EPISTULA AD LUCILIUM II



II

Boek 1, Brief 2

Reizen en lezen.

1.2.1. Ex iis quae mihi scribis et ex iis quae audio bonam spem de te concipio: non discurris nec locorum mutationibus inquietaris. Aegri animi ista iactatio est: primum argumentum compositae mentis existimo posse consistere et secum morari. 1.2.1. Uit wat je me schrijft en uit wat ik hoor heb ik goede verwachtingen over je: je rent niet van hot naar haar en maakt je niet druk om zwerftochten. Dat soort ongedurigheid is iets van een warrig karakter: ik ben van mening dat het voornaamste kenmerk van een evenwichtige geest bestaat in de kunst om op één plaats en bij je zelf te blijven.
1.2.2. Illud autem vide, ne ista lectio auctorum multorum et omnis generis voluminum habeat aliquid vagum et instabile. Certis ingeniis immorari et innutriri oportet, si velis aliquid trahere quod in animo fideliter sedeat. Nusquam est qui ubique est. Vitam in peregrinatione exigentibus hoc evenit, ut multa hospitia habeant, nullas amicitias; idem accidat necesse est iis qui nullius se ingenio familiariter applicant sed omnia cursim et properantes transmittunt. 1.2.2. Maar pas hier wel voor op, dat die lectuur van vele schrijvers en van werken van allerlei soort ook iets zwervends en ongedurigs heeft. Je moet kiezen voor vaste auteurs, daarbij blijven en je daarmee voeden als je er iets aan wilt ontlenen wat zich blijvend een plaats in je geest vindt. Nergens is diegene die overal is. Wanneer men zijn leven met zwerven doorbrengt draait het hierop uit dat men veel onderkomens overhoudt maar weinig vriendschappen; hetzelfde moet noodzakelijkerwijs overkomen aan diegenen die zich met niemands geest vertrouwd maken maar alles vluchtig en gehaast verslinden.
1.2.3 Non prodest cibus nec corpori accedit qui statim sumptus emittitur; nihil aeque sanitatem impedit quam remediorum crebra mutatio; non venit vulnus ad cicatricem in quo medicamenta temptantur; non convalescit planta quae saepe transfertur; nihil tam utile est ut in transitu prosit. Distringit librorum multitudo; itaque cum legere non possis quantum habueris, satis est habere quantum legas. 1.2.3. Voedsel dat meteen na het eten weer wordt uitgekotst heeft niets te bieden en voegt niets aan je lichaam toe; niets hindert de gezondheid zozeer als een herhaaldelijke verandering van geneesmiddelen; een wond waarop steeds weer andere geneesmiddelen worden uitgeprobeerd, wordt geen litteken; een plant die vaak verplaatst wordt gedijt niet; niets is zo nuttig dat het terloops tot voordeel strekt. Een overvloed aan boeken leidt slechts tot verstrooiing; daarom, omdat je ze toch niet allemaal kunt lezen die je hebt, is het voldoende om er zoveel te hebben als je kunt lezen .
1.2.4. 'Sed modo' inquis 'hunc librum evolvere volo, modo illum.' Fastidientis stomachi est multa degustare; quae ubi varia sunt et diversa, inquinant non alunt. Probatos itaque semper lege, et si quando ad alios deverti libuerit, ad priores redi. Aliquid cotidie adversus paupertatem, aliquid adversus mortem auxili compara, nec minus adversus ceteras pestes; et cum multa percurreris, unum excerpe quod illo die concoquas. 1.2.4. 'Maar', hoor ik je zeggen, 'ik wil nu eens dit boek opslaan, dan weer dat'. Het is typisch voor een bedorven maag om aan alles te proeven; en wanneer dat uiteenlopend en verschillend is, verpest het maar voedt het niet. Lees daarom altijd beproefde schrijvers, en als je soms wel eens een uitstapje naar anderen wilt maken, keer dan toch weer naar de eersten terug. Zoek dagelijks wat hulp tegen de armoede, tegen de dood, evenzo tegen andere vormen van ellende; en wanneer je er veel ontmoet hebt, pluk er dan één uit om die dag klaar te maken.
1.2.5. Hoc ipse quoque facio; ex pluribus quae legi aliquid apprehendo. Hodiernum hoc est quod apud Epicurum nanctus sum - soleo enim et in aliena castra transire, non tamquam transfuga, sed tamquam explorator -: 'honesta' inquit 'res est laeta paupertas'. 1.2.5. Dit doe ik zelf ook; uit het vele dat ik gelezen heb maak ik me iets eigen. Die van vandaag is deze die ik bij Epicurus heb aangetroffen - het is namelijk mijn gewoonte om ook naar het legerkamp van de ander over te wippen, niet als overloper, maar als verkenner -:'een eerzaam bezit is de vreugdevolle armoede'.
1.2.6. Illa vero non est paupertas, si laeta est; non qui parum habet, sed qui plus cupit, pauper est. Quid enim refert quantum illi in arca, quantum in horreis iaceat, quantum pascat aut feneret, si alieno imminet, si non acquisita sed acquirenda computat? Quis sit divitiarum modus quaeris? primus habere quod necesse est, proximus quod sat est. Vale. 1.2.6. Dat is waarachtig geen armoede, waar vreugde heerst; niet wie te weinig heeft is arm, maar wie naar meer verlangt. Wat doet het er namelijk toe hoeveel er in zijn kluis, hoeveel er in zijn voorraadschuren ligt, hoeveel vee hij heeft of hoeveel debiteuren, als hij een bedreiging vormt voor andermans bezit, als hij geen verworven bezittingen natelt maar bezittingen die hij nog moet verwerven ? 'Wat is de juiste grens van rijkdom', vraag je ? De eerste is : hebben wat noodzakelijk is; de volgende: wat genoeg is. Het ga je goed.




  • Terug naar Inhoudsopgave Seneca