Inhoud van Metamorfosen boek 11

Orpheus en de Bacchanten. [Met.XI,1 - 66]

Carmine dum tali silvas animosque ferarum
Threicius vates et saxa sequentia ducit,
ecce nurus Ciconum tectae lymphata ferinis
pectora velleribus tumuli de vertice cernunt
Orphea percussis sociantem carmina nervis.




5
- Terwijl de Thracische zanger met deze liederen de bomen,
de harten van de wilde dieren en zelfs rotsen in vervoering bracht,
zie, daar krijgen vanaf de top van een heuvel, jonge Ciconische vrouwen
in Bacchantische extase en hun lijf bedekt met dierenvellen,
Orpheus in de gaten die zijn liederen begeleidt met snarenspel.
e quibus una leves iactato crine per auras,
'en,' ait 'en, hic est nostri contemptor!' et hastam
vatis Apollinei vocalia misit in ora,
quae foliis praesuta notam sine vulnere fecit;
alterius telum lapis est, qui missus in ipso




10
Eén van hen - zij slingert haar haren door de ijle lucht - roept uit:
'Kijk toch eens, kijk, daar heb je die verachter van ons', en tegelijk
slingert zij haar staf naar de welluidende mond van de Apollinische zanger;
van voren met bladeren omkranst was bracht hij slechts een blauwe plek teweeg;
de worp van een tweede is een steen: die werd al in de lucht afgeremd
aere concentu victus vocisque lyraeque est
ac veluti supplex pro tam furialibus ausis
ante pedes iacuit. sed enim temeraria crescunt
bella modusque abiit insanaque regnat Erinys;
cunctaque tela forent cantu mollita, sed ingens




15
door het samenspel van zang en lier en bleef
- als vroeg hij vergeving voor zo'n razend waagstuk -
vóór zijn voeten liggen. Maar het onbezonnen krijgsgeschreeuw
gaat alle perken te buiten en nu heerst de onzinnige Wraaklust:
alle wapens zouden wel door het gezang zijn vermurwd
clamor et infracto Berecyntia tibia cornu
tympanaque et plausus et Bacchei ululatus
obstrepuere sono citharae, tum denique saxa
non exauditi rubuerunt sanguine vatis.
ac primum attonitas etiamnum voce canentis




20
maar het geweldig geschreeuw en het Frygisch gefluit uit de gekromde hoorn
de tympaan, het geklap en de Bacchische kreten
hebben de klank van de cither overstemd: zo zijn tenslotte de stenen
toch rood gekleurd door het bloed van de niet meer gehoorde zanger.
En aanvankelijk hebben de Maenaden de roem van Orpheus' optreden:
innumeras volucres anguesque agmenque ferarum
maenades Orphei titulum rapuere triumphi;
inde cruentatis vertuntur in Orphea dextris
et coeunt ut aves, si quando luce vagantem
noctis avem cernunt, structoque utrimque theatro




25
- de talloze vogels, reptielen en massa wilde dieren ook nu nog betoverd
door de stem van de zanger - slechts uitgewist;
maar dan stortten zij zich met bloeddorstige handen op Orpheus
en drommen samen zoals vogels als die overdag een nachtvogel
zien zwerven of in het amfitheater
ceu matutina cervus periturus harena
praeda canum est, vatemque petunt et fronde virentes
coniciunt thyrsos non haec in munera factos.
hae glaebas, illae direptos arbore ramos,
pars torquent silices; neu desint tela furori,




30
in het zand van de morgen een ten dode gedoemd hert
een prooi vormt voor de honden: zo werpen zij zich op de zanger
en slaan hem met hun groenbebladerde thyrsusstaf, voor dit doel niet gemaakt,
anderen met aardkluiten, weer anderen met takken, gerukt van de bomen,
een deel smijt ook keien; en als om hun razernij aan wapens te helpen
forte boves presso subigebant vomere terram,
nec procul hinc multo fructum sudore parantes
dura lacertosi fodiebant arva coloni,
agmine qui viso fugiunt operisque relinquunt
arma sui, vacuosque iacent dispersa per agros




35
hadden net ossen met een ploeg de aarde omgewoeld
en niet ver van hier groeven de gespierde armen van boeren
zweet gutste van hen af de harde akker uit om de oogst te bevorderen;
bij het zien van die horde sloegen zij op de vlucht maar lieten
hun werktuigen verspreid over de akkers achter:
sarculaque rastrique graves longique ligones;
quae postquam rapuere ferae cornuque minaces
divulsere boves, ad vatis fata recurrunt
tendentemque manus et in illo tempore primum
inrita dicentem nec quicquam voce moventem




40
harken en zware houwelen en lange hakken.
Nadat de uitzinnige vrouwen die buitgemaakt hadden en de ossen met hun
dreigende horens uiteen gedreven, namen zij het lot van de zanger weer ter hand
en terwijl hij zijn handen uitstrekte en dan voor het eerst vruchteloze klanken
uitstootte en niets uithalend stemgeluid voortbracht
sacrilegae perimunt, perque os, pro Iuppiter! illud
auditum saxis intellectumque ferarum
sensibus in ventos anima exhalata recessit.
Te maestae volucres, Orpheu, te turba ferarum,
te rigidi silices, te carmina saepe secutae




45
vermoordden zij hem heiligschennend en, bij Jupiter!, door die mond
waarnaar rotsen luisterden en die zelfs het oor van wilde dieren streelde
is zijn laatste adem in de wind vervlogen.
- Om jou bedroefd, Orpheus, hebben de vogels, om jou een massa wild,
om jou onbewogen rotsen, om jou wouden die jouw zangen volgden
fleverunt silvae, positis te frondibus arbor
tonsa comas luxit; lacrimis quoque flumina dicunt
increvisse suis, obstrusaque carbasa pullo
naides et dryades passosque habuere capillos.
membra iacent diversa locis, caput, Hebre, lyramque




50
geweend, na het afleggen van zijn lover heeft de boom met afgeschoren haren
getreurd; ook wordt verteld dat de rivieren gezwollen zijn
door eigen tranen, nimfen en dryaden hulden zich in
zwart omzoomde gewaden en droegen hun haren loa.
Zijn ledematen lagen verspreid: zijn hoofd en lier
excipis: et (mirum!) medio dum labitur amne,
flebile nescio quid queritur lyra, flebile lingua
murmurat exanimis, respondent flebile ripae.
iamque mare invectae flumen populare relinquunt
et Methymnaeae potiuntur litore Lesbi:




55
nam jij op, Hebrus, en, (wat wonder!), terwijl zij midden in de stroom dreef
gaf de lier 'n zachte klacht, murmelde de dode tong een klacht
en beantwoordden de oevers deze klachten.
- Dan voeren zij de zee in en lieten de eigen rivier achter zich
en bereikten de kust van Lesbos bij Methymna:
hic ferus expositum peregrinis anguis harenis
os petit et sparsos stillanti rore capillos.
tandem Phoebus adest morsusque inferre parantem
arcet et in lapidem rictus serpentis apertos
congelat et patulos, ut erant, indurat hiatus.




60
hier schoof een slang in het vreemde zand woest af op
het gezicht met zijn haren verward in druipend water.
Eindelijk schiet Phoebus te hulp en wanneer het dier zijn bek open spert
weert hij hem af en bevriest de geopende muil van de slang
tot een steen en verhardt de bek precies in de open stand.
Umbra subit terras, et quae loca viderat ante,
cuncta recognoscit quaerensque per arva piorum
invenit Eurydicen cupidisque amplectitur ulnis;
hic modo coniunctis spatiantur passibus ambo,
nunc praecedentem sequitur, nunc praevius anteit
Eurydicenque suam iam tuto respicit Orpheus.





66
- Zijn schim daalt af onder de aarde en alle plaatsen die hij al eerder
gezien had, ziet hij weer terug en op zijn zoektocht door de velden der gelukzaligen
vindt hij Eurydice en omhelst haar met armen vol passie.
Nu eens wandelen ze samen zij aan zij,
dan weer volgt de een het spoor van de ander en nu
kijkt Orpheus risicoloos naar zijn Eurydice om.
naar begin

Bacchus straft de Bacchanten. [Met.XI,67 - 84]

- Non inpune tamen scelus hoc sinit esse Lyaeus
amissoque dolens sacrorum vate suorum
protinus in silvis matres Edonidas omnes,
quae videre nefas, torta radice ligavit;



70
- Maar Bacchus liet deze moord niet ongestraft,
nee, gedompeld in treurnis om de zanger van zijn riten
bond hij alle Edonische vrouwen die de wandaad zagen
direct in het bos met gedraaide wortels vast;
quippe pedum digitos via, quam tum est quaeque secuta,
traxit et in solidam detrusit acumina terram,
utque suum laqueis, quos callidus abdidit auceps,
crus ubi commisit volucris sensitque teneri,
plangitur ac trepidans adstringit vincula motu:




75
want op de plaats waar ieder toen stond, sleurde hij ieder
bij de tenen de hechte aarde in en sloot ze daarin op
en, zoals een vogel wanneer hij met zijn poot in een strik trapt
die een jager sluw heeft verborgen en hij zich gevangen voelt,
klapwiekt en door zijn schichtige beweging zijn strop nog eens aantrekt:
sic, ut quaeque solo defixa cohaeserat harum,
exsternata fugam frustra temptabat, at illam
lenta tenet radix exsultantemque coercet,
dumque ubi sint digiti, dum pes ubi, quaerit, et ungues,
aspicit in teretes lignum succedere suras




80
zo poogde ieder van hen die aan de grond was gebonden, verschrikt
te ontsnappen, maar vergeefs want een taaie wortel houdt haar vast
en weerstaat elke poging op te springen; en terwijl ze onderzoekt
waar haar tenen zijn, waar haar voet en haar nagels
ziet ze hout omhoogkruipen langs haar tere kuiten
et conata femur maerenti plangere dextra
robora percussit, pectus quoque robora fiunt,
robora sunt umeri; nodosaque bracchia veros
esse putes ramos, et non fallare putando.



84
en wanneer ze in haar ellende probeert met haar hand tegen haar dij
te slaan treft ze hout, haar borst verandert ook in hout en
van hout zijn inmiddels haar schouders en haar knoppenrijke armen zou je
voor echte takken kunnen verslijten zonder je in die schijn te vergissen!
naar begin

Midas [Met.XI,85 - 145]

Nec satis hoc Baccho est, ipsos quoque deserit agros
cumque choro meliore sui vineta Timoli
Pactolonque petit, quamvis non aureus illo
tempore nec caris erat invidiosus harenis.
hunc adsueta cohors, satyri bacchaeque, frequentant,
at Silenus abest: titubantem annisque meroque





90
Maar voor Bacchus is dit niet voldoende: hij vertrekt ook uit het land
en met een betere aanhang gaat hij naar de wijngaarden van zijn Tmolus en
de Pactolus, ook al was die in die tijd niet gouddragend en
benijd om zijn kostbaar goudkorrelig zand.
Hierheen trekt zijn gebruikelijk gevolg van satyrs en bacchanten
maar Silenus ontbreekt: hem, waggelend door ouderdom en drank, namen
ruricolae cepere Phryges vinctumque coronis
ad regem duxere Midan, cui Thracius Orpheus
orgia tradiderat cum Cecropio Eumolpo.
qui simul agnovit socium comitemque sacrorum,
hospitis adventu festum genialiter egit




95
Phrygische boeren gevangen en voerden hem bekranst tot voor
koning Midas: aan hem en de Cecropide Eumolpus had
de Thraciër Orpheus ooit zijn cultus overgedragen.
Direct toen deze de vriend en metgezel van de god herkende,
heeft hij om de komst van zijn gast een royaal feest gevierd
per bis quinque dies et iunctas ordine noctes,
et iam stellarum sublime coegerat agmen
Lucifer undecimus, Lydos cum laetus in agros
rex venit et iuveni Silenum reddit alumno.
Huic deus optandi gratum, sed inutile, fecit




100
van twee maal vijf dagen lang en even veel daaropvolgende nachten;
en reeds had de elfde Morgenster zijn hoge schare sterren verzameld,
toen de koning vol vreugde naar dit gebied kwam en
Silenus teruggaf aan zijn voormalige pupil.
- Aan hem stond de god vergeefs de gunst toe een wens te doen
muneris arbitrium gaudens altore recepto.
ille male usurus donis ait 'effice, quicquid
corpore contigero, fulvum vertatur in aurum.'
adnuit optatis nocituraque munera solvit
Liber et indoluit, quod non meliora petisset.




105
in zijn vreugde zijn opvoeder terug te hebben gekregen.
Midas zei, met een slecht gebruik van die gift: 'Zorg dat
alwat ik met mijn lichaam aanraak in rossig goud verandert'.
Liber stond dit toe en loste zo zijn belofte in hoe schadelijk
dit ook zou blijken en hij betreurde, dat hij niets beters gevraagd had.
laetus abit gaudetque malo Berecyntius heros
pollicitique fidem tangendo singula temptat
vixque sibi credens, non alta fronde virentem
ilice detraxit virgam: virga aurea facta est;
tollit humo saxum: saxum quoque palluit auro;




110
Verheugd gaat de Phrygische held heen en is blij met zijn ongeluk:
hij test de betrouwbaarheid van de belofte door van alles aan te raken;
met maar weinig zelfvertrouwen trekt hij van laaghangend eikenlover
een groene tak af: de tak is direct van goud;
hij tilt een steen van de grond: ook die steen verbleekt dan tot goud;
contigit et glaebam: contactu glaeba potenti
massa fit; arentis Cereris decerpsit aristas:
aurea messis erat; demptum tenet arbore pomum:
Hesperidas donasse putes; si postibus altis
admovit digitos, postes radiare videntur;




115
ook een aardkluit raakt hij aan: door dit machtig contact
wordt de kluit ook een goudklomp; hij plukt droge korenaren
en goud is zijn oogst; hij plukt een appel van een boom:
je had kunnen denken dat de Hesperiden hem schonk; als hij
zijn vingers legt op de hoge deurposten, zie je die posten stralen;
ille etiam liquidis palmas ubi laverat undis,
unda fluens palmis Danaen eludere posset;
vix spes ipse suas animo capit aurea fingens
omnia. gaudenti mensas posuere ministri
exstructas dapibus nec tostae frugis egentes:




120
en zodra hij zijn handen wast in stromend water,
had het water dat uit zijn handen stroomt Danaë nog kunnen misleiden.
Amper kan hij zijn verwachtingen bevatten als hij zich alles van goud
voorstelt; in zijn blijdschap zetten zijn dienaren hem tafels voor
voorzien van spijzen en mandjes brood daarbij:
tum vero, sive ille sua Cerealia dextra
munera contigerat, Cerealia dona rigebant,
sive dapes avido convellere dente parabat,
lamina fulva dapes admoto dente premebat;
miscuerat puris auctorem muneris undis:




125
Toen echter verstijfden de gaven van Ceres,
als hij die met zijn hand aanraakte,
en als hij de spijzen met gretige tand wilde kauwen
bedekte een rossige laag het eten onder zijn toebijtende tanden.
Hij had de wijn van zijn weldoener gemengd met zuiver water:
fusile per rictus aurum fluitare videres.
Attonitus novitate mali divesque miserque
effugere optat opes et quae modo voverat, odit.
copia nulla famem relevat; sitis arida guttur
urit, et inviso meritus torquetur ab auro




130
je had vloeibaar goud door zijn keel kunnen zien stromen!
Onthutst door deze onverwachte ramp, èn rijk èn armzalig, wenst hij
zijn rijkdom te ontvluchten en haat hij wat hij zo pas nog gewenst heeft.
Geen overvloed stilt zijn honger; een droge dorst brandt zijn keel
en zoals hij verdient wordt hij gekweld door het nu gehate goud
ad caelumque manus et splendida bracchia tollens
'da veniam, Lenaee pater! peccavimus' inquit,
'sed miserere, precor, speciosoque eripe damno!'
mite deum numen: Bacchus peccasse fatentem
restituit pactique fide data munera solvit




135
en zijn stralende armen en handen ten hemel geheven zegt hij:
'Vergeef mij, vader Lenaeus! Wij hebben ons misdragen;
maar heb erbarmen, bid ik, en verlos mij van deze schitterende vloek!'
Mild is de godheid: nu hij zijn misstap erkende nam Bacchus zijn belofte terug
erkende en de verleende gave ontsloeg hij van z'n vervulling en sprak:
'ne' ve 'male optato maneas circumlitus auro,
vade' ait 'ad magnis vicinum Sardibus amnem
perque iugum nitens labentibus obvius undis
carpe viam, donec venias ad fluminis ortus,
spumigeroque tuum fonti, qua plurimus exit,




140
'Ga, om niet besmeurd met rampzalig gewenst goud te blijven,
naar de stroom die naast het grote Sardes ligt
en zoek je met moeite een weg tegen de stroom in over de bergkam
totdat je komt bij de oorsprong van de rivier en dompel je hoofd onder
in de schuimende bron, waar die het rijkelijkst opwelt
subde caput corpusque simul, simul elue crimen.'
rex iussae succedit aquae: vis aurea tinxit
flumen et humano de corpore cessit in amnem;
nunc quoque iam veteris percepto semine venae
arva rigent auro madidis pallentia glaebis.




145
duik met hoofd en lichaam tegelijk onder en was zo tegelijk je misstap weg'.
Zoals bevolen ging de koning te water: de goudkracht verfde
de rivier en ging van het mensenlichaam over in de stroom.
Ook nu nog zijn de akkers grof en bleek door kluiten nat van goud,
al is het zaad dat zij ontvingen nu al oud van herkomst.
naar begin

Midas, Pan en Apollo [Met.XI,146 - 193]

Ille perosus opes silvas et rura colebat
Panaque montanis habitantem semper in antris,
pingue sed ingenium mansit, nocituraque, ut ante,
rursus erant domino stultae praecordia mentis.
nam freta prospiciens late riget arduus alto




150
- Midas keerde nu rijkdom de rug toe en richtte zich op wouden en velden
en op Pan die altijd verblijf houdt in berggrotten;
maar zijn aard bleef toch lomp en, evenals voorheen,
zou zijn dwaze geest zijn meester nog schade berokkenen.
- Weids uitziend over zee reikt hoog de Tmolus, steil voor beklimming
Tmolus in ascensu clivoque extensus utroque
Sardibus hinc, illinc parvis finitur Hypaepis.
Pan ibi dum teneris iactat sua sibila nymphis
et leve cerata modulatur harundine carmen
ausus Apollineos prae se contemnere cantus,




155
en ver reikt hij met zijn helling tot aan
Sardes aan de ene en het kleine Hypaepa aan de andere kant.
Toen Pan daar ooit pochte op zijn fluitspel tegenover de tere nimfen
en een luchtig wijsje speelde op zijn met was samengebonden riet
durfde hij de muziek van Apollo achter te stellen bij die van hem
iudice sub Tmolo certamen venit ad inpar.
Monte suo senior iudex consedit et aures
liberat arboribus: quercu coma caerula tantum
cingitur, et pendent circum cava tempora glandes.
isque deum pecoris spectans 'in iudice' dixit




160
en zo kwam het tot een ongelijke wedstrijd met die Tmolus als jury.
- Als rechter neemt op zijn berg de oude plaats en ontdoet
zijn oren van bomen: alleen met eikenloof wordt zijn donkere haar
bekranst en eikels hangen rond zijn holle slapen.
Als hij de god van het vee ziet zegt hij:
'nulla mora est.' calamis agrestibus insonat ille
barbaricoque Midan (aderat nam forte canenti)
carmine delenit; post hunc sacer ora retorsit
Tmolus ad os Phoebi: vultum sua silva secuta est.
ille caput flavum lauro Parnaside vinctus




165
'De jury zit klaar'. Die blaast op zijn lompe rietfluit en
amuseert met een volks wijsje Midas (die was namelijk
toevallig getuige van zijn spel). Hierna wendt Tmolus zijn gezicht
naar dat van Phoebus: zijn hele bos draait met zijn hoofd mee.
Die heeft zijn blonde hoofd bekroond met de laurier van de Parnassus
verrit humum Tyrio saturata murice palla
instructamque fidem gemmis et dentibus Indis
sustinet a laeva, tenuit manus altera plectrum;
artificis status ipse fuit. tum stamina docto
pollice sollicitat, quorum dulcedine captus




170
veegt over de grond met zijn mantel, verzadigd van Tyrisch purper
en hij heft met zijn linkerhand zijn luit, bezet met juwelen en
ivoor, zijn andere hand houdt het plectrum vast:
die houding alleen al was die van een kunstenaar! Dan tokkelt hij
de snaren met kundige duim en, gegrepen door hun klankpracht,
Pana iubet Tmolus citharae submittere cannas.
Iudicium sanctique placet sententia montis
omnibus, arguitur tamen atque iniusta vocatur
unius sermone Midae; nec Delius aures
humanam stolidas patitur retinere figuram,




175
velt Tmolus het oordeel dat Pan's riet het aflegt tegen de cither.
Met de uitspraak en het oordeel van de heilige berg stemt iedereen in
toch wordt hij betwist en als oneerlijk bestempeld
door praatjes van Midas, alleen die: Apollo duldt niet
dat zo verstokte oren nog op mensenoren lijken
sed trahit in spatium villisque albentibus inplet
instabilesque imas facit et dat posse moveri:
cetera sunt hominis, partem damnatur in unam
induiturque aures lente gradientis aselli.
ille quidem celare cupit turpique pudore




180
maar rekt ze uit en vult ze met wittige pluizen en maakt ze
van onderen bewegelijk zodat ze kunnen klapperen:
verder is hij nog mens, alleen dit lichaamsdeel wordt afgestraft
en hij wordt toegerust met de oren van een trage ezel.
Midas, nu, wil dat verbergen en probeert uit schaamte
tempora purpureis temptat relevare tiaris;
sed solitus longos ferro resecare capillos
viderat hoc famulus, qui cum nec prodere visum
dedecus auderet, cupiens efferre sub auras,
nec posset reticere tamen, secedit humumque




185
over zijn schande zijn slapen te bedekken met een purperen muts.
Maar als enige had zijn kapper dit ontdekt toen hij, gewoontegetrouw,
met zijn schaar diens lange haren kortte. Omdat hij de schandelijke
aanblik niet durft verklappen maar er wel over wil praten
en het toch niet niet kan verzwijgen, trekt hij de stad uit en
effodit et, domini quales adspexerit aures,
voce refert parva terraeque inmurmurat haustae
indiciumque suae vocis tellure regesta
obruit et scrobibus tacitus discedit opertis.
creber harundinibus tremulis ibi surgere lucus




190
graaft een kuil en vertelt op gedempte toon wat voor oren hij bij zijn meester
heeft gezien en fluistert het in de kuil en zijn verraderswoord dekt hij
weer met aarde toe en begraaft het en gaat weer stilletjes heen
na de bodem geëffend te hebben.
Een dicht bos van trillend riet begon daar te groeien en
coepit et, ut primum pleno maturuit anno,
prodidit agricolam: leni nam motus ab austro
obruta verba refert dominique coarguit aures.


zodra het een jaar later tot wasdom gekomen was, verried het de planter
want, bewogen door een zachte bries, geeft het de begraven woorden prijs
en klaagt ruisend de oren van de meester aan.
naar begin

Laomedon en Hesione.[Met.XI,194 - 220]

Ultus abit Tmolo liquidumque per aera vectus
angustum citra pontum Nepheleidos Helles
Laomedonteis Latoius adstitit arvis.
dextera Sigei, Rhoetei laeva profundi
ara Panomphaeo vetus est sacrata Tonanti:
inde novae primum moliri moenia Troiae
Laomedonta videt susceptaque magna labore




200
- Na deze wraak verliet Latona's zoon de Tmolus en
vloog door de ijle lucht over de nauwe zeeëngtevan Nephele's Helle
en arriveerde in het land van Laomedon.
Rechts van het Sigeïsche water en links van het diepe Rhoeteïsche
staat een oud altaar, gewijd aan de alduidende Donderaar:
vandaar ziet hij dat Laomedon begint de muren van Troje
te bouwen maar dat het zware werk moeizaam vordert
crescere difficili nec opes exposcere parvas
cumque tridentigero tumidi genitore profundi
mortalem induitur formam Phrygiaeque tyranno
aedificat muros pactus pro moenibus aurum.
stabat opus: pretium rex infitiatur et addit,




205
en het geen geringe krachten vergt.
Samen met de Drietander-vader van de kolkende diepten
hult hij zich in mensengedaante en en bouwt voor de Phrygische heerser
muren volgens een afspraak aan geld in ruil voor de ommuring.
Als het karwei is geklaard ontkent de koning de beloningsafspraak en
perfidiae cumulum, falsis periuria verbis.
'non inpune feres' rector maris inquit, et omnes
inclinavit aquas ad avarae litora Troiae
inque freti formam terras conplevit opesque
abstulit agricolis et fluctibus obruit agros.




210
voegt er, toppunt van trouweloosheid, nog een leugenachtige meineed aan toe.
'Daar kom je niet straffeloos mee weg', zegt de zeebeheerder en
stuurt al zijn wateren af op de kusten van het hebberige Troje,
stuwt ze de zeeëngte in en zet het land onder water,
ontneemt aan de boeren hun rijkdom en maakt van hun akkers een zee.
poena neque haec satis est: regis quoque filia monstro
poscitur aequoreo, quam dura ad saxa revinctam
vindicat Alcides promissaque munera dictos
poscit equos tantique operis mercede negata
bis periura capit superatae moenia Troiae.




215
Deze straf is nog niet voldoende, nee: ook de dochter van de koning
eist hij op voor een zeemonster: deze, geboeid aan een harde rots,
wordt door Hercules bevrijd en die vraagt naar de toegezegde beloning
de beloofde paarden en als dat loon voor zo'n belangrijke tussenkomst
wordt geweigerd bestormt hij de met dubbele meineed belaste muren van Troje.
nec, pars militiae, Telamon sine honore recessit
Hesioneque data potitur. nam coniuge Peleus
clarus erat diva nec avi magis ille superbus
nomine quam soceri, siquidem Iovis esse nepoti
contigit haut uni, coniunx dea contigit uni.




220
Telamon, helper in de strijd, blijft niet onbeloond:
hij krijgt Hesione als vrouw. Want broer Peleus was al beroemd
om zijn goddelijke Thetis en al even trots op zijn schoonvader Nereus
als die op zijn schoonzoon: het mag dan zijn dat niet slechts één
nakomeling is van Juppiter, echtgenoot van een godin te zijn is wel alleen één.
naar begin

Peleus en Thetis.[Met.XI,221 - 265]

Namque senex Thetidi Proteus 'dea' dixerat 'undae,
concipe: mater eris iuvenis, qui fortibus annis
acta patris vincet maiorque vocabitur illo.'
ergo, ne quicquam mundus Iove maius haberet,
quamvis haut tepidos sub pectore senserat ignes,




225
- De oude Proteus had namelijk aan Thetis, heerseres over de golven, voorzegd:
'Bij een zwangerschap zult gij een jongeman tot zoon krijgen die als hij opgroeit
de daden van zijn vader zal overtreffen en hij zal diens meerdere heten.'
Derhalve ontweek Juppiter gemeenschap met Thetis van Zee, opdat de wereld niet
iets groters dan hemzelf zou krijgen,, hoezeer hij ook in vuur en vlam stond voor haar,
Iuppiter aequoreae Thetidis conubia fugit,
in suaque Aeaciden succedere vota nepotem
iussit et amplexus in virginis ire marinae.
Est sinus Haemoniae curvos falcatus in arcus,
bracchia procurrunt: ubi, si foret altior unda,




230
maar hij had zijn kleinzoon Peleus aangeraden zijn wensdromen
over te nemen en de vrijage met de zeemaagd na te jagen.
- Er ligt een baai in Thessalië die zich buigt tot een sikkelvormige bocht,
waarvoor landtongen zich uitstrekken: daar zou een haven gelegen hebben
als het water dieper geweest was;
portus erat; summis inductum est aequor harenis;
litus habet solidum, quod nec vestigia servet
nec remoretur iter nec opertum pendeat alga;
myrtea silva subest bicoloribus obsita bacis.
est specus in medio, natura factus an arte,




235
nu wordt de zee over zandtoppen geleid;
het heeft een stevige ondergrond, die geen voetstap bewaart
en het voortgaan niet hindert of met alggroei bedekt is.
Een myrtebos ligt in de buurt, bezet met bessen in twee kleuren.
Middenin ligt een grot waarvan het onzeker is of hij natuurlijkerwijs of
ambiguum, magis arte tamen: quo saepe venire
frenato delphine sedens, Theti, nuda solebas.
illic te Peleus, ut somno vincta iacebas,
occupat, et quoniam precibus temptata repugnas,
vim parat, innectens ambobus colla lacertis;




240
door ambachtshand is vervaardigd, in ieder geval kunstzinnig: daarheen placht jij,
Thetis, naakt te gaan, op een getoomde dolfijn gezeten.
Daar randde Peleus jou aan toen je door slaap bedwongen terneerlag
en omdat je weerstand bood terwijl hij je met smeekbeden overlaadde,
ging hij tot geweld over en omstrengde je hals met beide zijn armen;
quod nisi venisses variatis saepe figuris
ad solitas artes, auso foret ille potitus;
sed modo tu volucris: volucrem tamen ille tenebat;
nunc gravis arbor eras: haerebat in arbore Peleus;
tertia forma fuit maculosae tigridis: illa




245
en als je je toevlucht niet had genomen tot allerlei gedaanteveranderingen
jouw beproefde tactiek, dan zou hij zeker in zijn opzet geslaagd zijn;
nu eens was je een vogel: slechts een vogel klemde hij vast;
dan weer was je een forse boom en hield Peleus zich vast aan die boom;
je derde gedaante was die van een gevlekte tijgerin:
territus Aeacides a corpore bracchia solvit.
inde deos pelagi vino super aequora fuso
et pecoris fibris et fumo turis adorat,
donec Carpathius medio de gurgite vates
'Aeacide,' dixit 'thalamis potiere petitis,




250
daardoor verschrikt maakte Peleus zijn armen pas los van je lichaam.
Hierna goot hij wijn uit over het water, offerde de zeegoden
schapenvlees en wierookgeur en bad tot hen
totdat de ziener Proteus midden uit zee opdook met de woorden:
'Zoon van Aeacus, jij zult je begeerde huwelijk verkrijgen
tu modo, cum rigido sopita quiescet in antro,
ignaram laqueis vincloque innecte tenaci.
nec te decipiat centum mentita figuras,
sed preme, quicquid erit, dum, quod fuit ante, reformet.'
dixerat haec Proteus et condidit aequore vultum




255
als je haar maar, wanneer ze in die starre grot ligt te slapen,
zonder dat ze het merkt met touwen en een stevige klem vastsnoert;
dan zal ze je niet meer ontsnappen, al verzint ze honderd gedaantes
nee, houd haar eronder, wat ze ook probeert, totdat ze weer wordt wat ze eerst was'.
- Na deze woorden verborg Proteus zijn gezicht in het water
admisitque suos in verba novissima fluctus.
Pronus erat Titan inclinatoque tenebat
Hesperium temone fretum, cum pulchra relicto
Nereis ingreditur consueta cubilia ponto;
vix bene virgineos Peleus invaserat artus:




260
en liet zijn golven weer over zijn woorden heen glijden.
- De zon neigde ter kimme en met afdalende wagen hield hij
de zee gevangen in avondgloed, toen de mooie Nereïde de zee verliet
en haar vertrouwde slaapplaats weer opzocht:
nauwelijks had Peleus zich van het meisje meester gemaakt
illa novat formas, donec sua membra teneri
sentit et in partes diversas bracchia tendi.
tum denum ingemuit, 'ne' que ait 'sine numine vincis,
exhibita estque Thetis': confessam amplectitur heros
et potitur votis ingentique inplet Achille.




265
of zij veranderde haar gedaantes, totdat zij merkte dat haar ledematen
vastgeklemd zaten en haar armen naar weerskanten werden uitgestrekt;
toen erkende zij met een zucht:'Niet zonder hulp van een god neem jij mij,
hier ligt dan Thetis als de jouwe': bij deze bekentenis omhelsde haar de held
en kreeg wat hij wenste en bezwangerde haar met de geweldige Achilles.
naar begin

Peleus en Ceyx, Daedalion, Chione.[Met.XI,266 - 345]

Felix et nato, felix et coniuge Peleus,
et cui, si demas iugulati crimina Phoci,
omnia contigerant: fraterno sanguine sontem
expulsumque domo patria Trachinia tellus
accipit. hic regnum sine vi, sine caede gerebat




270
- Gelukkig was Peleus om zijn zoon, gelukkig ook om zijn vrouw
alles was hem ten deel gevallen, als je het misdrijf van de wurging
van Phocos niet telde: bezoedeld door broederbloed
en verbannen uit zijn vaderstad heeft het land Trachis
hem opgenomen. Hier regeerde zonder geweld of bloedbad
Lucifero genitore satus patriumque nitorem
ore ferens Ceyx, illo qui tempore maestus
dissimilisque sui fratrem lugebat ademptum.
quo postquam Aeacides fessus curaque viaque
venit et intravit paucis comitantibus urbem,




275
Ceyx, de zoon van de ster Lucifer met de glans van zijn vader
op zijn gezicht, maar toen diep bedroefd en niet zichzelf
in rouw om de dood van zijn broer Daedalion.
Toen de zoon van Aeacus, Peleus, moe van zorg en trekken
hem bereikte en met een handvol metgezellen de stadspoort binnentrok,
quosque greges pecorum, quae secum armenta trahebat,
haut procul a muris sub opaca valle reliquit;
copia cum facta est adeundi prima tyranni,
velamenta manu praetendens supplice, qui sit
quoque satus, memorat, tantum sua crimina celat




280
liet hij de kudden schapen en runderen die hij bij zich had
voor de muren achter in een lommerrijk dal;
zodra hem de gelegenheid geboden werd tot audientie bij de vorst,
hield hij met smeekgebaar zijn staf vooruit en legde uit
wie hij was en van welke vader, alleen zijn misdrijf hield hij verborgen
mentiturque fugae causam; petit, urbe vel agro
se iuvet. hunc contra placido Trachinius ore
talibus adloquitur: 'mediae quoque commoda plebi
nostra patent, Peleu, nec inhospita regna tenemus;
adicis huic animo momenta potentia, clarum




285
en loog over de reden van zijn ballingschap; hij smeekte om een onderdak
in de stad of op het land. Tot hem sprak de Trachiniër op vriendelijke toon
als volgt: 'Ook voor gewone burgers staan onze voorzieningen open,
Peleus, wij heersen niet over een ongastvrij gebied;
jij voegt aan mijn welwillendheid nog extra lading toe, klinkende naam
nomen avumque Iovem; ne tempora perde precando!
quod petis, omne feres tuaque haec pro parte vocato,
qualiacumque vides! utinam meliora videres!'
et flebat: moveat tantos quae causa dolores,
Peleusque comitesque rogant; quibus ille profatur:




290
en afstamming van Juppiter; verlies geen tijd dus met gesmeek;
al wat je vraagt krijg je en noem het jouwe al wat je hier ziet,
in welke staat ook, ach zag je het maar gelukkiger!'.
en hij kon zijn tranen niet bedwingen. Peleus en zijn mannen vroegen
wat zo grote smart veroorzaakte, waarop hij bekende:
'forsitan hanc volucrem, rapto quae vivit et omnes
terret aves, semper pennas habuisse putetis:
vir fuit (et—tanta est animi constantia—iam tum
acer erat belloque ferox ad vimque paratus)
nomine Daedalion. illo genitore creatis,




295
'Misschien denken jullie dat deze vogel, de havik, die
van roof leeft en alles wat vleugels heeft schrik aanjaagt,
altijd vleugels gehad heeft:hij is een man geweest en - zo sterk is
karakter - was toen al driftig en krijgslustig en tot gewelddaad geneigd:
Daedalion genaamd. Van de zonen van die vader
qui vocat Auroram caeloque novissimus exit,
culta mihi pax est, pacis mihi cura tenendae
coniugiique fuit, fratri fera bella placebant:
illius virtus reges gentesque subegit,
quae nunc Thisbaeas agitat mutata columbas.




300
die de dageraad aankondigt en de hemel als laatste verlaat
ben ik de vredelievende en ben ik erop uit de vrede te bewaren
ook met mijn vrouw, maar mijn broer was tuk op oorlogsgeweld.
Zijn eerzucht onderwierp koningen en volken
die nu, in andere gedaante, de duiven van Thisbe verjaagt.
nata erat huic Chione, quae dotatissima forma
mille procos habuit, bis septem nubilis annis.
forte revertentes Phoebus Maiaque creatus,
ille suis Delphis, hic vertice Cyllenaeo,
videre hanc pariter, pariter traxere colorem.




305
- Hij had een dochter Chione, die, zeer gezegend met schoonheid,
op haar veertiende, huwelijksrijp, wel duizend gegadigden had.
Bij toeval kregen Apollo en Maia's zoon Mercurius, de eerste bij
terugkeer uit zijn Delphi, de laatste vanaf de top van Cyllene,
haar tegelijk in het oog en verschoten tegelijk ook van kleur.
spem veneris differt in tempora noctis Apollo;
non fert ille moras virgaque movente soporem
virginis os tangit: tactu iacet illa potenti
vimque dei patitur; nox caelum sparserat astris:
Phoebus anum simulat praereptaque gaudia sumit.




310
Zijn hoop op vrijen stelt Apollo uit tot nachtelijke uren maar de ander
verdraagt geen uitstel en hij raakt met zijn slaapverwekkende staf
het gezicht van het meisje aan: door de machtige aanraking; ligt zij dan
machteloos neer en moet de verkrachting door de god wel gedogen.
De nacht had een sterrenrijke hemel: Phoebus deed zich voor als oud vrouwtje,
ut sua maturus conplevit tempora venter,
alipedis de stirpe dei versuta propago
nascitur Autolycus furtum ingeniosus ad omne,
candida de nigris et de candentibus atra
qui facere adsuerat, patriae non degener artis;




315
en genoot zijn voorgenomen lust. Toen de baarmoeder van Chione
haar tijd had volbracht, werd als sluwe telg van de behendige,
vleugelvoetige: Autolycus geboren, gehaaid in alle bedrog,
die wit van zwart kon maken maar ook zwart van wit,
zijn vaders kunsten niet onwaardig.
nascitur e Phoebo (namque est enixa gemellos)
carmine vocali clarus citharaque Philammon.
quid peperisse duos et dis placuisse duobus
et forti genitore et progenitore nitenti
esse satam prodest? an obest quoque gloria multis?




320
Uit Phoebus werd [het was namelijk een tweeling]
Philammon geboren, beroemd om zijn zang en citherspel.
Maar wat baat het twee kinderen gebaard te hebben en twee goden
bevredigd? En ook nog de dochter te zijn van een machtige vader en
een schitterendegrootvader: is roem niet ook schadeljk voor velen?
obfuit huic certe! quae se praeferre Dianae
sustinuit faciemque deae culpavit, at illi
ira ferox mota est "factis" que "placebimus" inquit.
nec mora, curvavit cornu nervoque sagittam
inpulit et meritam traiecit harundine linguam.




325
Voor haar was die zeker schadelijk, daar ze het durfde zich te verheffen
boven Diana en over haar schoonheid te smalen; die ontstak toen
in ziedende toorn en zei: 'Dat zullen we jou betaald zetten",
en meteen schoot zij met boog en pees een pijl af
en doorboorde met de schacht de schuldige tong.
lingua tacet, nec vox temptataque verba sequuntur,
conantemque loqui cum sanguine vita reliquit;
quam miser amplexans ego tum patriumque dolorem
corde tuli fratrique pio solacia dixi,
quae pater haut aliter quam cautes murmura ponti




330
Die tong zwijgt nu en geen geluid krijgen de geprobeerde woorden
en terwijl ze nog poogt te spreken verlaat haar met het bloed het leven.
Wat heb ik toen, bedroefd, de smart van mijn vader in mijn verknochte hart
gevoeld en mijn broer omhelsd en troostend toegesproken!
Die troost heeft mijn vader niet anders ondergaan dan een rots
accipit et natam delamentatur ademptam;
ut vero ardentem vidit, quater impetus illi
in medios fuit ire rogos, quater inde repulsus
concita membra fugae mandat similisque iuvenco
spicula crabronum pressa cervice gerenti,




335
de branding van de zee en rouwde om zijn dochters dood.
Toen hij haar echter op de brandstapel zag, beving hem tot vier maal toe
de aandrang de vlammen in te lopen, vier maal tegengehouden
sloeg hij verwilderd op de vlucht en gelijk een jonge stier
die horzelsteken voelt op zijn door juk gedrukte kop,
qua via nulla, ruit. iam tum mihi currere visus
plus homine est, alasque pedes sumpsisse putares.
effugit ergo omnes veloxque cupidine leti
vertice Parnasi potitur; miseratus Apollo,
cum se Daedalion saxo misisset ab alto,




340
joeg hij langs onbegaanbaar pad: toen al leek hij mij in draf
meer te zijn dan mens: je had zijn voeten vleugels kunnen achten.
Hij vluchtte bij ons allen weg en snel door doodsverlangen
klom hij naar Parnassus' top: maar toen Daedalion zich vanaf
een hoge rots gestort had ontfermde Apollo zich over hem en
fecit avem et subitis pendentem sustulit alis
oraque adunca dedit, curvos dedit unguibus hamos,
virtutem antiquam, maiores corpore vires,
et nunc accipiter, nulli satis aequus, in omnes
saevit aves aliisque dolens fit causa dolendi.'




345
maakte hem een vogel en wijzigde zijn val met ploselinge vleugels;
hij gaf hem een kromme snavel en gekromde klauwen
naast zijn oude vechtlust, en meer dan grote lichaamskracht.
Nu, als havik, raast hij tegen alle vogels,
en zaait ellende bij anderen doordat hij zelf lijdt.

naar begin

Terug naar inhoudsopgave Metamorfosen

Terug naar Home


20/5/'17