus quae ceteri? nihil inter nos et illos intererit?' Plurimum: dissimiles esse nos vulgo sciat qui inspexerit propius; qui domum intraverit nos potius miretur quam supellectilem nostram. Magnus ille est qui fictilibus sic utitur quemadmodum argento, nec ille minor est qui sic argento utitur quemadmodum fictilibus; infirmi animi est pati non posse divitias. 1.5.6. 'Wat nu ? Zullen we dan hetzelfde doen als de anderen ? Zal er geen enkel verschil meer bestaan tussen ons en hen ?' Zeer veel: laat degene die ons van dichterbij bekijkt er achter komen dat wij verschillen van de massa; laat diegene die ons huis binnenkomt liever bewondering opvatten voor onszelf dan voor onze huisraad. Groot is hij die aardewerk zo hanteert alsof het zilver is, en niet minder is hij die met zilver omspringt als met aardewerk; het is eigen aan een labiel karakter om geen rijkdom te kunnen verdragen.
1.5.7. Sed ut huius quoque diei lucellum tecum communicem, apud Hecatonem nostrum inveni cupiditatum finem etiam ad timoris remedia proficere. 'Desines' inquit 'timere, si sperare desieris.' Dices, 'quomodo ista tam diversa pariter sunt?' Ita est, mi Lucili: cum videantur dissidere, coniuncta sunt. Quemadmodum eadem catena et custodiam et militem copulat, sic ista quae tam dissimilia sunt pariter incedunt: spem metus sequitur. 1.5.7. Maar om ook het douceurtje van vandaag met jou te delen: bij onze Hecato trof ik de uitspraak aan dat het einde van verlangens ook strekt tot genezing van vrees. 'Je houdt op', zo zegt hij, 'met vrezen als je ophoudt met verlangen'. Je zult zeggen: 'Hoe kun je die zo verschillende aandoeningen over één kam scheren ?'. Dat zit zo, mijn beste Lucilius: hoewel ze de indruk maken ver uiteen te liggen, zijn ze in feite met elkaar verbonden. Net zoals dezelfde keten zowel de gevangene als zijn bewaker verbindt, zo gaan die zo verschillende grootheden gelijk op: hoop wordt door vrees gevolgd.
1.5.8. Nec miror ista sic ire: utrumque pendentis animi est, utrumque futuri exspectatione solliciti. Maxima autem utriusque causa est quod non ad praesentia aptamur sed cogitationes in longinqua praemittimus; itaque providentia, maximum bonum condicionis humanae, in malum versa est. 1.5.8. En ik ben er niet verbaasd over dat dat zo gaat: elk van beide is eigen aan een zweverig karakter, elk van beide aan iemand die bezorgd is door zijn verwachting omtrent de toekomst. De belangrijkste oorzaak van beide is dat wij ons niet focussen op het heden maar onze gedachten ver vooruit sturen; en zo verkeert het vooruitzien, het grootste goed van onze status als mens, in kwaad.
1.5.9. Ferae pericula quae vident fugiunt; cum effugere, securae sunt: nos et venturo torquemur et praeterito. Multa bona nostra nobis nocent; timoris enim tormentum memoria reducit, providentia anticipat; nemo tantum praesentibus miser est. Vale. 1.5.9. Dieren die in het wild leven slaan op de vlucht voor gevaren die ze zien; eenmaal ontsnapt, weten zij zich veilig: wij echter kwellen onszelf ook nog met de toekomst en het verleden. Veel van ons goeds brengt ons schade toe; de herinnering brengt ons immers de kwelling van de vrees weer terug, ons vooruitzien neemt er een voorschot op; niemand is ongelukkig op grond van alleen het heden.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca