EPISTULA AD LUCILIUM III



III

Boek 1, Brief 3

Het kiezen van vrienden.

1.3.1. Epistulas ad me perferendas tradidisti, ut scribis, amico tuo; deinde admones me ne omnia cum eo ad te pertinentia communicem, quia non soleas ne ipse quidem id facere: ita eadem epistula illum et dixisti amicum et negasti. Itaque si proprio illo verbo quasi publico usus es et sic illum amicum vocasti quomodo omnes candidatos 'bonos viros' dicimus, quomodo obvios, si nomen non succurrit, 'dominos' salutamus, hac abierit. 1.3.1. Je hebt brieven voor mij meegegeven aan, zoals je schrijft, je vriend; vervolgens dring je er bij mij op aan om niet alles met hem te bespreken wat op jou betrekking heeft omdat je ook zelf niet de gewoonte hebt om dat te doen: zodoende heb je in dezelfde brief hem tot 'vriend' bestempeld maar dat ook weer ontkend. Je hebt dus die specifieke aanduiding als een algemene gebruikt: want je hebt hem op die manier 'vriend' genoemd, zoals wij alle mensen die een witte toga dragen 'achtenswaardige mannen' noemen, zoals wij mensen die we ontmoeten, als ons z'n naam niet te binnen schiet, met 'mijnheer' begroeten, en daarmee is het dan gedaan.
1.3.2. Sed si aliquem amicum existimas cui non tantundem credis quantum tibi, vehementer erras et non satis nosti vim verae amicitiae. Tu vero omnia cum amico delibera, sed de ipso prius: post amicitiam credendum est, ante amicitiam iudicandum. Isti vero praepostero officia permiscent qui, contra praecepta Theophrasti, cum amaverunt iudicant, et non amant cum iudicaverunt. Diu cogita an tibi in amicitiam aliquis recipiendus sit. Cum placuerit fieri, toto illum pectore admitte; tam audaciter cum illo loquere quam tecum. 1.3.2. Maar als je iemand als vriend beoordeelt in wie je niet evenveel vertrouwen stelt als in je zelf, dan ben je het spoor erg bijster en ken je de kracht van ware vriendschap niet. Werkelijk, je moet alles met een vriend overleggen, maar eerst overleggen over hemzelf. Als de vriendschap eenmaal gesloten is moet je hem je vertrouwen; vóór het sluiten van de vriendschap moet je hem beoordelen. Diegenen namelijk maken van hun taken een omgekeerde warboel die, tegen de voorschriften van Theophrastus in, pas gaan oordelen wanneer ze genegenheid opgevat hebben en dan geen genegenheid meer toelaten wanneer ze tot een oordeel gekomen zijn. Denk er uitvoerig over na of je met iemand vriendschap zult sluiten. Maar wanneer je eenmaal besloten hebt dat het moet gebeuren laat hem dan toe in heel je hart; spreek zo onbevangen met hem als met jezelf.
1.3.3. Tu quidem ita vive ut nihil tibi committas nisi quod committere etiam inimico tuo possis; sed quia interveniunt quaedam quae consuetudo fecit arcana, cum amico omnes curas, omnes cogitationes tuas misce. Fidelem si putaveris, facies; nam quidam fallere docuerunt dum timent falli, et illi ius peccandi suspicando fecerunt. Quid est quare ego ulla verba coram amico meo retraham? quid est quare me coram illo non putem solum? 1.3.3. Werkelijk, jij moet zó leven, dat je je nergens mee inlaat wat je niet ook aan je vijand kunt blootgeven; maar omdat zich sommige gebeurtenissen voordoen die de conventie aan het oog onttrekt moet je met je vriend al je zorgen, al je overpeinzingen delen. Als je hem trouw acht, zul je hem dat zo in ieder geval maken; want sommigen hebben opgeroepen tot misleiding alleen uit angst misleid te worden, en die hebben door hun achterdocht het recht tot liegen in het leven geroepen. Wat is het, waarom ik welke woorden ook voor me zou moeten houden tegenover mijn vriend ? Wat is het waarom ik me tegenover hem niet als alleen zou beschouwen?
1.3.4. Quidam quae tantum amicis committenda sunt obviis narrant, et in quaslibet aures quidquid illos urit exonerant; quidam rursus etiam carissimorum conscientiam reformidant et, si possent, ne sibi quidem credituri interius premunt omne secretum. Neutrum faciendum est; utrumque enim vitium est, et omnibus credere et nulli, sed alterum honestius dixerim vitium, alterum tutius. 1.3.4. Sommigen bazuinen tegenover willekeurige voorbijgangers datgene uit, wat eigenlijk slechts voor de oren van vrienden bestemd is, en ze proppen in elk oor wat hen maar op de lippen brandt. Anderen deinzen weer terug voor het medeweten van zelfs hun meest toegewijde dierbaren en, alsof ze zelfs zichzelf niet zouden kunnen vertrouwen, begraven ze elke vertrouwelijke mededeling diep in hun binnenste. Geen van deze beide gedragingen is aanbevelenswaardig; beide zijn immers gebreken, zowel iedereen vertrouwen als niemand, maar het ene zou ik een eerzaam gebrek noemen, het andere een veilig.
1.3.5. Sic utrosque reprehendas, et eos qui semper inquieti sunt, et eos qui semper quiescunt. Nam illa tumultu gaudens non est industria sed exagitatae mentis concursatio, et haec non est quies quae motum omnem molestiam iudicat, sed dissolutio et languor. 1.3.5. Daarom moet je beide groepen op de vingers tikken, zowel hen die altijd maar tetteren als hen die altijd maar zwijgen. Want het eerste, dat zwelgt in opwinding is geen ernst maar geschermutsel van een overspannen geest, en het laatstgenoemde is geen rust die elke beweging als een aanslag beschouwt, maar onattendheid en sloomheid.
1.3.6. Itaque hoc quod apud Pomponium legi animo mandabitur: 'quidam adeo in latebras refugerunt ut putent in turbido esse quidquid in luce est'. Inter se ista miscenda sunt: et quiescenti agendum et agenti quiescendum est. Cum rerum natura delibera: illa dicet tibi et diem fecisse se et noctem. Vale. 1.3.6. Derhalve beveel ik je het volgende citaat aan dat ik bij Pomponius las: 'Sommigen hebben hun toevlucht zó diep in hun schuiplaatsen gezocht dat ze denken, dat alwat zich in het licht bevindt in verwarring verkeert'. Die gedragingen moeten elkaar aflossen: zowel de rustige moet tot handelen overgaan als de handelende tot rust. Spiegel je aan de natuur: die zal je zeggen dat ze zowel voor dag gezorgd heeft als voor nacht. Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca